BEP Tomado

Break even punt

Iedere ondernemer van een bedrijf zal graag willen weten welke afzet of omzet hij moet realiseren om tenminste zijn kosten goed te maken. Dit punt, waarbij de totale kosten precies gedekt worden door de omzet noemen we het break-even punt.

Constante en variabele kosten

Nu heeft iedere onderneming constante kosten, ook wel vaste kosten genoemd, en variabele kosten. De totale constante kosten zijn kosten die niet veranderen met de productieomvang, met andere woorden: of de onderneming nu wel of niet produceert, de totale constante kosten blijven gelijk. Voorbeelden van deze totale constante kosten zijn de kosten van het gebouw, afschrijvingskosten van de machines, loonkosten van het vaste personeel. Deze kosten moeten betaald worden of er nu geproduceerd wordt of niet.

Ieder produkt dat de onderneming maakt en verkoopt brengt ook variabele kosten met zich mee, kosten die afhankelijk zijn van de productieomvang. Zo hoeft een bedrijf dat 1 product maakt, ook maar voor 1 product materiaal in te kopen. Maken ze 1000 producten, dan moet voor 1000 producten materiaal gekocht worden. Voorbeelden van variabele kosten zijn dus materiaalkosten en arbeidskosten.

Berekening van het Break-even punt

Om winst op een product te kunnen maken, moet een ondernemer dus weten hoeveel producten hij moet maken en verkopen om de totale constante kosten én de totale variabele kosten goed te maken. Hij moet dus weten wanneer die twee aan elkaar gelijk zijn.

Om dat te berekenen kunnen een aantal formules gebruikt worden, die allemaal hetzelfde resultaat geven.

TO = TK

TO = TCK + TVK

P x Q = TCK + (GVK x Q)

TO = P x Q

TO staat voor Totale Opbrengst
TK staat voor Totale Kosten
TCK staat voor Totale Constante Kosten
TVK staat voor Totale Variabele Kosten
P staat voor Verkoopprijs per stuk
Q staat voor de Hoeveelheid geproduceert en verkocht
GVK staat voor de Gemiddelde Variabele Kosten = de variabele kosten per stuk

Een voorbeeld

Tomado, een bedrijf dat huishoudelijke apparaten maakt, wil een nieuwe keukenmachine op de markt brengen.

De marketingafdeling heeft onderzocht hoeveel apparaten ze zullen verkopen bij verschillende verkoopprijzen. Bij een verkoopprijs van € 125 worden 900 apparaten verkocht, bij een verkoopprijs van € 90 worden er 2000 verkocht.

De productieafdeling heeft berekend dat de investering voor het maken van de keukenmachine € 75000 bedraagt en dat de kosten van arbeid en materiaal € 50 per stuk is.

Nu moet jij als ondernemer de beslissing nemen tegen welke verkoopprijs je de keukenmachine gaat maken.

Berekening

Je moet eerst uitrekenen hoeveel keukenmachines je moet maken om uit de kosten te komen. Je weet dat de TCK € 75000 zijn en de GVK € 50 zijn; de P is € 125 óf € 90 en dat TO gelijk moet zijn aan TK.

Situatie 1: P = € 125

TO = P x Q. De P is bekend, € 125, maar de Q niet. Dus TO = 125 x Q.

TK = TCK + (GVK x Q). TCK (€ 75000) en GVK (€ 50) zijn bekend, maar de Q niet. Dus TK = 75000 + 50 x Q.

In beide vergelijkingen hebben we 1 onbekende, de Q.

Als we nu TO gelijkstellen aan TK staat er aan beide kanten van het =-teken 1 onbekende en die kunnen we nu uitrekenen.

TO = TK → 125Q = 75000 + 50Q → 125Q – 50Q = 75000 → 75Q = 75000 → Q = 75000 / 75 = 1000. Dat betekent dus dat er 1000 keukenmachines gemaakt en verkocht moeten worden om uit de kosten te komen. De marketingafdeling verwacht dat er maar 900 verkocht zullen worden tegen een verkoopprijs van € 125, dus dit is een hopeloze zaak.

Situatie 2: P = € 90

TO = P x Q. De P is bekend, € 90, maar de Q niet. Dus TO = 90 x Q.

TK = TCK + (GVK x Q). TCK (€ 75000) en GVK (€ 50) zijn bekend, maar de Q niet. Dus TK = 75000 + 50 x Q.

In beide vergelijkingen hebben we 1 onbekende, de Q.

Als we nu TO gelijkstellen aan TK staat er aan beide kanten van het =-teken 1 onbekende en die kunnen we nu uitrekenen.

TO = TK → 90Q = 75000 + 50Q → 90Q – 50Q = 75000 → 40Q = 75000 → Q = 75000 / 40 = 1875. Dat betekent dus dat er 1875 keukenmachines gemaakt en verkocht moeten worden om uit de kosten te komen. De marketingafdeling verwacht dat er 2000 verkocht zullen worden tegen een verkoopprijs van € 90, dus dit is een rendabele zaak en Tomado gaat vanaf exemplaar 1876 winst maken.

Alternatieve berekening

Zoals je hebt kunnen zien is het verschil tussen de verkoopprijs van een produkt en de variabele kosten van dat produkt het bedrag dat we nodig hebben om de Totale Constante Kosten goed te maken. Dat bedrag noemt men de dekkingsbijdrage van het produkt. Deze dekkingsbijdrage dient dus tot dekking van de constante kosten en vervolgens tot het maken van winst.

Hiermee kunnen we op een andere manier het aantal berekenen wat nodig is om quitte te spelen. Het aantal produkten dat verkocht moet worden om het break-even punt te bereiken wordt dan als volgt berekend:

Break-even afzet = TCK / (P – GVK)

Break-even afzet = € 75000 / (€ 90 – € 50) = € 75000 / € 40 = 1875

Break-even afzet en Break-even omzet

Bij het berekenen van het Break-even punt moet goed opgelet worden wat precies gevraagd wordt: wordt er gevraagd naar de Break-even afzet of de Break-even omzet?

De Break-even afzet gaat om een aantal, de Q in het evenwicht. De Break-even omzet gaat om geld, de TO in het evenwicht.

De Break-even omzet bij een P van € 125 is dus: P x Q = € 125 x 1000 = € 125.000.

De Break-even omzet bij een P van € 90 is dus: P x Q = € 90 x 1875 = € 168.750.

Grafische voorstelling van het Break-even punt bij P = € 90

In het voorgaande is gesteld dat in het break-even punt de Totale Kosten (TK) van de onderneming gelijk zijn aan de Totale Opbrengst (TO) uit de verkoop van produkten. In de grafiek wordt dit weergegeven door het snijpunt van de totale kostenlijn (TK) en de totale opbrengstlijn (TO). De totale opbrengstlijn begint altijd in het nulpunt omdat als er geen produkten verkocht worden er ook geen opbrengst is. De lijn van de totale kosten begint op de hoogte van de totale constante kosten (TCK in de figuur) want ook als de afzet nul is heeft de onderneming constante kosten.

BEP Tomado

Zoals je aan de afbeelding kunt zien starten de TO en de TCK vanuit de oorsprong. Dat is natuurlijk logisch, want als je niets maakt en niets verkoopt heb je geen variabele kosten en ook geen opbrengst. De TCK is bij iedere productieomvang gelijk en is daarom een horizontale lijn in de grafiek. De TK is dan ook de optelling van de TCK en de TVK; daarom start de TK op hetzelfde punt als de TCK.

Ω

Print Friendly, PDF & Email