Duitse minimalisten. 2010 TV1

Nederland kent vanaf 1974 een wettelijk minimumloon. Alle werknemers van 15 tot 65 jaar die betaalde arbeid verrichten, hebben recht op een bepaald minimumloon per gewerkt uur. Dit minimumloon vormt de basis voor loonafspraken in de collectieve arbeidsovereenkomsten (cao) die in Nederland worden afgesloten. In Duitsland is er géén algemene wettelijke minimumloonregeling. Een mogelijke invoering van zo’n wettelijk minimumloon is bij onze oosterburen een politiek en maatschappelijk gevoelig thema.

Vraag 1

Leg uit dat het afsluiten van cao’s kan leiden tot meeliftgedrag van werknemers.

Antwoord vraag 1

Cao’s worden afgesloten door vakbonden (werknemersverenigingen) en werkgeversverenigingen. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan een afgesloten cao algemeen verbindend verklaren; vanaf dan geldt de cao voor iedereen in de betreffende bedrijfstak. Werknemers die niet aangesloten zijn bij een vakbond profiteren dan ook van de afspraken die gemaakt zijn in de cao: ze liften mee met vakbondsleden zonder dat ze contributie betalen.

 

Jasper is leerling in een 5 Havo klas van een school in Oldenzaal. Hij kent leeftijdgenoten die in Duitsland in een Aldi supermarkt werken en voor hetzelfde werk minder per uur verdienen dan hij verdient bij Aldi in Oldenzaal. “Hoe kan dat”, vraagt hij zich af. Zijn leraar economie vertelt dat dit te maken kan hebben met het feit dat er in Duitsland geen minimumloonregeling is. Om dit uit te leggen, toont hij een modelmatige weergave van de Duitse arbeidsmarkt (bron 1) en stelt: “In deze grafiek wordt de arbeidsmarkt van Duitsland voorgesteld als een markt van volkomen concurrentie met een evenwichtsloon van 9 euro per uur. In werkelijkheid voldoet een arbeidsmarkt van een land niet aan alle kenmerken van deze marktvorm, maar deze modelmatige weergave kan je helpen om de werking van de arbeidsmarkt en het effect van een minimumloon te begrijpen.”

Bron 1
Bron 1
Vraag 2

Noem twee kenmerken van de marktvorm volkomen concurrentie en licht toe waarom een arbeidsmarkt van een land niet aan deze kenmerken voldoet.

Antwoord vraag 2

Kenmerken van volkomen concurrentie zijn:

Vrije prijsvorming op basis van vraag en aanbod. Loonvorming op de arbeidsmarkt wordt deels gereguleerd door de overheid – minimumloon en maximumloon (Balkenende-norm – en door cao-afspraken gemaakt door werknemers- en werkgeversverenigingen. Er is op de arbeidsmarkt dus geen vrije prijsvorming.

Homogeen product. Arbeid is niet homogeen omdat de aanbieders van arbeid verschillende scholing, ervaring, vaardigheden enzovoort hebben. Arbeid is dus niet homogeen.

Vrije toetreding. Werknemers kunnen niet vrij toetreden vanwege diploma-eisen, werkvergunningen enzovoort. Ook zijn zij vaak gebonden aan hun woonplaats wat vrije toetreding belemmert. De arbeidsmarkt kent dus geen vrije toetreding.

Transparantie. Zowel werkgevers als werknemers beschikken niet over alle informatie over de arbeidsmarkt. De arbeidsmarkt is dus niet transparant.

 

De leraar vervolgt: “Bij een loon van 9 euro per uur is het totaal van werknemerssurplus plus werkgeverssurplus maximaal. Stel dat de Duitse regering een wettelijk minimumloon invoert van 10 euro per uur. Het totale surplus zal kleiner worden. Er zijn in Duitsland voor- en tegenstanders van invoering van een wettelijk minimumloon. Werknemersorganisaties zullen blij zijn en beredeneren dat dit de welvaart van hun leden zal verhogen. Economen echter waarschuwen dat invoering van een wettelijk minimumloon ten koste zal gaan van werkgelegenheid en uiteindelijk kan leiden tot welvaartsverlies in Duitsland.”

Vraag 3

Laat met een berekening zien hoeveel werkgelegenheid er in Duitsland zou verdwijnen door invoering van een minimumloon van 10 euro per uur. Gebruik hiervoor bron 1.

Antwoord vraag 3

In de grafiek van bron 1 is te zien dat bij het evenwichtsloon van € 9 de vraag 40 miljoen personenis. Bij het minimumloon van € 10 is de vraag 35 miljoen personen. Het verlies van werkgelegenheid is dus 5 miljoen personen.

 

Leerlingen krijgen de opdracht om de bewering van de economen, dat invoering van een wettelijk minimumloon uiteindelijk kan leiden tot welvaartsverlies in Duitsland, te illustreren met behulp van de grafiek van bron 2.

Bron 2
Bron 2

Enkele leerlingantwoorden staan hieronder. Eén van deze antwoorden is juist.

  • Jasper: “Het werkgeverssurplus zal toenemen met 35 miljoen (B) en het werknemerssurplus neemt af met 37,5 miljoen (B + E), dus de welvaart zal dalen met 2,5 miljoen.”
  • Yamina: “Het werkgeverssurplus zal afnemen met 37,5 miljoen (B + E) en het werknemerssurplus neemt toe met 32,5 miljoen (B − F), dus de welvaart zal dalen met 5 miljoen.”
  • Pieter: “Het werkgeverssurplus zal afnemen met 35 miljoen (B) en het werknemerssurplus neemt toe met 37,5 miljoen (B + E), dus de welvaart zal dalen met 2,5 miljoen.”
Vraag 4

Welke van de drie leerlingantwoorden is de juiste? Verklaar het antwoord met behulp van bron 2.

Antwoord vraag 4

In bron 2 vertegenwoordigt de aanbodlijn de werknemers en de vraaglijn de werkgevers.

Daarom heeft Yamina gelijk.

In de evenwichtssituatie bij een loon van € 9

  • was het werkgeverssurplus C + D + F
  • en het werknemerssurplus A + B + E.

Bij het minimumloon van € 10

  • is het werkgeverssurplus B + C + D
  • en het werknemerssurplus A.

Het werkgeverssurplus is dus gedaald met B + E = € 35 miljoen + € 2,5 miljoen = € 37,5 miljoen

Het werknemerssurplus stijgt met B – F = € 35 miljoen – € 2,5 miljoen = € 32,5 miljoen.

Het verschil is dus € 5 miljoen.

 

Ω