Begrotingstekort (van het Rijk)

Het negatieve verschil tussen uitgaven en ontvangsten op de rijksbegroting, ofwel het totale bedrag dat de overheid jaarlijks moet lenen (bruto beroep op de kapitaalmarkt).

De overheidsuitgaven zijn in een bepaald jaar 200 miljard euro. Daarin zit 20 miljard voor schuldaflossing en 5 miljard voor kredietverlening.

De ontvangsten van de overheid zijn in dat jaar 180 miljard euro, daarin zit 3 miljard wegens de verkoop van staatsdeelnemingen.

Hoe groot is nu de omvang van het begrotingssaldo, het financieringssaldo en het vorderingensaldo?

Het begrotingstekort bedraagt 20 miljard euro. Dit is het verschil tussen de totale uitgaven van 200 miljard en de totale ontvangsten van 180 miljard.

In de uitgaven is 20 miljard begrepen voor schuldaflossing. Deze blijven bij de bepaling van het financieringssaldo buiten beschouwing. Het financieringssaldo komt dus uit op nul.

Om het vorderingensaldo te berekenen blijft de 5 miljard kredietverlening bij de uitgaven buiten beschouwing (= 175), bij de ontvangsten blijft 3 miljard wegens verkoop van staatsdeelnemingen buiten beschouwing (= 177). Het vorderingenoverschot (van de gecorrigeerde ontvangsten over de gecorrigeerde uitgaven) bedraagt dus 2 miljard euro.

Print Friendly, PDF & Email