Betalingsbalans

De betalingsbalans is het overzicht van betalingen tussen ingezetenen van een land en alle andere landen over een bepaalde periode.
Het is geen echte balans waar bezittingen en schulden op staan, maar het is een overzicht van ontvangsten en uitgaven.

Opbouw van de betalingsbalans

De betalingsbalans is onderverdeeld in vijf rekeningen:

  • Rekening 1: De goederenrekening of Handelsbalans
  • Rekening 2: De dienstenrekening
  • Rekening 3: De inkomensrekening

Deze drie rekeningen samen worden de lopende rekening genoemd.

  • Rekening 4: De kapitaalrekening
  • Rekening 5: De goud- en deviezenrekening

De lopende rekening

De lopende rekening weerspiegelt het netto-inkomen van een land, met andere woorden ze beïnvloeden de hoogte van het nationaal inkomen.

De lopende rekening bestaat dus uit drie deelrekeningen:

  1. De goederenrekening ofwel de handelsbalans. Op deze rekening worden in geld de invoer en uitvoer van goederen geregistreerd.
  2. De dienstenrekening. Op deze rekening worden in geld de invoer en uitvoer van diensten zoals transport en toerisme geregistreerd.
  3. De inkomensrekening. Op deze rekening worden in geld geregistreerd de primaire inkomens – loon, rente, winst en pacht – die ingezetenen van Nederland ontvangen voor het beschikbaar stellen van productiefactoren aan het buitenland en de primaire inkomens die aan het buitenland worden betaald.

Ook worden op deze rekening de inkomens in geld geregistreerd die aan of door het buitenland worden betaald zonder dat er een tegenprestatie tegenover staat: uitkeringen uit of naar het buitenland, ontvangsten en uitgaven aan de EU, schenkingen aan het buitenland vanwege rampen en ontwikkelingshulp. Voor inkomensoverdrachten hoeven geen productiefactoren opgeofferd te worden en is voornamelijk consumptief van aard.

Schema Lopende rekening

goederen-diensten-inkomensrekening2
Als van deze drie deelrekeningen het saldo wordt bepaald spreken we over het saldo op de lopende rekening.

De kapitaalrekening

De kapitaalrekening laat de netto verandering van het nationale vermogen van een land zien. Een overschot op de kapitaalrekening in een land betekent dat er geld het land binnenstroomt, een tekort op de kapitaalrekening betekent dat er geld het land uitstroomt.

kapitaalrekening

Materieel evenwicht

>De betalingsbalans is in materieel evenwicht als de totaaltellingen van de lopende rekening en de kapitaalrekening links en rechts gelijk zijn.

Formeel evenwicht

Is de betalingsbalans niet in materieel evenwicht dan wordt deze boekhoudkundig in evenwicht gebracht met de vijfde rekening van de betalingsbalans: de goud- en deviezenrekening.

goud-deviezenrekening

Betalingsbalansoverschot / betalingsbalanstekort:

Is de totaaltelling debet groter dan de totaaltelling credit – de ontvangsten zijn groter dan de uitgaven – dan komt er per saldo geld uit het buitenland.

Is de totaaltelling debet kleiner dan de totaaltelling credit – de ontvangsten zijn kleiner dan de uitgaven – dan gaat er per saldo geld naar het buitenland.

Een voorbeeld

Gegevens: (alle bedragen in miljarden euro’s)

  • Ontvangen kredieten/leningen: 10
  • Export van diensten: 6
  • Betaalde inkomens: 12
  • Export van goederen: 15
  • Ontvangen rente: 5
  • Verleende ontwikkelingshulp: 2
  • Betaalde rente: 3
  • Ontvangen inkomens: 10
  • Import van diensten: 5
  • Verleende kredieten/leningen: 12
  • Import van goederen: 9

De betalingsbalans ziet er dan als volgt uit

betalingsbalans 1-4
Er is dus geen materieel evenwicht op de betalingsbalans (de debet- en credittellingen zijn niet aan elkaar gelijk). Daarom moet de betalingsbalans formeel in evenwicht gebracht worden met behulp van de goud- en deviezenrekening.
goud-deviezen 5
De betalingsbalans is nu formeel in evenwicht.

Conclusie:

Per saldo komt er een bedrag van 3 het land in; de toename van de goud- en deviezenvoorraad is 3

Vraag en aanbod op de valutamarkt

Consumenten buiten Euroland die Nederlandse goederen en diensten willen kopen, moeten deze betalen met euro’s. Ze zullen de euro’s moeten kopen om de Nederlandse bedrijven mee te betalen. Zelfs als de Nederlandse bedrijven het goedvinden dat ze met hun eigen munten (bv. dollars) betalen dan zullen die Nederlandse bedrijven deze munten om gaan ruilen voor euro’s omdat ze daarmee hun leveranciers (in Euroland) en hun personeel moeten betalen en die willen euro’s. Export van goederen en diensten door Nederlandse bedrijven naar landen buiten euroland betekent dus vraag naar de euro.

Naast het exporteren van goederen en diensten wordt de vraag naar euro’s ook door andere transacties beïnvloed. Een aantal voorbeelden zijn:

  • Nederlandse werknemers die voor een buitenlands bedrijf werken ontvangen hun salaris in vreemde valuta en zetten dat om in euro’s.
  • Nederlandse bedrijven met vestigingen in het buitenland zetten hun in het buitenland behaalde winsten om in euro’s.
  • Mensen met spaargeld in het buitenland of buitenlandse aandelen zetten de rente en winst om in euro’s.
  • Mensen van buiten Euroland zetten hun geld hier op een spaarrekening, kopen hier aandelen of investeren in Nederland. Hiervoor zetten ze hun eigen valuta om in euro’s. Dit wordt kapitaalimport genoemd.

Er zijn dus vier soorten transacties die leiden tot meer vraag naar euro’s:

  • De export van goederen vanuit Eurolanden naar niet-Eurolanden.
  • De export van diensten vanuit Eurolanden naar niet-Eurolanden.
  • Het binnenkomen van inkomen (loon, rente, winst) vanuit niet-Eurolanden.
  • Het binnenkomen van kapitaal (voor de renteopbrengst of om te investeren) vanuit niet-Eurolanden.

De koers van de euro wordt bepaald door vraag en aanbod van de euro. Bij het aanbod van euro’s gaat het om dezelfde factoren als bij de vraag naar euro’s, maar dan in tegengestelde richting. De vraag naar euro’s wordt groter door de export vanuit Nederland naar niet-Eurolanden, het aanbod wordt groter door meer import door Nederland vanuit niet-Eurolanden.

De betalingsbalans en koersveranderingen

Vraag en aanbod van een valuta zijn het gevolg van financiële transacties. En de omvang van alle internationale transacties staan soort bij soort op de betalingsbalans. Op deze manier is er dus een verband te zien tussen wat er op de betalingsbalans staat en de verandering van de wisselkoers.

Er zijn bijvoorbeeld internationale geldstromen als gevolg van de export van goederen door een land. Die zorgen voor de vraag naar de munt van het land. De omvang van de vraag naar de munt staat hiervan aan de linkerkant op de goederenrekening van de betalingsbalans van dat land (in de eigen munt) aan de andere kant van deze handelsbalans staat het bedrag (in de eigen munt genoteerd) waarvoor goederen zijn geïmporteerd en dat het totale aanbod van de munt weergeeft. En dit verhaal geldt voor zowel de lopende rekening als de kapitaalrekening.

Kortom: de linkerkant van de Betalingsbalans zorgt voor vraag naar de munt van dat land en de rechterkant van de Betalingsbalans zorgt voor aanbod van de munt van dat land. Als de inkomende geldstroom groter is dan uitgaande geldstroom, dan is de vraag naar de munt groter dan het aanbod van de munt en zal de koers daardoor stijgen.

betalingsbalans VA

Wisselkoersbewegingen

De prijs van het product en de wisselkoers samen bepalen of er internationaal gehandeld wordt of niet. Als de prijzen in Nederland harder stijgen dan in de VS, is de inflatie in Nederland is groter dan die in de VS. De Nederlandse producten worden duurder en de Amerikanen zullen dus minder bij ons kopen. De Nederlandse export daalt en hierdoor daalt de koers van de euro. Door die gedaalde koers van de euro worden de producten uit Nederland weer iets goedkoper voor de Amerikanen die weer iets meer naar onze producten gaan vragen.

In die landen of economische blokken waar de ondernemingen hun productieprocessen verbeteren om nog efficiënter te kunnen produceren zal de inflatie laag zijn. Deze ondernemingen kunnen internationaal hun producten beter kwijt, dat betekent meer vraag naar hun producten en dus ook naar hun munt, waardoor de koers van die munt stijgt.

In landen waar de lonen harder stijgen dan de arbeidsproductiviteit, worden de producten duurder. Daar gaat de inflatie dan harder dan in andere landen. De concurrentiepositie van de bedrijven in die landen verslechtert en dat leidt tot minder export, minder vraag naar de munt van die landen en een dalende koers voor die landen.

Een koersdaling ervoor zorgt dat de producten van die landen, die te duur waren in het buitenland, door de koersdaling weer wat goedkoper worden, zodat de export weer wat toeneemt.

schema wisselkoers-concurrentieverhouding

Een koersstijging is dus niet per definitie goed voor de economie van een land net zomin als een koersdaling per definitie slecht is. Uit de praktijk blijkt wel dat het voor de economie van een land goed is als de koers stabiel is en niet steeds hevig schommelt. Koersschommelingen zorgen voor onzekerheid en maken bedrijven bang om contracten te sluiten omdat ze niet weten wat de koers zal gaan doen.

Het is ook niet goed voor de economie van een land als de koers voortdurend daalt. Buitenlandse consumenten en producenten verliezen dan het vertrouwen in die munt en willen die munt niet meer. Dat betekent dat het aanbod van die munt toeneemt en de vraag daalt zodat de koers nog verder daalt. De munt kan dan internationaal onbruikbaar worden en dan kan het land vrijwel geen handel meer drijven met het buitenland.

De ontwikkelingen rond de inflatie, de export en import en de wisselkoers hebben vooral betrekking op de langere termijn. Het kost even tijd voor er een nieuw evenwicht ontstaat.

Wisselkoersbewegingen op de korte termijn

Op de korte termijn spelen andere factoren een rol die van invloed zijn op de koers van een munt. Mensen en bedrijven zijn voortdurend bezig hun geld zo goed mogelijk te beleggen. Ze zijn op zoek naar het hoogste rendement, zoveel mogelijk rente of winst. En daarbij kijken ze ook over de grenzen heen.

Als de rente in de VS 6% is en in Nederland maar 4%, is het interessant om spaargeld om te zetten in dollars en op een Amerikaanse bank te zetten. Als dit omzetten op grote schaal gebeurd, betekent dit vraag naar dollars en de koers van de dollar stijgt. Ook het kopen van Amerikaanse aandelen door Europeanen leidt op deze manier tot meer vraag naar de dollar en een hogere koers. Grote pensioenfondsen of levensverzekeringsmaatschappijen hebben vanwege de grote bedragen waar zij mee werken  invloed op de koers.

Renteverschillen tussen landen hebben dus invloed op de geldstromen tussen landen. Het land met de hoogste rente trekt beleggers aan en ziet de vraag naar zijn munt toenemen en daarmee de koers stijgen. Al deze transacties komen op de kapitaalrekening van de betalingsbalans terecht.

De laatste tientallen jaren is het effect van deze kapitaaltransacties op de koers erg groot geworden. De koers van een munt is dan meer het resultaat van kapitaalstromen die over de gehele wereld gaan dan van de goederenstromen. Deze kapitaalstromen reageren snel op veranderende situaties waardoor de koersen op de korte termijn flink kunnen schommelen.

Speculanten, mensen die proberen geld te verdienen door te gokken op toekomstige gebeurtenissen, weten hoe dit werkt. Als zij dus vermoeden dat de rente in Amerika wel eens zou kunnen gaan stijgen dan kopen zij vast dollars omdat die meer waard worden als de rente echt stijgt. Zo zal de stijging van de koers al plaatsvinden voordat de rente echt stijgt. Als die rente dan eenmaal stijgt dan zal de stijging van de koers niet meer zo groot zijn omdat de speculanten dan hun meer waard geworden dollars weer verkopen.

Samengevat kan gezegd worden dat de inflatie en de rente twee hele belangrijke factoren zijn die invloed hebben op internationale financiële transacties en daarmee de koers van een valuta. De inflatie heeft vooral invloed op de goederen en diensten en dus op de lopende rekening van de betalingsbalans en de rente vooral op de kapitaalstromen die op zoek zijn naar hoog rendement en op de kapitaalbalans genoteerd staan, dus: de kapitaalstromen hebben vooral invloed op de korte termijn en de goederen- en dienstentransacties vooral op langere termijn.

Overheidsingrijpen

Een overheid kan in een markt ingrijpen als de uitkomst van de markt strijdig is met het “algemeen belang”. Ook op de valutamarkt komt overheidsingrijpen voor.

Als de politieke meerderheid in een land vindt dat de koers van zijn munt te laag is voor de eigen economie, kan ze besluiten hier iets aan te doen. De centrale bank van dat land kan met de voorraad buitenlandse valuta die ze beheert de eigen munt gaan opkopen. Zo komt er meer vraag naar de eigen munt en stijgt de koers.

De centrale bank kan ook proberen de vraag naar de eigen munt te vergroten met het rente-instrument. De centrale bank kan de rente verhogen die de gewone banken moeten betalen voor een lening bij de centrale bank. Deze gewone banken rekenen hun klanten ook weer een hogere rente en geven ook een hogere rente voor spaargeld. Deze hogere rente lokt buitenlandse beleggers naar dit land, die eerst hun eigen munt omwisselen voor de munt van dit land. Zo ontstaat er meer vraag naar de munt van dit land en stijgt de koers.

De Nederlandse betalingsbalans 2011, 2012 en 2013

Alle bedragen in miljoenen euro’s

2011 2012 2013
Goederenrekening
Uitvoer van goederen 398.744 423.457 426.314
Invoer van goederen 333.824 354.664 351.745
Saldo goederenverkeer 64.920 68.793 74.569
Dienstenrekening
Uitvoer van diensten 98.603 102.102 106.872
Invoer van diensten 108.620 112.670 115.032
Saldo dienstenverkeer – 10.017 – 10.568 -8.160
Inkomensrekening
Ontvangen inkomens 242.329 235.269 221.147
Uitgaande inkomens 240.428 228.862 221.622
Saldo inkomens 1.901 6.407 – 475
Saldo lopende rekening 56.804 64.632 65.935
Kapitaalrekening
Ontvangsten 2.894 2.812 3.870
Uitgaven 2.507 11.821 3.486
Saldo kapitaalrekening 386 −9.009 384
Toename officiële reserves
Deviezenvoorraad 57.190 55.623 66.319
Bruto Binnenland Product BBP 642.929 640.644 642.851

Bron: DNB, 1 februari 2015 (uittreksel volgens de nieuwe berekeningswijze).
De Nederlandse economie is een erg open economie. Er vinden veel transacties plaats tussen Nederland en het buitenland. Er zijn een aantal voordelen voor de burgers van een land met een open economie. Een belangrijk voordeel is dat de burger uit een veel grotere verscheidenheid aan goederen en diensten kan kiezen. Daarnaast zijn deze goederen en diensten vaak goedkoper. Daarnaast hebben consumenten de mogelijkheid hun spaargeld buiten het eigen land te investeren. Zij beschikken dus over meer investeringsmogelijkheden.

Dat de economie van Nederland zo open is blijkt uit de exportquote: de exportwaarde van goederen en diensten in procenten van het BBP.

In 2010 was de exportquote: 360.150 ÷ 586.789 x 100% = 61,4%.

In 2011 was de exportquote: 395.205 ÷ 599.047 x 100% = 66%.

In 2012 was de exportquote: 418.513 ÷ 599.338 x 100% = 69,8%.

Print Friendly, PDF & Email