Economische groei (samenvatting)

Economische groei

Introductie

Al meer dan een halve eeuw groeit de Nederlandse economie vrijwel zonder onderbreking jaar na jaar, met een gemiddelde (trend) van ongeveer 2% per jaar. Het ene jaar sterker dan het andere, maar er is vrijwel altijd groei. Mocht de economie in 2009 krimpen en er dus minder wordt geproduceerd en verdiend, en daar lijkt het sterk op, dan is dat dus echt wel historisch nieuws. Sinds WO II zal dat dan pas de derde keer zijn in de Nederlandse economische geschiedenis! De productie ging een procentje achteruit in 1957/58 en in 1980/81.

In de volgende twee grafieken staat de realiteit van de laatste 10 jaar weergegeven. In de bovenste grafiek staat de ontwikkeling van de nationale productie (BBP) of het nationaal inkomen. In de onderste staan de groeicijfers ervan, de relatieve verandering. Cijfers wijzen verder uit dat in Nederland het gemiddelde inkomen tot het hoogste van de wereld behoort, en dat vrijwel nergens in de wereld het verdiende inkomen zo gelijk wordt verdeeld als in Nederland.

trendgroei

Groei meten

Bij groei worden er in een economie meer goederen en diensten gemaakt. De samenleving krijgt dus de beschikking over meer producten en diensten, door economen kortweg goederen genoemd.

Aan alle geproduceerde goederen wordt een geldwaarde toegekend en zo kan de nationale productie – en dus de groei van de nationale productie − bepaald worden. Hierbij wordt alleen gekeken naar de productie van goederen die bij bedrijven is gebeurd.

Productiefactoren

Voor produceren zijn productiemiddelen nodig. Alles waarmee geproduceerd wordt valt onder een van de drie productiemiddelen, productiefactoren genoemd. De inzet van productiefactoren maakt goederen en diensten schaars: er is tijd en geld geïnvesteerd in de productie van de goederen en diensten. De productiefactoren zijn:

  • Natuur: delfstoffen, ruimte, land enzovoort;
  • Arbeid: arbeidskracht, zowel lichamelijke werkkracht als de kennis en vaardigheden van mensen;
  • Kapitaal: kapitaalgoederen, zoals machines, gebouwen, pc’s, voorraden, enzovoort.

Ondernemerschap wordt vaak als de vierde productiefactor gezien met als beloning de winst. Ondernemerschap is echter ook een vorm van arbeid, daarom wordt deze hier niet als aparte productiefactor beschouwd.

In de loop der tijd kan de omvang van de productiemiddelen veranderen. Dit noemen we de kwantitatieve verandering. Met meer productiemiddelen kan logischerwijs doorgaans meer geproduceerd worden. Belangrijker voor economische groei is de kwalitatieve verandering van van de productiefactoren, factoren die de omvang van de productiefactoren beïnvloeden en die de kwaliteit ervan verbeteren of verminderen.

Bij productie stellen de eigenaren hun productiefactoren ter beschikking aan bedrijven die ermee produceren. De eigenaren willen hiervoor een beloning: pacht voor verhuurde grond, salaris voor geleverde arbeid, rente voor uitgeleend geld, winst voor in het bedrijf gestoken geld. Al die beloningen moeten uit de geproduceerde waarde komen.

De productiewaarde of toegevoegde waarde

Productiewaarde of toegevoegde waarde is de waarde van de productiefactoren die een bedrijf toevoegt aan een product.

Berekening toegevoegde waarde: omzet  – de inkoopwaarde

Bij een productiebedrijf, waar van grondstoffen producten gemaakt worden, is het de inkoopwaarde van de grondstoffen. Bij een winkel, die alleen het kant en klare product doorverkoopt, is het de inkoopwaarde van het product zelf.

Als voorbeeld de productie van kaas. Een boer verkoopt 10 liter melk van € 0,35 per liter aan de zuivelfabriek. De zuivelfabriek maakt van 10 liter melk 1 kilo kaas die ze voor € 7,00 doorverkoopt aan een kaaswinkel. De kaaswinkel verkoopt 1 kilo kaas aan de consument voor € 12,50.

toegevoegde waarde

De boer voegt aan het product kaas € 3,50 – € 0,00 = € 3,50 waarde toe. De zuivelfabriek voegt € 7,00 – € 3,50 = € 3,50 aan waarde toe en de kaaswinkel voegt € 12,50 – € 7,00 = € 5,50 aan waarde toe. De totale toegevoegde waarde = productiewaarde = productie is dan: € 3,50 (boer) + € 3,50 (fabriek) + € 5,50 (winkel) = € 12,50.

Nationale productie: het bruto binnenlands product

Het bruto binnenlands product (bbp) is de totale geldwaarde van alle in een land geproduceerde goederen en diensten gedurende een bepaalde periode, meestal een jaar. In de regel wordt met dit begrip het bruto binnenlands product tegen marktprijzen bedoeld. De berekening ervan kan op drie manieren geschieden.

Methode 1

Om de nationale productie van heel Nederland te weten, worden door het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) de toegevoegde waardes van alle bedrijven opgeteld.

Bij het berekenen van het BBP moet rekening gehouden worden met bedrijven waar geen omzet te meten is: de niet-commerciële sector. Daar wordt vooral met de productiefactor arbeid geproduceerd. De productiewaarde is dan gelijk aan het loon van de werknemers in die instellingen.

Het bruto binnenlands product: de toegevoegde waarde bij de commerciële bedrijven + de salarissen van ambtenaren en personeel in de niet commerciële sector.

Methode 2

De toegevoegde waarde is ook het totale inkomen voor de eigenaren van de productiefactoren die eraan hebben bijgedragen: productie = inkomen.

De nationale productie (BBP) = nationaal inkomen.

Methode 3

Het nationaal inkomen en de nationale productie (BBP) kan ook uitgerekend worden door de bedragen op te tellen die er in een economie door de besteders is gekocht.

Er zijn 4 groepen besteders; de consumenten (consumptieve bestedingen), de producenten (investeringen), de overheid (overheidsbestedingen) en het buitenland (export min import).

Het BBP = alle bestedingen.

Het BBP voor 2008 is dan de optelling van:

Consumptieve bestedingen door consumenten: € 276 mld
Bestedingen door de overheid: € 148 mld
Investering door de producenten: € 120 mld
Netto bestedingen door het buitenland (Export min Import): € 49 mld
Nationaal inkomen / BBP € 593 mld

Samengevat

Het BBP in een bepaalde periode kan worden berekend door:

  • de toegevoegde waardes van alle bedrijven op te tellen inclusief de salarissen van het personeel in de niet-commerciële sector
  • alle inkomens op te tellen
  • alle bestedingen op te tellen

Het BBP en de welvaart

De totale nationale productie (BBP) en het totale nationale inkomen van een land zegt echter niets over de welvaart in een land. Als maatstaf voor de welvaart wordt het BBP per hoofd van de bevolking genomen. Bijvoorbeeld: het BBP van India is $1200 mld en dat van Nederland is $600 mld. Omgerekend per hoofd van de bevolking is dat in India $1.000 ($1.200 miljard : 1,2 miljard inwoners) en dat van Nederland is $40.000 ($600 miljard : 15 miljoen inwoners).

Bij de beoordeling van de welvaart van een land moet ook rekening worden gehouden met een aantal factoren naast het BBP en het BBP per hoofd van de bevolking.

Dat zijn:

  • Het prijs-/inflatieverschil
  • De omvang van de informele sector
  • Het zwarte circuit
  • De duurzaamheid van de economie
  • De inkomensverdeling

Het prijs-/inflatieverschil

De productiewaarde wordt gemeten door van de omzet de inkoopwaarde (grondstoffen) af te trekken. Zowel de omzet als de inkoopwaarde is een vermenigvuldiging van prijs met de hoeveelheid goederen of diensten. Een verdubbeling van de prijs geeft dan een verdubbeling van de productiewaarde, maar nog steeds is er dezelfde hoeveelheid goederen en diensten geproduceerd. Het BBP en het BBP per hoofd is een nominaal bedrag dat voor inflatie/prijsstijging moet worden gecorrigeerd. Het gaat om de reële stijging van de productie, de stijging van het aantal goederen en diensten.

De omvang van de informele sector

In Nederland wordt erg veel geproduceerd dat niet door het CBS in de cijfers van het BBP is opgenomen, zoals doe-het-zelfklussen, huishoudelijk werk, vrijwilligerswerk. Zo blijven in India de landbouwproductie en huisnijverheid in hele gebieden buiten de boeken.

In donatiecampagnes wordt gesproken over grote gebieden in de wereld waar de arme bevolking moet rondkomen van een dollar per dag. Op de eerste plaats kan men in die gebieden meer kopen met een dollar, maar op de tweede plaats wordt er meer geproduceerd met behulp van het eigen land en het eigen vee. De productie is dus veel hoger dan de cijfers doen vermoeden.

Het zwart circuit

Informele productie is volstrekt legaal. Het telt alleen niet mee in de officiële statistieken. Zwarte productie telt natuurlijk ook niet mee, omdat het verboden is. Er is sprake van zwarte productie als over de productie of het loon dat daarvoor betaald werd geen BTW, geen loonbelasting en geen sociale premies worden afgedragen. Hierdoor profiteren de werkgever en de werknemer plus de verkoper en de koper. Nadelen aan zwart werken zijn het risico op een hoge boete en het mislopen van een uitkering bij ziekte of arbeidsongeschikt.

De duurzaamheid van de economie

Door economische groei wordt nogal wat milieuschade aangericht en worden natuurlijke grondstofvoorraden gebruikt die niet vervangen kunnen worden. De laatste jaren houdt een steeds groter deel van het bedrijfsleven zich bezig met het herstellen van de milieuschade.

Op deze manier neemt het BBP neemt toe om de omgeving weer terug te brengen in de oorspronkelijke staat. Vele mensen hebben in die opruimsectoren een baan, maar als al dat opruimwerk niet nodig zou zijn geweest hadden zij ander werk kunnen doen.

De inkomensverdeling

De hoogte van het BBP zegt ook niets over de verdeling van het inkomen.

De inkomensverdeling in India is vele malen ongelijker dan die in Nederland. Dat maakt de verschillen tussen de doorsnee inwoner van India en die in Nederland nog groter. Als een kleine elite met het inkomen ervandoor gaat blijft er voor het overgrote deel van de bevolking veel minder dan het gemiddelde over. De inkomensverdeling  over de bevolking van een land wordt gemeten met de Lorenzcurve (zie: Verdeling van het inkomen).

Waarom groei

Bij economische groei kan er een onderscheid worden gemaakt tussen groei op korte termijn en op lange termijn. Op korte termijn verschillen de de groeipercentages van jaar tot jaar verschillen. De oorzaak hiervan zijn de bestedingen: de aankopen van consumenten (consumptieve bestedingen), de producenten (investeringen), het buitenland (export min import) en de overheid (overheidsbestedingen). Groei op korte termijn wordt behandeld in de module Conjunctuur.

Ook voor de lange termijn geldt dat de goederen en diensten worden geproduceerd om te worden verkocht en in de behoefte van gezinnen en bedrijven te voorzien. In zoverre zijn het de bestedingen ook op lange termijn waar het uiteindelijk allemaal om gaat. Hier gaat het over de structurele ontwikkeling van de economie: de aanbodzijde. De groeimotor van de economie is de productiecapaciteit.

De productiecapaciteit

De groei van de productiecapaciteit is afhankelijk van de ontwikkeling van de productiefactoren arbeid, kapitaal, natuur (en ondernemerschap).

Arbeid

Bij de productiefactor arbeid gaat het om kwaliteit en kwantiteit. Een hogere kwaliteit van de beroepsbevolking betekent een hogere arbeidsproductiviteit. De arbeidsproductiviteit wordt bepaald door:

  • de mate van scholing van de beroepsbevolking. Investeren in menselijk kapitaal verhoogt de arbeidsproductiviteit.
  • de efficiëntie (doelmatigheid) van de organisatie. Arbeidsdeling en specialisatie maken het mogelijk productieprocessen te mechaniseren en te automatiseren. Hierdoor stijgt de arbeidsproductiviteit.
  • de arbeidsmentaliteit. Als werknemers met veel inzet hun werk verrichten, verhoogt dat de arbeidsproductiviteit.

Het aanbod van arbeid op de arbeidsmarkt verhoogt de productiecapaciteit. Het aanbod op de arbeidsmarkt wordt bepaald door:

  • de omvang van de bevolking (geboortes, immigratie en emigratie);
  • de samenstelling van de beroepsbevolking (vergrijzing);
  • de participatiegraad;
  • de wetgeving (leerplichtleeftijd, pensioenleeftijd).

De overheid bemoeit zich uitgebreid met de kwaliteit en omvang van de beroepsbevolking. Allereerst door voor goed onderwijs te zorgen. Daarnaast probeert zij de arbeidsparticipatie te vergroten door het stimuleren van deeltijdarbeid en kinderopvang.

Kapitaal

Meer en betere kapitaalgoederen vergroten de productiecapaciteit. Door toepassing van nieuwe technologieën stijgt de arbeidsproductiviteit. Nieuwe, betere productieprocessen heten innovaties. Via subsidies stimuleert de overheid bepaalde investeringen in kapitaalgoederen (vernieuwende, milieuvriendelijke). Met heffingen kan zij ongewenste investeringen (vervuilende) ontmoedigen.

Natuur

Natuurlijke omstandigheden als aanwezigheid van grondstoffen, het klimaat, rivieren enzovoort bepalen mede de samenstelling van de productie van een land. De natuur is een belangrijke, maar moeilijk te beïnvloeden productiefactor.

Ondernemerschap

Bij ondernemerschap gaat het om kennis, inzichten en activiteiten van mensen. Goed ondernemerschap kan zorgen voor een efficiënte organisatie van het productieproces.

Economische kringloop en nationale rekeningen

Het schema van de economische kringloop is een vereenvoudigde weergave van de belangrijkste geldstromen in een economie. Het is een vereenvoudigde weergave, dus niet alle geldstromen worden genoemd. Maar het is een nuttig hulpmiddel om de samenhang tussen gezinnen, bedrijven, banken, buitenland en de overheid te begrijpen.

Het schema ziet er als volgt uit:

Economische kringloop

In dit schema is ook de stroom productiefactoren van de gezinnen naar de bedrijven opgenomen om duidelijk te maken dat het ter beschikking stellen van de productiefactoren zorgt voor het inkomen van de gezinnen. Het nationaal inkomen is dus al het primaire inkomen dat we met elkaar verdienen en komt voort uit de levering van
productiefactoren. Gezinnen bezitten de productiefactoren (arbeid, natuur, kapitaal en ondernemerschap) en ontvangen daarvoor dus ook de beloning (loon + pacht + huur + rente + winst = nationaal inkomen).

De betekenis van de symbolen:

  • Y = het nationaal inkomen, het inkomen dat verdiend wordt door de gezinnen voot het ter beschikking stellen van de productiefactoren
  • C = de consumptie, het geld dat de gezinnen uitgeven aan de consumptie van goederen en diensten
  • S = de besparingen, het geld dat de gezinnen sparen (dus niet consumeren)
  • B = de belasting, het belastinggeld dat de gezinnen afdragen aan de overheid
  • O = de overheidsbestedingen, het geld dat de overheid uitgeeft aan bestedingen
  • I = de investeringen, het geld dat de bedrijven uitgeven aan investeringen
  • E = de export, het geld dat binnenkomt uit de export van goederen en diensten
  • M = de import, het geld dat naar het buitenland gaat voor de import van goederen en diensten

O – B: Dit geeft het financieringssaldo van de overheid weer. Als de overheid meer uitgeeft dan er aan belastingen binnenkomt, moet ze lenen via de banken.

E – M: Dit geeft het saldo op de lopende rekening weer. Als dit saldo positief is, heeft het buitenland meer gekocht dan het heeft verkocht. E is groter dan M en het buitenland moet ons meer betalen dan zij ontvangen. Zij hebben dan een tekort op de lopende rekening en moeten dat geld bij ons lenen via de banken.

Dit schema is een vereenvoudigde weergave van de belangrijkste geldstromen tussen de diverse sectoren in
onze economie. Het gaat hierbij om een gesloten systeem: dat wil zeggen dat er geen geld in een sector blijft hangen. In elke sector geldt dat het totale geldbedrag dat binnenkomt er ook weer uit gaat.

Een voorbeeld

Van een economie zijn de volgende gegevens bekend (alle bedragen in miljarden euro’s):
•    Y = 396
•    C = 268
•    S = 69
•    B = 59
•    O = 72
•    I = 48
•    E = 273
•    M = 265

Economische kringloop met cijfers

Macro-economische identiteiten

Door de gemaakte keuzes en gekozen definities van de begrippen, kunnen we een aantal gelijkheden, de macro-economische identiteiten, herleiden. Dat kan gebeuren door per sector te kijken welke pijlen er IN en UIT gaan. Omdat er nergens geld blijft hangen moet de INGAANDE stroom gelijk zijn aan de UITGAANDE stroom.

Gezinnen

Inkomend: Y

Uitgaand: C + S + B

Gezinnen moeten over hun inkomen belasting betalen. Zij sparen een aanzienlijk deel van hun inkomen (denk ook aan pensioensparen en verzekeringspremies) en zij geven geld uit aan het kopen van goederen en diensten, de consumptie.

Macro-economische identiteit 1: Y = C + S + B (Controle: 396 = 268 + 69 + 59)

Bedrijven

Inkomend: C + I + O + E

Uitgaand: Y + M

Het inkomen wordt verdiend door producten te maken voor gezinnen, bedrijven, overheid en het buitenland. Maar omdat in de bestedingen C, I, O en E ook producten zitten die we niet zelf maken, maar importeren, moet M van de bestedingen afgehaald worden. Alleen aan producten die ze zelf maken verdienen ze inkomen.

Macro-economische identiteit 2: Y + M = C + I + O + E (Controle: 396 + 265 = 268 + 48 + 72 + 273)

De combinatie van de twee macro-economische identiteiten

Als beide macro-economische identiteiten
Y = C + S + B
en
Y + M = C + O + I + E
gecombineerd worden, wordt de volgend vergelijking verkregen:
C + S + B + M = C + O + I + E
Hieruit volgt:
C + S + B = C + O + I + E – M
Controle: 268 + 69 + 59 = 268 + 48 + 72 + 273 – 265

Aan beide zijden van het =-teken mag de C geschrapt worden en dan volgen de combinaties:
Sparen en investeren: S – I. Dit is het saldo van de particuliere sector: het spaarsaldo
Overheidsinkomsten en -uitgaven: B – O. Dit is het saldo van de overheid
Buitenland: E – M. Dit is het saldo van het buitenland

In formulevorm: (S – I) + (B – O) = (E – M) (Controle: (69 – 48) + (59 – 72) = (273 – 265). 21 – 13 = 8)

Het saldo van de particuliere sector en het saldo van de overheid samen worden het nationale spaarsaldo genoemd. Het nationale spaarsaldo is per definitie gelijk aan het saldo van de sector buitenland.

De nationale rekeningen (alle bedragen in miljarden euro’s)

De Nationale Rekeningen geven een boekhoudkundig beeld van de geldstromen tussen de sectoren.
Elke sector heeft een uitgavenkant en een ontvangstenkant.
Omdat elke geldstroom een beginpunt en een eindpunt heeft, treffen we alle posten twee keer aan: één keer aan de uitgavenkant en één keer aan de ontvangstenkant.
•    Een overschot van de overheid of het buitenland staat als saldo aan de uitgavenkant.
•    Een tekort van de overheid of het buitenland staat als saldo aan de ontvangstenkant.

De vermogensrekening geeft de geldstromen van en naar de financiële instellingen weer.
Op de vermogensrekening staan de particuliere besparingen aan de ontvangstenkant en de particuliere investeringen aan de uitgavenkant. Een overschot van de overheid of het buitenland aan de ontvangstenkant geboekt en een tekort aan de uitgavenkant. Zo ontstaat er boekhoudkundig evenwicht.
Voor ons voorbeeld geldt dat het overschot van de particuliere sector (S – I = 21) gelijk is aan het tekort van de sector overheid (O – B = 13) plus het tekort van de sector buitenland (E – M = 8).

uitgaven Rekening Consumenten ontvangsten
C 268 Y 396
S 69
B 59
396 396

 

uitgaven Rekening Producenten ontvangsten
Y 396 C  268
M 265 I  48
O  72
E  273
661  661

 

uitgaven Rekening Overheid ontvangsten
O 72 B 59
Tekort (B – O) 13
72 72

 

uitgaven Rekening Buitenland ontvangsten
E 273 M 265
Tekort (E – M) 8
273 273

 

uitgaven Vermogensrekening ontvangsten
I 48 S 69
Tekort (B – O)  13
Tekort (E – M) 8
69 69

Verdeling van het inkomen

Productie = inkomen

De productie(waarde) in een bedrijf is precies evenveel als er in dat bedrijf door de eigenaren van de productiefactoren waarmee geproduceerd is, in totaal verdiend wordt. De totale nationale productie (BBP) is dus gelijk aan wat door iedereen in totaal in het land is verdiend, het nationaal inkomen.

De inkomensverdeling

Het inkomen kan op twee manieren worden verdeeld:

  • Personele inkomensverdeling; hoe is het inkomen verdeeld over personen of groepen personen;
  • Categoriale inkomensverdeling; hoe is het inkomen verdeeld over de eigenaren van de productiefactoren, met andere woorden hoeveel van het inkomen is betaald aan loon, aan pacht, aan rente, aan huur en aan winst.

De personele inkomensverdeling

Ondanks dat het nationale inkomen in Nederland het meest gelijk van de wereld verdeeld is, bestaan er toch grote verschillen tussen de inkomens van verschillende personen. Oorzaken die van invloed zijn op de hoogte van het inkomen van mensen zijn: gewerkt aantal uren, opleiding, verantwoordelijkheid, ervaring, talent en marktwerking.

De personele inkomensverdeling is te zien met de Lorenzcurve.

De Lorenzcurve

De Lorenz-curve geeft het verband weer tussen het cumulatief percentage van de bevolkingsomvang, en het cumulatief percentage van de inkomens van diezelfde bevolking. De Lorenz-curve werd ontwikkeld in 1905 door Max O. Lorenz, om de inkomensverdeling weer te geven. De Lorenzcurve geeft weer hoe groot het verschil is tussen arm en rijk.

Op de horizontale as wordt de bevolking weergegeven in procenten van het totaal, waarbij de bevolking gerangschikt wordt naar inkomen: van arm naar rijk. De eerste 10% wordt gevormd door het armste deel van de bevolking. De laatste 10% door het rijkste deel.

Op de verticale as het inkomen in procenten van het totaal.

Bij een volstrekt gelijk personele inkomensverdeling is de Lorenzcurve een rechte lijn van linksonder naar rechtsboven, zoals hieronder te zien is.

Lorenzcurve gelijke verdeling

De betekenis hiervan is dat de armste 10% van de bevolking ook 10% van het inkomen heeft. Dat betekent dat iedereen evenveel inkomen heeft, want bijvoorbeeld de armste 80% van de bevolking heeft ook 80% van het inkomen. De rijkste 20% van de bevolking heeft de resterende 20% van het inkomen. Iedereen is dus even rijk! Uiteraard is dit louter theoretisch.

Lorenzcurve ongelijke verdeling

Bovenstaande Lorenzcurve (de dikke zwarte lijn) geeft een ongelijke personele inkomensverdeling weer. Hoe verder deze van de rechte lijn afwijkt, hoe ongelijker de personele inkomensverdeling is.

In dit geval is de ongelijkheid groot, want af te lezen valt dat:

  • bij punt A: 25% van het totale aantal personen slechts 5% van het totale inkomen heeft;
  • bij punt B: 55% van het totale aantal personen 20% van het totale inkomen heeft;
  • bij punt C: 75% van het totale aantal personen 40% van het totale inkomen heeft.

Conclusie: 25% van het totale aantal rijkste personen heeft 60% van het totale inkomen.

De Lorenzcurve in een voorbeeld

Gegevens:

Het totale inkomen is € 500.000;

Er zijn 10 personen die dit inkomen verdelen: Ad heeft € 20.000, Bert € 100.000, Chris € 20.000, Dirk € 20.000, Ed € 125.000, Frans € 25.000, Gerard € 50.000, Henk € 75.000, Izaak € 25.000 en Johan € 40.000

Stappen

  1. Maak een tabel;
  2. Zet in kolom 2 de inkomens, gesorteerd van laagste naar hoogste inkomen;
  3. Bereken in kolom 3 hoeveel het percentage van ieer persoon op het totaal aantal personen. In dit geval zijn er 10 personen, dus elke persoon vertegenwoordigt 10% van het totaal;
  4. Bereken in kolom 4 hoeveel het percentage is van het totale inkomen voor iedere persoon. In dit geval is het totale inkomen € 500.000. Ad heeft hiervan 20.000 / 500.000 x 100% = 4%, Gerard heeft 50.000 / 500.000 x 100% = 10% enzovoort;
  5. Bereken in kolom 5 hoeveel de tot dan berekende percentages in personen opgeteld zijn, Ad is 10% van het totaal aantal personen, Ad en Chris zijn samen 20% van het totaal aantal personen enzovoort;
  6. Bereken in kolom 6 hoeveel de tot dan berekende percentages in inkomen opgeteld zijn, Ad heeft 4%, Ad en Chris hebben samen 8% van het totale inkomen enzovoort;
  7. De kolommen 5 en 6 worden gebruikt voor de Lorenzcurve.
Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Kolom 5 Kolom 6
Personen Inkomen Percentage van het totaal aantal personen Percentage van het totale inkomen Cumulatief percentage van het totaal aantal personen Cumulatief percentage van het inkomen
Ad € 20.000 10% 4% 10% 4%
Chris € 20.000 10% 4% 20% 8%
Dirk € 20.000 10% 4% 30% 12%
Frans € 25.000 10% 5% 40% 17%
Izaak € 25.000 10% 5% 50% 22%
Johan € 40.000 10% 8% 60% 30%
Gerard € 50.000 10% 10% 70% 40%
Henk € 75.000 10% 15% 80% 55%
Bert € 100.000 10% 20% 90% 75%
Ed € 125.000 10% 25% 100% 100%
Totalen € 500.000 100% 100%

Lorenzcurve ongelijke verdeling voorbeeld

In deze Lorenzcurve is af te lezen dat de armste 60% van de personen samen 30% van het inkomen hebben. Dat betekent dus dat de rijkste 40% van de personen samen 70% van het inkomen hebben; de personele inkomens zijn dus erg ongelijk verdeeld.

Hoe dichter bij de diagonaal, hoe gelijker de inkomensverdeling; hoe verder van de diagonaal af, hoe ongelijker de inkomensverdeling.

Lorenzcurve twee verdelingen

De Nederlandse inkomstenbelasting

Belastingen en de inkomensverdeling

In Nederland maakt het nogal wat uit of bij de inkomensverdeling uitgegaan wordt van de ontvangen of bruto inkomens, dan wel van de netto inkomens, de inkomens nadat er inkomstenbelasting is betaald. De personele inkomensverdeling voor belasting- en premieheffing is de primaire inkomensverdeling. Dit is dus het inkomen dat – uit het productieproces – ontvangen wordt. Nadat er belasting en premies is betaald en subsidies en uitkeringen zijn ontvangen ontstaat de secundaire inkomensverdeling.

  • Primaire inkomensverdeling: de personele inkomensverdeling vóór belastingen en premies, de brutolonen;
  • Secundaire inkomensverdeling: de personele inkomensverdeling ná belasting- en premieheffing (de nettolonen) en de ontvangen subsidies en uitkeringen.

Het Nederlandse inkomstenbelastingsysteem ziet er als volgt uit:

Primaire inkomen
Min Aftrekposten
(Plus Eigen woningforfait)
 Is Belastbaar inkomen

Aftrekposten

Voordat er belasting wordt geheven geeft de wet de mogelijkheid bedragen van het inkomen af te trekken en er dus minder belasting hoeft te worden betaald. Dit zijn de aftrekposten. De meest voorkomende in Nederland, waarvan ook erg veel mensen gebruik maken is de aftrek van de rente op hypothecaire geldleningen voor de eigen woning. Andere aftrekposten zijn in bepaalde gevallen studiekosten, bijzondere ziektekosten en reiskosten.

Eigen woningforfait

Van het te betalen primaire inkomen mag men de rente van de hypothecaire lening aftrekken, maar de wetgever heeft bepaald dat eigen-woningbezitters ook genot hebben van hun woning. Daarom moet er een percentage van de waarde van de woning, de zogenaamde WOZ-waarde door de gemeente bepaald, bij het primaire inkomen worden opgeteld. Het percentage was in 2012 0,60% van de WOZ-waarde indien die waarde viel tussen € 75.000 en € 1.040.000. Stel dat de WOZ-waarde € 250.000 is dan moet er 0,60% van € 250.000 = € 1500 bij het inkomen opgeteld worden.

Het schijventarief en de belastingpercentages

Het belastbaar inkomen wordt belast volgens het schijventarief. Het schijventarief is verdeeld in vieren; in iedere schijf wordt een deel van het belastbaar inkomen belast met een oplopend percentage. In de eerste twee schijven wordt er naast belasting ook premies volksverzekeringen geheven.

Het schijventarief 2012 is als volgt opgebouwd:

Schijf Belastbaar inkomen uit werk en woning (Box 1) Belastingtarief Tarief premie volksverzekeringen Totaaltarief
1 € 0 t/m € 18.945 1,95% 31,15% 33,10%
2 € 18.946 t/m € 33.863 10,80% 31,15% 41,95%
3 € 33.864 t/m € 56.491 42,00% 0,00% 42,00%
4 Vanaf € 56.492 52,00% 0,00% 52,00%

Hoe moet het schijventarief gelezen worden?

  • Van het primaire inkomen wordt in de eerste schijf € 18.945 belast met 1,95% + 31,15% = 33,1%.
  • Van het resterende inkomen wordt in de tweede schijf het verschil tussen € 33.864 – € 18.946 = € 14.918 belast met 10,8% + 31,15% = 41,95%.
  • Van het dan resterende inkomen wordt in de derde schijf het verschil tussen € 56.942 – € 33.864 = € 22.826 belast met 42%.
  • Over de rest van het inkomen waarover nog geen belasting betaald is, wordt in de vierde schijf 52% belasting geheven.

Zowel de omvang (= het “van – tot en met”) van de schijven als de heffingspercentages en de samenstelling daarvan in premiedeel en belastingdeel wordt van jaar tot jaar vastgesteld.

Het gemiddelde heffingstarief

Het gemiddelde heffingstarief wordt berekend door het belastingbedrag te delen door het primaire inkomen en de uitkomst met 100% te vermenigvuldigen.

Voorbeeld gemiddeld heffingstarief bij een primair inkomen van € 80.000 en een belastingbedrag van € 27.736:

gemiddeld heffingstarief

Het marginale heffingstarief

Het marginale heffingstarief is het belastingtarief wat geheven wordt over de laatstverdiende euro. Iemand die een primair inkomen heeft groter dan € 56.492, heeft een marginaal tarief van 52%. Zijn laatstverdiende euro valt in schijf 4 en daar is het tarief 52%. Voor iemand die een primair inkomen heeft van € 50.000, is het marginale heffingstarief 42%; zijn laatstverdiende euro valt in schijf 3 en daar is het tarief 42%.

Drie voorbeelden

1) Het primaire inkomen is € 50.000

Schijf Belast bedrag Belasting Volks-verzekering Totale belasting
1 Loopt van € 0 tot € 18945 € 18.945 € 369,43 € 5.901,37 € 6.270,80
2 Loopt van € 18946 tot € 33863 € 14.918 € 1.611,14 € 4.646,96 € 6.258,10
3 Loopt van € 33864 tot € 56491 € 16.137 € 6.777,54 € 0,00 € 6.777,54
4 Alles vanaf € 56492 € 0 € 0,00 € 0
€ 50.000 € 19.306,44

In totaal wordt een gemiddeld belastingpercentage geheven van € 19.306,44 / € 50.000 x 100% = 38,61%. Het marginale tarief is 42%; de laatstverdiende euro valt in schijf 3, het tarief is 42%.

2) Het primaire inkomen is € 100.000

Schijf Belast bedrag Belasting Volks-verzekering Totale belasting
1 Loopt van € 0 tot € 18945 € 18.945 € 369,43 € 5.901,37 € 6.270,80
2 Loopt van € 18946 tot € 33863 € 14.918 € 1.611,14 € 4.646,96 € 6.258,10
3 Loopt van € 33864 tot € 56491 € 22.628 € 9.503,76 € 0,00 € 9.503,76
4 Alles vanaf € 56492 € 43.509 € 22.624,68 € 0,00 € 22.624,68
€ 100.000 € 44.657,34

In totaal wordt een gemiddeld belastingpercentage geheven van € 44.657,34 / € 100.000 x 100% = 44,66%. Het marginale tarief is 52%; de laatstverdiende euro valt in schijf 4, het tarief is 52%.

3) Het primaire inkomen is € 500.000

Schijf Belast bedrag Belasting Volks-verzekering Totale belasting
1 Loopt van € 0 tot € 18945 € 18.945 € 369,43 € 5.901,37 € 6.270,80
2 Loopt van € 18946 tot € 33863 € 14.918 € 1.611,14 € 4.646,96 € 6.258,10
3 Loopt van € 33864 tot € 56491 € 22.628 € 9.503,76 € 0,00 € 9.503,76
4 Alles vanaf € 56492 € 443.509 € 230.624,68 € 0,00 € 230.624,68
€ 500.000 € 252.657,34

In totaal wordt een gemiddeld belastingpercentage geheven van € 252.657,34 / € 500.000 x 100% = 50,53%. Het marginale tarief is 52%; de laatstverdiende euro valt in schijf 4, het tarief is 52%.

Heffingskorting

Door het schijventarief toe te passen ontstaat de te betalen heffing. Elke belastingplichtige echter mag daarvan nog een flink bedrag aftrekken, naar gelang de persoonlijke omstandigheden van de betaler. Het bedrag aan aftrek wordt dus afgehaald van het berekende belastingbedrag; je betaalt dus minder dan wat berekend is. Elk jaar bepaalt de overheid hoeveel de belastingplichtige mag aftrekken en wat de voorwaarden zijn.

Voor 2012 waren de (meest voorkomende) kortingen:

Algemene heffingskorting € 2.033
Arbeidskorting € 1.533
Alleenstaanderouderkorting € 2.266
Ouderenkorting* € 719 – € 4.030
* Bedrag afhankelijk van de leeftijd

Uit het bovenstaande blijkt dat over 2012 alle belastingplichtigen € 2.033 minder hoeven te betalen dan volgens het tarief wordt uitgerekend. Oudere actieve mensen krijgen daar nog een flink bedrag aan korting bovenop, en ook de alleenstaande ouders. De overheid probeert hiermee een beleid te voeren om meer mensen economisch actief te krijgen en te houden.

Denk eraan: het gemiddelde heffingstarief verandert hierdoor!

Belastingsystemen en inkomensverdeling

Progressief belastingstelsel

Het Nederlandse inkomstenbelastingsysteem is een voorbeeld en een progressief belastingstelsel. De belastingbetaler betaalt over het extra verdiende inkomen een steeds hoger percentage aan belasting; het marginale tarief wordt steeds hoger. Een progressief belastingstelsel nivelleert de inkomens. Dat betekent dat de inkomensverdeling gelijker wordt.

Voorbeeld

Persoon Primair inkomen Inkomens-verhouding voor belasting Gemiddeld belasting-percentage Belasting-bedrag Inkomen na belasting Inkomens-verhouding na belasting
A € 100.000 2 40 € 40.000 € 60.000 1,5
B € 50.000 1 20 € 10.000 € 40.000 1

Conclusie: Persoon A is voordat er belasting wordt geheven twee keer zo rijk als persoon B. Na toepassing van het progressief stelsel is persoon A nog “slechts” anderhalf keer zo rijk. De inkomensverdeling is dus gelijker geworden. De inkomens zijn genivelleerd omdat bij een progressief stelsel de rijkeren een hoger percentage van hun inkomen aan belasting moeten afdragen.

Degressief belastingstelsel

Bij een degressief stelsel betaalt iedereen een gelijk bedrag aan belasting.

Proportioneel belastingstelsel: de vlaktax

Bij een proportioneel belastingstelsel wordt door iedereen inkomensontvanger hetzelfde percentage aan belasting betaald.

Categoriale inkomensverdeling

Productie = inkomen. Bij de categoriale inkomensverdeling wordt gekeken hoeveel procent van de totale productie en inkomen naar de eigenaren van de verschillende productiefactoren gaat.

Dus hoeveel procent van het totale inkomen gaat er als

  • loon naar de werknemers (de eigenaren van de productiefactor arbeid);
  • rente naar de uitleners van kapitaal;
  • winst naar de eigenaren van de ondernemingen;
  • ontvangen huur naar de verhuurders van hun kapitaal;
  • pacht naar de eigenaren van grond en ruimte (de productiefactor natuur).

Alle inkomenscategorieën bij elkaar opgeteld geeft een totaal van 100%.

Voorbeeld

Bij de paragraaf over de productiewaarde is beschreven dat de toegevoegde waarde, de productie en het verdiende inkomen kan worden gemeten. Stel dat het inkomen bij de productie van kaas als volgt over de verschillende inkomenscategorieën wordt verdeeld:

categorale indeling

De geproduceerde €12,50 gaat als inkomen:

  • in de vorm van pacht naar de productiefactor natuur: € 0,50 + € 0,00 + € 0,00 = € 0,50
  • in de vorm van loon naar de arbeid: € 0,00 + € 1,50 + € 2,00 = € 3,50
  • In de vorm van rente naar (uitgeleend) kapitaal: € 1,00 + € 0,50 + € 1,00 = € 2,50
  • In de vorm van winst naar (eigenaar) kapitaal: € 2,00 + € 1,50 + € 2,50 = € 6,00

Worden de categoriale inkomens weergegeven in procenten van het totaal dan krijgt men de volgende percentages:

Pacht: € 0,50 / € 12,50 x 100% = 4%

Loon: € 3,50 / € 12,50 x 100% = 28%

Rente: € 2,50 / € 12,50 x 100% = 20%

Winst: € 6,00 / € 12,50 x 100% = 48%

Deze percentages worden quotes genoemd. De loonquote geeft dan weer hoeveel procent van de het totale inkomen naar loon gaat, de winstquote hoeveel procent van het totale inkomen naar winst enzovoort. Er zijn dus evenveel quotes als er inkomenscategorieën zijn. De quotes kun je zoals hier uitrekenen voor de productie van enkele goed, maar ook voor een hele bedrijfstak en de economie als geheel. Wat de Lorenzcurve als presentatiemiddel is voor de personele inkomensverdeling, zijn de quotes voor de categoriale inkomensverdeling.

De arbeidsinkomensquote (AIQ)

In de statistiek komt men deze quotes niet vaak tegen. Ze zijn niet goed bruikbaar waar ze vooral nodig zijn, namelijk bij de cao-onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers in een bedrijfstak. De vakbonden zijn geïnteresseerd in welk deel van de productie naar loon gaat, de werkgevers welk deel naar winst (en huur en rente) als beloning voor kapitaal gaat.

Er zijn twee belangrijke redenen waarom de loonquote en de andere quotes niet geschikt zijn bij cao-onderhandelingen:

  • Omdat de productie en inkomen van de non-profitsector gelijk is gesteld aan het loon van de werknemers in die sector, geeft de loonquote van de hele Nederlandse economie een vertekend beeld. Die is voor vakbonden te hoog als vergelijkingsmaatstaf. Immers, bij cao-onderhandelingen wil men niet weten hoeveel van het BBP naar loon gaat, maar hoeveel er van het totale verdiende inkomen van de bedrijfstak naar loon gaat en hoeveel dus naar de andere beloningen.
  • Met de winstquote zijn dan weer de werkgevers aan de onderhandelingstafel ongelukkig. In de winst zit namelijk ook de beloning voor het werk en dus de arbeid van werkgevers zelf. Dat moet eigenlijk als loon gezien worden, zeggen ze. Dat deel van de winst is helemaal geen beloning voor de inzet van kapitaal en kan ook helemaal niet gebruikt worden om te investeren. Het is slechts in de statistieken winst. De winstquote is voor werkgevers dan weer te hoog.

Om aan de bezwaren van vakbonden en werkgevers tegen zowel de gemiddelde loonquote als de gemiddelde winstquote tegemoet te komen, wordt een andere quote gebruikt: de arbeidsinkomensquote AIQ. Die geeft aan hoeveel procent van het totale inkomen in een bedrijfstak in de vorm van loon en een berekend loon voor de arbeid van de zelfstandige eigenaars die in de eigen zaak werken als beloning voor arbeid gaat. De rest is dan de beloning voor kapitaal, de “echte” winstquote.

De AIQ wordt als volgt berekend:

aiq

Het arbeidsinkomen in een bedrijfstak bestaat uit:

  • Het uitbetaalde loon aan de werknemers;
  • Het totale toegerekend loon van de zelfstandige ondernemers = Aantal zelfstandigen x toegerekend loon per zelfstandige.

Einde website

Print Friendly, PDF & Email