Economische termen en begrippen

Bronnen: De begrippenlijst van De Volkskrant, Markten & Overheid, Meso-economie en bedrijfsomgeving, Macro-economie en bedrijfsomgeving, Financiering en verslaglegging, Economie in je pocket, Economie van A tot Z.

Begrip Uitleg
aanbodeconomie Een stroming in de economie die de productiegroei vooral verklaart uit de ontwikkeling van de aanbodfactoren. Haar aanhangers letten vooral op positieve en negatieve prikkels (incentives) die uitgaan van prijzen, lonen en tarieven. Aanbodeconomen bevelen onder andere belastingverlagingen aan die zijn gericht op het versterken van prikkels. Verlaging van de sociale uitkeringen kan de prikkel om opnieuw betaalde arbeid te gaan verrichten vergroten.
aanbodfactoren De factoren die het aanbod van goederen en diensten in een land bepalen, zoals de hoeveelheid en de kwaliteit van de productiefactoren. De toeneming van het aanbod van producten in een land hangt - bij gegeven vraag - af van de vergroting van de productiecapaciteit. Deze wordt op zijn beurt bepaald door: 1. investeringen: nieuwe machines en fabrieken breiden de capaciteit uit, 2 scholing van mensen: beter geschoolde mensen leveren meer en betere prestaties, 3 ontwikkeling van de techniek: productie- en distributieprocessen die van de nieuwste technieken gebruik maken, vergroten ook de capaciteit.
aanbodoverschot Het verschil tussen de aangeboden hoeveelheid en de gevraagde hoeveelheid dat ontstaat bij het instellen van een minimumprijs. Een bekend voorbeeld is de veiling waar aanbieders beneden een bepaalde prijs niet willen verkopen. Het aanbodverschot dat hierdoor ontstaat wordt doorgedraaid. De Europese landbouwpolitiek leidt door het vaststellen van minimumprijzen tot aanbodoverschotten: de graanberg, een wijnplas, de vleesberg.
aandeelhoudersvergadering De algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) is het hoogste orgaan in een naamloze vennootschap (NV). Ten minste eenmaal per jaar roept de NV de aandeelhouders op tot het bijwonen van deze vergadering ter goedkeuring van de jaarrekening.
aandeelhouderswaarde Ook wel shareholdersvalue genoemd, in tegenstelling tot de stakeholdersvalue (de waarde voor de overige participanten). Het management streeft naar een zo groot mogelijke beurswaarde van de onderneming wat kan botsen met de belangen van bijvoorbeeld werknemers.
aandelenemissie De uitgifte van nieuwe aandelen. Doel hiervan is het aantrekken van extra eigen vermogen.
aandelenkapitaal Het in aandelen verdeelde eigen vermogen van een vennootschap. In de statuten van de vennootschap is het maatschappelijk kapitaal aangegeven: het maximale bedrag dat aan aandelen mag worden aangegeven. Het bedrag dat feitelijk is uitgegeven is het geplaatst kapitaal. De term gestort kapitaal geeft aan hoeveel geld er op het geplaatste kapitaal is gestort.
absolute kostenverschillen Hiervan is sprake als een land een lagere kostprijs per eenheid product heeft.
accijns Kostprijsverhogende belasting op bepaalde goederen, zoals alcoholhoudende dranken, tabaksproducten en benzine. In veel gevallen gaat het om goederen waarvan de overheid het gebruik probeert af te remmen. De prijselasticiteit van deze goederen is vaak gering: ondanks de prijsverhoging vermindert de uitgeoefende vraag maar weinig. In zulke gevallen neemt de opbrengst na een tariefverhoging aanzienlijk toe, wat de desbetreffende accijns voor de minister van Financiën tot een welkome bron van extra belastingontvangsten kan maken.
accommoderend kapitaalverkeer Toe- of afname van het netto buitenlands actief van de banken als gevolg van een overschot of tekort op het saldo van de niet-monetaire sectoren.
acs-landen Zeventig landen in Afrika, het Caraibisch gebied en de Stille Oceaan, waarmee de Europese Unie de Conventie van Lomé heeft gesloten. Volgens deze overeenkomst worden over de meeste agrarische producten afkomstig uit deze landen geen invoerrechten geheven.
actief bankbedrijf Deel van het bankbedrijf dat zich bezighoudt met de kredietverlening.
economisch actieven Individuen die behoren tot de potentiele beroepsbevolking en die daadwerkelijk als zelfstandig ondernemer of werknemer bij het productieproces zijn ingeschakeld. Het aantal actieven geeft dus de werkgelegenheid (uitgedrukt in arbeidsjaren), verminderd met het ziekteverzuim (in arbeidsjaren), weer. Het deelnemingspercentage of de netto-participatiegraad is het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de potentiele beroepsbevolking. In dit geval: (6,9/10,9) x 100 procent = 63,3 procent.
ad valorem recht Invoerrecht dat wordt geheven als een percentage van de waarde van het ingevoerde product.
adviesprijs Sinds het verbieden van de verticale prijsbinding vermelden fabrikanten bij hun producten een adviesprijs. Het staat detaillisten vrij daarvan af te wijken. Verticale prijsbinding bestaat nog wel in vrijgestelde sectoren, zoals de boekhandel.
aex-index Amsterdam Exchanges index, gebaseerd op het gewogen koersgemiddelde van de 25 naar beursomzet grootste Nederlandse aandelen. De graadmeter voor de Amsterdamse Effectenbeurs heeft betrekking op een 'mandje' aandelen. Als de index bijvoorbeeld op 550 staat is dit mandje 55.000 euro waard. De index wordt jaarlijks op de derde vrijdag in februari berekend als een gewogen gemiddelde van de naar beursomzet gemeten 25 belangrijkste aandelen. Om het belang van een aandeel te bepalen wordt gekeken naar de omzet gedurende de laatste drie jaar. Als gewicht wordt de marktkapitalisatie (het aantal uitstaande aandelen vermenigvuldigd met hun beurskoers) genomen. Daarbij wordt een maximum van 10% aangehouden, omdat anders een aandeel als bijvoorbeeld Koninklijke Olie een te grote invloed op de index zou hebben. De plaatsen 26 tot en met 50 woren ingenomen door aandelen die samen de MIDKAP-index vormen. De wegingsfactoren worden op de derde vrijdag in februari vastgesteld.
afschrijven De fabriek, de kantoren en de machines veroorzaken het grootste deel van de constante kosten van een bedrijf. Het zijn duurzame kapitaalgoederen, wat wil zeggen dat ze meer dan één productieproces meegaan. Tijdens elk productieproces gaat een stukje van de waarde van deze productiefactoren over in het product. De kosten van de duurzame factoren worden gevormd door de afschrijvingen, de kosten van onderhoud en reparatie, en de rentekosten.
afschrijvingen In de financiële administratie van het bedrijf wordt de slijtage van een machine bijgehouden door de waardevermindering (afschrijving) jaarlijks te berekenen. Stel dat een machine van € 100.000 vijf jaar meegaat en dat hij na die vijf jaar nog € 20.000 waard is. Dan moet het waardeverlies van € 80.000 in de boekhouding worden verwerkt. Dit kan op verschillende manieren gebeuren. Een eenvoudige manier is elk jaar eenzelfde bedrag af te schrijven. In dit geval € 80.000 : 5 = € 16.000 per jaar.
afta Asean Free Trade Area. In 1992 spraken de tien landen van de Association of South East Asian Nations (Asean) af in 2002 te willen komen tot een vrijhandelsgebied. Dat wil zeggen dat de deelnemers niet langer invoerrechten heffen op elkaars producten. Ten aanzien van producten uit niet-aangesloten landen hanteert elk land zijn eigen tarieven.
aftoppen van de prijscompensatie Onderhandelaars namens de vakorganisaties weten vaak compensatie te bedingen voor de stijging van de kosten van levensonderhoud (automatische prijscompensatie). In de regel heeft prijscompensatie de vorm van een voor alle werknemers gelijke procentuele verhoging van het bruto loon. In euro's krijgen de best betaalde werknemers er dan het meeste bij. In de jaren zeventig bestond tegen dit effect veel bezwaar. Destijds werd de prijscompensatie soms afgetopt, dat wil zeggen dat werknemers per procent waarmee de consumptieprijzen gemiddeld stegen een gemaximeerde brutoloonverhoging ontvingen. Bij de meest extreme vorm van aftopping krijgen alle werknemers voor elk procent stijging van de kosten van levensonderhoud een in euro's gelijke brutoloonverhoging: centen in plaats van procenten.
afwentelen Gedrag waardoor bedrijven en gezinnen erin slagen om, door aanpassing van hun prijzen respectievelijk looneisen (loon is de prijs van arbeid), opgelegde belastingen en sociale premies over te dragen op andere deelnemers aan het economisch verkeer.
agflatie Agrarische inflatie. Het stijgen van de prijzen van agrarische producten.
akkoord van wassenaar Akkoord uit 1982 waarbij de sociale partners het eens werden over meerjarige loonmatiging in ruil voor arbeidsduurverkorting, de overheid stelt zich daarbij terughoudend op ten aanzien van de arbeidsvoorwaardenvorming. In de jaren tachtig verbreedden werkgevers en werknemers het overleg met werkgelegenheid en scholing. Het akkoord van Wassenaar wordt beschouwd als een keerpunt ten goede in de ontwikkeling van de Nederlandse economie. Het is een van de pijlers van wat in de loop van de jaren negentig het Poldermodel is gaan heten.
algemeen burgerlijk pensioenfonds (ABP) Ambtenarenpensioenfonds, dit is het grootste bedrijfspensioenfonds van Nederland met een belegd vermogen van meer dan 175 miljard euro.
algemeen prijsniveau Gewogen gemiddelde van de prijzen van consumptiegoederen, waarbij het aandeel dat de verschillende producten hebben in het budget als weging worden gebruikt.
algemeen verbindend verklaren van cao's Bevoegdheid van de minister van Sociale Zaken om bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) ook van kracht te verklaren voor de niet-georganiseerde werkgevers in dezelfde bedrijfstak. Dit gebeurt om te voorkomen dat ongeorganiseerde werkgevers een concurrentievoordeel kunnen behalen door het hanteren van minder goede (lees: goedkopere) arbeidsvoorwaarden voor hun personeel.
algemene beschouwingen Debat tussen leden van de Tweede Kamer en de regering over de hoofdlijnen van het te voeren beleid en de rijksbegroting, dat wordt gevoerd kort na de Derde dinsdag (in september). De Eerste Kamer houdt de Algemene beschouwingen enkele maanden later.
algemene bijstandswet (ABW) Wet die in beginsel iedereen van 18 jaar en ouder die in Nederland woont en beschikt over onvoldoende middelen van bestaan aanspraak geeft op een minimumuitkering. De regeling wordt uitgevoerd door de gemeentelijke sociale dienst.
algemene middelen Ontvangsten van de overheid, in de vorm van belastingen, niet-belastingontvangsten en de opbrengst van uitgegeven leningen.
algemene nabestaandenwet (ANW) Volksverzekering die nabestaanden onder bepaalde voorwaarden aanspraak geeft op een uitkering ter hoogte van het sociaal minimum.
algemene ouderdomswet (AOW) Volksverzekering die ouderen (mensen van 65 jaar en ouder) onder bepaalde voorwaarden aanspraak geeft op een uitkering ter hoogte van het sociaal minimum.
algemene overeenkomst inzake tarieven en handel In 1947 gesloten overeenkomst waarbij landen streven naar vrijhandel. In 1995 werd de GATT (General Agreement on Tariffs and Trade) omgevormd tot de World Trade Organization (WTO).
algemene rekenkamer Hoog College van Staat dat toezicht houdt op de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de rijksuitgaven en de uitgaven van een groot aantal zelfstandige bestuursorganen (zbo's).
allocatie De toedeling van de productiefactoren over de productiemogelijkheden. Hierbij gaat het om de vraag hoe in een economie de productiefactoren arbeid, natuur en kapitaal moeten worden toegedeeld over de verschillende productiemogelijkheden. De meeste economieën kennen mengvormen van het marktmechanisme en het budgetmechanisme in zijn democratische en zijn bureaucratische variant.
alternatieve kosten De kosten uitgedrukt in het opgeofferd alternatief. Bijvoorbeeld een uur extra vrije tijd kost de opbrengst van een uur arbeid. De alternatieve kosten worden ook wel met de Engelse term 'opportunity cost' aangeduid. Een voorbeeld: iemand heeft twee uur beschikbaar en gebruikt deze tijd om anderhalf uur piano te spelen en een half uur te schaken. Als hij nu een half uur mëër wil schaken moet hij daarvoor een half uur pianospelen offeren. Een half uur extra schaken 'kost' een half uur piano spelen. Dit half uur piano spelen is de waarde van het opgeofferde alternatief.
andes pact Douaneunie tussen Bolivia, Colombia, Ecuador en Venezuela. In 1994 werd overeenstemming bereikt over een gemeenschappelijk buitentarief. In 1996 werd besloten tot de vorming van een economische unie.
angelsaksisch model Vorm van economische orde waarbij de nadruk ligt op marktwerking. Voorbeelden: de Verenigde Staten en Groot Brittannië. Staan tegenover het Rijnlandse model dat in Europa centraal staat. De laatste decennia vindt in Europa een ontwikkelingplaats in de richting van het Angelsaksische model. De kredietcrisis van 2008 bracht duidelijk een kentering in het blinde vetrouwen in de resulaten van de marktwerking.
ankervaluta Een ankervaluta is een munt waaraan andere landen de waarde van hun munt al dan niet formeel hebben gekoppeld. Van een formele koppeling was bijvoorbeeld tot 1 januari 1999 sprake binnen het Europees Monetair Stelsel, waarin een aantal Europese landen zijn valuta had gekoppeld aan de Duitse mark. Een informele koppeling bestaat bijvoorbeeld tussen de Canadese dollar en de Amerikaanse dollar en tussen de munten van een aantal Aziatische landen en de Japanse yen.
anticyclisch beleid Begrotingspolitiek van overheid die tegen de conjunctuurbeweging in gaat en daardoor conjunctuurstabiliserend werkt. Een anticyclisch begrotingsbeleid houdt in dat de overheid probeert met haar begroting de bestedingen in een economie zo te beïnvloeden dat de schommelingen van de conjunctuur worden beperkt. In tijden van conjuncturele oververhitting (overbesteding) remt de overheid de bestedingen af door zelf minder te besteden of via lastenverzwaring de bestedingen van burgers en/of bedrijven te matigen. In periodes van onderbesteding geeft de overheid de bestedingen juist een prikkel door grotere eigen bestedingen en/of lastenverlichting
antitrust De antitrustwetgeving in de Verenigde Staten richt zich tegen monopolies en concurrentiebeperkende praktijken van oligopolies. De eerste federale antitrustwet, de Sherman Antitrust Act van 1890 werd in 1914 aangevuld met de Federal Trade Commission Act en de Clayton Act. De eerstgenoemde stelde de Federal Trade Commission in die het antitrustbeleid uitvoert. In het begin van de twintigste eeuw zijn krachtens deze wetgeving Standard Oil of New Jersey en American Tobacco opgesplitst. Een dertien jaar slepende zaak tegen IBM werd in 1982 opgegeven. In 1984 is overeenstemming bereikt over een opsplitsing van het tot de American Telephone and Telegraph Company (AT&T) behorende Bell System. In 1999 dreigt onder antitrust regiem Microsoft te worden opgesplitst.
aow-spaarfonds Fonds waarin middelen worden vrijgemaakt voor toekomstige AOW-uitgaven. Vanaf 1997 doet de rijksoverheid jaarlijks stortingen in dit fonds die weer aan de rijksoverheid worden uitgeleend. Daarnaast vergoedt de rijksoverheid jaarlijks rente over het al aanwezige fondsvermogen. In de loop van deze eeuw kunnen de oplopende uitgaven voor AOW-uitkeringen deels worden bestreden door te putten uit het AOW-spaarfonds. De rijksoverheid zal daartoe haar schuld aan het fonds moeten aflossen. Om de voor schuldaflossing benodigde middelen beschikbaar te krijgen, zullen de belastingen omhoog moeten of dient op andere rijksuitgaven te worden bezuinigd. Merk op dat de overheid precies dezelfde opties heeft wanneer in het verleden geen AOW-spaarfonds zou zijn gevormd. In die zin biedt het fonds geen extra zekerheid.
appreciatie Koersstijging van een valuta door vraag en aanbod.
arbeidsduurverkorting (ADV) Verkorting van het aantal jaren per werkzaam leven (vut) en/of het aantal weken per jaar, en/of het aantal dagen per week en/of het aantal uren per dag, met de bedoeling nieuwe arbeidsplaatsen te scheppen. Arbeidsduurverkorting (ADV) betekent dat werknemers korter werken. Dit komt erop neer dat zij minder jaren per arbeidzaam leven werken (VUT). Of dat ze minder weken per jaar en/of dagen per week en/of uren per dag werken. Bij het volgende getallenvoorbeeld blijven de bedrijfstijd en de arbeidsproductiviteit constant.
arbeidsinkomensquote De loonsom van werknemers in de marktsector plus een aan zelfstandigen toegerekend arbeidsinkomen, gedeeld door de toegevoegde waarde van bedrijven.
arbeidsintensiteit Een arbeidsintensief productieproces gebruikt relatief veel van de productiefactor arbeid ten opzichte van de andere productiefactoren. Voorbeeld: handgemaakte goederen met weinig materiaalkosten. De dienstensector is in het algemeen arbeidsintensief.
arbeidsjaren Bij het meten in arbeidsjaren worden deeltijdbanen herleid tot volledige banen. Een arbeidsjaar is het totaal aantal volgens contract gewerkte uren van een voltijd werkende in een bepaald jaar
arbeidskosten het netto loon plus loonbelasting en sociale premies.
arbeidsmarkt Het geheel van vraag naar en aanbod van arbeid. De arbeidsmarkt kent een groot aantal deelmarkten, zowel geografisch als naar beroepsgroepen. De arbeidsmarkt is gespannen wanneer op veel van deze deelmarkten tekorten optreden. Bestaande vacatures kunnen dan moeilijk worden vervuld. Omgekeerd is een arbeidsmarkt slap wanneer op veel deelmarkten onvoldoende vraag naar werknemers bestaat om het bestaande aanbod op te vangen. Grote verschillen tussen de deelmarkten zijn denkbaar. In een gegeven periode kan een overschot aan journalisten bestaan naast een tekort aan tandartsen. Of er zijn bouwvakkers te veel in Groningen terwijl in de Randstad een nijpend tekort bestaat.
arbeidsmarktbeleid Onderdeel van de economische politiek gericht op beïnvloeding van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt.
arbeidsmobiliteit De mate waarin mensen bereid en in staat zijn te veranderen van werkgever, van beroep, van regio op de arbeidsmarkt. In het algemeen is de arbeidsmobiliteit zowel tussen beroepen als geografisch in Europa beperkt. Een stuk kleiner bijvoorbeeld dan die in de Verenigde Staten.
arbeidsomstandighedenwet (arbowet) De Arbowet geeft voorschriften voor veilige en gezonde arbeidsomstandigheden. Op grond van de Arbowet dienen werkgevers bij ziekteverzuim van hun werknemers gebruik te maken van private Arbodiensten. Tijdens het ziekteverzuim dient de werkgever het loon van de tijdelijk arbeidsongeschikte werknemer door te betalen ( Wulbz)
arbeidsovereenkomst Overeenkomst tussen de individuele werknemer en werkgever waarin de wederzijdse rechten en plichten worden vastgelegd. We kennen ook de collectieve arbeidsovereenkomst (cao): een overeenkomst tussen werknemers- en werkgeversorganisaties over lonen en andere arbeidsvoorwaarden, die de overheid ook bindend kan verklaren voor ongeorganiseerde werkgevers en werknemers. De CAO kan ook worden afgesloten tussen een grote onderneming en werknemersorganisaties, bijvoorbeeld de Philips-CAO. De CAO vormt de basis voor de individuele arbeidsovereenkomsten die de onderneming met haar werknemers sluit.
arbeidsparticipatie Hierbij gaat het om de beroepsbevolking als percentage van de totale bevolking. We onderscheiden de netto en bruto arbeidsparticipatie. De netto arbeidsparticipatie is het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de totale bevolking van 15–64 jaar die gedurende een week minimaal 12 uur betaalde arbeid of arbeid voor winst verricht.
Bij de netto-berekening worden de werklozen niet meelgeteld; bij de bruto-berekening worden ze wel meegeteld..
arbeidsplaatsenovereenkomst Werknemersorganisaties trachten in het overleg met werkgevers(organisaties) tot afspraken te komen over de werkgelegenheid in een bedrijf of bedrijfstak. Een weinig gelukkig streven omdat uiteindelijk de werkgelegenheid wordt bepaald door marktkrachten, zoals de vraag naar het product en de ontwikkeling van de techniek, waaraan de werkgever zich niet kan onttrekken.
arbeidsproductiviteit (Macro): de totale productie (in miljarden euros per jaar) gedeeld door de ingezette hoeveelheid arbeidskrachten (in miljoenen personen).
arbeidsverdeling Het onderverdelen van de arbeidshandelingen in deelhandelingen, waardoor de arbeidsproductiviteit wordt vergroot. Van de 18e eeuwse Britse econoom Adam Smith is het beroemde voorbeeld van de speldenfabriek. Als elke arbeider een volledige speld zou moeten maken zou hij daar geruime tijd mee bezig zijn. Door nu arbeidsverdeling toe te passen kan elke arbeider zich toeleggen op een bepaald onderdeel van het productieproces. Deze specialisatie stelt hem in staat zich op dat onderdeel te bekwamen waardoor hij een grotere productiviteit vertoont. Het resultaat is dat binnen een gegeven tijdsduur veel meer spelden kunnen worden geproduceerd dan zonder arbeidsverdeling. Ook tussen landen kan arbeidsverdeling plaats vinden.
arbeidsvoorwaardenoverleg Overleg tussen werkgever(sorganisaties) en werknemer(sorganisaties) over de arbeidsvoorwaarden. Daarbij valt onderscheid te maken tussen primaire arbeidsvoorwaarden (basisloon, vakantiegeld, overwerkvergoeding en zo verder), secundaire arbeidsvoorwaarden ( aanvullend pensioen, scholing) en tertiaire arbeidsvoorwaarden (bijvoorbeeld afspraken om meer werknemers uit minderheidsgroepen in dienst te nemen). Voor ongeveer drie kwart van de werknemers geldt een collectieve arbeidsovereenkomst, in deze gevallen wordt periodiek over de arbeidsvoorwaarden overlegd door vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties en de vakorganisaties
arbeidswaardeleer Karl Marx ging er van uit dat arbeid de bron van alle waarde is. De hoeveelheid maatschappelijk doelmatige arbeid bepaalt de waarde van een product. In feite heeft Marx de relatieve arbeidswaardeleer van de klassieke economen ( David Ricardo) verabsoluteerd. De Klassieken vergeleken de waarde van goederen met elkaar aan de hand van de erin verwerkte hoeveelheid arbeid. Marx beschouwde de arbeid als het enige productiemiddel dat waarde kan creëren.
arbitrage Het gebruik maken van gelijktijdige prijsverschillen op verschillende markten. Stel dat de dollar op een gegeven ogenblik in New York € 1,03 doet en in Amsterdam € 1,02, dan koopt de arbitrageant dollars in Amsterdam en verkoopt ze direct in New York. Hij maakt daarbij een koerswinst en draagt tegelijkertijd bij aan het verkleinen of zelfs wegvallen van het oorspronkelijke koersverschil. Vanzelfsprekend hoeft arbitrage zich niet tot de valutamarkt te beperken. Zo kennen we bijvoorbeeld ook rente arbitrage. Als de rente op driemaands deposito's in Amsterdam hoger is dan in Londen, leent de arbitrageant (driemaand) middelen op de Londense markt om ze vervolgens uit te zetten op de Amsterdamse markt. Een tweede betekenis van het begrip arbitrage houdt verband met de inschakeling van een objectieve buitenstaander (de arbiter) bij de oplossing van een conflict tussen partijen.
arbodienst Arbodiensten worden ingeschakeld bij controle nadat een werknemer zich heeft ziek gemeld, om het herstel van zieke werknemers te bevorderen en de arbeidsomstandigheden in bedrijven te verbeteren (preventie)
armoede Hiervan is niet zonder meer een overal geldende definitie te geven. Wordt armoede gelijk gesteld aan een (te) laag inkomen dan is duidelijk dat dit begrip van land tot land verschilt. In Nederland besteden het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) aandacht aan methoden om de omvang van armoede in kaart te brengen. Drie armoedegrenzen staan daarbij centraal: de beleidsmatige grens, de lage-inkomensgrens en de inkomensgrens van Eurostat, het statistisch bureau van de Europese Unie. Jaarlijks verschijnt een Armoedemonitor die een zo volledig en actueel mogelijk beeld van armoede in ons land schetst.
armoedegrens Inkomensniveau waar beneden individuen/huishoudens als 'arm' worden beschouwd. Er bestaan verschillende soorten armoedegrenzen. Een absolute armoedegrens is een vast bedrag, dat bijvoorbeeld nodig is om een minimaal pakket goederen te kunnen aanschaffen. Een relatieve armoedegrens wordt geschaald aan een andere grootheid, bijvoorbeeld het gemiddeld in een land verdiende inkomen. De OESO stelt de armoedegrens bijvoorbeeld gelijk aan 50 procent van het gemiddeld verdiende inkomen. Een beleidsmatige armoedegrens wordt door de overheid vastgesteld, een voorbeeld is het in Nederland geldende sociaal minimum. De drie genoemde grenzen zijn objectieve maatstaven om te bepalen of een individu/huishouden arm is. Daarnaast bestaat een subjectief armoedebegrip: arm zijn huishoudens die in een enquête aangegeven zichzelf als arm te beschouwen.
armoedeval Het verschijnsel dat iemand die een uitkering ontvangt geen prikkel heeft om werk te aanvaarden, doordat een bruto-inkomensverbetering tot een netto-inkomensverlaging kan leiden omdat het recht op allerlei subsidies vervalt. Gezinnen met een laag inkomen kunnen hun financiële positie door arbeidsinspanning nauwelijks verbeteren, omdat extra (loon)inkomen grotendeels verdampt door heffingen, inkomensprijzen en het wegvallen van tegemoetkomingen voor huishoudens op of vlak boven het sociaal minimum. Voorbeeld:Een huishouden heeft een uitkering van netto1000 euro per maand, en ontvangt daarnaast 200 euro individuele huursubsidie. Bovendien verleent de woongemeente als uitvloeisel van het gemeentelijke minimabeleid kwijtschelding van diverse heffingen en korting bij het gebruik van gesubsidieerde voorzieningen, wat dit huishouden 25 euro per maand scheelt. De kostwinner in dit gezin krijgt een baan aangeboden die een netto loon van 1100 euro oplevert. Als gevolg van deze inkomensstijging daalt de individuele huursubsidie met 50 euro per maand en vervallen de tegemoetkomingen van de gemeente. Uiteindelijk blijft van het netto verschil tussen loon en uitkering (van 100 euro) maar 25 euro over. Als gevolg van het geringe inkomensverschil bij (meer) werken en niet-werken is de financiële prikkel in zulke gevallen te zwak om de overstap naar betaalde arbeid te maken of meer uren te gaan werken. Het desbetreffende huishouden zit verstrikt in de armoedeval.
asean Association of South East Asian Nations. In 1967 opgericht in Bangkok. Groep van 10 Zuidoost Aziatische landen (Philippijnen, Thailand, Brunei, Singapore, Indonesië, Maleisië, Laos, Cambodja, Myanmar en Vietnam) die zich onder meer tot doel stelt het bevorderen van de productiegroei, de sociale vooruitgang en de culturele ontwikkeling in het gebied. In dit kader werd besloten in 2002 te komen tot een vrijhandelsgebied. Internet: www.asean.com.
asymmetrische informatie in een onderhandelingssituatie weet de ene partij meer dan de ander, zoals bijvoorbeeld iemand die zich wil verzekeren en die de verzekeringsmaatschappij voor hem nadelige informatie onthoudt.
autarkie Het streven van een land of gebied om geheel zelf in de behoeften te kunnen voorzien. De mate waarin dit mogelijk is hangt af van de hoeveelheid en kwaliteit van de economische hulpbronnen waarover het gebied beschikt. Dit laatste hangt weer af van de geografische uitgestrektheid. De Verenigde Staten, China en Europa zijn in belangrijke mate autarkisch. De mate van autarkie valt af te meten aan de invoerquote, het aandeel van de invoer van goederen en diensten in het bruto binnenlands product.
automatische incasso De afnemer heeft zijn leverancier gemachtigd het verschuldigde bedrag van zijn rekening af te laten boeken. Deze machtiging kan schriftelijk worden ingetrokken. Een eenmaal afgeschreven bedrag kan op verzoek binnen een bepaalde tijd worden teruggeboekt.
automatische inflatiecorrectie Aanpassing van het tarief van de loonbelasting en de inkomstenbelasting, zodanig dat de gemiddelde belastingdruk niet stijgt als het inkomen procentueel net zoveel toeneemt als de gemiddelde stijging van de consumptieprijzen, deze aanpassing is automatisch, omdat de wet bepaalt dat de herziening van de lengte van de tariefschijven elk jaar dient te geschieden, tenzij de wetgever uitdrukkelijk anders besluit.
automatische prijscompensatie Bepaling in collectieve arbeidsovereenkomsten dat de brutolonen met enige vertraging worden aangepast aan het gestegen prijspeil. Zo wordt vermeden dat de inflatie het reële loon aantast. In de jaren zeventig waren degelijke regelingen in Nederland nog vrij gebruikelijk. De slechte ervaringen die hiermee in het verleden zijn opgedaan (opdrijving loonkosten en versterking van de inflatie) hebben ertoe geleid dat de automatische prijscompensatie sindsdien in verreweg de meeste caos is afgeschaft.
automatische stabilisatoren Deze vlakken zonder uitdrukkelijke overheidsmaatregelen de conjunctuurbeweging af. Denk aan werkloosheidsuitkeringen, waardoor de consumptieve vraag van mensen met een uitkering in belangrijke mate in stand blijft. Vroeger nam in een periode van snel oplopende werkloosheid de consumptie sterk af, doordat werklozen nauwelijks over de middelen beschikten om goederen te kopen. Daardoor versterkte de conjuncturele neergang zichzelf. Ook het belastingsysteem werkt als een ingebouwde stabilisator, omdat de belastingen meer opbrengen bij een toenemend inkomen, bijvoorbeeld door de progressie van de inkomstenbelasting en minder bij een afnemend inkomen.
autoriteit financiële markten De Autoriteit-FM is gevestigd in Amsterdam en heeft haar kantoor aan de Singel. De Autoriteit-FM is de rechtsopvolger van de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE). In de loop der jaren zijn de toezichtstaken van de stichting toegenomen. De Autoriteit Financiële Markten (Autoriteit-FM) is een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). De meeste bevoegdheden op het gebied van het gedragstoezicht op financiële markten zijn door het Ministerie van Financiën overgedragen aan de Autoriteit-FM. Als zelfstandig bestuursorgaan draagt de Autoriteit-FM onafhankelijk de verantwoording voor de uitoefening van haar toezicht. De Raad van Toezicht ziet toe op de wijze waarop het Bestuur zijn werkzaamheden verricht. De Minister van Financiën heeft bevoegdheden tot de benoeming van de voorzitter en leden van het Bestuur en de Raad van Toezicht, de goedkeuring van statutenwijzigingen en de goedkeuring van de jaarlijkse begroting. Begon de STE in 1989 met het uitoefenen van haar toezicht met 3 medewerkers, tegenwoordig oefent de Autoriteit-FM haar toezicht uit met behulp van zo'n 200 medewerkers.
baisse Neergaande fase van de conjunctuur. Op de effectenbeurs: periode van dalende koersen.
baisse à la Een belegger, of transactie, wordt à la baisse genoemd wanneer wordt uitgegaan van een koersdaling. Synoniemen zijn onder meer 'bearish' en 'flauw'.
balans Een overzicht op een bepaald moment van bezittingen en vorderingen aan de ene kant en eigen vermogen en schulden aan de andere kant.Of: vermogensoverzicht op een bepaald moment dat aan de ene kant laat zien in welke activa het vermogen is belichaamd en aan de andere (passiva) kant waar het vandaan komt. Schema van de balans van een onderneming. Activa: Vaste activa, Immateriele vaste activa, Materiele vaste activa. Vlottende activa, voorraden, vorderingen, effecten, liquide middelen, Totaal. Passiva, Eigen vermogen: aandelen vermogen, Reserves. Vreemd vermogen, voorzieningen lange termijn, voorzieningen korte termijn, langlopende schulden, kortlopende schulden, Totaal.
bandbreedte Maximaal toegestane verschil tussen de hoogste en de laagste koers van een valuta. Deze schommelingmarge wordt aangegeven als een percentage van de pariteit.Ook: het verschil tussen het hoogste en het laagste rentetarief dat de Europese Centrale Bank (ECB) hanteert.
bank Financiële instelling die zich oorspronkelijk bezig hield met het aantrekken van gelden (tegen een zekere rentevergoeding) en het uitlenen ervan (tegen een hogere rente). Tegenwoordig hebben banken in het algemeen een zeer breed werkterrein. Het dienstenpakket van de meeste banken bestaat onder meer ook uit:-de handel in vreemd geld,-het indekken van wisselkoersrisico's op de termijnmarkt,-het bemiddelen bij de aan- en verkoop van effecten, het begeleiden van ondernemingen bij een beursintroductie,-verzekeringen en -projectontwikkeling.
bank of england Centrale bank van Groot Brittannië.
bank voor internationale betalingen (bib) Internationale bank die onder meer het betalingsverkeer verzorgt tussen nationale centrale banken. Eng.: Bank for International Settlements (BIS).
bank voor nederlandsche gemeenten Voorziet in de kredietbehoefte van de decentrale overheden.
bankbiljetten Door de centrale bank in omloop gebracht chartaal geld. Een bankbiljet is in wezen een bewijs van vordering op de centrale bank. Vroeger (per land verschillend) kon de houder van zon vordering de tegenwaarde in edel metaal bij de centrale bank opeisen.
bankpasje Plastic kaartje, waarop de gegevens van de rekeninghouder zijn vermeld (voorzien van geheime pincode). Nodig bij onder meer bij pinnen en het opnemen van bankbiljetten uit een geldautomaat.. Het kaartje is door de ingebouwde geheugenchip ook geschikt als chipcard of chipper. Pinpassen kunnen daarnaast ook worden gebruikt als bijvoorbeeld telefoonkaart.
bankroet Een instelling is bankroet of failliet wanneer hij niet meer aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen. Er wordt een curator benoemd om het faillissement af te wikkelen.
bankverzekeren Hierbij (bancassurance) verkoopt de bank verzekeringsproducten via de eigen kanalen. Bij verzekeringsbankieren (assufinance) verkoopt de verzekeraar bankproducten via het eigen distributiekanaal.
banque de france Centrale bank van Frankrijk.
barter Barter of barter trade is handel zonder gebruik van geld. Hierbij worden producten rechtstreeks tegen andere producten geruild. Barter trade wordt bijvoorbeeld toegepast als een land over onvoldoende convertibele valuta beschikt om zijn importen te kunnen betalen. In plaats daarvan kan dan worden afgesproken dat de rekening in natura wordt voldaan.
basic balance Het saldo van de lopende rekening van de betalingsbalans wordt gecompenseerd door het structurele kapitaalverkeer.
basisherfinancieringsfaciliteit De Europese Centrale Bank (ECB) stelt wekelijks kredieten vast waarop particuliere banken een beroep kunnen doen. Deze kredieten hebben een looptijd van twee weken. De rente die de banken daarover verschuldigd zijn heet basisherfinancieringsrente, reporente of ook wel: refi-rente. In de media wordt vaak gesproken van het disconto.
basisinkomen Minimuminkomen dat de overheid aan iedere persoon individueel toekent, ongeacht de aanwezigheid van ander inkomen of vermogen en ongeacht of de ontvanger werkt, gewerkt heeft of bereid is te werken.
basisperiode Jaar waarvan het bestedingspatroon wordt gebruikt bij de berekening van de condsumentenprijsindex. Bij de berekening van de consumentenprijsindex (cpi) door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) wordt het basisjaar elk jaar verlegd in verband met veranderende koopgewoonten van het publiek. De prijzen in het referentiejaar (let wel: dit moet worden onderscheiden van de basisperiode) worden op 100 gesteld.Tegenwoordig is 2006 het basisjaar.
basispunt Een honderdste deel van een procentpunt. De term wordt op financiële markten gebruikt om renteveranderingen of renteverschillen aan te geven.
baumol, ziekte van Verschijnsel dat arbeidsintensieve diensten (zorg, onderwijs, uitvoerende kunsten) in verhouding tot andere goederen in prijs (zullen) stijgen als gevolg van de relatief geringe verbetering van de arbeidsproductiviteit die in eerstgenoemde sectoren mogelijk is. Genoemd naar de Amerikaanse econoom William Baumol die in 1967 als een van de eersten aandacht voor het verschijnsel vroeg. Hij gaf als voorbeeld de uitvoering van een strijkkwartet van Mozart. Daar zullen vier musici altijd 20 à 30 minuten voor nodig hebben. Gaat hun salaris even snel omhoog als in de industrie, waar de hogere arbeidskosten worden goedgemaakt door de jaarlijks stijgende arbeidsproductiviteit, dan worden concerten in verhouding tot industrieproducten duurder (of niet langer uitgevoerd).
bear-market Een markt met neergaande koersbeweging. De tegenhanger ervan heet een bull-market.
bedrijfseconomie houdt zich bezig met keuzevraagstukken die voortvloeien uit de schaarsteproblematiek waarmee bedrijven zich zien geconfronteerd.
bedrijfseconomisch toezicht Controle op de liquiditeit en de solvabiliteit van in Nederland gevestigde particuliere banken. door De Nederlandsche Bank. Tot het toezicht behoort ook de bewaking van een gezond financieel stelsel en van de kwaliteit van betaalsystemen.
bedrijfskolom Laat de opeenvolgende schakels/bedrijfstakken zien - met elkaar verbonden door markten - die een product doorloopt van grondstoffenproducent tot en met detailhandel. De finale afnemer (= consument) maakt geen deel uit van de bedrijfskolom. Deze voegt immers geen waarde meer toe.
Door integratie, differentiatie, parallellisatie en specialisatie kan de bedrijfskolom in lengte of breedte veranderen.
bedrijfsleven Werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties.
bedrijfsresultaat Het verschil tussen de omzet van een onderneming en de kosten die zijn gemaakt om de omzet te bereiken (productie-, distributie, -verkoopkosten en dergelijke).schema van een resultatenrekening. Omzet Kostprijs van de omzet - Bedrijfsresultaat Ontvangen en betaalde rente en dergelijke + Winst vóór belasting Belasting op de winst - Winst na belasting
bedrijfstak Alle ondernemingen die in het voortstuwingsproces verwante bewerkingen uitvoeren op dezelfde hoogte in de bedrijfskolom. Voorbeelden: de horeca, visconservenindustrie en de melkveehouderij.
begroting Confrontatie van verwachte ontvangsten en verwachte uitgaven.
begrotingsbeleid Het met behulp van de overheidsbegroting beïnvloeden van de ontwikkeling van de economie. Wat de uitgavenkant van de begroting betreft: hier gaat het om het vergroten of verkleinen van de overheidsbestedingen zelf. Volgens de Keynesiaanse theorie heeft dit een stimulerende respectievelijk remmende werking op de economie. Aan de ontvangstenkant van de begroting gaat het om het verlagen of verhogen van door particuliere consumenten en investeerders te betalen belastingtarieven. De Engelse term fiscal policy omvat - in tegenstelling tot wat de term doet vermoeden - zowel de ontvangsten- als de uitgavenkant van het begrotingsbeleid.
begrotingscyclus Hoewel in Nederland zowel bij het Rijk als bij de decentrale overheden de begroting betrekking heeft op een jaar, beslaat de totale begrotingscyclus – het tijdsverloop waarbinnen alle handelingen met betrekking tot een bepaalde begroting zich afspelen – een veel langere periode. Tussen het moment waarop met de opstelling wordt begonnen en het moment waarop de volksvertegenwoordiging de slotrekening goedkeurt, ligt normaal gesproken een periode van drie tot vier jaar.
begrotingsfonds Onderdeel van de rijksbegroting. Ten behoeve van een afzonderlijk beheer van bepaalde ontvangsten en uitgaven van het Rijk kan bij wet een begrotingsfonds worden ingesteld.
begrotingsnormering Het vaststellen van referentiewaarden voor een of meer budgettaire doelvariabelen, zoals de collectievelastendruk, de collectievenuitgavenquote of het begrotingstekort.
begrotingssaldo Het verschil tussen de uitgaven en de ontvangsten van het Rijk.
begrotingstekort (van het rijk) Het negatieve verschil tussen uitgaven ontvangsten op de rijksbegroting, ofwel het totale bedrag dat de overheid jaarlijks moet lenen (bruto beroep op de kapitaalmarkt). Illustratie van de saldobegrippen. De overheidsuitgaven belopen in een bepaald jaar 200 miljard euro. Daarin is begrepen 20 miljard voor schuldaflossing en 5 miljard voor kredietverlening. De ontvangsten van de overheid belopen in dat jaar 180 miljard euro, daarin zit 3 miljard wegens verkoop van staatsdeelnemingen. Hoe groot is nu de omvang van het begrotingssaldo, het financieringssaldo en het vorderingensaldo? Het begrotingstekort bedraagt 20 miljard euro (het verschil tussen de totale uitgaven van 200 miljard en de totale ontvangsten van 180 miljard). In de uitgaven is 20 miljard begrepen voor schuldaflossing. Deze blijven bij de bepaling van het financieringssaldo buiten beschouwing. Het financieringssaldo komt dus uit op nul. Om het vorderingensaldo te berekenen blijft de 5 miljard kredietverlening bij de uitgaven buiten beschouwing (= 175), bij de ontvangsten blijft 3 miljard wegens verkoop van staatsdeelnemingen buiten beschouwing (= 177). Het vorderingenoverschot (van de gecorrigeerde ontvangsten over de gecorrigeerde uitgaven) bedraagt dus 2 miljard euro.
behoeften Economie gaat over de manier waarop mensen in hun behoeften, hun wensen voorzien. Basisbehoeften zijn die aan voedsel, kleding en beschutting of huisvesting. Is in die behoeften niet voorzien, dan komt het leven in direct gevaar. Dat is het geval bij vele miljoenen mensen in de Derde Wereld. In een economisch ontwikkelde samenleving zoals de onze gaan de behoeften ver uit boven die van het bestaansminimum. In dat geval wordt wel van luxebehoeften gesproken. Maar in feite is luxe een begrip dat voor verschillende personen, op verschillende plaatsen en in verschillende tijden een andere betekenis heeft. Economen laten de verklaring van de totstandkoming van behoeften graag over aan (sociaal)psychologen. Zij spreken geen oordeel over geconstateerde behoeften uit. De economie aanvaardt de behoeften van de mensen zoals zij die uiten. Dat betekent overigens niet dat economen er geen rekening mee houden dat behoeften door gewoonte, door de omgeving, door reclame en door allerlei andere zaken kunnen worden beïnvloed.
belastbaar inkomen Heffingsgrondslag van de inkomstenbelasting, dat is het inkomen waarop het tarief wordt toegepast nadat de belastingvrije som in aanmerking is genomen.
belasting Gedwongen bijdrage van burgers en/of bedrijven aan de overheid, waar geen rechtstreekse individuele contraprestatie tegenover staat, en die krachtens algemene regels wordt gevorderd. Er bestaat dus geen direct verband tussen wat de belastingbetaler afdraagt en wat hij aan door de overheid geproduceerde goederen (onderwijs, defensie en zo verder) verbruikt. De meeste belastingen worden door het Rijk geheven. De rijksbelastingen worden onderscheiden in kostprijsverhogende belastingen en belastingen op inkomen, winst en vermogen.
belasting op de toegevoegde waarde (btw) De belasting over de toegevoegde waarde is een algemene kostprijsverhogende belasting die wordt geheven van ondernemers met de bedoeling dat zij haar aan hun afnemers in rekening brengen.
belastingdruk Bedrag van een of meer belastingen uitgedrukt als percentage van een nader te kiezen grondslag. De grondslag kan bijvoorbeeld zijn het inkomen van een individu, de winst van een onderneming of het bruto binnenlands product. Te onderscheiden zijn de gemiddelde druk en de marginale druk van een belasting.
belastingen op inkomen winst en vermogen Groep in de miljoenennota onderscheiden rijksbelastingen, die onder andere de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting omvat.
belastingontduiking In strijd met de wet verminderen van fiscale verplichtingen.
belastingontwijking Binnen de grenzen van de wet ontgaan van belasting, soms met behulp van gekunstelde belastingbesparende constructies.
belastingparadijs Een land dat lage belastingtarieven of volledige belastingvrijstelling voor bepaalde inkomsten kent. Meestal gekenmerkt door goede internationale verbindingen, een ondoordringbaar bankgeheim, en zo meer.
belastingpeil De totale opbrengst van belastingen en sociale premies uitgedrukt als percentage van het nationaal inkomen.
belastinguitgaven Overheidsuitgaven in de vorm van derving of uitstel van belastingontvangsten, voortvloeiend uit een regeling die niet in overeenstemming is met de normale heffingsstructuur van de desbetreffende belasting. Een voorbeeld van een belastinguitgaaf is de regeling van de giftenaftrek in de inkomstenbelasting. Giften aan instellingen die werken in het algemeen belang – kerken, politieke partijen, milieuorganisaties – zijn binnen bepaalde grenzen aftrekbaar bij de berekening van het belastbaar inkomen. De belastingbesparing als gevolg van deze aftrekpost staat economisch gezien op een lijn met een rechtstreekse subsidie-uitgaaf van de overheid. Stel, iemand trekt euro 1000 af en dit levert dank zij de giftenaftrek een belastingbesparing van euro 420 op. De nettogift bedraagt dus euro 580. Deze regeling zou kunnen worden vervangen door een subsidieregeling waarbij de overheid tegenover elke weggeschonken euro een directe tegemoetkoming van 42 cent aan de schenker verstrekt. In beide gevallen ontvangt de begunstigde instelling euro 1000, is de schenker per saldo euro 580 armer en verleent de overheid ten laste van de schatkist een tegemoetkoming van euro 420. In het ene geval via een belastinguitgaaf (via de giftenaftrekregeling), in het andere geval via een directe subsidie.
belastingvlucht Het door verplaatsing van de juridische zetel van rechtspersonen, door verhuizing van natuurlijke personen of door gebruik te maken van belastingparadijzen ontgaan van fiscale verplichtingen door bedrijven en individuen.
belastingvrije som Het bedrag dat iemand kan verdienen voordat hij inkomstenbelasting moet gaan betalen (ook belastingvrije voet genoemd).
belegger Onderscheiden worden particuliere en institutionele beleggers. Deze laatste zijn de pensioenfondsen, levensverzekeraars en de fondsen die de sociale verzekeringen uitvoeren. Beleggers proberen hun vermogen in tact te houden en liefst te vergroten door zaken van waarde te kopen en te verkopen. Dat kunnen waardepapieren zijn, maar ook onroerend goed, edelmetalen, diamanten, kunst, wijnen, postzegels en dergelijke. De geoefende belegger richt zich op resultaten op de lange duur, dat wil zeggen een aantal jaren. Naarmate de belegger een groter risico neemt, valt hij meer als speculant te zien. De grens is niet scherp te trekken. De handel in derivaten zoals opties en warrants heeft voor een deel een speculatief karakter. Evenals het verkopen van zaken die men niet bezit, in de hoop deze later goedkoper weer in te kunnen kopen. (short gaan). Opties kunnen echter ook gebruikt worden om risicos af te dekken (hedgen).
beleidsintensivering Op een beleidsbeslissing gebaseerde verhoging van collectieve uitgaven en/of verlaging van ontvangsten (lastenverlichting) ten opzichte van de begroting en/of de meerjarencijfers
bemoeigoederen Bij sommige goederen (merit goods) vindt de overheid dat burgers er meer van moeten gebruiken. De overheid stelt zich hier paternalistisch op. Om die reden worden allerlei kunstmanifestaties gratis of ver beneden de kostprijs aangeboden. Bij weer andere goederen wil de overheid het gebruik juist remmen (demerit-goods), zo kunnen de hoge heffingen (zie heffing) op tabak (tabaksaccijns) en op alcohol (alcoholaccijns) worden verklaard.
benelux België, Nederland en Luxemburg besloten in 1944 tot het vormen van een douane-unie onder de naam Benelux. Het belang van de Benelux is in de loop der jaren sterk verminderd door de ruimere en meer diepgaande vorm van integratie binnen de Europese Unie (EU).
beroepsbevolking Alle inwoners tussen 15 en 65 jaar die in staat en bereid zijn betaalde arbeid te verrichten.
beroepsgeschikte bevolking De inwoners van 15 tot en met 64 jaar.
beschermingsconstructies Om een vijandige overname onmogelijk te maken, kennen veel ondernemingen een vorm van bescherming, door bijvoorbeeld: - het uitgeven van prioriteitsaandelen, aandelen waaraan speciale statutaire bevoegdheden verbonden zijn, zoals het recht bindende voordrachten te doen voor bestuur en commissarissen, de houder is meestal een stichting met als bestuur leden van de directie en de Raad van Commissarissen, - de olichargische clausule, een bepaling in de statuten van een vennootschap waarin bepaalde bijzondere bevoegdheden worden gegeven aan bijvoorbeeld de raad van commissarissen van de vennootschap of aan houders van prioriteitsaandelen,- het oprichten van een administratiekantoor dat de officiële aandeelhouder is, het administratiekantoor geeft certificaten van aandelen zonder stemrecht uit, die aan de beurs worden genoteerd, een volledige scheiding dus tussen vermogensverschaffers en zeggenschap, - het bestaan van een structuurregiem dat de hoogste macht verplaatst van de aandeelhoudersvergadering naar de Raad van Commissarissen, -aan een bevriende relatie (witte ridder of 'white knight') preferente aandelen uit te geven die niet bedoeld zijn om risicodragend vermogen aan te trekken, maar om de zeggenschapsverhoudingen te veranderen, de zogenoemde beschermingsprefs. De laatste tijd zijn normale preferente aandelen (financieringsprefs) uitgegeven aan betrouwbare 'kern'-aandeelhouders, op deze manier ontstaat een beschermingsconstructie.
besloten vennootschap (bv) Een ondernemingsvorm, waarbij het vermogen is verdeeld in aandelen die op naam staan en in besloten kring verhandeld kunnen worden. De BV is rechtspersoon.
besparingen Dat deel van het beschikbaar nationaal inkomen dat niet voor consumptie of belastingbetalingen wordt aangewend.
bestaansminimum Inkomensniveau, genoemd in de Algemene Bijstandswet, waaronder een behoorlijk bestaan niet mogelijk is.
bestedingen Dit zijn de consumptieve vraag van gezinnen en overheid, de investeringsvraag van particulieren en de overheid en de vraag uit het buitenland. Schieten de bestedingen tekort, dan is sprake van onderbesteding met onderbestedings-of conjunctuurwerkloosheid als kwalijk bijverschijnsel. Zijn de bestedingen groter dan de productiecapaciteit aankan, dan is sprake van overbesteding, met prijsinflatie als kwalijk bijverschijnsel.
bestedingsinflatie Wanneer de totale bestedingen in een economie sneller groeien dan de productiecapaciteit, kan overbesteding ontstaan. De bestedingen zijn dan te groot voor de productiecapaciteit. Als gevolg hiervan kan een stijging van het algemeen prijspeil ontstaan, een vorm van inflatie die we naar zijn oorzaak bestedingsinflatie noemen.
bestens orders De aan- of verkooporder mogen tegen elke koers worden uitgevoerd. De tegenhanger heet een limietorder.
betalingsbalans Overzicht van alle in geld uitgedrukte transacties die ingezetenen van een land in de loop van een jaar hebben verricht met niet-ingezetenen (het buitenland). De betalingsbalans bestaat, zoals het onderstaande schema laat zien, uit een aantal deelrekeningen. Schema van een betalingsbalans I Lopende rekening, A Goederenrekening B Dienstenrekening C Inkomensrekening D Inkomensoverdrachtenrekening II Vermogensoverdrachtenrekening III Financiële rekening A Directe investeringen B Effectenverkeer C Overige financiële transacties D Officiële reserves. In tegenstelling tot de suggestie die van het woord 'balans' uitgaat, hoeft de betalingsbalans niet in evenwicht te zijn. Een tekort op de betalingsbalans leidt tot een vermindering van de valutareserves van het land.
betalingsbalansevenwicht Situatie op de betalingsbalans waarbij het(negatieve of positieve) saldo op de lopende rekening precies wordt gecompenseerd door het (positieve of negatieve) saldo op de niet monetaire kapitaalrekening. Monetaire opstelling van de betalingsbalans, 1 Saldo lopende rekening 2 Saldo vermogensoverdrachten 3 Saldo niet-monetaire financiële transacties 4 Saldo niet-monetaire sectoren (1 t/m 3) 5 Saldo bancaire financiële transacties 6 Saldo monetaire autoriteiten 7 Saldo monetaire sectoren (5 + 6) 8 Nationaal liquiditeitssaldo (is gelijk 7) (overschot = -).
beurscrash Plotselinge zeer sterke daling van de beurskoersen, zoals op 24 oktober 1929 (zwarte donderdag) en op 19 oktober 1987 (zwarte maandag). De eerstgenoemde beurs crisis vormde de inleiding tot de depressie van de jaren dertig. Bij de crisis in 1987 gingen de koersen de eerste dag met tientallen procenten omlaag, de Dow Jones sloot die dag 23% lager. De Amsterdamse beurs daalde die dag met ongeveer 12%.
beursindices Uit een aantal belangrijke beursfondsen opgebouwde indexcijfers die de stemming op de beurs weergeven, bijvoorbeeld de AEX-index en de Dow Jones index.
beursintroductie Het op de effectenbeurs introduceren van een onderneming of instelling. Het naar de beurs gaan van een onderneming houdt in dat haar toegang tot de kapitaalmarkt wordt vergemakkelijkt. Beursgenoteerde aandelen zijn nu eenmaal aantrekkelijker voor beleggers dan aandelen op naam (zoals bij een besloten vennootschap), omdat zij gemakkelijk verhandelbaar zijn. Een ander voordeel voor de onderneming is dat een beursnotering de naamsbekendheid vergroot. Aan de notering kleven ook nadelen. Zo worden aan de openbaar te publiceren jaarrekening van de beursgenoteerde NV strenge wettelijke eisen gesteld.
beurskoers De markt waarop aandelen worden verhandeld heeft alle kenmerken van een markt met volkomen concurrentie. Daardoor wordt op een gegeven moment de koers of prijs van een aandeel bepaald door vraag naar en aanbod van het desbetreffende aandeel. Overtreft de vraag het aanbod, dan stijgt de koers. Toenemende vraag komt van de kant van beleggers die zich een oordeel hebben gevormd over het desbetreffende aandeel. Daarbij speelt een aantal fundamentele factoren een rol. Wat zijn de prestaties van de onderneming in de afgelopen periode? Hoe handhaaft zij zich in de concurrentiestrijd? Zijn nieuwe producten in ontwikkeling, welke investeringen worden er gedaan? Wat is de kwaliteit van de ondernemingsleiding, hoe zag het jaarverslag eruit? Welke winst is gemaakt en hoeveel dividend is uitbetaald? De beurspagina speelt hierbij voor velen een niet onbelangrijke rol. Behalve de bedrijfsgegevens zijn de macrogegevens van belang: hoe staat de dollar ervoor? Wat doet de rente? Op grond van al deze controleerbare gegevens vormen beleggers zich een beeld van de toekomstige koersontwikkeling. Verwachten zij op grond van bovenstaande gegevens een stijgende koers, dan treden ze als kopers op. Het aardige daarbij is, dat ze daarmee een koersstijging veroorzaken waarmee ze hun eigen verwachtingen waarmaken. Een positief beursgevoel, het sentiment op de beurs, leidt tot hogere koersen. En daar komen weer beleggers op af die zich niet of nauwelijks in de fundamentele ontwikkeling verdiepen, maar die gelokt worden door de stijgende koersen.
beursplein 5 Het adres van de Effectenbeurs in Amsterdam, dat wel als verkorte aanduiding voor de Amsterdamse beurs wordt gebruikt. Er bestaat ook een beleggersblad Beursplein-5.
beurswaarde Bij een aandeel: de koers. Bij een onderneming: het aantal uitstaande aandelen vermenigvuldigd met hun koers. Men spreekt ook wel van marktkapitalisatie van de onderneming.
bevolkingsexplosie Treedt op als de geboortecijfers de sterftecijfers sterk overtreffen. In de periode 1990-2000 groeide de wereldbevolking met ongeveer 1,5% per jaar. Jemen behoorde met een jaarlijkse bevolkingsgroei van 5% in de periode 1990-1995 tot de uitschieters.
bezettingsgraad De mate waarin de bestaande productiecapaciteit is wordt benut.
biedkoers Prijs waartegen iemand bereid is een effect te kopen. Hiertegenover staat de laatkoers.
big mac index Een jaarlijks door The Economist gepubliceerde index die de koopkrachtpariteit van een dertigtal munten ten opzichte van de dollar laat zien. Dit gebeurt aan de hand van de prijs van een Big Mac (hamburger). Er is bijvoorbeeld sprake van koopkrachtpariteit tussen de Amerikaanse dollar en de euro als een identieke hamburger in New York omgerekend tegen de huidige wisselkoers tussen die twee munten precies evenveel kost. Is de hamburger in Euroland duurder, dan is de euro volgens de Big Mac Index overgewaardeerd.
bijstand Sociaal vangnet voor individuen die over onvoldoende middelen beschikken om in de kosten van hun bestaan te voorzien. Deze sociale voorziening is geregeld in de Algemene bijstandswet. De hoogte van de (netto) uitkering is een percentage van het (netto) wettelijk minimumloon: voor alleenstaanden bijna 50 procent en voor een paar bijna 100 procent. De uitkering voor alleenstaanden kan via een toeslag met ten hoogste 20 procentpunt worden verhoogd. De uitkering wordt gekort voor eigen inkomsten en bij aanwezigheid van vermogen (middelentoets). De regeling wordt uitgevoerd door de sociale dienst van de gemeente. Gemeenten krijgen het overgrote deel van de bijstandsuitgaven vergoed door het Rijk.
bijzondere trekkingsrechten Special Drawing Rights (SDR's): onvoorwaardelijke kredietmogelijkheid bij het Internationaal Monetair Fonds (IMF).
bilaterale hulpverlening Ontwikkelingshulp van het ene aan het andere land.
binnenlands inkomen (bruto) bruto binnenlands inkomen (bbp)
binnenlandse liquiditeitenmassa brede geldhoeveelheid
binnenlandse overbesteding De nationale bestedingen zijn groter dan het nationaal inkomen.
binnenwaarde Binnenlandse koopkracht van een valuta. Tegenhanger is de buitenwaarde, de wisselkoers.
bis De Bank for International Settlements (BIS) is opgericht in 1930 en zetelt in Bazel. De oorspronkelijke doelstelling was het regelen van het kapitaalverkeer tussen centrale banken [attentie in lijst staat enkelvoud] die verband hielden met de Duitse herstelbetalingen. Ook in de jaren daarna had de BIS een belangrijke taak bij het regelen van het betalingsverkeer tussen de centrale banken. Hoewel intussen veel taken van de BIS zijn overgenomen door het Internationaal Monetair Fonds (IMF), spelen de vergaderingen van de BIS een belangrijke rol bij het coördineren van de activiteiten van centrale banken.
boedelkrediet Door derden verstrekte gelden voor het doen van dagelijkse uitgaven ten tijde van surséance van betaling of faillissement.
boekwaarde De boekwaarde van een onderneming is de som van het aandelenkapitaal en de door de onderneming gevormde reserves. Zie ook: eigen vermogen, intrinsieke waarde.
bovenwettelijke uitkeringen De wettelijke uitkering bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid bedraagt in beginsel 70 procent van het laatstverdiende dagloon, bij het arbeidsvoorwaardenoverleg bedongen aanvullingen hierop worden aangeduid als bovenwettelijke uitkeringen
box-structuur Vanaf 2001 worden inkomsten belast in een van drie boxen, die elk hun eigen tariefstructuur kennen.
branchevervaging Verschijnsel dat ondernemingen hun assortiment steeds meer verbreden.We zien dit bijvoorbeeld in de detailhandel waar de bakker melkproducten verkoopt en de groetenwinkel brood.
break-even-punt De verkochte hoeveelheid waarbij de totale kosten juist gelijk zijn aan de totale opbrengsten, voorbij dit punt wordt winst gemaakt. Een rekenvoorbeeld: Stel dat een uitgever een boek op de markt gaat brengen voor een vaste prijs van € 25. Hij weet dat de variabele kosten per boek € 15 zijn en dat de totale constante kosten die in de beschouwde planperiode - zeg een jaar - op dat boek drukken € 100.000 bedragen. Hij kan nu uitrekenen hoeveel boeken hij moet maken en verkopen (noem dit aantal x) om 'uit z'n kosten' te raken. Dat is het geval als de totale variabele kosten (TVK) plus de totale constante kosten (TCK) juist gelijk zijn aan de totale opbrengst (TO):TVK + TCK = TO, TVK = 15x, TCK = 100.000, TO = 25x.De oplossing is als volgt: 15x+ 100.000= 25 x100.000 = 10x, dus x = 10.000.De 'break even' oplage die hij moet verkopen is 10.000 stuks. Elk boek dat hij verkoopt boven de 10.000 stuks levert hem winst op.
brede geldhoeveelheid De enge geldhoeveelheid vermeerderd met de secundaire liquiditeiten. Het begrip (ook wel afgekort als M3 speelt een grote rol bij het bepalen van het beleid van de Europese Centrale Bank (ECB).Meer 13.4
breedte-investering investeren
bretton woods Plaats in New Hampshire (VS) waar in juli 1944 een belangrijke internationale vergadering werd gehouden. De daar bereikte akkoorden leidden tot de oprichting van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank.
bronheffing Heffing van een belasting aan de bron, d.w.z. inhouding van belasting op het moment dat bepaalde inkomsten (loon, rente, dividend) betaalbaar worden gesteld. Zie oo: dividentbelasting, loonbelasting
bruteren Het omrekenen van nettobedragen tot brutobedragen, bijvoorbeeld het bruteren van een overeengekomen nettoloon om rekening te houden met op het gebruteerde bedrag in te houden loonbelasting en sociale premies.
bruto binnenlands product (bbp) De optelling (over de periode van een jaar) van de toegevoegde waarden van bedrijven en overheid. Anders gezegd: de totale waarde van alle binnen het beschouwde land in een jaar geproduceerde goederen en diensten. Het BBP wordt veel gebruikt om de totale omvang van een economie aan te geven en om verschillende economieën met elkaar te vergelijken. Het netto binnenlands product is gelijk aan het BBP minus de afschrijvingen.
bruto nationaal product (bnp) De waarde van alle door Nederlandse productiefactoren in een jaar geproduceerd goederen en diensten. Is gelijk aan het bruto binnenlands product plus het saldo uit het buitenland ontvangen primaire inkomens.
brutoloon Tussen werkgever en werknemer bij het arbeidsvoorwaardenoverleg overeengekomen contractloon voordat daarop loonbelasting en sociale premies zijn ingehouden
brutonettotraject Specificatie van het verband (verschil) tussen brutoloon en nettoloon.
btw De belasting over de toegevoegde waarde is een algemene kostprijsverhogende belasting die wordt geheven van ondernemers met de bedoeling dat zij haar aan hun afnemers in rekening brengen.
budgetmechanisme Beslissingen over de allocatie van de productiemiddelen kunnen behalve via het marktmechanisme ook op meer centraal niveau worden genomen. Dan gaat het om een vrij beperkte groep beslissers, die hun besluiten vastleggen in een begroting of budget. In dat geval hebben we met het budgetmechanisme te maken. Er zijn twee varianten: 1) het bureaucratisch budgetmechanisme en 2) het democratisch budgetmechanisme. Bij het bureaucratisch budgetmechanisme of kortweg het planmechanisme worden op centraal niveau bijna alle beslissingen vastgelegd in een plan, dat dan wordt opgelegd aan de mensen die volgens dat plan moeten handelen. Er bestaat een gezagsverhouding van meerderen tegenover minderen. Het bureaucratisch budgetmechanisme wordt aangetroffen binnen onderwijsinstellingen, binnen ondernemingen, in ambtelijke organisaties zoals een departement, en ook in een land als geheel. De meeste landen die hun allocatieproblemen via een bureaucratisch budgetmechanisme probeerden op te lossen zijn daar inmiddels van afgestapt. Het democratisch budgetmechanisme komen we tegen waar het beleid wordt voorgelegd aan de kiezers, bij dat beleid hoort een begroting. Bij meerderheid van stemmen wordt over die begroting besloten. Het democratisch budgetmechanisme wordt aangetroffen in democratisch georganiseerde ondernemingen, in gemeenteraden en bij regering en parlement in Den Haag. Evenals het marktmechanisme kent het budgetmechanisme tekortkomingen. Voor tekortkomingen van het democratisch budgetmechanisme.
budgetonderzoek Onderzoek hoe gezinnen hun (huishoud)geld besteden. In Nederland verricht door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Budgetonderzoek wordt onder andere gehouden voor de berekening van de zogeheten consumentenprijsindex (CPI). Met behulp van het uit budgetonderzoeken verkregen beeld van de bestedingsgewoonten van gezinnen kan een gewogen gemiddelde worden berekend van de prijsveranderingen die zich in een bepaal, de periode hebben voorgedaan. De aandelen van de verschillende bestedingsgroepen in het totaal van de bestedingen worden daarbij als gewichten gebruikt.
budgetrecht Het recht van de volksvertegenwoordiging om de begroting vast te stellen en eventueel wijzigingen aan te brengen.
buffervoorraden Grondstofvoorraden die kunnen worden gebruikt om vraag en aanbod op de wereldmarkt voor grondstoffen zo te beïnvloeden dat prijsfluctuaties worden beperkt.
buitenwaarde Waarde van een valuta uitgedrukt in buitenlandse valuta (ook wel: wisselkoers).
bull-market Een markt met opwaartse koersbeweging.
bullish Verwachting dat de koersen op korte termijn zullen stijgen.
bundesbank Centrale bank van Duitsland. Ook wel: BUBA.
burgerservicenummer Het burgerservicenummer (BSN) is een persoonsnummer en vervangt het sofi-nummer. Het voordeel van het BSN is dat men met dit nummer bij elk loket van de overheid terecht kan.
buy-out Een dochtermaatschappij wordt gekocht van de moedermaatschappij. Gebeurt dit door de zittende directie dan is sprake van een management buy-out (MBO). Bij een leveraged buy-out(LBO) wordt mede gebruik gemaakt van vreemd vermogen, waardoor via de hefboomwerking (leverage) de winstgevendheid van de transactie wordt vergroot.
cac40 Franse beursindex. Andere Franse beursindices zijn de Midcac en de SBF 250.
cairnesgroep Groep van een aantal landbouwstaten (o.m. Verenigde Staten, Canada, Nieuw Zeeland en Australië) dat zich sterk maakt voor de vrije afzet van hun agrarische productie op de wereldmarkt.
calculerende burgers Burgers die van alles en nog wat de kosten en baten berekenen. Sommigen zien het verval van waarden en normen als een levensgrote bedreiging van het sociale zekerheidsstelsel. Er bestaan aanwijzingen voor omvangrijk misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringsregelingen door calculerende burgers.
cashflow De som van jaarwinst en afschrijving (reservering om versleten machines, gebouwen, enzovoort te zijner tijd te kunnen vervangen). De jaarwinst blijft gedeeltelijk (na aftrek van belasting en dividenduitkering aan aandeelhouders) beschikbaar voor uitbreidingsinvesteringen. De afschrijving is bestemd voor de financiering van de vervangingsinvesteringen. De cashflow geeft dus een aanwijzing voor de mogelijkheid van een onderneming om investeringen te financieren uit eigen middelen (zelffinanciering).
cashless society Samenleving waarin vrijwel geen munten en bankbiljetten worden gebruikt. Door het toenemend gebruik van het pinnen in het betalingsverkeer en van de creditcard is de rol van munten en bankbiljetten steeds verder verminderd.
categorale bonden Werknemersorganisaties, die vaak niet bij een van de drie grote vakcentrales zijn aangesloten en waar vooral middelbaar en hoger personeel lid van is. In de loop van de jaren zestig ontstonden uit de categorale bonden van hoger personeel organisaties die hun krachten bundelden in een vakcentrale voor middelbaar en hoger personeel.
categorale inkomensverdeling De macro-economische verdeling van het nationale inkomen over de productiefactoren arbeid, kapitaal en natuur in de vorm van arbeidsinkomen, rente, winst en pacht.
cbs Centraal Bureau voor de Statistiek. Het CBS houdt zich bezig met de verzameling, bewerking en verspreiding van statistische gegevens. De missie van het CBS kan worden samengevat als het samenstellen en publiceren van onbetwiste statistische beschrijvingen van de maatschappelijke ontwikkelingen in Nederland. www.cbs.nl
centraal akkoord Een afspraak tussen werkgevers, vakbeweging en de overheid over de loonontwikkeling en andere arbeidsvoorwaarden. Het eerste Centraal Akkoord kwam tot stand in 1971. Het Akkoord van 1982 (het zogenoemde Akkoord van Wassenaar) was van groot belang voor de economische ontwikkeling van Nederland in de jaren negentig. Deze overeenkomst wordt beschouwd als de grondslag voor het latere poldermodel.
centraal economisch plan (cep) Jaarlijks in april verschijnende publicatie van het Centraal Planbureau (CPB). Het CEP bevat onder meer een korttermijn voorspelling van de ontwikkeling van de Nederlandse economie. Het CEP vormt een nadere uitwerking van een andere uitgave van het Planbureau, de Macro Economische Verkenning (MEV) die jaarlijks op de derde dinsdag van september, tegelijk met de Miljoenennota, het licht ziet.
centraal geleide economie Economie waarin de beslissingen over het gebruik van de beschikbare productiefactoren niet worden overgelaten aan het marktmechanisme, maar worden genomen door een vrij beperkte groep beslissers die hun besluiten vastleggen in een dwingend plan. Vandaar dat vaak ook de term planeconomie wordt gebruikt.
centraal planbureau (cpb) Adviesorgaan dat voor de Regering en anderen (bijvoorbeeld politieke partijen) onder meer de ontwikkeling van de economische situatie in ons land tracht te voorspellen. Twee bekende jaarlijkse publicaties van het CPB zijn de Macro Economische Verkenning (MEV) en het Centraal Economisch Plan (CEP). www.cpb.nl
centrale bank Deze bank is onder meer verantwoordelijk voor het bewaken van de binnenwaarde (koopkracht) en/of buitenwaarde ( wisselkoers) van de valuta. Voornaamste instrument hiervoor is het wijzigen van de korte rente. Voor de landen die deelnemen aan de Economische en Monetaire Unie (EMU) ligt de verantwoordelijkheid voor de monetaire politiek bij de Europese Centrale Bank (ECB). In Nederland wordt het in Frankfurt (vestigingsplaats van de ECB) vastgestelde beleid uitgevoerd door onze nationale centrale bank, De Nederlandsche Bank.
centrum voor werk en inkomen (cwi) Sinds 1 januari 2002 bestaat er in Nederland een nieuwe uitvoeringsstructuur voor de sociale zekerheid. Het CWI bundelt met zijn 131 vestigingen de taken van het voormalige Arbeidsbureau, enkele taken van uitvoerende instellingen (zoals de UWV- GAK en de gemeentelijke sociale dienst). De vijf vroegere uitvoeringsinstellingen (uvi) waaronder het GAK, zijn opgegaan in het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (uwv ) en heten nu UWV-GAK, UWV-USZO, enzovoort. Het doel is van het CWI is vraag en aanbod op de arbeidsmarkt goed bij elkaar te brengen. Zie ook www.cwinet.nl.
certificaat van oorsprong Document dat oorspong van een geïmporteerd goed weergeeft. Dat is bijvoorbeeld van belang binnen een vrijhandelsgebied, waarbinnen de leden geen invoerrecht heffen op elkaars producten, maar in tegenstelling tot een douane-unie geen gemeenschappelijk buitentarief kennen.
certificaten van aandelen De echte aandelen zijn hierbij in bezit van een administratiekantoor dat op basis hiervan certificaten (CVA) uitgeeft. Het CVA heeft geen stemrecht. Certificering van aandelen gebeurt met name om de zeggenschap van de aandeelhouder te beperken.
ceteris paribus Latijn voor met de overige omstandigheden constant verondersteld. De economie kent als sociale wetenschap in het algemeen niet de mogelijkheid van het laboratoriumexperiment, zoals de natuurwetenschappen. Het is niet mogelijk in de alledaagse werkelijkheid bepaalde factoren feitelijk constant te houden. Wel vallen bij theoretische redeneringen de gevolgen van de verandering van een bepaalde factor na te gaan, aannemend dat de overige factoren niet veranderen.
chartaal geld Munten (inclusief het elektronische geld op de chipcard) en bankbiljetten.
cheque Bewijsstuk van een betalingsopdracht (bijvoorbeeld de eurocheque). Vooral door de opkomst van het pinnen komt de cheque in ons land weinig meer voor in het betalingsverkeer.
chicago school Aanhangers van deze economische school stellen de evenwichtherstellende werking van het marktmechanisme centraal. Deze economen, met als een van de meest prominente vertegenwoordigers de Nobelprijswinnaar (1976) Milton Friedman, pleiten voor een minimale rol van de overheid in de economie.
chipcard Bankpasje voorzien van geheugenchip.
christelijk nationaal vakverbond (cnv) Het CNV behoort met de FNV (Federatie Nederlandse Vakbeweging) tot de belangrijkste werknemersorganisaties van Nederland.
club van rome In de jaren zeventig is de publieke opinie wakker geschud door de publicaties van de Club van Rome, een groep industriëlen en geleerden, die aandacht vroeg voor de begrensdheid van het natuurlijk milieu. Zij stelden vragen als: Hoe lang kan de productiegroei doorgaan? Wanneer zijn bepaalde noodzakelijke grondstoffen en energiebronnen uitgeput? Wanneer heeft de wereldbevolking het natuurlijk milieu zo beschadigd, dat het leven op deze planeet gevaar gaat lopen? In 1972 veroorzaakte het 'Rapport van de Club van Rome, De grenzen aan de Groei' een wereldwijde heftige discussie en het plaatste het milieuvraagstuk boven aan de agenda. De uitkomsten van het onderzoek waren, dat de grenzen aan de groei op deze planeet binnen de komende honderd jaar bereikt zouden worden, wanneer de bevolkingsgroei, de industrialisatie, de vervuiling, de voedselproductie en de uitputting van natuurlijke hulpbronnen in hetzelfde tempo zouden doorgaan. Latere verfijning van het onderzoek leidde tot de voorspelling dat er geen algemene ineenstorting van het wereldsysteem hoefde te worden verwacht. Maar wel zullen zich in verschillende gebieden op verschillende tijdstippen noodsituaties voordoen. In feite pleitte het eerste rapport al voor het tot stand brengen van een duurzame ontwikkeling, een term die pas in 1987 in het Brundtland-rapport Our common future wordt gebruikt. Om een duurzame wereld te realiseren moeten het grondstoffengebruik en de bevolkingsexplosie worden beteugeld.
code tabaksblat een in 2004 ingevoerde gedragscode voor behoorlijk bestuur (corporate governance) van beursgenoteerde ondernemingen met als doel verbeterde transparantie in de jaarrekening, betere verantwoording van de Raad van Commissarissen en een versterking van de zeggenschap en bescherming van aandeelhouders.
collectieve goederen Goederen die niet splitsbaar zijn in over de markt verhandelbare eenheden en waarbij het gebruik door de een niet ten koste gaat van het gebruik door de ander; voorbeelden van collectieve goederen zijn zeeweringen en de nationale defensie.
collectieve lasten De totale ontvangsten uit hoofde van belastingen en sociale premies, vermeerderd met bepaalde niet-belastingontvangsten; tot deze laatste categorie worden gerekend de binnenlands aardgasbaten, milieuheffingen en betalingen in verband met overheidsvoorzieningen waarvan het gebruik verplicht is.
collectieve sector Omvat alle instellingen die dwingend belastingen, premies en andere heffingen kunnen opleggen, zonder dat daar een direct aanwijsbare tegenprestatie tegenover staat; dus het Rijk, de decentrale overheden en de uitvoeringsorganen van de sociale verzekeringen.
collectieve uitgaven Uitgaven van de overheid en van de organisaties die de sociale verzekeringen uitvoeren.
collectieve-uitgavenquote Het quotiënt van de collectieve uitgaven en het bruto binnenlands product (in procenten).
crowding out Een overheidsactiviteit verdringt economische activiteiten van bedrijven en/of van gezinnen
collectievelastendruk De collectieve lasten uitgedrukt als een percentage van het bruto binnenlands product.
commanditaire vennootschap Ondernemingsvorm waarbij een of meer beherende vennoten met hun gehele vermogen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichtingen van de vennootschap, terwijl de aansprakelijkheid van een of meer commanditaire of stille vennoten zich beperkt tot hun in de vennootschap ingebrachte vermogen. De commanditaire vennootschap moet zijn ingeschreven in het Handelsregister met de namen van de beherende vennoten.
commerciële economie Onderdeel van de economie dat zich toelegt op het ondernemingsbeleid dat direct of indirect in relatie staat tot de beheersing en voorziening van voor de onderneming relevante markten. Daarbij gaat zowel om de verkoop- als om de inkoopmarkten. Een van de centrale begrippen is de marketing mix (het geheel van marketingactiviteiten), de zogeheten vier Ps van de marketing: product, prijs, plaats en promotie.
commissaris Lid van de Raad van Commissarissen, college dat namens de aandeelhouders toezicht houdt op de directie van een naamloze of besloten vennootschap. De Raad is verplicht gesteld voor ondernemingen met honderd of meer werknemers en een eigen vermogen van tenminste 5 miljoen euro.
commissionair Iemand die onder eigen naam voor rekening van derden of voor zichzelf handelt in effecten en daarvoor een officiële vergunning heeft.
comparatieve kostenvoordelen De theorie van de comparatieve (of relatieve) kostenverschillen is ontwikkeld door de Britse econoom David Ricardo (1772-1823)
complementaire goederen Goederen die elkaar aanvullen, zoals shag en vloeitjes, autos en benzine, schoenen en schoenpoets. Wordt van het eerste goed meer gekocht dan zal ook de vraag naar het complement stijgen.
compliance Het voldoen aan interne en externe (wettelijk gestelde) richtlijnen. De kosten die bedrijven en gezinnen moeten maken om hieraan te voldoen worden compliance costs genoemd. Voorbeelden zijn de kosten verbonden aan het doen van belastingaangiften en het aanvragen van subsidies.
compliance costs Kosten die bedrijven en gezinnen moeten maken om te voldoen aan door de overheid gestelde regels; voorbeelden zijn de kosten verbonden aan het doen van belastingaangiften en het aanvragen van subsidies.
comptabiliteitswet Geeft regels voor het financieel beheer van de rijksoverheid, met name inzake de begrotingsprocedure, voor opzet en inrichting van de rijksbegroting en controle door de Algemene Rekenkamer.
concentratiegraad Het gezamenlijk marktaandeel van een beperkt aantal van de grootste ondernemingen op een bepaalde markt. Bijvoorbeeld in de staalindustrie, de computerindustrie, bij benzinemaatschappijen, de auto-industrie, banken en verzekeraars, de farmacie is sprake van een hoge concentratiegraad. Meer: 3.1
concern Het geheel van moedermaatschappij(en) en (klein-)dochtermaatschappijen. Daarbij gaat het in het algemeen om multinationale ondernemingen of multinationals. Concerns als Shell en Unilever hebben productie- en distributiemaatschappijen in een groot aantal verschillende landen.
concurrentie De onderlinge wedijver tussen ondernemingen om een sterke positie op de markt te veroveren, waarvan met name bij een oligopolie sprake is. Hevige concurrentiestrijd kan er uiteindelijk toe leiden dat slechts één aanbieder overblijft (monopolie) zodat van concurrentie geen sprake meer is.
concurrentievermogen (van een land) Vanouds door het World Economic Forum - bekend van de gelijknamige jaarlijkse topconferentie in Davos - verzorgde internationale concurrentieranglijst. Per land worden gemeten: de infrastructuur, internationalisering, arbeidsmarkt, financiële sector, de rol van de overheid en de kwaliteit van het management.
conglomeraat Een verzameling ondernemingen met meestal aan het hoofd een houdstermaatschappij en een veelheid van dochtermaatschappijen die uiteenlopende activiteiten verrichten. Bijvoorbeeld: bouw, transport, automobielen en papier.
conjunctuur De versnellingen en vertragingen in het groeitempo van het nationaal product heten de conjunctuur. De figuur laat een geschematiseerde voorstelling van een conjunctuurgolf zien. In de figuur is een stijgende trend getekend De conjunctuurgolf beweegt om deze trend heen. Voor heel veel mensen is het verloop van de conjunctuur van belang. Van de conjunctuur hangt de ontwikkeling van hun inkomen af en soms kan bij een tegenzittende conjunctuur hun baan gevaar lopen Er worden dan ook veel pogingen gedaan om het conjunctuurverloop zo betrouwbaar mogelijk te voorspellen met behulp van een conjunctuurindicator. Groei en conjunctuur staan -als we ons tot de economie beperken- onder invloed van vraagfactoren en aanbodfactoren. Deze laatste bepalen de trendmatige groei van de productie, terwijl vraagfactoren de conjunctuurbeweging opwekken, dus de veranderingen in het groeipercentage van de productie.
conjunctuur-structuurmodel Bij het opstellen van toekomstverkenningen van de ontwikkeling van de Nederlandse economie maakt het CPB gebruik van modellen van de Nederlandse economie waarin zowel macrovraag als macro-aanbod een rol spelen: een conjunctuur-structuurmodellen.
conjunctuurindicator Deze geeft naast het feitelijke ook het verwachte conjunctuurverloop aan. De wijzer, laat het feitelijk verloop van de conjunctuur zien. De peiler of voorspeller, kijkt ongeveer zes maanden vooruit. Hij is gebaseerd op verscheidene cijferreeksen zoals de ontwikkeling van de geldhoeveelheid, de orderontvangst in de industrie en de geldmarktrente.
conjunctuurwerkloosheid Ook wel onderbestedingwerkloosheid genoemd. Dit is werkloosheid die optreedt bij onderbesteding: de situatie waarin de bestedingen tekort schieten om wat geproduceerd kan worden ook daadwerkelijk af te nemen. Met de Keynesiaanse theorie kan conjunctuurwerkloosheid worden verklaard.
consortium Combinatie van banken bij beursintroducties of bij emissies van aandelen of obligaties.
conspicuous consumption Een ostentatieve manier van consumeren waarbij de bevrediging voor een deel afhangt van het effect dat het consumptiegedrag heeft op anderen.
consument De eindverbruiker van goederen en diensten.
consumentenautoriteit De Consumentenautoriteit - een dienst van het Ministerie van Economische Zaken - is de toezichthouder op consumentenrecht en eerlijke handel. Ze bevordert eerlijke handel tussen bedrijven en consumenten, met als uitgangspunt de economische belangen van consumenten. Het aanpakken van collectieve inbreuken en het vergroten van kennis over rechten en plichten zijn daarbij de belangrijkste taken. De Consumentenautoriteit heeft de bevoegdheid om op te treden tegen overtredingen van consumentenregels uit het Burgerlijk Wetboek, de Prijzenwet en de Colportagewet.
consumentenbeleid Beleid van de overheid dat zich richt op bescherming van de consument. Het gaat vooral om waarborgen en steun voor de individuele consument bij zijn keuze van goederen en diensten. Op dit gebied bestaan tal van wettelijke regelingen zoals de Warenwet, de Wet op het afbetalingsstelsel, de Colportagewet en de Wet op het consumptief geldkrediet.
consumentenbond In Den Haag gevestigde consumentenorganisatie die de belangen van consumenten behartigt. In de Consumentengids verschijnen regelmatig resultaten van vergelijkend warenonderzoek. Www.consumentenbond.nl
consumentenprijsindex De door het CBS samengestelde index die de ontwikkeling van het algemeen prijsniveau weergeeft. De index wordt berekend door een gewogen gemiddelde te nemen van de verschillende prijsstijgingen en dalingen die in een bepaalde periode hebben plaatsgevonden. Als wegingscoëfficiënten kiest men daarbij voor het beslag dat de diverse goederen en diensten leggen op het budget van de consument.
Stel dat onderstaande tabel de productgroepen waaruit de CPI bestaat, de wegingsfactoren en de prijsveranderingen van de productgroepen in het afgelopen jaar weergeeft.
Voeding, drank en kleding, 20%, 4%, Wonen, 22%, 6%, Vervoer, 12%, 2%, Vrije tijd, 16%, 1%, Overige, 30%, 3%. De verandering van de CPI wordt dan als volgt berekend: 0,20 x 4% + 0,22 x 6% + 0,12 x 2% + 0,16 x 1% + 0,30 x 3% = 3,42%. Als de CPI aan het begin van het jaar 100 bedroeg, bedraagt deze aan het eind van het jaar 100 + 0,0342 x 100 = 103,42. De prijzen zijn het afgelopen jaar dus gemiddeld met 3,42% gestegen.
consumentensoevereiniteit De mate waarin de voorkeuren van de consumenten richting geven aan de productie.
consumentensurplus Het totale prijsvoordeel dat consumenten genieten, omdat de marktprijs lager is dan de prijs die zij voor het product bereid waren te betalen.
consumentenvertrouwen Door het CBS samengestelde index waarin gemeten wordt hoe de consument de toekomst ziet. Verwerkt worden gegevens over de inschatting van het economisch klimaat, de eigen financiële situatie en de koopbereidheid. Met name de indicatoren voor de koopbereidheid worden gezien als goede voorspellers van de daadwerkelijke consumptieve bestedingen van huishoudens.
consumentisme Een beweging die ijvert voor meer recht en macht van de consument en die ook de consumptie maatschappelijk aanvaardbaar wil laten zijn.
consumptiebeleid Beleid waarmee de overheid het consumeren van gezinnen beoogt te sturen. Ze wil de nadelen die aan het consumeren van sommige zaken verbonden zijn zoveel mogelijk tegengaan. Zo kan de overheid waarschuwen tegen de gevaren van roken of van onveilig verkeersgedrag.
consumptiegoederen Goederen en diensten die door gezinnen en overheid zijn gekocht.
consumptieve bestedingen De bestedingen van alle gezinnen samen zijn van grote invloed op de groei van de economie. Zij maken ruim 60 procent uit van de vraagfactoren, die samen met de aanbodfactoren de groei van het bruto binnenlands product bepalen. Daarnaast is er de overheidsconsumptie.
contante waarde Soms moet worden uitgerekend wat de waarde op dit moment is van een aantal bedragen die in de toekomst worden ontvangen of moeten worden betaald. Daarbij is van belang in te zien dat duizend euro die iemand een jaar na vandaag ontvangt, vandaag geen duizend euro waard is, maar minder. Daar zit een bedrag aan rente tussen. Het is dus nodig uit te rekenen welk bedrag, gegeven de huidige rentevoet, over precies een jaar duizend euro waard is. Vroeger was dit een heel gezoek in interesttabellen. Tegenwoordig zijn de financiële functies van een spreadsheetprogramma als bijvoorbeeld Excel beschikbaar. In dit geval de PV-functie (Present Value).
contingent Maximum aan de hoeveelheid van een goed dat in een jaar mag worden ingevoerd (ook: quotum). Volgens de regels van de WTO (World Trade Organization) zijn zulke invoerbeperking niet toegestaan.
contractloonstijging Stijging van het looninkomen per werknemer als direct gevolg van de afgesloten collectieve arbeidsovereenkomsten (CAO) .
convenience goods In de marketing ( commerciële economie) worden met betrekking tot het koopgedrag van de consument vaak drie soorten producten onderscheiden: convenience goods, shopping goods en specialty goods. Bij de convenience goods gaat het om relatief goedkope, niet-duurzame consumptiegoederen aan de aankoop waarvan de consument weinig tijd en aandacht besteedt.
conventie van lomé Overeenkomst tussen de Europese Unie en een groep van 71 ontwikkelingslanden (voornamelijk ex-koloniën van de EU-lidstaten) uit Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACP-landen) die onder meer tot doel heeft exportproducten uit deze ontwikkelingslanden gemakkelijker toegang te geven tot de Europese markten.
convergentie Geeft een ontwikkeling aan waarbij landen in hun economische ontwikkeling naar elkaar toegroeien.
convergentiecriteria De eisen waaraan volgens het verdrag van Maastricht landen moesten voldoen om aan de Economische en Monetaire Unie (EMU) te kunnen meedoen per 1 januari 1999.
converteerbare obligatie Een obligatie die tegen bepaalde voorwaarden gedurende een bepaalde periode kan worden ingewisseld tegen aandelen van dezelfde onderneming. Er is sprake van een mengvorm van aandeel en obligatie. Ligt de koers van het onderliggende aandeel boven de conversiekoers, dan gedraagt de converteerbare obligatie zich als een aandeel. Ligt de koers onder de conversiekoers dan gedraagt de converteerbare obligatie zich als een gewone obligatie. Dit soort obligaties wordt uitgegeven wanneer de ondernemingsleiding van mening is dat de eigen aandelen op de beurs zijn ondergewaardeerd.
convertibele valuta Valuta die onbeperkt tegen alle andere valutas kan worden ingewisseld.
coropgebied De indeling in 40 Coropgebieden (Coördinatiecommissie Regionaal Onderzoeksprogramma) is een regionale indeling die het CBS gebruikt voor statistisch onderzoek.
corporate governance Engels voor bedrijfsvoering. In 2004 is de code Tabaksblat ingevoerd inzake behoorlijk bestuur (corporate governance) van beursgenoteerde ondernemingen met als doel verbeterde transparantie in de jaarrekening, betere verantwoording van de Raad van Commissarissen en een versterking van de zeggenschap en bescherming van aandeelhouders.
corporatisme Grote belangenorganisaties, zoals bijvoorbeeld werkgevers- en werknemersorganisaties, werken met elkaar en met de overheid samen en dragen medeverantwoordelijkheid voor bepaalde delen van het beleid. Een voorbeeld is het tot stand komen van een sociaal akkoord tussen bedrijfsleven en overheid. In dergelijke situaties dreigt de macht van het parlement te worden uitgehold. In Nederland heeft de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (PBO) corporatistische trekken.
cost-push inflatie Men spreekt ook van kosteninflatie. Hogere (productie)kosten duwen de prijzen omhoog.
countervailing power Door John Kenneth Galbraith geïntroduceerde gedachte dat tegenover de macht die wordt uitgeoefend door een bepaalde groep de macht van een andere groep kan worden gesteld, waardoor beide elkaar min of meer in evenwicht houden. Bijvoorbeeld werkgeversverenigingen tegenover werknemersverenigingen.
coupon Genummerd deel van een obligatie waarop de jaarlijkse rente wordt uitbetaald.
coöperatie Economische samenwerking in de vorm van een coöperatieve vereniging. Zijn de letters UA (uitgesloten aansprakelijkheid) aan de naam van de vereniging toegevoegd dan zijn de leden niet aansprakelijk voor de verbintenissen die de vereniging aangaat. Is dit wel zo, dan zijn de letters WA (wettelijk aansprakelijk) toegevoegd.
cpi Consumentenprijsindex. Bij de bepaling van de inflatie willen berekenen, is het onjuist gewoon het gemiddelde uit te rekenen van alle prijsveranderingen die in een bepaalde periode hebben plaatsgevonden. Niet alle producten nemen een even grote plaats in binnen het gezinsbudget. Om te weten hoe prijsveranderingen de koopkracht van consumenten beïnvloeden , is het nodig rekening te houden met het gewicht van de verschillende uitgavenposten in het gezinsbudget. Daarom maakt het CBS gebruik van een gewogen gemiddelde van de verschillende prijzen. Om dit gewogen gemiddelde te kunnen berekenen houdt het CBS regelmatig steekproefsgewijs onderzoek naar het uitgavenpatroon van de consumenten, het budgetonderzoek. Voor de berekening van de consumentenprijsindex neemt het CBS met ingang van 1999 het jaar 1995 als basisperiode. Elke vijf jaar wordt de basisperiode vijf jaar verlegd.
crawling peg Koppeling van een wisselkoers aan bijvoorbeeld de Amerikaanse dollar, waarbij de koppeling niet volledig vast is, maar kruipend. Er kan bijvoorbeeld een depreciatie met een vast percentage per periode zijn ingebouwd. In de jaren negentig volgde bijvoorbeeld Brazilië jarenlang een dergelijke politiek.
creative destruction De manier waarop goederen en diensten worden geproduceerd, verandert in de loop van de tijd. Er worden ook steeds nieuwe producten op de markt gebracht. Soms zijn het verbeteringen van bestaande producten, maar soms ook radicaal nieuwe producten waaraan niemand ooit tevoren had gedacht. Schumpeter, die zich diepgaand met de ontwikkeling van de techniek heeft beziggehouden, spreekt in dat geval van creative destruction. Een proces waarbij het creëren van nieuwe goederen en productiemethoden leidt tot het afbreken van oude.
creditcard Plastic pasje uitgegeven door een cardorganisatie (bijvoorbeeld Eurocard of Visa), met behulp waarvan kan worden betaald bij winkels, hotels en dergelijke die zijn aangesloten bij de cardorganisatie. Het verschuldigde bedrag wordt pas aan het eind van de maand afgeboekt van het banktegoed van de klant. De verkoper (winkelier, hotelier enzovoort) moet een bepaald percentage van zijn op die manier betaalde omzet afstaan aan de cardorganisatie
crediteurenland Een crediteurenland is een land dat per saldo een vordering heeft op het buitenland. Een van de grootste crediteurenlanden is Japan.
crisis Het omslagpunt in de conjunctuurgolf, wanneer de overgang van hoogconjunctuur naar laagconjunctuur of depressie abrupt geschiedt en begeleid wordt door een beurscrash, veel faillissementen, een sterke daling van prijzen en inkomens. In het spraakgebruik vaak niet gebruikt in deze betekenis van kort omslagpunt maar als een andere term voor depressie. In plaats van te spreken over de crisis van de jaren dertig, verdient het de voorkeur te spreken van de depressie in de jaren dertig, waarbij de beurscrash van 1929 de crisis was.
criteria van maastricht De eisen waaraan volgens het Verdrag van Maastricht landen moesten voldoen om per 1 januari 1999 aan de Economische en Monetaire Unie (EMU) te kunnen meedoen: 1. de inflatie mocht maximaal anderhalf procentpunt boven het gemiddelde liggen van de drie lidstaten met de geringste prijsstijging; 2.de kapitaalmarktrente mocht niet meer dan twee procentpunt hoger zijn dan het gemiddelde van de drie landen met de laagste inflatie; 3. de koers van de munt moest zich zonder al te veel moeite kunnen handhaven ten opzichte van de andere Europese munten; 4. Het EMU-tekort mocht niet groter zijn dan drie procent van het bruto binnenlands product (BBP) en 5. de EMU-schuld in procenten van het bruto binnenlands product, de EMU-schuldquote mocht niet groter zijn dan 60% of in bevredigend tempo tot dat niveau dalen. De toelatingseisen voor landen die na 1 januari 1999 alsnog willen toetreden zijn minder duidelijk geformuleerd.
crowding out Een overheidsactiviteit verdringt economische activiteiten van bedrijven en/of van gezinnen
cumulatief preferent aandeel Als in een jaar niet genoeg dividend beschikbaar is voor de houders van cumulatief preferente aandelen, houden zij het ontbrekende bedrag tegoed in de komende jaren.
cut-throat competition Letterlijk halsafsnijdende concurrentie. Een felle concurrentiestrijd binnen een oligopolie.
cwi Centrum voor Werk en Inkomen
cyclische bedrijfstakken (-sectoren) Bedrijfstakken (sectoren) die meer dan gemiddeld op de conjunctuurbeweging reageren.
daggeldlening Lening die dagelijks door een van beide partijen kan worden opgezegd.
data Eerste betekenis: gegevens, zoals in databank. Ten tweede, specifiek in de economische wetenschap, zaken die de economie niet wil verklaren maar die zij als gegeven uitgangspunt neemt. Zoals: de behoeften van de consumenten, de omvang en samenstelling van de bevolking, het juridische systeem, het politieke stelsel, heersende normen en waarden, de stand van de techniek.
dax Deutsche Aktien Index. De belangrijkste graadmeter van de Duitse aandelenhandel in Frankfurt.
de nederlandsche bank De centrale bank van Nederland. Met de komst van de EMU (Economische en Monetaire Unie) in 1999 heeft de ECB (Europese Centrale Bank) de beleidstaken van de nationale centrale banken van Euroland overgenomen. De Nederlandsche Bank is tegenwoordig uitvoerder van het in Frankfurt gevoerde beleid. Wel is de president van de Bank, net als die van de andere centrale banken, betrokken bij de besluitvorming van de ECB. www.dnb.nl
dealingroom Ruimte waarin het bankpersoneel voorzien van beeldschermen en telefoons effecten en valutas aan- en verkoopt om te kunnen profiteren van op een zelfde tijdstip bestaande koersverschillen op verschillende markten. Dit heet arbitrage.
debet Linkerkant (activazijde) van de balans van een onderneming, waarop de bezittingen en de vorderingen staan genoteerd. Ook: linkerkant van de resultatenrekening van een onderneming, waarop de in de loop van een bepaalde periode gemaakte kosten staan vermeld.
debiteurenland Land dat per saldo een schuld heeft aan het buitenland. Het grootste schuldenland ter wereld is de Verenigde Staten.
debiteurenrisico De kwade kans dat degene aan wie een krediet is verleend niet in staat blijkt de lening op de vervaldatum terug te betalen. De omvang van het geschatte debiteurenrisico is een van de factoren die bepaalt hoe hoog de rente is bij een krediettransactie. Vandaar dat de rente op leningen aangegaan door de overheid in het algemeen lager is dan de rente waartegen andere marktpartijen kunnen lenen.
debt-service ratio Het percentage dat rente en aflossing op de schuld van een land aan het buitenland uitmaakt van de exportopbrengst van het schuldenland. De gedachte hierachter is dat de vreemde valutas die nodig zijn om aan de rente- en aflossingsverplichtingen te kunnen voldoen moeten worden verdiend door te exporteren. Ook wel: schuldendienst.
decentrale overheden Dit zijn gemeenten, provincies en waterschappen. Deze laatste verzorgen de waterhuishouding en de dijken. In sommige gebieden zuiveren de waterschappen ook het afvalwater, in andere streken is deze taak opgedragen aan afzonderlijke zuiveringsschappen.
deelnemingsgraad Het aantal mensen dat betaalde arbeid verricht in procenten van de beroepsbevolking, beide gedefinieerd in personen van 15-64 jaar.
deeltijdarbeid Arbeidsduur die korter is dan is vastgelegd in de CAO (collectieve arbeidsovereenkomst) voor de onderneming of bedrijfstak. Van de cao wordt afgeweken op basis van een vrijwillige overeenkomst tussen werknemer en werkgever. In Nederland werken vooral gehuwde vrouwen in deeltijd.
deflatie Daling van het algemeen prijspeil. Vaak gaat deflatie gepaard met een daling van de productie en de werkgelegenheid. De oorzaak ligt dan in een te trage groei (of zelfs een daling) van de bestedingen. Hierdoor ontstaat onderbesteding. De tegenhanger van deflatie is inflatie.
deflator Inflatiepercentage dat wordt gebruikt om de ontwikkeling van een grootheid die is uitgedrukt in lopende prijzen (bijvoorbeeld het bruto binnenlands product) om te zetten in constante prijzen.
defleren Het omzetten van nominale grootheden (bijvoorbeeld geldinkomens) in reële grootheden. Dit gebeurt om cijfers in een tijdreeks beter vergelijkbaar te maken. Stel dat het geldinkomen van mevrouw Spanjer in 2001 € 3000 bedroeg en dat haar inkomen een jaar later is gestegen tot € 3.300,- Neem verder aan dat de cpi (consumentenprijsindex) in diezelfde periode is gestegen met 2%. Haar gedefleerde inkomen in 2002 bedraagt dan € 3.300/102 x 100 = € 3.235,29.
degressief tarief Tariefstructuur waarbij de verschuldigde belasting als percentage van de heffingsgrondslag (gemiddelde belastingdruk) daalt naarmate de grondslag hoger wordt. Het meest extreme voorbeeld biedt een belasting met een voor iedere belastingplichtige gelijk vast bedrag (hoofdgeld). Bij een verdubbeling van het inkomen halveert in dit geval de gemiddelde druk. Het spiegelbeeld is een progressief belastingtarief waarbij de gemiddelde belastingdruk stijgt met het toenemen van de grondslag. Bij een proportioneel belastingtarief is de gemiddelde druk gelijk bij elke omvang van de heffingsgrondslag.
dekkingspercentage Mate waarin een land de invoer kan betalen uit de opbrengst van de uitvoer.
dekkingsplan Hierin geeft de minister van Financiën namens de regering aan hoe hij de (stijging van de) rijksuitgaven in het komende begrotingsjaar denkt te dekken.
demand pull inflation De bestedingen in een land stijgen sterker dan de productiecapaciteit waardoor overbesteding ontstaat en dus inflatie.
democratie Een manier om beslissingen te laten nemen door gekozen (volks)vertegenwoordigers die met elkaar concurreren om de stemmen van de kiezers.
democratisch budgetmechanisme Langs democratische weg gekozen vertegenwoordigers leggen democratisch genomen besluiten vast in een begroting. Staat tegenover het bureaucratisch budgetmechanisme ofwel planmechanisme, waarbij het budget of het plan van bovenaf wordt opgelegd. Na het mislukken van de meeste planeconomieën kan worden vastgesteld dat het democratisch budgetmechanisme een superieure vorm van economische orde is.
demonstratie-effect Producten kopen die status en prestige uitstralen. De behoeftebevrediging ontstaat niet zozeer door het bezit van de producten, maar door het feit dat anderen het zonder moeten stellen.
demotie Om de uitstoot van oudere werknemers tegen te gaan, wordt gesproken over verlaging van het salaris van 50-plussers in lijn met hun dalende arbeidsproductiviteit. Het gaat hierbij om demotie als tegenhanger van promotie.
deng xiaoping Opvolger van Mao Zedong. Heeft China opengesteld naar de wereld. Heeft tientallen jaren met en onder Mao gewerkt. Is herhaaldelijk uit de gratie geweest maar nooit - zoals de meeste personen om Mao heen - vermoord. Vanaf 1929 laat Mao hem de boerenopstanden in Guanxi organiseren. Als in 1935 het leiderschap van Mao officieel wordt bevestigd, krijgt Deng als geheime opdracht het gehele militair-industriële complex te concentreren in en rond Chongqing. In 1961, nadat hij met Liu Shaoqui de leiding van de economie op zich heeft genomen, keert Deng zich openlijk tegen Mao als hij opmerkt dat elk idee dat niet werkt moet worden veranderd, van wie het ook komt. Uit die tijd dateert ook zijn fameuze uitspraak: 'It does not matter wether the cat is black or white. So long as it catches the mouse it is a good cat.' Deng heeft het daarmee bij Mao verbruid en wordt tijdens de Culturele Revolutie verbannen naar de provincie Jiangxi. In februari 1973, mag hij terugkeren naar Beijing. Hij wordt vicepremier van de Staatsraad.In september 1976 sterft Mao en krijgt Deng de touwtjes echt weer in handen. De pragmaticus Deng lanceert het Communisme met Chinese karaktertrekken. Haal uit het kapitalisme die elementen die bruikbaar zijn om de samenleving te verbeteren, zoals solide management en winstprikkels. De hervormingen beginnen intussen uit de hand te lopen. Er ontstaan vervuilingproblemen. De bevolking groeit te sterk, er zijn grote graanimporten nodig. De kritiek op Deng neemt toe. De conservatieven beginnen een actie tegen het gevaarlijk virus van de burgerlijke markteconomie. Deng verliest. Deng heeft steeds erkend dat een markteconomie naast de goede dingen ook slechte eigenschappen heeft, zoals speculatie, misdaad, prostitutie, gokken, corruptie en omkoping. Dit was volgens hem de prijs die betaald moet worden voor een raketreis van de feodale tijd naar een nieuwe hightech maatschappij. Op 19 februari 1997 is Deng overleden. Alom wordt hij geprezen voor het feit dat hij de basis heeft gelegd voor de opbloei van de Chinese economie. Daartegenover staat de kritiek dat hij, nu de economie zich begint te ontplooien, niet ook de ontwikkeling van een democratische rechtsstaat op gang heeft gebracht.
denivellering Toenemen van verschillen. Begrip wordt vooral gebruikt om aan te geven dat inkomensverschillen groter worden. De tegenhanger van inkomens nivellering: de inkomensverschillen worden kleiner.
deposito Een depositie is een som geld die voor een bepaalde tijd (een termijndeposito) of voor onbepaalde tijd (een zichtdepositie) bij een bank rentegevend is ondergebracht.
depreciatie Koersdaling van een valuta door vraag en aanbod.
depressie Een langdurig teruglopen van het absolute niveau van de productie.
derde wereld Verzamelnaam voor de ontwikkelingslanden. De term eerste wereld duidt op de industrielanden, de tweede wereld bestaat uit de (voormalige) Oostbloklanden. Laatstgenoemde term is na het uiteenvallen van de vroegere Sovjet Unie niet langer actueel.
deregulering Het afschaffen, vereenvoudigen of stroomlijnen van regelingen die de overheid oplegt aan bedrijven, instellingen en gezinnen. Doel van deregulering is bevordering van de dynamiek en het aanpassingsvermogen van de economie. Meer 5.4
derivaten Financiële instrumenten die zijn afgeleid van een bepaald financieel product. Bijvoorbeeld opties op aandelen.
desinvestering Door het achterwege laten van vervangingsinvesteringen neemt de voorraad kapitaalgoederen af.
devaluatie Verlaging van de spilkoers van een valuta in een stelsel van stabiele wisselkoersen. Van een devaluatie wordt gesproken wanneer geen formele spilkoers bestaat, maar een informele koppeling van een munt aan een andere valuta.
deviezen Buitenlands geld. Tot de deviezen worden ook gerekend alle onmiddellijk opeisbare tegoeden die luiden in vreemde valuta. Om zijn import te kunnen betalen moet een landen beschikken over vreemde valuta. Het land ontvangt deze uit de opbrengst van zijn export. Als deze opbrengsten tekort schieten, moet het land putten uit zijn goud- en deviezenreserve of een beroep doen op buitenlandse kapitaalverschaffers.
dienstenrekening Deelrekening van de betalingsbalans waarop de waarde van de diensten in- en uitvoer wordt vermeld.
diepte-investering Hierbij gaat het om de aanschaf van kapitaalgoederen die door de toepassing van nieuwe technieken met minder mensen toekunnen. Het gaat dus om arbeidsbesparende investeringen. Een diepte-investering vergroot de arbeidsproductiviteit (de productie per werknemer per tijdseenheid). Een voorbeeld: In de startsituatie produceren 4 mensen in een uur met een machine 100 eenheden product. Vervolgens komt er naast deze machine een modernere, die in een uur 100 eenheden produceert met 2 mensen. In de startsituatie was de arbeidsproductiviteit 100 eenheden per uur / 4 mensen = 25 eenheden per mens per uur. Na de diepte-investering 200 eenheden per uur / 6 mensen = 33,3 eenheden per uur.
differentiatie Het ontstaan van een nieuwe geleding binnen een bedrijfskolom. Bijvoorbeeld: een bedrijf dat tot dusver direct aan zijn afnemers levert, schakelt in het vervolg een grossier in. Staat tegenover integratie.
directe belastingen Belastingen waarvan de overheid aannam dat zij niet via hogere prijzen aan anderen in rekening (kunnen) worden gebracht, zoals de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting. In de praktijk vindt ook bij deze belastingen afwenteling plaats. Doordat ondernemingen hun prijzen extra verhogen, of werknemersorganisaties de looneisen extra opschroeven, slagen deze partijen er vaak in een deel van de winst- en inkomstenbelasting door te schuiven naar andere deelnemers aan het economisch verkeer. Tegenhanger zijn indirecte belastingen, zoals BTW en accijnzen. De overheid nam aan dat deze via hogere prijzen aan afnemers in rekening kunnen worden gebracht. Dit is echter afhankelijk van de marktverhoudingen. Het onderscheid tussen directe en indirecte belastingen is daarom in onbruik geraakt.(jur) Belastingen die in de desbetreffende heffingswet als 'direct' worden aangeduid.
directe investeringen Investeringen waarbij de ingezetenen van een land kapitaal verschaffen aan het buitenland met het doel directe invloed te krijgen op de productie en/of distributie van goederen en diensten in dat land. Het kan hierbij gaan om overnames van bestaande buitenlandse ondernemingen, het stichten van nieuwe vestigingen en om internationale kapitaalstromen binnen een concern.
directe kredietcontrole Een CB kan de geldschepping ook aanpakken door rechtstreeks in te grijpen in de kredietverlening van banken. Daarbij gaat het uitsluitend om kredietverlening die de primaire liquiditeitenmassa groter maakt. In geval van directe kredietcontrole beperkt de centrale bank de geldscheppende kredietverlening van de particuliere banken door het opleggen van voorschriften aan de particuliere banken.
directe ruil Ruil van goed tegen goed. Wordt ook wel barter genoemd. In een primitieve economie, waar geld nog niet wordt gebruikt, ruilen mensen goederen tegen elkaar. Bezwaren hiervan zijn: de bederfelijkheid van sommige goederen en de noodzaak een tegenpartij te vinden die juist het goed bezit dat de initiatiefnemer wil afnemen en die juist behoefte heeft aan het goed dat de initiatiefnemer aanbiedt..
disconto Populaire naam voor de officiële rente (waartegen de particuliere banken krediet kunnen opnemen) van de centrale bank. In Euroland is de vakterm: basisherfinancieringsrente, reporente of refirente.
discontokrediet Krediet dat door banken wordt verstrekt bij her overnemen van handelswissels.
discontopolitiek Het disconto is de rente waartegen de banken, onder bepaalde voorwaarden, kortlopend krediet bij de CB kunnen krijgen. Banken zullen zulke kortlopende kredieten vragen wanneer zij krap in hun kasgeld zitten. Als banken voor hun kasgeld een hogere rente moeten betalen, berekenen zij aan hun klanten ook een hogere rente: het lenen van geld wordt duurder.
discouraged workers effect Het verschijnsel dat iemand zich -bij een slechte arbeidsmarkt- niet als werkzoekende bij het Arbeidsbureau inschrijft, omdat hij verwacht toch geen baan te vinden.
dividend Het bedrag dat de aandeelhouder ontvangt uit de jaarwinst van de onderneming. De meeste Nederlandse ondernemingen keren eenmaal per jaar dividend uit. Soms wordt het dividend niet in geld, maar in aandelen van de onderneming uitbetaald. Dit heet stockdividend. Tussentijds uitgekeerd dividend wordt interimdividend genoemd.
dividendbelasting Bronbelasting op aan aandeelhouders in de vorm van dividend uitgekeerde winst. Het tarief van de dividendbelasting is 25%.
dividendrendement Het dividendbedrag uitgedrukt in de koers van het aandeel. Het dividendrendement laat zien welk percentage het uitgekeerde dividend is van de koers van het aandeel. Voor beleggers die vooral geïnteresseerd zijn in het halen van inkomen uit hun vermogen is een hoog dividendrendement aantrekkelijk. Beleggers die uit zijn op koerswinst zullen zich minder druk maken om een hoog dividendrendement. Groeiende ondernemingen met een zonnig toekomstperspectief kunnen daarom volstaan met een relatief lage dividenduitkering.
doelstelling van de onderneming De situatie die de onderneming probeert te bereiken door haar marktgedrag. Er bestaat nog veel onduidelijkheid over de drijfveren die ondernemers in werkelijkheid bewegen. Gaat het ze om de winst, of is deze alleen een voorwaarde voor de continuïteit van de onderneming? Gaat het om een zo groot mogelijk marktaandeel, of is dat niet meer dan een tussenstap naar waar het in feite om draait: macht en aanzien voor het (top)management? Dit zijn twee voor economen slecht hanteerbare begrippen. Zij maken over doelstellingen van het ondernemingsbeleid verschillende veronderstellingen. Een onderneming kan bijvoorbeeld streven naar een maximale totale winst, een zo sterk mogelijke groei van het marktaandeel of een zo groot mogelijke totale opbrengst.
doelstellingen van macro-economische politiek In ons land worden de volgende vijf doelstellingen van macro-economisch beleid min of meer algemeen aanvaard: 1 een evenwichtige arbeidsmarkt; 2 een stabiel prijsniveau; 3 een evenwichtige betalingsbalans; 4 een evenwichtige economische groei; 5 een rechtvaardige inkomensverdeling.
dollarisering Ontwikkeling, met name in Latijns Amerika, om de nationale munt vast te koppelen aan de US dollar, of de munt zelfs geheel te vervangen door de US dollar. Brazilië had zijn real aan de dollar gekoppeld maar moest deze koppeling loslaten in 1999; de Argentijnse peso was tot begin 2002 aan de dollar gekoppeld; Ecuador heeft de sucre door de dollar vervangen, in El Salvador en Guatemala is men op de dollar overgestapt. Honduras, Nicaragua en Costa Rica overwegen het. Maar Mexico, Canada, Brazilië en Chili zijn tegen. Voordelen zijn dan men de inflatie kan beheersen en dat buitenlandse investeerders en beleggers zonder valutarisico kunnen investeren en beleggen. Een groot nadeel is dat de regering het rente-instrument uit handen geeft, wat het afremmen of stimuleren van de economie met monetaire politiek onmogelijk maakt. De rente wordt dan immers door de Fed bepaald en die zal in de eerste plaats letten op de economische situatie in de Verenigde Staten.
douane-unie Vorm van economische integratie waarbij de onderlinge handelsbelemmeringen tussen een groep landen zijn afgeschaft en waarbij de landen een gemeenschappelijk buitentarief hebben. Bijvoorbeeld de Benelux (België, Nederland en Luxemburg). De douane-unie gaat verder dan een vrijhandelsgebied, maar minder ver dan een economische unie.
dow jones index Index die het koersgemiddelde aangeeft van de 30 belangrijkste industriële aandelen op Wall Street (New York). In 1884 begonnen Charles H. Dow en Edward Jones in Amerika met de berekening van wat later de Dow Jones Averages ging heten. De belangrijkste daarvan is de Dow Jones Industrial Average (DJIA), kortweg de Dow genoemd. Als wordt gezegd dat de Dow Jones is gedaald of gestegen wordt meestal deze DJIA bedoeld. Voor recente informatie:www.dowjones.com
draagkrachtbeginsel Iedere belastingplichtige dient naar vermogen bij te dragen aan de financiering van door de overheid tot stand gebrachte collectieve voorzieningen, door een gelijk offer te brengen. Het beginsel berust op de gedachte dat de belastingdruk zo over individuen moet worden verdeeld dat de draagkrachtverhoudingen voor en na belastingheffing gelijk zijn. In de praktijk si draagkracht een bijzonder moeilijk te hanteren begrip. Indien draagkracht wordt gedefinieerd als het inkomen boven het bedrag dat minimaal nodig is om te voorzien in de meest elementaire levensbehoeften, rechtvaardigt het draagkrachtbeginsel een zwak progressieve tariefstructuur.
due diligenceonderzoek Een onderzoek naar de feitelijke toestand waarin een onderneming verkeert, dat veel verder gaat dan wat uit de gepubliceerde gegevens kan worden opgemaakt. Het onderzoek richt zich niet alleen op de financiële feiten, maar ook op de juridische, technische, organisatorische en commerciële aspecten, om ervoor te zorgen dat er geen lijken in de kast zitten. Een dergelijk onderzoek speelt een rol bij deelname in een onderneming en bij de fusie met of de overname van een onderneming.
dumping Het onder de kostprijs verkopen van producten op buitenlandse markten.
duopolie Een oligopolie met twee aanbieders.
duurzame consumptiegoederen Goederen en diensten die meer dan één keer gebruikt kunnen worden. Zoals een wandmeubel, fornuis, auto, verzekering, abonnement op een krant.
duurzame groei Van duurzame groei, duurzame ontwikkeling of 'sustainable growth' is sprake wanneer de behoeftebevrediging van de huidige generatie die van toekomstige generaties niet in gevaar brengt. Bedoeld wordt dat nu niet een zodanige roofbouw wordt gepleegd op het milieu (overbevissing, kappen van wouden, schade aan de ozonlaag, broeikaseffect) dat latere generaties met de brokken zitten. De term is ontleend aan het in 1987 gepubliceerde Bruntlandt rapport 'Our common future'.
econometrie Onderdeel van de economische wetenschap waarbij met behulp van economische theorie, wiskundige economie en statistische analyse wordt geprobeerd economische verschijnselen te verklaren.
ecb Europese Centrale Bank. Samen met de nationale centrale banken [attentie in lijst staat centrale bank] van de 15 lidstaten van de Europese Unie vormt de Europese Centrale Bank (ECB) het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB). De centrale banken die niet deelnemen aan de Economische en Monetaire Unie (EMU) hebben een bijzondere positie. Zij nemen geen deel aan de besluitvorming met betrekking tot de monetaire politiek ten aanzien van de euroregio. De politiek van de ECB is gericht op het zoveel mogelijk bewaren van prijsstabiliteit in de EMU zone, met andere woorden het tegengaan van inflatie. Dit gebeurt door de korte rente ( basisherfinancieringsfaciliteit) zo nodig te verhogen (om de economie af te koelen). Bij een vertraging van het groeitempo van het bruto binnenlands product vermindert het gevaar van inflatie en kan de ECB haar rente verlagen. Deze lagere rente kan een prikkel zijn voor hogere bestedingen en dus herstel van het groeitempo. www.ecb.int.
e-business Staat voor bedrijfsvoering langs elektronische weg. Aanvankelijk werd aan het eind van de jaren negentig Internet ingeschakeld als distributiekanaal, zowel naar zakelijke als particuliere afnemers. Pioniers op het gebied van deze e-commerce waren Dell (computers), Amazon (boeken, CDs), eBay (veilingen). Wanneer niet alleen, zoals bij e-commerce, neerwaarts in de bedrijfskolom via Internet wordt gehandeld maar ook in voorgaande geledingen in de bedrijfskolom, zoals wanneer toeleveranciers via Internet bij het productieproces worden betrokken, is sprake van e-business. In dat geval zijn alle toeleveranciers on-line verbonden met het desbetreffende bedrijf (en soms ook met elkaar) zodat ze voortdurend op de hoogte zijn van wat ze aan het bedrijf moeten leveren. Ze doen dit vervolgens niet alleen just in time maar toeleveranciers dragen ook zorg voor de montage van geleverde onderdelen.
e-commerce Handel langs elektronische weg, waarbij Internet als distributiekanaal is ingeschakeld, zowel naar de particuliere als de zakelijke afnemers.
ebitda Earnings before interest, taxes, depreciation and amortization, ofwel het resultaat voor aftrek van rente, belastingen, afschrijving op de materiële activa en afschrijving op de goodwill.
economie 1 De economische wetenschap gaat over de wensen van mensen en hoe ze proberen die wensen te vervullen. Het gaat om de behoeften en de manier waarop daarin wordt voorzien. Daarvoor gebruiken ze schaarse, alternatief (op verschillende manieren) aanwendbare middelen. Het gaat in de economie dus om: * het bestuderen van menselijk handelen; * het bestaan van menselijke behoeften; * de wens deze te bevredigen; * de schaarste van de bevredigingsmiddelen; * de verschillende gebruiksmogelijkheden van de middelen. Een voorbeeld: iemand heeft per dag 2 uur beschikbaar om of te studeren of te joggen. Op dit moment doet hij beide 1 uur. Nu wil hij een uur extra studeren. Binnen de gegeven beperking moet hij nu een uur joggen opofferen. Een uur extra studeren kost hem een uur joggen. De behoeften zijn hier studeren en joggen: het alternatief aanwendbare middel is tijd gemeten in hele uren. 2 Het begrip Economie wordt ook gebruikt in de zin van de economie van Nederland. Daarbij gaat het over de algemene economische situatie: de omvang van het binnenlands product, de werkgelegenheid, de ontwikkeling van lonen en prijzen, de handelsbetrekkingen met het buitenland.
economies of scale Schaalvoordelen bestaan wanneer bij uitbreiding van de capaciteit van een onderneming of bedrijfstak de totale productiekosten minder dan proportioneel stijgen met de productieomvang. Met als gevolg dat de langetermijn gemiddelde productiekosten dalen.
economisch beginsel Het economisch beginsel confronteert ons met de rationeel handelende homo economicus. Onder rationeel handelen wordt hier verstaan een gegeven resultaat bereiken met opoffering van zo weinig mogelijk middelen. De Amsterdamse econoom Hennipman heeft in zijn proefschrift Economisch motief en economisch principe (1945) het begrip rationeel economisch handelen verruimd in die zin dat elk feitelijk handelen van de mens rationeel is, omdat hij er blijkbaar behoefte aan heeft te handelen zoals hij handelt. Het economisch beginsel slaat dan veeleer op doelmatig of efficiënt handelen dan op economisch rationeel handelen.
economisch statistische berichten (esb) Weekblad waarin actuele economisch financiële vraagstukken en hun theoretische achtergronden worden behandeld. Esbonline.sdu.nl
economische controle dienst (ecd) Deze dienst oefent controle uit op financieel-economische fraude; was oorspronkelijk ondergebracht bij het ministerie van Economische Zaken; maar maakt nu met de Fiscale Inlichtingen en Opsporings Dienst (FIOD) deel uit van het ministerie van Financiën omdat financieel-economische en fiscale fraude vaak samengaan.
economische en monetaire unie (emu) Met ingang van 1 januari 1999 vormen de landen van de Europese Unie (EU), met uitzondering van Groot Brittannië, Zweden, Denemarken en Griekenland (alsnog toegetreden per 1 januari 2000), een muntunie, de EMU. Later voerden ook Slovenie, Malta en Cyprus de euro in. Met ingang van 1 januari 2009 treedt ook Slowakije toe. De gemeenschappelijke munt is de euro en de geldpolitiek wordt verzorgd door de Europese Centrale Bank (ECB).
economische groei Toeneming van de behoeftebevrediging en dus ruimer dan productiegroei, die bijvoorbeeld ten koste van het milieu kan gaan. In het dagelijks spraakgebruik wordt het begrip vaak gebruikt als synoniem voor productiegroei en dan meestal in de zin van toenemende productie per inwoner.
economische integratie Economische samenwerking tussen landen. Doel kan zijn om tot grotere economische eenheid te komen, zoals een economische unie.
economische kringloop Een naar analogie van de menselijke bloedsomloop geschematiseerde voorstelling van de (goederen- en) geldstromen in een economie. In de 18e eeuw kwam de Franse arts François Quesnay (1694-1774) op het idee dat de geldsomloop in een economie kan worden vergeleken met de bloedsomloop in het menselijk lichaam. Zijn Tableau Economique kan worden beschouwd als de eerste afbeelding van een economische kringloop.
economische machtspositie Een overwegende invloed van een of meer ondernemingen op een markt De Mededingingswet sluit aan bij de Europese definitie: de positie van een of meer ondernemingen op een markt in Nederland, die deze in staat stelt de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging op die markt te verhinderen door hun de mogelijkheid te geven zich in belangrijke mate onafhankelijk van hun concurrenten, hun leveranciers, hun afnemers of de eindgebruiker te gedragen. Ook een aantal ondernemingen samen kan een economische machtspositie innemen. Bijvoorbeeld wanneer sprake is van onderling afgestemd gedrag bij een oligopolie.
economische orde De manier waarop de beslissingen van consumenten, producenten, overheid en belangenorganisaties op elkaar zijn afgestemd. Elk land moet oplossen hoe het de beschikbare productiefactoren zal verdelen over de productiemogelijkheden. Wat moet worden geproduceerd, hoeveel, op welke manier, van welke kwaliteit, waar, wanneer en voor wie. Elk land lost dit allocatieprobleem op een andere manier op.
economische politiek Hierbij gaat het om de beïnvloeding van het economisch proces door de overheid om bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Bij de formulering van de doelstellingen zelf en bij de afweging welke doelstellingen het zwaarste wegen, spelen buiteneconomische overwegingen een rol. Wanneer bijvoorbeeld het streven naar een zo groot mogelijke productiegroei botst met de zorg voor een schoon leefmilieu, moeten politieke keuzes worden gemaakt. De economische theorie heeft geen maatstaf om de extra behoeftebevrediging door een grotere productie af te wegen tegen de schade die het bouwen van extra fabrieken aan het milieu toebrengt. Evenmin kan de economische theorie aangeven wat een rechtvaardige(r) inkomensverdeling is. Wel kunnen theoretische inzichten en empirische gegevens de keuzevraagstukken voor beleidsmakers doorzichtiger maken. Dit kan door aan te geven welke de waarschijnlijke gevolgen zijn van bepaalde overheidsmaatregelen.
economische politiek doelstellingen van In ons land worden de volgende vijf doelstellingen van macro economisch beleid min of meer algemeen aanvaard: 1 een evenwichtige arbeidsmarkt; 2 een stabiel prijsniveau; 3 een evenwichtige betalingsbalans; 4 een evenwichtige economische groei; 5 een redelijke [rechtvaardige] inkomensverdeling.
economische rechtvaardigheid Een van de criteria waarop men een economische orde beoordeelt: hoe zijn de inkomens, de vermogens, de macht en de mogelijkheden over de mensen verdeeld?
economische slijtage De door veroudering optredende waardevermindering van kapitaalgoederen. Vaste kapitaalgoederen slijten op twee manieren. Aan de ene kant door het gebruik, de zogeheten technische slijtage. Aan de andere kant, doordat ze verouderen: er komen nieuwe machines op de markt waarin de jongste technische kennis is verwerkt. Deze veroudering wordt ook economische slijtage genoemd.
economische unie Vorm van economische integratie die wordt gekenmerkt door: 1 afwezigheid van onderlinge handelsbelemmeringen; 2 een gemeenschappelijk handelstarief tegenover derde landen; 3 vrij verkeer van arbeid en kapitaal; 4 een op elkaar afgestemde economische politiek van de lidstaten; 5 gemeenschappelijke instellingen.
economische voorlichtingsdienst (evd) De EVD, een agentschap van het ministerie van Economische Zaken, is de centrale organisatie van de rijksoverheid die het Nederlandse bedrijfsleven ondersteunt bij internationaal ondernemen. Www.evd.nl
economische wetenschap wetenschap die bestudeert hoe mensen omgaan met schaarse alternatief aanwendbare middelen, die ze gebruiken om er hun doelstellingen mee te bereiken.
economist de Kwartaaltijdschrift van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde. Opgericht in 1852.
economist the Brits weekblad op financieel-economisch gebied met een wereldwijde verspreiding en groot gezag. www.economist.com
ecotax Belasting die wordt geheven op basis van een milieubelastende activiteit, zoals het verbruik van energie en van grondstoffen, en wegens de productie van afvalstoffen of afvalwarmte.
ecu Voormalig rekenmiddel binnen de Europese Unie (EU). Opgevolgd door de euro.
éducation permanente Voortdurende her- en bijscholing om snel verouderende kennis bij te spijkeren. Een hiermee verbonden begrip dat aan het eind van de twintigste eeuw in zwang raakte is employability. Hiermee wordt bedoeld dat het voor werknemers noodzakelijk is voortdurend inzetbaar te zijn in een aan verandering onderhevige arbeidsmarkt.
eeg Europese Economische Gemeenschap. In 1957 bij het Verdrag van Rome opgerichte deelgemeenschap tussen de Beneluxlanden, Duitsland (toen nog: West Duitsland), Frankrijk en Italië. De andere twee waren de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom). In 1967 smolten de drie deelgemeenschappen samen tot de Europese Gemeenschap(EG). In 1994 werd de naam van de EG gewijzigd in Europese Unie(EU).
eenmanszaak Leiding en eigendom zijn dan in handen van één persoon, die met zijn gehele privévermogen aansprakelijk is voor de schulden van de onderneming.
eerstehands markt Handel in nieuw uitgegeven waardepapieren. Ook wel: emissiemarkt.
effecten Verzamelnaam voor waardepapieren: aandelen, obligaties en pandbrieven. De eerste effecten die in Amsterdam werden verhandeld waren aandelen van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC). Om haar kostbare reizen te financieren plaatste de VOC in het begin van de zeventiende eeuw actiën bij het publiek. Deze aandelen op naam waren verhandelbaar. Dit was het begin van een groeiende handel in aandelen en later ook obligaties. Daarmee had Amsterdam een wereldprimeur: de eerste effectenbeurs.
effectenbeurs Plaats waar vraag en aanbod met betrekking tot effecten elkaar ontmoeten. De Amsterdamse Effectenbeurs is in 1997 gefuseerd met de EOE-Optiebeurs; in 2000 met de beurzen van Parijs en Brussel; de beurs heet nu Euronext Amsterdam (www.euronext.nl) ; in 2002 is ook de beurs van Lissabon toegetreden. Tot de beurs behoren de effectenbeurs, de optiebeurs en de agrarische termijnmarkt. De effectenbeurs van Euronext Amsterdam organiseert de openbare kapitaalmarkt in Nederland. Deze openbare markt wordt onderscheiden in de primaire markt en de secundaire markt. De primaire markt is de markt voor het uitgeven en in de notering brengen van nieuwe aandelen en obligaties door ondernemingen, overheden en internationale instellingen. De secundaire markt is de markt waar in reeds genoteerde aandelen en obligaties wordt gehandeld. De 25 meest actief verhandelde aandelenfondsen worden opgenomen in de AEX-index, de daaropvolgende groep van 22 fondsen in de AMX-index (de zogenoemde Midkap-fondsen).
effectief rendement Het verwachte totale rendement als een obligatie tot het eind van de looptijd wordt aangehouden, waarbij alle couponbetalingen tegen dezelfde rente worden herbelegd.
effectieve vraag In de macro-economie gebruikte term voor de totale door besteders uitgeoefende vraag. Dat wil zeggen het totaal van de consumptieve bestedingen, de particuliere investeringen, de overheidsbestedingen en het saldo van in- en uitvoer. Schiet de effectieve vraag tekort dan is sprake van onderbesteding met onderbestedings – of conjunctuurwerkloosheid als kwalijk bijverschijnsel. Zijn de bestedingen groter dan de productiecapaciteit aankan, dan is sprake van overbesteding, met prijsinflatie of een verslechtering van de lopende rekening van de betalingsbalans als bijverschijnsel.
effectieve wisselkoersverandering De wisselkoersverandering van een land ten opzichte van zijn belangrijkste handelspartners. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een gewogen gemiddelde van de wisselkoersveranderingen die de munt heeft gehad met elk van de landen afzonderlijk. De gewichten worden ontleend aan het relatieve belang dat elk van de andere landen heeft voor de thuismarkt en voor de buitenlandse afzetmarkten.
efficiency Doelmatigheid in het gebruik van de productiemiddelen, dat wil zeggen dat een gegeven gewenst resultaat met de kleinste opoffering van middelen wordt gerealiseerd.
efficiënte markten Markten waarop informatie zich zeer snel verspreidt. De informatie is voor iedereen bereikbaar, iedereen handelt ernaar. En dus is alle informatie al in de prijs van het moment verwerkt. Het is daarom niet mogelijk om voordeel te behalen uit een informatievoorsprong.
efta European Free Trade Association. Vrijhandelsgebied waarvan Noorwegen, Zwitserland, IJsland en Liechtenstein uitmaken. Ook wel: EVA (Europese Vrijhandelsassociatie).
eg Europese Gemeenschap. Huidige naam Europese Unie(EU).
egks De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (1951) vormde de basis voor de Europese integratie. De EGKS had als voornaamste doel de zware industrieën van met name Frankrijk en West-Duitsland dusdanig met elkaar te vervlechten dat Duitsland geen nieuwe oorlog zou beginnen In 1957 bij het Verdrag van Rome stichtten de Beneluxlanden, Duitsland (toen nog: West Duitsland), Frankrijk en Italië nog twee deelgemeenschappen, de Europese Economische Gemeenschap(EEG) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom). In 1967 smolten de drie deelgemeenschappen samen tot de Europese Gemeenschap (EG). In 1994 werd de naam van de EG gewijzigd in Europese Unie(EU).
eib Europese Investeringsbank
eibor European Interbank Offered Rate. Rente die banken binnen de euroregio aan elkaar in rekening brengen bij het onderling verstrekken van kortlopend krediet.
eigen risico Verzekerden dienen op grond van hun overeenkomst met een verzekeraar of als uitvloeisel van een wettelijke regeling een deel van geleden schade voor eigen rekening te nemen. Uitsluitend het meerdere van de schade wordt door de verzekeraar, respectievelijk de overheid vergoed.
eigen vermogen Het eigen vermogen op de balans van een vennootschap bestaat uit het door de aandeelhouders beschikbaar gestelde aandelenvermogen plus de winstreserve. Een deel van de winst wordt niet uitgekeerd maar toegevoegd aan deze reserve, de zogenoemde ingehouden winst.
elasticiteit Maatstaf voor de gevoeligheid van een variabele voor een verandering in een andere variabele. Bijvoorbeeld de prijselasticiteit van de vraag laat zien met hoeveel procent de gevraagde hoeveelheid verandert als de prijs met 1% verandert. Wanneer gegeven is dat de prijselasticiteit van de vraag – 2 bedraagt, dan betekent dit dat de gevraagde hoeveelheid met 2% zal afnemen (toenemen) als de prijs met 1% stijgt (daalt).
elastische vraag De absolute waarde van de prijselasticiteit met betrekking tot de vraag naar een goed is groter dan 1. Dit heeft tot gevolg dat bij een prijsverhoging de omzet terugloopt. Stel dat de elasticiteit van de vraag –2 bedraagt en dat in de begintoestand de prijs € 100 is en de gevraagde hoeveelheid 100 kg. Bij een prijsverhoging van 1% stijgt de prijs naar € 101 en de gevraagde hoeveelheid daalt met 2% naar 98 kg. De omzet die in de begintoestand &euro100 x 100 kg = € 10.000 bedroeg, daalt nu naar € 101 x 98 kg = € 9898.
emerging markets Letterlijk opkomende markten, zoals in Azië: aanvankelijk Hong Kong, Taiwan en Singapore, later Zuid-Korea, Thailand, Maleisië, Filippijnen, Indonesië en China. In Oost-Europa: Rusland, Polen, Hongarije, Tsjechië.
emissiemarkt Markt voor nieuw uit te geven waardepapieren (zoals aandelen). Ook wel: eerstehands markt.
employability Mate waarin vaardigheden van werknemers aansluiten bij de eisen van de arbeidsmarkt.
emu Economische en Monetaire Unie
emu-saldo Het EMU-saldo betreft het vorderingensaldo van de overheid, dat is de gehele collectieve sector op transactiebasis. Lidstaten van de Europese Unie zijn een procedure overeengekomen die in werking kan treden als het vorderingentekort van een lidstaat groter is dan 3 procent van het bruto binnenlands product. In het kader van deze “buitensporige-tekortenprocedure” kan de Europese Raad van Ministers bijvoorbeeld aanbevelingen aan een lidstaat doen om het tekort terug te dringen en zo nodig sancties opleggen, waaronder boetes.
emu-schuld Het totaal van de uitstaande leningen ten laste van de overheid, dat is de gehele collectieve sector. Dit is de optelsom van de uitstaande leningen ten laste van het Rijk, de sociale fondsen en de decentrale overheden, minus de onderlinge schulden van deze drie subsectoren.
emu-schuldquote De EMU-schuld van de gehele overheid (Rijk, gemeenten en provincies) uitgedrukt in een percentage van het bruto binnenlands product (BBP). Volgens de criteria van Maastricht voor de toetreding tot de EMU(Economische en Monetaire Unie) mocht deze quote niet groter zijn dan 60% of moest de quote in bevredigend tempo in de richting van 60% dalen.
ethisch ondernemen Traditioneel is de doelstelling van de onderneming het maken van winst teneinde de continuïteit te waarborgen. De laatste decennia zien we dat sommige ondernemingen ook ethische en politieke factoren in het beleid laten meewegen. Zoals bijvoorbeeld geen zaken doen in of met landen met een totalitair regiem of landen waar kinderen worden geëxploiteerd.
eu Europese Unie
euro De euro werd op 1 januari 1999 geïntroduceerd tegen een guldenskoers van f 2,20371. Vanaf die datum lagen de koersen tussen de munten van de 11 starters (waarbij Griekenland zich op 1 januari 2001 met zijn drachme voegde) vast. De verwachting was vrij algemeen dat de euro internationaal een vrij zonnige toekomst tegemoet ging. Tot november 2000 was het tegendeel het geval. De munt verloor in nog geen twee jaar bijna 30% van zijn waarde ten opzichte van de Amerikaanse dollar. De verklaring moet vooral worden gezocht in de snelle groei van de Amerikaanse economie. Veel beleggers belegden hun vermogen op de Amerikaanse beurzen, waardoor de vraag naar dollars steeg (en daarmee ook het aanbod van euros). Vanaf 1 januari 2002 zijn euro bankbiljetten en munten in omloop gebracht. Daarmee is de omschakeling van de twaalf deelnemende landen op de euro volledig. De nationale munten hebben hun functie als ruilmiddel verloren
eurobarometer Door de Rabobank ontwikkelde conjunctuurindicator voor de twaalf lidstaten die aan de EMU deelnemen.
eurobonds Obligaties die worden uitgegeven op de Europese kapitaalmarkt.
eurodollars Amerikaanse dollars die buiten Amerika worden aangehouden bij internationale banken door niet-Amerikanen.
euroland Andere benaming voor de twaalf landen die deel uitmaken van de Economische en Monetaire Unie (EMU). In 2002 zijn dat: België, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Spanje.
euronext Oorspronkelijk fusie tussen de Nederlandse, Belgische, Franse beurs. Inmiddels is ook de Portugese beurs (Lissabon) toegetreden. In 2007 zijn Euronext en de Effectenbeurs van New York (NYSE) een fusie aangegaan.www.euronext.nl
european bank for reconstruction and development Internationale bank die in 1991 is opgericht om de overgang van de centraal geleide economieën in Midden en Oost Europa naar markteconomieën te vergemakkelijken
europees hof van justitie Orgaan van de Europese Unie dat recht spreekt als verschil van mening bestaat over de uitleg van de Europese verdragen.
europees mededingingsbeleid Het eerste lid van artikel 85 van het EU-verdrag verbiedt alle concurrentiebeperkende afspraken, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Overeenkomsten van geringe betekenis (minder dan 5% van de relevante markt en een omzet lager dan 200 miljoen euro) vallen hier niet onder: de zogeheten bagatelbekendmaking van 1986. Artikel 85 lid 3 regelt de mogelijkheden van een ontheffing. Verzocht kan worden om een negatieve verklaring: de overeenkomst of gedraging valt niet onder artikel 85 of 86. Een andere mogelijkheid is de groepsvrijstelling. Voorbeelden hiervan zijn franchiseovereenkomsten, alleenverkoopovereenkomsten, overeenkomsten betreffende overdracht van technologie, Research and Development-overeenkomsten. Artikel 86 van het EU-verdrag verbiedt ondernemingen die beschikken over een economische machtspositie deze te misbruiken voor zover dit een ongunstige invloed heeft op de handel tussen de EU-lidstaten. Voorbeelden: het opleggen van onbillijke aan- of verkoopprijzen of andere onbillijke contractuele voorwaarden; het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van de gebruikers. De Europese concentratieverordening geeft de mogelijkheid van preventief toezicht op concentraties die tot ingrijpende veranderingen in de mededingingsstructuur kunnen leiden. Het gaat dan om concentraties boven een nader aangegeven drempelwaarde.
europees monetair instituut (emi) Voorloper van het Europese Stelsel van Centrale Banken.
europees monetair stelsel (ems) Voormalige afspraak tussen landen van de Europese Unie om hun onderlinge wisselkoersschommelingen te beperken. Nu overbodig geworden door de Economische en Monetaire Unie (EMU). Het zogeheten EMS nieuwe stijl wordt nog gehanteerd bij de toetreding van Oosteuropese landen.
europees parlement (ep) Het EP wordt sinds 1979 rechtstreeks gekozen door de burgers in de lidstaten. Het Parlement controleert onder meer het werk van de Commissie. Geleidelijk aan nemen de bevoegdheden van het EP toe. www.europarl.eu.int
europese akte Overeenkomst tussen de landen van de Europese Unie (EU), waarbij werd afgesproken dat eind 1992 de EU een markt zonder binnengrenzen moest zijn (1986).
europese begroting De uitgaven van de Europese Unie worden voornamelijk gefinancierd uit de bijdrage die landen moeten betalen uit hun ontvangsten aan omzetbelasting (BTW) en een bijdrage op basis van de hoogte van hun bbp (bruto binnenlands product). De uitgaven zijn vooral bestemd voor landbouw en regionale en sociale projecten.
europese commissie Het dagelijks bestuur van de EU. De Commissie bereidt de besluiten van de Raad van de EU voor en voert ze uit.
europese economische ruimte (eer) Vrijhandelsakkoord tussen de Europese Unie (EU) en de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) (1994). Door het toetreden van Oostenrijk, Finland en Zweden tot de EU is de betekenis van de EER verminderd.
europese gemeenschap (eg) Douane-unie tussen vijftien Europese landen met als uiteindelijk doel de vorming van een economische unie. Tegenwoordige naam: Europese Unie (EU).
europese gemeenschap voor kolen en staal (egks) EGKS.
europese investeringsbank (eib) Bankinstelling binnen de Europese Unie (EU). Om voor verstrekking van kredieten in aanmerking te komen, moeten projecten voldoen aan een aantal criteria. Bijvoorbeeld: zij moeten de economische ontwikkeling van achtergebleven regios stimuleren, of zij moeten bijdragen aan verbetering van de Europese infrastructuur met betrekking tot transport en telecommunicatie.
europese landbouwpolitiek Het Europese landbouwbeleid wordt gekarakteriseerd door drie elementen: invoerrechten op agrarische producten van buiten de Europese Unie (EU), garantieprijzen voor Europese boeren en exportsubsidies. Om voor de Europese boeren een lonende productie mogelijk te maken, werkt de EU met garantieprijzen ( minimumprijs) voor een groot aantal producten. Het Europese prijsniveau ligt hoger dan het wereldprijsniveau. Producten uit niet-EU landen worden belast met een invoerrecht dat de prijs van die producten optrekt naar het Europese niveau. Omdat de Europese boeren meer produceren dan nodig is voor het eigen Europees verbruik (in de hand gewerkt door de hoge garantieprijzen) moeten de overschotten ( aanbodoverschot) worden afgezet op buitenlandse markten. Dit kan alleen door de export te subsidiëren. Op dit protectionistisch landbouwbeleid is vanuit landen buiten de Unie veel kritiek Cairnes groep). Onder druk van deze kritiek is Europa bezig het landbouwbeleid te liberaliseren en meer marktwerking toe te staan. De prijssubsidies aan de boeren worden geleidelijk vervangen door inkomenssteun. De exportsubsidies en de invoerrechten worden in fasen verlaagd. [eulandbouw.gif]
europese raad Deze Raad bestaat uit de regeringsleiders van de lidstaten. Geen officieel orgaan binnen de Unie.
europese unie(eu) Sinds 1993 de naam van de Europese Gemeenschap. In 2000 kent de EU 15 lidstaten: België, Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje, Portugal, het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Zweden, Finland, Denemarken, Oostenrijk en Griekenland. De Europese Unie (EU) heeft als uiteindelijke doelstelling het vormen van een economische unie. De belangrijkste instellingen van de EU zijn: 1 De Europese Raad. Dit is het hoogste orgaan van de Unie. De Raad is samengesteld uit de regeringsleiders. In de Europese Raad worden algemene politieke overeenkomsten gesloten. 2 De Raad van de Europese Unie. Deze Raad neemt besluiten binnen de door de Europese Raad geschapen randvoorwaarden. De Raad van de Europese Unie is samengesteld uit de vakministers van de nationale regeringen. Bijvoorbeeld als het onderwerp verkeer aan de orde is, zit de Nederlandse minister van Verkeer en Waterstaat aan tafel met zijn Europese vakcollegas, bij landbouwonderwerpen de Minister van Landbouw enzovoort. 3 De Europese Commissie. De Commissie is het dagelijks bestuur van de EU. Zij moet de besluiten van de ministerraad voorbereiden en uitvoeren. 4 Het Europees Parlement. Dit rechtstreeks door de burgers van Europa gekozen parlement controleert het werk van de Commissie. Het Parlement neemt ook deel aan de opstelling van de EU-begroting en het controleert de uitgaven van de EU. 5 Het Europees Hof van Justitie. Het Hof is belast met de handhaving van het recht van de EU tegenover de lidstaten. Het Europees Hof spreekt recht over geschillen met betrekking tot de uitleg van EG-verdragen. http://europa.eu/index_nl.htm
europese vrijhandelsassociatie (eva) EFTA.
eurostat Bureau voor de statistiek van de Europese Unie. Het stelt statistische analyses en prognoses op, die regelmatig worden gepubliceerd. Eurostat verstrekt de EU-instellingen gegevens die belangrijk zijn voor de besluitvorming en de tenuitvoerlegging van het beleid, en geeft de nationale overheidsdiensten en het grote publiek statistische informatie over de toestand in de EU. Verder treedt Eurostat op als centraal orgaan waar de verschillende nationale statistieken voor zover mogelijk in een geharmoniseerd en vergelijkbaar systeem worden gecoördineerd. www.ec.europa.eu/eurostat
eurozone Gebied waarbinnen de euro wettig betaalmiddel is (de landen van de EMU).
evenwicht In de economische theorie sluit de betekenis van evenwicht aan bij het natuurkundige evenwichtsbegrip, dat wil zeggen dat een situatie is ingetreden waarbij geen krachten meer werken die deze situatie kunnen veranderen. Een dergelijke toestand is het inkomensevenwicht in de Keynesiaanse theorie: een hoogte van het nationaal inkomen waarbij de wensen van de besteders in vervulling kunnen gaan. Bij het marktevenwicht worden de wensen van verkopers en kopers van een bepaald goed gerealiseerd. Waar bij de doelstellingen van economische politiek van bijvoorbeeld een evenwichtige arbeidsmarkt sprake is, wordt niet alleen bedoeld dat vraag en aanbod in kwantitatieve zin bij elkaar aansluiten, maar ook in kwalitatieve zin. Met evenwichtige groei bedoelt men toeneming van de nationale productie zonder grote schokken, ruimtelijk goed gespreid, rekening houdend met de kwaliteit van het milieu en dergelijke. Het begrip evenwicht(ig) heeft hier doorgaans een ruimere betekenis.
exportquota Per land wordt een maximum gesteld aan de hoeveelheid grondstof die het per jaar mag uitvoeren. Volgens de regels van de WTO (World Trade Oganization) zijn dergelijke quota niet toegestaan. Toch hanteert Japan onder druk van de Verenigde Staten en Europa een vrijwillig exportquotum bij zijn uitvoer van personenautos. In wezen gaat het hierbij om (verboden) protectionistische druk van de Verenigde Staten en Europa die de concurrentiestrijd met de Japanse auto-industrie niet goed aankunnen.
exportsubsidie Om export mogelijk te maken overbrugt de overheid het nadelige verschil tussen de binnenlandse prijs en de (lagere) wereldmarktprijs met financiële overheidssteun. Europa maakt zich in zijn landbouwbeleid al jarenlang schuldig aan deze praktijk. De afspraak bestaat dat Europa, onder druk van grote agrarische producenten zoals de Verenigde Staten, Canada en Nieuw Zeeland, in de komende jaren deze steun zal beperken. Landbouwsteun wordt zeker niet volledig gestopt.
externe effecten Kosten en baten waarmee producenten en consumenten bij hun keuzegedrag geen rekening houden.
externe organisatie (Engels: Industrial Organization)deze geeft een zoveel mogelijk op empirische feiten gebaseerde analyse van de concurrentieverhoudingen op markten.
externe waarde van een valuta De wisselkoers van een munt.
factoring Een hierin gespecialiseerde onderneming (bijvoorbeeld een bank of een factoringmaatschappij) neemt het kredietsaldo, de uitstaande en goedgekeurde vorderingen, over van een onderneming. De factormaatschappij betaalt de onderneming een zeker percentage van de uitstaande rekeningen (70 tot 90% van het bedrag). In feite is het de financiering van het activum debiteuren. Uitgesloten is het zogenaamde merchandise dispute: het uitblijven van betaling wegens te late of niet-behoorlijke levering.
factorkosten Trekken we van de toegevoegde waarde tegen marktprijzen de kostprijsverhogende belastingen af en tellen we de prijsverlagende subsidies erbij op, dan is het resultaat de toegevoegde waarde tegen factorkosten.
faillissement Wanneer een debiteur niet aan zijn verplichtingen voldoet kunnen schuldeisers onder bepaalde voorwaarden de rechter verzoeken het faillissement uit te spreken, een vonnis waarin wordt verklaard dat de debiteur zijn betalingen heeft gestaakt. Er wordt dan beslag gelegd op zijn vermogen om de schuldeisers daaruit te voldoen. In het vonnis wijst de rechter ook een rechter-commissaris en een curator (of meerdere curatoren) aan om de afwikkeling van het faillissement te regelen.
fed Federal Reserve System; systeem van centrale banken in de Verenigde Staten. De Fed bestaat uit 12 Federal Reserve Banks die samen de rol van nationale centrale bank vervullen. Voorzitter van de Fed is sinds 2007 de econoom Ben Bernanke. Zijn uitingen worden op de financiële markten in de hele wereld nauwlettend gevolgd. Renteverhogingen of verlagingen kunnen grote gevolgen hebben voor het koersverloop op de beurzen in de Verenigde Staten en daarmee ook in andere delen van de wereld. Evenals zijn voorganger Alan Greenspan tracht Bernake een zo doorzichtig en voorspelbaar mogelijk beleid te voeren door in zijn publieke uitingen voorafgaand aan een vergadering van de Fed in voorzichtige bewoordingen te anticiperen op te nemen maatregelen. Men spreekt in dit verband wel van management by speech. www.federalreserve.gov
feitelijke barrières Belemmeringen om tot een markt toe te treden, zoals bijvoorbeeld de grootte van de op die markt al bestaande ondernemingen.
finale goederen Goederen en diensten die direct voorzien in de behoeften van de consument. Tegendeel :intermediaire goederen.
financiële leasing De leasemaatschappij (meestal een dochteronderneming van de bank) verhuurt productiemiddelen, bijvoorbeeld bedrijfsautos, aan de onderneming. In juridische zin blijft de eigendom bij de leasemaatschappij, maar de onderneming wordt de economische eigenaar. Dit laatste wil zeggen dat de eventuele belastingfaciliteiten, zoals afschrijvingen op de productiemiddelen ten laste van de bedrijfswinst, ten goede komen aan de onderneming.
financiële markten Hier vindt de handel plaats in allerlei soorten vermogenstitels: valutas, aandelen, obligaties, opties, warrants, futures enzovoort. Vooral de handel in zogeheten derivaten heeft in de afgelopen 20 jaar sterk aan betekenis gewonnen. De financiële markten in de wereld zijn met elkaar verbonden door een veeladerig systeem van telefoon-, fax- en computerverbindingen.
financiën, ministerie van Ministerie houdt zich bezig met de financiële en economische politiek, coördineert de opstelling van de rijksbegroting, ziet toe op het binnenlands geldverkeer en stippelt het belastingbeleid uit. De Belastingdienst vormt een onderdeel van de organisatie van dit ministerie.www.minfin.nl
financieringsoverschot Het begrotingsoverschot vermeerderd met de aflossingen op de staatsschuld.
financieringstekort Het begrotingstekort verminderd met de aflossingen op de staatsschuld, ofwel het bedrag dat de overheid jaarlijks per saldo moet lenen (netto beroep op de kapitaalmarkt).
fiod Fiscale Inlichtingen en Opsporings Dienst
firma Vennootschap onder firma Daarbij oefenen twee of meer personen onder gemeenschappelijke naam en voor gemeenschappelijke rekening een bedrijf uit.
fiscale inlichtingen en opsporings dienst (fiod) Onderdeel van de Belastingdienst dat zich bezig houdt met het verzamelen van inlichtingen ten behoeve van de belastingheffing en met opsporing van fiscale fraude.
fiscale klimaat Dit wordt bepaald door het geheel van belastingwetten in een land.
fiscalisering Het vervangen van premiefinanciering van sociale verzekeringen door financiering ten laste van de algemene middelen.
fisher irving Amerikaans econoom (1867-1947) werd onder meer bekend door zijn kwantiteitstheorie, waarin hij een rechtstreeks verband legde tussen de toename van de geldhoeveelheid en de toename van het algemeen prijspeil.
flankerend beleid Politiek die aanvullend is op een bepaald beleid en tot doel heeft negatieve effecten van dat beleid weg te nemen of te verminderen.
flexarbeid Arbeidscontracten voor een bepaalde periode, afroepcontracten, contracten via uitzendbureaus en dergelijke. Voordeel voor de werkgever is dat hij zijn personele bezetting beter kan afstemming op de bedrijfsdrukte. De werkgever loopt met het aannemen van personeel onder dit type arbeidsvoorwaarden minder risico.
flexibiliteit van de arbeidsmarkt Vermogen van de arbeidsmarkt om beter in te spelen op veranderende omstandigheden door verstarrende regelgeving af te schaffen.
flexwerken Arbeidsovereenkomst waarbij werkgever en werknemer afspraken maken over flexibele werktijden, afhankelijk van de behoefte aan arbeidskrachten van de werkgever.
fnv De Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) is in 1975 ontstaan uit de socialistische NVV (Nederlands Verbond van Vakverenigingen) en de katholieke NKV (Nederlands Katholiek Vakverbond). Met 1,2 miljoen leden is de FNV de grootste vakcentrale van Nederland (het CNV is met 365.000 leden de tweede). De FNV bestaat uit 14 vakbonden. Enkele bekende namen zijn: ABVAKABO FNV (ambtenaren), FNV Bondgenoten (onder meer detail- en groothandel, banken, verzekeringen en uitgeverijen) en de Bouw- en Houtbond FNV. www.fnv.nl
food and agriculture organization (fao) In 1945 opgerichte organisatie binnen de Verenigde Naties die zich bezig houdt met het bevorderen van duurzame agrarische activiteiten en de ontwikkeling van agrarische regios. www.fao.org
formele economie Het CBS kan in zijn statistieken alleen die zaken meten waarvoor een inkomen wordt ontvangen. Meestal in de vorm van geld, soms in natura. Daarbij gaat het dan over normale transacties in wat we de formele economie noemen. Maar mensen maken en doen heel wat dingen zonder dat daar een betaling tegenover staat. Het werk in de huishouding - koken, stofzuigen, wassen, boodschappen doen, kinderen verzorgen, enzovoort - is een belangrijk voorbeeld. Daarnaast zijn er allerlei doe-het-zelf activiteiten als repareren, timmeren en schilderen. Ten derde is er veel vrijwilligerswerk, in en buiten verenigingen. We hebben het dan over de informele economie. Beide situaties hebben met economie te maken: er wordt immers in beide gevallen in behoeften van mensen voorzien. De verborgen economie bestaat uit de hier opgenoemde - wettelijk toegestane - zaken, maar daarnaast zijn er ook handelingen die in strijd zijn met de wet. Een voorbeeld daarvan is zwart werken: over je verdiensten wordt geen belasting en sociale lasten betaald. Bij belasting- en premiefraude zijn we in de verborgen economie aangeland; men noemt dat wel het zwarte circuit. Hoe groot de verborgen economie is, valt moeilijk te zeggen; daar is hij verborgen voor.
franchising Vorm van bedrijfsvoering waarbij zelfstandige bedrijven, zoals winkels, tegen betaling gebruik maken van de naam, het merk, de inrichting, verkoopinspanningen en de producten van een centrale onderneming (McDonalds, Hema). De franchisenemer is financieel zelfstandig maar de beslissingen over opzet en exploitatie worden door de franchisegever genomen.
fraude Gedragingen in strijd met de wet, die zijn gericht op het behalen van financieel voordeel door het geven van een valse voorstelling van zaken, bijvoorbeeld met het doel te betalen belasting te beperken (belastingfraude) of ten onrechte een inkomensoverdracht te ontvangen (misbruik van sociale zekerheid).
free rider vraagstuk Het probleem dat individuen niet bereid zijn op te draaien voor de kosten van een door hen gewenste voorziening of dienst, omdat zij hopen dat iemand anders dat wel zal doen. Het free rider probleem doet zich bijvoorbeeld voor als er sprake is van een collectief goed. Individuen maken vrijwillig geen kosten voor de aanleg van zeewering, vanuit de gedachte dat anderen dat wel zullen doen.
frictiewerkloosheid Werkloosheid die een gevolg is van frictie (wrijving) op de arbeidsmarkt: tussen het ontstaan van de vacature en het vervullen ervan gaat tijd verloren. Zie ook werkloosheid.
friedman milton Geboren in 1912; prominent hoogleraar aan de universiteit van Chicago ( Chicago School). Ontving in 1976 de Nobelprijs voor economie. Sterk pleitbezorger voor terugdringen van de overheidsinvloed en het herstel van de vrije werking van de markt. Ook op het monetaire vlak moet de overheid zich in zijn visie terughoudend opstellen. Friedman is een van de vooraanstaande Monetaristen. [freidman.jpg] zie ook vaste geldgroeiregel.
fundamentals Hiermee worden de voornaamste karakteristieken bedoeld die de wisselkoers van een munt gemeten over een langere periode bepalen. Te denken valt aan: * de inflatie in verhouding tot die in andere economieën; * het tekort van de overheid in verhouding tot het bruto binnenlands product; * de overheidsschuldquote (overheidsschuld als percentage van het bruto binnenlands product); * het saldo op de betalingsbalans.
fusie Het samengaan (letterlijk: versmelten) van twee (of meer) ondernemingen tot een nieuwe onderneming. De ABN-AMRO Bank is een fusie van voorheen de ABN en de AMRO, die elk op zich ook weer ontstonden uit fusies van kleinere banken. Door fusies neemt de concentratiegraad in een bepaalde bedrijfstak toe. Dit wil zeggen dat de markt door een kleiner aantal aanbieders wordt bediend. Dit maakt het voor die aanbieders eenvoudiger de concurrentie te beperken door vorming van een kartel of door onderling afgestemd gedrag. Vandaar dat in de nieuwe Mededingingswet ook controle op concentratiebewegingen is voorzien.
g&g-sector Grotendeels door de overheid gefinancierde instellingen, die op niet-commerciële basis diensten verlenen, behoren tot de gepremieerde en gesubsidieerde sector. Deze g&g-sector omvat onder andere de ziekenhuizen en bejaardenoorden. De nationale boekhouding rekent deze instellingen tot de sector bedrijven, evenals ondernemingen die voor honderd procent eigendom van de overheid zijn. Overheid plus g&g-instellingen worden gerekend tot de quartaire sector. Deze omvat alle niet-commerciële dienstverlening.
g7 Jaarlijkse bijeenkomst van de regeringsleiders van Frankrijk, de Verenigde Staten, Canada, Groot-Brittannië, Duitsland, Japan, Italië en de EU waar belangrijke economische en politieke vraagstukken worden besproken. Soms met Rusland aangevuld tot de G8.
gaap Dit zijn de Generally Accepted Acounting Principles in de Verenigde Staten, een verzameling regels die algemeen door de accountants worden gehanteerd. Deze regels worden ontwikkeld en bewaakt door de FASB, de Financial Accounting Standards Board. Het Enron-schandaal en vervolgens Worldcom en vele andere heeft het vertrouwen in de Amerikaanse accountancy ernstig ondermijnd.
galbraith john kenneth Geboren in 1908; vooraanstaand Amerikaans econoom die met een aantal publicaties een groot publiek wist te bereiken. In The Affluent Society levert hij kritiek op de publieke armoede (armoedige overheidsvoorzieningen) in een samenleving die overdadige private consumptie kent. Met publieke armoede worden onder andere slecht onderwijs, en lange wachtlijsten in de gezondheidszorg bedoeld. [galbraith.jpg]
gatt General Agreement on Tariffs en Trade. Afspraak waarbij landen streven naar vrijhandel. Opgevolgd door de WTO (World Trade Organization).
gecentraliseerde loonpolitiek Vlak na de Tweede Wereldoorlog besliste de overheid na overleg in de Stichting van de Arbeid over een voor alle werknemers geldende loonsverhoging. Na 1959 is dit beleid losgelaten en ontwikkelde zich een gedifferentieerde loonpolitiek waarbij loonsverhogingen tot stand komen die meer zijn afgestemd op de verbetering van de productiviteit per bedrijfstak.
geconsolideerde balans Concern balans, waarop alle activa en passiva van moeder(s) en dochters bij elkaar zijn geteld.
geharmoniseerde consumentenprijsindex In 1997 door de Europese Unie (EU) geïntroduceerde maatstaf om de inflatie te meten. Geen rekening wordt onder meer gehouden met huurlasten en gemeentelijke belastingen. Dit in afwijking van de door het CBS gehanteerde consumenten- prijsindex (ook wel: kerninflatie).
geïmporteerde inflatie Inflatie die het gevolg is van de doorwerking van hogere invoerprijzen in het binnenlands prijsniveau.
geld Een ruilmiddel dat in brede kring als betaalmiddel wordt aanvaard.
geldmarkt Geheel van vraag naar en aanbod van kortlopend krediet. Soms wordt ook bedoeld de zogeheten geldmarkt in enge zin. Hieronder wordt verstaan de netto (kortlopende) schuldpositie van de particuliere banken bij de centrale bank.
geldmarkt kasreserveregeling Met dit instrument kan de Europese Centrale Bank (ECB) de particuliere banken binnen de eurozone verplichten tijdelijk een bepaald bedrag op een speciale rekening vast te zetten bij hun nationale centrale bank. De bedoeling is ervoor te zorgen dat de geldmarkt(in enge zin) verkrapt, zodat de particuliere banken krediet moeten opnemen bij de ECB. Hierdoor worden zij gevoeliger voor veranderingen in de rentetarieven van de ECB.
geldmarktrente Rente op de geldmarkt. De geldmarktrente in Euroland wordt gestuurd door de Europese Centrale bank (ECB). Dit doet de ECB door in een krappe geldmarkt (in enge zin) de tarieven waartegen particuliere banken bij haar kortlopend krediet kunnen opnemen te verhogen of te verlagen. De tarieven van de ECB werken vervolgens door in de rente op de gehele geldmarkt.
geldontwaarding Een vermindering van de koopkracht van het geld door een stijging van het algemeen prijspeil.
geldpolitiek Politiek die gericht is op de samenstelling en het groeitempo van de geldhoeveelheid (M1)en/of de liquiditeitenmassa (M3). Doel van het beheersen van de groei van M1 of M3 is het ontstaan van inflatie tegen te gaan. De doelstelling kan ook liggen in het beïnvloeden van de wisselkoers. Binnen de EMU (Economische en Monetaire Unie) staat de strijd tegen de inflatie voorop.
geldscheppende banken Banken waarvan de kortlopende schulden (girale tegoeden) door het publiek worden gebruikt als geld.
geldschepping Vergroting van de geldhoeveelheid. Geldschepping kan bijvoorbeeld ontstaan door girale kredietverlening van particuliere banken aan consumenten of ondernemingen.
geldsluier In geld uitgedrukte grootheden kunnen op het eerste gezicht een vertekend beeld van de werkelijkheid geven. Bijvoorbeeld iemand krijgt 5% loonsverhoging. Hij denkt dat hij nu meer te verteren heeft dan voorheen, maar beseft daarbij niet dat de prijzen ook met 5% zijn gestegen, zodat zijn reële inkomen onveranderd is gebleven. Blijkbaar kijkt hij niet door de geldsluier heen.
geldvernietiging Verkleining van de geldhoeveelheid. Geldvernietiging ontstaat bijvoorbeeld als consumenten of ondernemingen hun roodstand (op een betaalrekening) bij een bank aanzuiveren. Het geld dat dan in handen komt van de bank behoort niet langer tot de geldhoeveelheid.
geleide loonpolitiek gecentraliseerde loonpolitiek
gemeenschappelijk buitentarief Uniform invoerrecht dat leden van een douane- of economische unie heffen op producten die afkomstig zijn uit landen die geen lid zijn.
gemeentefonds Fonds waaruit jaarlijks (algemene) uitkeringen worden gedaan aan de gemeenten, ter dekking van een deel van hun uitgaven. De jaarlijkse groei van het fonds op basis van de ontwikkeling van de netto gecorrigeerde rijksuitgaven wordt het “accres” genoemd.
gemeentelijke belastingen Door gemeenten geheven belastingen. De gemeentewet geeft aan welke belastingen gemeenten mogen heffen. De onroerende-zaakbelasting is daarvan veruit de belangrijkste. Parkeerbelastingen, rioolbelasting en hondenbelasting zijn andere gemeentelijke belastingen.
generiek verbindend verklaren De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de mogelijkheid een afgesloten CAO van toepassing te verklaren op de gehele bedrijfstak. Ook partijen die geen deel hebben gehad aan het akkoord vallen dan onder de collectieve arbeidsovereenkomst.
georiënteerde markteconomie Producenten en consumenten beslissen over productie, investeringen en consumptie binnen door de overheid gestelde grenzen. Zie ook economische orde.
gesloten economie Een economie die geen (of weinig) handelsrelaties heeft met het buitenland. Hoe open of gesloten een economie is kan bijvoorbeeld worden gemeten met behulp van de importquote. In het algemeen geldt dat hoe groter een economie is, hoe minder open hij is.
gini-coëfficiënt Deze is gelijk aan het gemiddelde verschil van alle inkomens gedeeld door het gemiddeld inkomen. Of iets eenvoudiger: tweemaal het oppervlak tussen de Lorenzkromme en de diagonaal, gedeeld door het totale oppervlak onder de diagonaal. De Gini-coëfficiënt ligt tussen 0 (volledig gelijke verdeling) en 1 (alle inkomen bij één persoon).
giraal geld Onmiddellijk opeisbare tegoeden bij geldscheppende banken waarover door opvraging of overschrijving kan worden beschikt.
globalisering Spreiding van de productie over de gehele wereld, waarbij ondernemingen hun nationale identiteit verliezen. Gaat gepaard met toeneming van de internationale concurrentie, mogelijk gemaakt door de revolutie in de communicatiemogelijkheden.
goederen en diensten Zaken waarmee behoeften kunnen worden bevredigd. Daarbij kunnen vrije goederen (en diensten) en economische goederen (en diensten) worden onderscheiden. Bij de eerstgenoemde wordt geen beslag gelegd op schaarse middelen om ze voort te brengen. Voorbeelden: de zon in een tropisch land, water bij een stromende bergbeek. Economische goederen daarentegen moeten worden voortgebracht, waarbij beslag wordt gelegd op schaarse alternatief aanwendbare middelen.
goederenrekening Deelrekening van de betalingsbalans waarop de waarde van de in- en uitgevoerde goederen wordt geregistreerd. Ook: handelsbalans.
going public het verkrijgen van een beursnotering door een onderneming.
goodwill Het verschil tussen wat, bijvoorbeeld bij een overname, voor een onderneming is betaald en de feitelijke waarde van de activa.
goud Goud kent vier toepassingen: het wordt technisch gebruikt; er worden siervoorwerpen van gemaakt; het dient als belegging; het speelt een rol als monetaire reserve. In de afgelopen jaren is de betekenis van de twee laatstgenoemde toepassingen duidelijk verminderd. Beleggingen in goud leveren geen rente of dividend op. In tegenstelling tot beleggingen in obligaties en aandelen. De daling van de goudprijs heeft het rendement negatief benvloed. De monetaire betekenis van het goud ligt uitsluitend nog in de officiële goud- en deviezenreserve. Maar ook daarin speelt het goud een steeds kleinere rol. Veel westerse banken verkopen daarom delen van hun goudvoorraad.
goud- en deviezenreserve Officiële reserve: voorraad buitenlandse betaalmiddelen, goud en onvoorwaardelijke kredietmogelijkheden waarover een centrale bank beschikt.
gouden standaard Geldstelsel waarin de goudvoorraad bij de centrale bank de basis vormt voor de waarde van het geld. De centrale bank garandeert de houders van bankbiljetten dat zij hun geld tegen een vaste goudwaarde bij haar kunnen inwisselen. Als gevolg hiervan wordt ook de wisselkoers van de munt gekoppeld aan het goud. In Europa kwam een einde aan de gouden standaard in de jaren 1930-1936.
greenback Bijnaam van de dollar.
groei Hiermee wordt de jaarlijkse toeneming van de productiecapaciteit van een economie bedoeld. Men tracht dit fenomeen te verklaren met behulp van groeitheorie. De uitbreiding van de productiecapaciteit maakt het mogelijk een groter nationaal product voort te brengen. Meestal wordt de groei van een economie gemeten aan de hand van de toeneming van het nationaal of binnenlands product. Dat sommige landen veel sterker groeien dan andere kan worden verklaard uit het verschil in aanbodfactoren en het gevoerde economische beleid.
groei zonder inflatie In de periode 1995-2000 trad in de VS en Europa ondanks de voortdurende hoogconjunctuur geen of nauwelijks inflatie op. Men sprak van een periode van groei zonder inflatie. Het uitblijven van de inflatie kan worden verklaard uit de toepassing van nieuwe technieken, met name in de informatietechnologie. En ook uit het feit dat de mondiale concurrentie het voor ondernemingen moeilijk maakte de verkoopprijzen te verhogen. Een derde factor was de gematigde opstelling van vakbonden. Enerzijds hadden zij minder macht om hoge looneisen te stellen, aan de andere kant zagen zij zelf ook in dat kostenmatiging in het belang was van het scheppen van werkgelegenheid. In 2001 kwam aan de periode van groei zonder inflatie een abrupt einde. De groei viel zowel in de Verenigde Staten als in Europa scherp terug. In Europa en met name in ons land nam de inflatie toe.
groeitheorie Deze beschrijft hoe de aanbodzijde van de economie zich ontwikkelt. De eenvoudige groeitheorie van Harrod en Domar laat zien hoe het sparen van een deel van het nationaal product leidt tot vergroting van de kapitaalgoederenvoorraad en dit weer tot vergroting van het nationaal product, enzovoort. Stel dat in een economie alleen maar gezinnen en bedrijven voorkomen. De gezinnen sparen een deel van het inkomen dat ze jaarlijks ontvangen. De bedrijven gebruiken deze besparingen om te investeren. Hierdoor wordt de kapitaalgoederenvoorraad uitgebreid. Met de vergrote kapitaalgoederenvoorraad kan een groter nationaal product (= nationaal inkomen) worden voortgebracht.
groene revolutie In de jaren zestig door toepassing van moderne landbouwtechnieken de productiviteit in ontwikkelingslanden te vergroten.
grondstofbureaus Instanties die grondstoffen kopen of verkopen met het doel de prijs ervan te stabiliseren.
grondstofovereenkomsten Stabilisatie van de wereldmarktprijzen door het aanleggen van buffervoorraden (zie: grondstofbureaus) en exportquota.
grote sprong voorwaarts Het tweede Chinese vijfjarenplan (1958-1962) werd door Mao aangekondigd als de Grote Sprong Voorwaarts. Het werd een rampzalige mislukking. Zo moest bijvoorbeeld iedere familie in zijn achtertuin een staaloventje bouwen en staal fabriceren. Boeren smolten hun gereedschappen om tot staal, dat van zo inferieure kwaliteit was dat niemand het kon gebruiken. Hierop volgden drie misoogsten. Omdat niemand de werkelijke lage oogstcijfers durfde noemen en de statistieken werden vervalst, werd door de regering onvoldoende voedselhulp verstrekt. Naar schatting 30 tot 40 miljoen mensen zijn toen verhongerd. Zie ook Mao Zedong
handelsregister Hierin worden door elke Kamer van Koophandel en Fabrieken alle in zijn rayon werkzame ondernemingen geregistreerd.
handelswissel Waardepapier waarop de ene partij verklaart op een zeker tijdstip een bepaald bedrag te zullen betalen aan een andere partij.
hang seng De index van de beurs in Hong Kong.
harde munt Een valuta die weinig risico van een koersdaling oplevert.
harde valuta Een betrouwbare munt waarvan het koersrisico overwegend positief is, dat wil zeggen er valt eerder een appreciatie dan een depreciatie te verwachten. De rentevergoeding op dergelijke munten is relatief laag.
hausse Opgaande fase van de conjunctuur. Op de effectenbeurs: periode van stijgende koersen.
hausse à la De stemming ter beurze wordt vast, à la hausse of bullish genoemd wanneer de koersen stijgen.
hayek, friedrich von Oostenrijks econoom ( 1899-1992). Vanaf 1931 werkzaam in Londen, Chicago, Freiburg en Salzburg. Ontving in 1974 de Nobelprijs economie. Leverde belangrijke bijdragen aan de conjunctuurtheorie en de monetaire theorie. Zijn zeer fundamentele bijdrage The Price System as a Mechanism for Using Knowledge, verheldert de betekenis van het prijsmechanisme (marktmechanisme) als communicatiemiddel. [hayek.jpg]
hedgefondsen Fondsen die met grote bedragen aan geleend geld zeer riskante posities innemen op financiële markten.
hedgen Het afdekken van risico, bijvoorbeeld renterisico, koersrisico of prijsrisico.
hefboomeffect 1 Een voorbeeld: men koopt aandelen voor € 100 per stuk, gefinancierd met 20% eigen geld en 80% geleend geld. Men verbetert de gang van zaken in de onderneming zo, dat de aandelen na enige tijd verkocht kunnen worden voor € 140. Er wordt 5% rente betaald over het vreemd vermogen, dus in dit geval 5 x € 0,80 = € 4. Dat levert € 40 - € 4 = € 36 koerswinst met een belegging van € 20. Een rendement van het belegd vermogen van 36/20 x 100% = 180%. 2 De term hefboomeffect is ook bekend uit de optiehandel. Opties geven de belegger de mogelijkheid om met een naar verhouding geringe belegging (de premie) een koop- of verkooprecht te krijgen op een onderliggende waarde die bestaat uit bijvoorbeeld 100 aandelen. In procenten van het belegde bedrag kan zo een groot bedrag aan koerswinst worden behaald.
heffing Een door de overheid aan de burgers opgelegde betaling.
hennipman pieter Geboren in 1911, overleden in 1994. Amsterdams hoogleraar economie met een alom bewonderde belezenheid en eruditie. Hij leverde fundamentele bijdragen op het methodologische vlak en op het gebied van welvaartstheorie en economische politiek. In zijn in 1945 verschenen proefschrift getiteld Economisch motief en economisch principe rekent hij onder andere af met de homo economicus. Zijn welvaartstheoretische gedachtewereld is verwant aan die van de Oostenrijkse School waar het economisch proces uit de subjectieve behoeften van individuen verklaard wordt. Dit komt met name tot uitdrukking in Hennipmans formele welvaartsbegrip ( welvaart). Zijn Doeleinden en criteria der economische politiek (1962) ontleent zijn grote betekenis aan de gedachte dat de economische wetenschap geen doeleinden voor het handelen kan aanreiken. Zij kan slechts – gegeven de politiek bepaalde doelen – gevolgen aangeven van verschillende vormen van beleid om die doelen te bereiken.
herverdeling van inkomen De beschikkingsmacht van individuen/huishoudens over goederen en diensten verandert als gevolg van overheidsingrijpen, bijvoorbeeld doordat individuen met hoge inkomens belasting betalen die wordt gebruikt voor de financiering van uitkeringen krachtens de Algemene bijstandswet. Hierdoor wijkt de secundaire inkomensverdeling af van de primaire inkomensverdeling. Na herverdeling resulteert een minder ongelijkmatige inkomensverdeling. Zie ook Lorenzcurve.
heterogeen goed Goederen die in de ogen van de consument van elkaar verschillen. Reclame is er meestal op gericht dit soort verschillen te versterken.
historische kostprijs De prijs die bij aankoop is betaald voor een grondstof, halffabrikaat of vast kapitaalgoed. In geval van inflatie ligt de historische kostprijs lager dan de vervangingswaarde, waardoor in de onderneming schijnwinsten kunnen ontstaan.
hoekman Beurshandelaar die bemiddelt bij aan- en verkooporders in één of meer fondsen en daarin een koers vaststelt. Wordt tegenwoordig ook specialist genoemd.
holding Houdstermaatschappij
hollandse ziekte Het dankzij de rijkelijk vloeiende aardgasontvangsten te ver expanderen van de collectieve sector. Geholpen door de (toen nog) rijkelijk vloeiende aardgaswinsten bouwde Nederland in de loop van de jaren zeventig aan een genereus stelsel van sociale zekerheid. Toen de productiegroei in de industrielanden, ook in Nederland, begon terug te lopen, waren veel overheden gedwongen te bezuinigingen. In Nederland werd die noodzaak niet of nauwelijks gevoeld. Elk jaar leverde het aardgas weer een grotere bijdrage aan de staatskas. Er werd veel gas verkocht tegen almaar stijgende prijzen (de aardgasprijs was gekoppeld aan de stijgende olieprijs). De werkloosheid liep in snel tempo op. Lonen en uitkeringen bleven stijgen, de winsten in het bedrijfsleven werd steeds meer aangetast. Vanaf ongeveer 1975 nam het financieringstekort van de overheid explosief toe, van circa 3% in 1975 tot meer dan 9% in 1983. Pas toen brak het besef door dat krachtige medicijnen nodig waren om de Dutch disease te bestrijden, en werd de weg naar het economisch herstel ingeslagen.
homo economicus De veronderstelling dat de economische mens rationeel handelt. Waarbij met rationeel economisch handelen bedoeld wordt dat iemand gegeven de middelen een zo goed mogelijk resultaat wil bereiken of een gegeven resultaat met zo weinig mogelijk opoffering van middelen. Dit laatste wordt wel het economisch beginsel of economisch principe genoemd. Bij de veronderstelling dat elk feitelijk handelen van de mens rationeel is, omdat hij er blijkbaar behoefte aan heeft te handelen zoals hij handelt, verliezen de begrippen rationeel, economisch beginsel en economisch principe hun betekenis. Het was de Amsterdamse hoogleraar economie Pieter Hennipman (1911 -1994) die in deze zin in zijn proefschrift Economisch motief en economisch principe(1945) de homo economicus ten grave heeft gedragen.
homogeen goed Goederen die een bepaalde behoefte volgens de consument even goed bevredigen. De consument let dan uitsluitend op prijsverschillen.
hoogconjunctuur De nationale productie groeit met een hoger dan trendmatig percentage.Zie ook conjunctuur.
hot money Geld dat zich gemakkelijk verplaatst van het ene naar het andere land. Het gaat hierbij om kortlopende beleggingen dat voortdurend op zoek is naar hoge rendementen of koerswinsten.
houdstermaatschappij In het Engels 'holding company'. Vennootschap die de aandelen bezit van een of meer andere ondernemingen. Soms worden deze laatste ook vanuit de holding bestuurd. Zo bestuurt de holding Philips Electronics N.V. de gehele Philips-groep. Een houdstermaatschappij met haar dochtermaatschappijen wordt een concern genoemd.
human capital Naast de traditionele kapitaalgoederen kan de in mensen besloten voorraad kennis en vaardigheden worden onderscheiden. Het menselijk kapitaal is in de human capital theorie een voorraad vaardigheden die in mensen zit opgesloten en die een stroom van inkomens kan opleveren. Investeren in menselijk kapitaal door middel van scholing, levert in de toekomst rendement op.
human development index (hdi) wwwundporg Door het United Nations Development Programme (UNDP) ontwikkelde maatstaf om de vooruitgang van samenlevingen en groepen in de samenleving te meten. Meestal blijven zulke maatstaven beperkt -- bij gebrek aan beter -- tot het inkomen per inwoner. In de HDI spelen behalve het inkomen ook de levensverwachting en het bereikte onderwijsniveau een rol. In 1997 is voor het eerst ook een Human Poverty Index (HPI) gepubliceerd waarin bovendien de toegang tot onderwijs, veilig water, voedsel en gezondheidsvoorzieningen een rol speelt.
hyperinflatie Zeer hoog tempo van prijsinflatie (Bijvoorbeeld Duitsland in de jaren na 1923 en een aantal Latijns-Amerikaanse landen in de jaren tachtig.).
hypotheekbank niet-geldscheppende banken die gespecialiseerd zijn in het verstrekken van hypothecaire leningen.
hypotheekrente Rente die hypotheekgever (bijvoorbeeld bewonereigenaar) is verschuldigd aan hypotheeknemer (bijvoorbeeld bank).
ibrd International Bank for Reconstruction and Development (Wereldbank).
ict-revolutie De revolutie in de informatie- en communicatietechnologie, ontstaan in de loop van de jaren tachtig van de twintigste eeuw door het gebruik van computers, mobiele telefonie en internet. Heeft geleid tot zodanige stijging van de arbeidsproductiviteit dat rond de eeuwwisseling een periode van sterke groei nagenoeg zonder inflatie mogelijk was. Zie ook Nieuwe Economie.
ida International Development Association., dochterinstelling van de Wereldbank.
ilo International Labour Organization, internationale organisatie verbonden met de Verenigde Naties. De ILO heeft tot doel wereldwijd de arbeidsomstandigheden te verbeteren, de sociale zekerheid te verbeteren en de handhaving van normen van sociale gerechtigheid te bevorderen. Ook wel: Internationale Arbeids Organisatie. www.ilo.org
imf Internationaal Monetair Fonds
importsubstitutie Een land gaat industriegoederen produceren die voorheen werden geïmporteerd. Dit gebeurt in de regel onder de paraplu van protectionistische maatregelen, zoals invoerrechten. Een positief effect van importsubstitutie is dat arbeidsplaatsen tot stand komen. Een bezwaar is dat het hierbij gaat om de verkeerde arbeidsplaatsen. Op grond van comparatieve kostenverschillen zou het desbetreffende product niet in dit land gemaakt moeten worden. Het land zou zich moeten richten op het voortbrengen van producten waarin het zelf een comparatief voordeel heeft. Een ander nadeel: de consument betaalt onnodig hoge prijzen voor de (inefficiënt) in eigen land geproduceerde producten.
inactief geld Geld dat consumenten en ondernemingen niet nodig hebben voor hun normale betalingsverkeer, maar dat zij om de een of andere reden toch liquide aanhouden in plaats van het te beleggen.
inactieven Het totale aantal uitkeringsjaren in de sociale zekerheid voorzover het gaat om inkomensoverdrachten die plaatsvinden door tussenkomst van de collectieve sector.
inactieven/actieven-ratio De verhouding tussen het aantal economisch inactieven (in uitkeringsjaren) en het aantal economisch actieven (in arbeidsjaren). De i/a-ratio speelt een rol bij de besluitvorming over de aanpassing van de hoogte van het wettelijk minimumloon en van de sociale uitkeringen.
incidentele loonontwikkeling Het verschil tussen de feitelijke toename van het looninkomen per werknemer en de stijging van de contractlonen. Dit verschil wordt veroorzaakt door bijvoorbeeld promoties, periodieke salarisverhogingen en overwerk, en daarnaast door veranderingen in de samenstelling van de beroepsbevolking. Dit “structuureffect” brengt bijvoorbeeld mee dat laag opgeleide werknemers met pensioen gaan en worden vervangen door hoger opgeleide werknemers die gemiddeld meer verdienen. De vervanging van lager door beter betaalde werknemers doet de gemiddeld verdiende lonen sneller stijgen dan strookt met de overeengekomen verbetering van de contractlonen.
indexcijfer Geeft de verhouding weer tussen de omvang van een grootheid in een bepaalde periode en de op 100 gestelde omvang van die grootheid in de zogenoemde basisperiode. Het gebruik van indexcijfers maakt het eenvoudiger [en overzichtelijker] om de ontwikkeling van bepaalde grootheden (inkomens, prijzen, omzetten, enzovoort) in de tijd te bekijken en te vergelijken.
indirecte belastingen Belastingen waarvan de wetgever aannam dat zij aan anderen in rekening zullen worden gebracht, zoals de BTW. Tegenhanger van directe belastingen. Onderscheid tussen beide soorten belastingen is in onbruik geraakt, omdat indirecte belastingen uitsluitend aan afnemers kunnen worden doorberekend indien de marktverhoudingen dit toelaten. Zie ook Kostprijsverhogende belastingen.
individuele goederen Goederen die naar hun aard gesplitst kunnen worden in individuele eenheden, zoals appels en peren, maar ook onderwijs. Tegenhanger van collectieve goederen. Het is mogelijk de gebruiker naar de mate van zijn gebruik laten betalen, zoals bij appels en peren, maar dit gebeurt niet altijd. Ouders hoeven bijvoorbeeld geen eigen bijdrage te betalen wanneer hun kinderen lager onderwijs volgen. Bij andere door de overheid aangeboden of gesubsidieerde individuele goederen is dit wel het geval. Voorbeelden zijn het door studenten verschuldigde collegegeld en paspoortleges.
industrial organization In het Nederlands Externe Organisatie genoemd. Onderdeel van de economie dat bestudeert hoe hoe ondernemingen in de markteconomie feitelijk met elkaar concurreren. Daarbij zijn concurrentie en het uitoefenen van monopoliemacht aan de orde van de dag. Centraal staan begrippen als marktvorm, marktgedrag en marktresultaat.
industriepolitiek Overheidsbeleid dat beoogt de omvang en samenstelling van de nationale industrie te beïnvloeden, bijvoorbeeld via het aanleggen van infrastructuur, het stimuleren van onderzoek en ontwikkeling en regionale vestigingspremies. In de jaren zeventig zijn als onderdeel van de destijds gevoerde industriepolitiek ook zwaar verliesgevende industrieën gesubsidieerd (scheepsbouw). Daarvan zijn beleidsmakers inmiddels teruggekomen.
inelastische vraag De absolute waarde van de prijselasticiteit van de vraag naar een product is kleiner dan 1. Dit heeft tot gevolg dat bij een prijsverhoging de omzet toeneemt.
infant industry argument Jonge bedrijfstakken die (nog) niet in staat zijn de scherpe concurrentie op de wereldmarkt te overleven. Zonder bescherming gedurende een bepaalde aanlooptijd (de overheid heft bijvoorbeeld een tijd lang beschermende invoerrechten[trefw enkelvoud]), zouden deze ondernemingen of bedrijfstakken niet van de grond komen.
inferieure goederen Goederen met een negatieve inkomenselasticiteit. Bij het stijgen van het inkomen gaat men van deze goederen minder gebruiken. Voorbeelden: margarine, aardappelen, gehakt.
inflatie Geldontwaarding: het teruglopen van de koopkracht van het geld. Ook: het stijgen van het gemiddelde prijspeil van goederen en diensten. Inflatie kan verschillende oorzaken hebben. Een mogelijkheid: als de bestedingen sneller stijgen dan de productiecapaciteit, kan dat overbesteding tot gevolg hebben. Dit leidt tot bestedingsinflatie. Ook denkbaar is dat kostenstijgingen doorwerken in de prijzen van eindproducten, waardoor het algemeen prijspeil stijgt . Men spreekt dan van kosteninflatie. Bijvoorbeeld: loonkosteninflatie of geïmporteerde inflatie.
Zie ook: consumentenprijsindex.
inflatiecorrectie Bijstelling van de tarieven van loon- en inkomstenbelasting om de stijging van de gemiddelde druk van die belasting, veroorzaakt door de inflatie, ongedaan te maken.
inflatierisico Risico dat de inflatie tijdens de looptijd van een lening onverwachts hoger wordt dan op het tijdstip waarop de lening werd gesloten.
inflatieverwachting Bij het bestrijden van inflatie door de centrale bank is het van belang in te grijpen voordat bij consumenten, ondernemingen en werkgevers(-organisaties) de verwachting is ontstaan dat het algemeen prijspeil (sneller dan voorheen) gaat stijgen. Betrokkenen baseren hun besluiten in de regel niet op de bestaande inflatie, maar op de verwachte. Als de verwachte inflatie hoger is dan de actuele kan sprake zijn van een self-fulfilling prophecy. Wanneer werknemers bijvoorbeeld een oplopen van de inflatie verwachten, zullen zij extra looneisen stellen. De (te sterk) gestegen lonen kunnen dan leiden tot loonkosteninflatie.
inflatoire financiering De overheid financiert een deel van haar uitgaven door middel van geldschepping. Zie ook monetaire financiering.
informele economie (ook: verborgen economie) De legale economische activiteiten die niet in de officiële cijfers tot uitdrukking komen, omdat het Centraal Bureau voor de Statistiek ze niet waarneemt.
infrastructuur Dit is het geheel van (spoor)wegen, (lucht)havens, bruggen, tunnels en kanalen. De zogenoemde harde infrastructuur. De zachte infrastructuur betreft het geheel van communicatiesystemen zoals radioverbindingen, telefoonverbindingen, kabelnetwerken, computernetwerken.
inkomensbeleid De overheid probeert de verdeling van de inkomens van individuen/huishoudens te wijzigen (inkomensverdeling, herverdeling), bijvoorbeeld door de heffing van progressieve belastingen en het verstrekken van inkomensoverdrachten, zoal bijstand en individuele huursubsidie.
inkomenselasticiteit (van de vraag ) Deze laat zien met hoeveel procent de gevraagde hoeveelheid verandert wanneer het inkomen (budget) met 1% verandert.
inkomenskloof Verschil in inkomen tussen arme en rijke landen. Het wereldinkomen is niet gelijk over de wereldburgers verdeeld. Onderscheiden worden rijke landen - met een hoog inkomen per inwoner - en arme landen - met een laag inkomen per inwoner. De Wereldbank heeft nog een wat fijnmaziger indeling.. Een eenvoudig getallenvoorbeeld laat zien hoe hopeloos de zaak ervoor staat. Neem een land A met een jaarinkomen van $ 1000 per inwoner en een rijk land R met een inkomen van $ 20.000 per inwoner. Wanneer beide inkomensniveaus met 5% per jaar groeien, is het overduidelijk dat de inkomenskloof tussen beide landen steeds groter wordt. Maar stel nu dat het inkomen in A sterker groeit dan in R; kies bijvoorbeeld 7% groei in A en 3,5% in R. Berekend kan worden dat het ook dan nog 75 jaar duurt voordat de kloof begint af te nemen in plaats van te groeien. Pas na 90 jaar haalt het arme land het rijke land in.
inkomensoverdracht Overheveling van koopkracht door tussenkomst van de collectieve sector zonder dat de ontvanger een aanwijsbare tegenprestatie verschuldigd is.
inkomensoverdrachten van de overheid Betalingen door de overheid waar geen tegenprestatie tegenover staat, zoals studiebeurzen, kunstsubsidies, uitkeringen krachtens sociale zekerheidswetten.
inkomensoverdrachtenrekening Deelrekening van de betalingsbalans waarop de betalingen en ontvangsten van secundaire inkomens (inkomens om niet) worden geregistreerd
inkomensrekening Deelrekening van de betalingsbalans waarop de betalingen en ontvangsten van primaire inkomens (arbeids-, winst-,dividend en rente-inkomens) worden geregistreerd.
inkomensverdeling De manier waarop het inkomen in een land over de mensen is verdeeld. Onderscheiden worden de functionele-, de categoriale- , de personele- , de regionale-, en de mondiale inkomensverdeling. Zie ook Lorenzcurve
inkomstenbelasting Belasting van natuurlijke personen op basis van hun jaarlijks genoten belastbaar inkomen. Naar hun aard worden onderscheiden een analytische inkomstenbelasting en een synthetische inkomstenbelasting.
innovatie De ontwikkeling en succesvolle invoering van nieuwe of verbeterde goederen en diensten (productinnovatie), productie- of distributieprocessen (procesinnovatie). Het succesvol toepassen van nieuwe technische vondsten wordt gezien als een van de drijvende krachten achter de productiegroei. Onderscheiden worden basisinnovaties, verbeteringsinnovaties en schijninnovaties. Bij de eerste valt te denken aan de stoommachine, de auto, het vliegtuig, kunstharsen, radio, tv, transistor en chip. Een verbeteringsinnovatie is bijvoorbeeld de stuurbekrachtiging in een auto. Schijninnovaties worden aangetroffen in de mode.
input-output tabel Een tabel waarin de rijen aangeven hoe in een bepaalde periode de output van een bepaalde geleding (bijvoorbeeld een bedrijfstak) dient als input voor de andere geledingen en waarin de kolommen laten zien van welke andere bedrijfstakken de inputs van een bepaalde bedrijfstak komen. Aan deze beschrijving van de goederenstromen in een economie is de naam van de Amerikaanse econoom Wassily Leontief verbonden.
instituties Dit zijn afspraken tussen mensen die regelen hoe ze met elkaar omgaan. Er zijn formele afspraken, zoals regels en wetten. Er zijn ook informele afspraken, zoals gedragsnormen. Voorbeelden van formele instituties zijn: de wetgeving inzake de arbeidsmarkt, de manier waarop loononderhandelingen zijn geregeld, de regels betreffende het toezicht op de bedrijfsvoering (corporate governance), het beleid inzake wetenschap en technologie.
institutionele beleggers Fondsen en maatschappijen die uit de aard van hun bedrijf altijd grote geldsommen willen beleggen (bijvoorbeeld pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen).
institutionele economie Economische theorie die ervan uitgaat dat mensen niet alleen op grond van rationele beslissingen handelen. De traditionele neoklassieke theorie bestudeert het gedrag van rationeel handelende subjecten, die volledig zijn geïnformeerd en die ook volkomen kennis van de toekomst hebben (perfect foresight). Op grond van dit uitgangspunt brengt het marktmechanisme onder volkomen concurrentie een optimale allocatie van de productiemiddelen tot stand. Hiervoor zijn weinig instituties vereist: voldoende zijn vaststaande en afdwingbare eigendomsrechten en een perfect functionerend marktmechanisme. De institutionele economie vindt de werkhypothese van de rationeel handelende mens te ver afstaan van de wijze waarop mensen in hun dagelijks leven handelen. Mensen zijn niet volledig geïnformeerd. Ze hebben maar een beperkte kennis van hun omgeving en van wat andere economische subjecten doen. Daarom moeten ze tijd en geld besteden aan het inwinnen van informatie. Er is sprake van begrensde rationaliteit. Een gevolg is dat ze vaak met vuistregels werken en beslissingen nemen die niet optimaal zijn. Door middel van leerprocessen kunnen mensen hun inzicht in hun omgeving en hun kennis van de toekomst verbeteren. Behalve van begrensde rationaliteit is er volgens de institutionele economie ook sprake van opportunisme. Mensen handelen opportunistisch als hun keuzen uitsluitend zijn gericht op hun eigen belang en niet worden beïnvloed door de wens sociale gedragsregels te respecteren. Opportunisme kan leiden tot misleiding en bedrog. Het bestaan van begrensde rationaliteit en van opportunisme veroorzaakt transactiekosten. Partijen kunnen immers niet alle omstandigheden voorzien en kunnen niet uitgaan van de onkreukbaarheid van de tegenpartij.
integratie Binnen de bedrijfskolom: het samenvoegen van geledingen binnen een bedrijfskolom. De bedrijfskolom wordt hierdoor korter. Voorbeeld: een fabrikant van computers besluit ook de detailhandelsfunctie te vervullen en levert zelf direct aan de klant. In internationaal verband: als landen besluiten op enige wijze met elkaar te komen tot een gezamenlijk economisch beleid, zoals in een vrijhandelsgebied, een douane-unie of een economische unie.
interest De prijs voor het gebruik van vermogen. Meestal wordt het woord rente gebruikt. Wie vermogen ter beschikking stelt verwacht daarvoor een bepaalde vergoeding die afhankelijk is van de duur van de overeenkomst, de kredietwaardigheid van de debiteur en de verwachting omtrent geldontwaarding.
internationaal energie agentschap (iea) Internationaal Energie Agentschap (IEA) Een forum voor de 25 lidstaten (waaronder alle grote industrielanden). De nationale overheden zijn overeengekomen gezamenlijke maatregelen te nemen in geval van acute noodsituaties bij de olievoorziening. Ze zijn ook overeengekomen om alle informatie te delen met betrekking tot energie, hun energiepolitiek te coördineren en samen te werken bij de ontwikkeling van efficiënte energieprogrammas. www.iea.org
internationaal monetair fonds (imf) Internationale organisatie van 182 lidstaten die tot doel heeft het bevorderen van de internationale samenwerking op monetair gebied, wisselkoersstabiliteit , economische groei en een hoog niveau van werkgelegenheid. www.imf.org
internationale arbeidsverdeling Arbeidsverdeling tussen landen, samenhangend met internationale specialisatie.
internationale ruilvoet Het aantal eenheden eigen product dat moet worden geëxporteerd om de import van een eenheid buitenlands product te kunnen betalen. Ook: gemiddeld exportprijspeil/gemiddeld import prijspeil.
interne financiering Financiering uit eigen middelen. Om interne financiering mogelijk te maken wordt jaarlijks een deel van de winst niet uitgekeerd maar gereserveerd.
interne schaalvoordelen Dit zijn kostenbesparingen die een onderneming behaalt door te produceren in het groot. Ook wel: economies of scale.
interventie Hiervan is sprake wanneer een autoriteit ingrijpt in de prijsvorming op de markt. Bij valuta-interventie koopt of verkoopt de centrale bank een bepaalde valuta om de koers daarvan te beïnvloeden.
interventiekoers Uiterste koersen waarbij centrale banken verplicht zijn door steunaankopen of -verkopen de wisselkoers van hun munt te beïnvloeden.
intrinsieke waarde Bij een onderneming: de waarde van het eigen vermogen, veronderstellend dat de onderneming blijft voortbestaan. Bij een munt: de metaalwaarde, in tegenstelling tot de nominale waarde die op de munt vermeld staat.
inverdieneffect Een uitgave van de overheid of een belastingverlaging verdient zichzelf (voor een deel) terug door de gunstige gevolgen van zon maatregel voor andere overheidsuitgaven (dalen) of de belastingopbrengst (stijgt).
inverse rentestructuur Situatie waarin de korte rente hoger is dan de lange rente. Zie ook yieldcurve.
investeren Dit is het aanschaffen van vaste en vlottende kapitaalgoederen. Bij het doen van uitgaven voor vaste kapitaalgoederen valt te denken aan fabrieken, kantoren en machines, het aanleggen van (spoor)wegen en (lucht)havens, dijken enzovoort. Het vlottend kapitaal omvat grondstoffen, onderhanden werk en nog niet verkochte eindproducten. De investeringen in vaste kapitaalgoederen worden onderscheiden in uitbreidingsinvesteringen, die dienen om de kapitaalvoorraad te vergroten en vervangingsinvesteringen die worden gedaan om de door slijtage kleiner geworden kapitaalgoederenvoorraad weer op peil te brengen. De vervangingsinvesteringen worden gefinancierd uit de afschrijvingen. Wordt geïnvesteerd in vaste kapitaalgoederen die door het toepassen van nieuwe technieken met (veel) minder mensen toekunnen - er is sprake van diepte- investeringen - dan neemt de werkgelegenheid af. Blijft de techniek ongewijzigd en bijgevolg de verhouding mens/machine constant dan is sprake van een breedte-investering Terzijde: in het spraakgebruik en in de media wordt de term investeren wel gebruikt als men 'beleggen' bedoelt; in het Engels is beleggen 'to invest'.
invoer Aankoop van buitenlandse goederen en diensten.Een reden voor invoer kan zijn dat het gaat om een grondstof die niet in het importerende land voorkomt (bijvoorbeeld diamanten en goud in Nederland). Maar meestal ligt de achtergond in een comparatief kostennadeel (comparatieve kostenverschillen). In het buitenland kan het product in verhouding efficiënter worden voortgebracht
invoerquote Percentage dat de goedereninvoer uitmaakt van het bruto binnenlands product.
invoerrecht Belasting op ingevoerde goederen en diensten. Zo heffen bijvoorbeeld de landen van de Europese Unie (EU) beschermende invoerrechten op agrarische producten. Binnen de World Trade Organization proberen landen te komen tot verlaging en zo mogelijk afschaffing van onder meer deze vorm van protectie.
jaarrekening Deze bestaat uit: * een balans; * een resultatenrekening; * een toelichting op beide en * een accountantsverklaring. De jaarrekening geeft inzicht in het vermogen, het resultaat, de solvabiliteit en de liquiditeit van de onderneming. Meestal wordt de jaarrekening opgenomen in een jaarverslag, dat naast de jaarrekening onder andere een terugblik en een toekomstverwachting van de Raad van Bestuur, een oordeel van de Raad van Commissarissen en allerlei wetenswaardigheden omtrent de onderneming bevat. De jaarrekening wordt vastgesteld door de algemene vergadering van aandeelhouders, het hoogste orgaan van de vennootschap. Tenzij het een 'grote' NV of BV is (geplaatst kapitaal plus reserves boven een bepaalde waarde en een wettelijk verplichte ondernemingsraad; ten minste 100 werknemers werkzaam in Nederland). In dat geval stellen commissarissen de jaarrekening vast. Alle NV's en een paar soorten BV's zijn verplicht hun Jaarrekening openbaar te maken door deze te deponeren bij het Handelsregister.
jaarverslag Jaarlijks, meestal in de periode april/mei publiceert iedere vennootschap zijn jaarverslag. In de eerste plaats het financieel verslag, vaak ook een sociaal jaarverslag en tegenwoordig steeds vaker ook een milieujaarverslag. In het financieel verslag geeft de directie of Raad van Bestuur een terugblik op de gang van zaken in het afgelopen boekjaar (meestal het kalenderjaar). Bovendien wordt een beeld gegeven van de verwachtingen voor de komende periode, onder ander wat betreft de investeringen, de financiering, de personeelsbezetting en de omstandigheden die van invloed zullen zijn op omzet en resultaat. Daarnaast doet de Raad van Commissarissen in zijn preadvies een aantal uitspraken. Het hart van het financieel jaarverslag wordt gevormd door de jaarrekening. Het financieel verslag wordt gepubliceerd om tegenover de aandeelhouders verantwoording af te leggen en de rest van de financiële wereld te informeren over de wijze waarop het in de onderneming gestoken vermogen is beheerd en welke resultaten zijn geboekt. Een bevredigende ontwikkeling van de winst is voor de financiële wereld een signaal dat het goed gaat met de onderneming. Bij de beoordeling van het financieel verslag is het goed te beseffen dat de cijfers door het bestaan van stille en geheime reserves een vertekend beeld kunnen geven.
jeugdwerkloosheid Werkloosheid onder jongeren tot 25 jaar.
joint venture Een samenwerking of samengaan gaan van twee of meer ondernemingen ten behoeve van een bepaald project, waarvoor kapitaal en vakkennis bijeengebracht worden, op basis van gedeeld risico. Onderscheid valt te maken tussen een contractuele en een aandelenjoint venture. En contractuele joint venture heeft het uitvoeren van een specifiek kortlopend project tot doel. Na realisatie hiervan wordt de samenwerking ontbonden. Bij een aandelen-joint venture wordt door de partners een zelfstandige eenheid opgericht. Westerse bedrijven maken veel gebruik van de joint venture voor hun buitenlandse investeringen in bijvoorbeeld Azië en Latijns Amerika. Het Westerse bedrijf profiteert daarbij van de lokale marktkennis, het buitenlandse bedrijf onder andere van de overdracht van technologische kennis
juglar-golf In zijn Business Cycles (1939) deelt Joseph A. Schumpeter de conjunctuurgolven in drie soorten in. De lange golf of 'Kondratieff' met een gemiddelde duur van 54 jaar, de Kitchin-golf met een gemiddelde duur van 40 maanden en daartussenin de Juglar-golf met een duur van 7 tot 11 jaar. Als men zonder meer over de conjunctuur(golf) spreekt, wordt meestal deze laatste golfbeweging bedoeld.Volgens Schumpeter telt elke Kondratieff-golf zes Juglars, terwijl deze laatste steeds vier Kitchin-cycli omvat. Wanneer alle drie golfbewegingen in dezelfde fase verkeren, leidt dat tot een zeer hevige beweging, doordat de drie golven elkaar versterken.
juridische barrieres Bestaande aanbieders hebben afgesproken potentiële concurrenten te boycotten door ze bijvoorbeeld van de levering van grondstoffen uit te sluiten of door bepaalde patenten niet ter beschikking te stellen. Vrijeberoepsbeoefenaren stellen vestigingseisen (notaris, medisch specialist).
just in time (jit) Uit Japan afkomstig productiesysteem waarbij met de toeleveranciers wordt afgesproken om exact op tijd aan de productieband af te leveren. Overigens is het systeem Japan binnengebracht door generaal McArthur, die na de oorlog deskundigen liet aantreden, waaronder Demming. JIT is een onderdeel van de door Toyota geïntroduceerde lean-production (Womack, Jones & Roos, The Machine That Changed The World, 1990). De achterliggende gedachte is dat de productie moet vloeien als water en dat voorraden een uiting zijn van onvolkomenheden. In tegenstelling tot het traditionele Westerse concept dat een push-systeem kent: de goederen worden door de productielijn geduwd, is JIT een spelsysteem. De klant bestelt bij de dealer, die bestelt bij de fabriek, de ene afdeling bestelt bij de andere. JIT vergt een aantal samenhangende maatregelen: het elimineren van insteltijden van machines, een technisch perfect machinepark, streven naar een foutloos product, zodanig geschoolde medewerkers dat ze op alle fronten inzetbaar zijn, fouten worden open met elkaar besproken en gecorrigeerd.
kamer van koophandel en fabrieken (kvk) De KvK behartigt de belangen van nijverheid, handel en verkeer in de eigen regio. De KvKs beheren het zogeheten Handelsregister, hierin worden in beginsel alle ondernemingen die in hun regio zijn gevestigd geregistreerd. De KvKs hebben daarnaast onder andere een voorlichtende taak voor ondernemingen, bijvoorbeeld op het gebied van export en verzekeringen.
kapitaal Het reële kapitaal (ook wel: kapitaalgoederen) is een van de productiefactoren, naast natuur en arbeid. Het gaat om goederen met behulp waarvan andere goederen worden geproduceerd. In de nationale boekhouding zijn kapitaalgoederen alle goederen die niet ter wille van de consumptie zijn gekocht. Kapitaal wordt onderscheiden in vast en vlottend kapitaal. Het vaste kapitaal gaat langer dan één productieproces mee: gebouwen, infrastructuur, terreinen, machines en dergelijke. Het vlottend kapitaal wordt in de loop van één productieproces verbruikt: onder meer grondstoffen, onderhanden werk en eindproducten. Naast reëel kapitaal wordt geldkapitaal of vermogen onderscheiden.
kapitaalaccumulatie Toeneming van de kapitaalgoederenvoorraad door investeren.
kapitaaldekkingsstelsel Verzekeringsstelsel waarbij de door de verzekerde premieplichtigen in een bepaald jaar bijeengebrachte premies en de daarmee behaalde beleggingsresultaten worden gereserveerd voor de op een later tijdstip te verstrekken uitkeringen aan dezelfde groep verzekerden of hun rechthebbenden.
kapitaalgebrektheorie Volgens deze theorie is kapitaalgebrek de oorzaak van de economische onderontwikkeling (van een land). Omdat het inkomen laag is spaart de bevolking weinig. Dat remt de investeringen en dus de groei van de productie. Deze vicieuze cirkel valt te doorbreken door vanuit het buitenland kapitaal beschikbaar te stellen, al dan niet tegen een marktconforme rente.
kapitaalgoederen Goederen waarmee andere goederen worden geproduceerd. Hierbij valt onderscheid te maken tussen vaste kapitaalgoederen, die meer dan één productieproces meegaan, en vlottende kapitaalgoederen die in één productieproces worden verbruikt. Voorbeelden van vaste kapitaalgoederen zijn machines, onroerend goed en transportmiddelen. Voorbeelden van vlottende kapitaalgoederen: grondstoffenvoorraden, voorraden onderhanden werk en gereed product.
kapitaalintensief Een kapitaalintensief productieproces is een wijze van produceren waarin relatief veel kapitaalgoederen worden gebruikt in verhouding tot de andere productiefactoren. Voorbeeld: een raffinaderij.
kapitaalmarkt Geheel van vraag naar en aanbod van krediet met een looptijd van langer dan één jaar. De kapitaalmarkt bestaat uit een groot aantal deelmarkten, zoals de aandelenmarkt, de obligatiemarkt en de markt voor hypothecair krediet.
kapitaalmarktrente Dit is de rente voor langlopend krediet (met een looptijd langer dan twee jaar); wordt ook lange rente genoemd.
kapitaalmobiliteit De mondiale beweeglijkheid van kapitaal. Dat wil zeggen de afwezigheid van door overheden of centrale banken opgelegde belemmeringen aan de mogelijkheid kapitaal in- of uit te voeren.
kapitaalopbrengstenrekening De officiële naam voor deze deelrekening van de betalingsbalans is inkomensrekening. Op deze rekening worden alle betalingen en ontvangsten van primair inkomen (loon, winst, dividend en rente) genoteerd tussen ingezetenen van een land en niet-ingezetenen.
kapitaalrekening Deelrekening van de betalingsbalans waarop de in een jaar van niet-ingezetenen ontvangen en aan niet-ingezetenen verstrekte kredieten worden genoteerd. De benaming kapitaalrekening wordt niet meer gehanteerd door de landen die meedoen aan de Economische en Monetaire Unie (EMU). In de monetaire statistieken van die landen valt het kapitaalverkeer onder de Financiële rekening. Deze wordt nader verdeeld in directe investeringen, effectenverkeer en overige financiële transacties.
kapitaalsbelasting De belasting die men verschuldigd is bij de oprichting van een vennootschap.
kapitaaluitgaven De uitgaven van de decentrale overheden worden onderscheiden in lopende uitgaven en kapitaaluitgaven. De lopende uitgaven (voor salarissen, subsidies, enzovoort) moeten worden gedekt uit de lopende middelen. Anders gezegd, gemeenten en provincies moeten zich houden aan de gulden financieringsregel. Lopende uitgaven en lopende middelen worden verantwoord op de gewone dienst van de begroting. De kapitaaluitgaven staan op de kapitaaldienst van de begroting.
kapitalisme Economische orde waarbij de productiemiddelen eigendom zijn van particulieren, die de economische beslissingen nemen. Afstemming van de beslissingen gebeurt via het marktmechanisme.
kartel Een mededingingsregeling of kartel is een overeenkomst tussen twee of meer juridisch zelfstandig blijvende ondernemingen met het doel de concurrentie te beperken. Een kartel ontstaat meestal doordat op een markt waar weinig aanbieders verkopen (oligopolie) deze aanbieders beducht zijn voor elkaars reacties. Deze kunnen namelijk tot een heftige concurrentiestrijd leiden. Bij een prijskartel spreken de deelnemers daaraan af niet via lage verkoopprijzen te concurreren. Een rayonkartel verdeelt de afzetmarkt in regio's waarbinnen ondernemingen elkaar met rust laten. Een researchkartel spreekt af onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten gezamenlijk te verrichten. De Mededingingswet verbiedt kartelvorming tenzij kan worden aangetoond dat daarmee een maatschappelijk belang is gediend. In het Europese mededingingsbeleid was dit al eerder het geval.
keeping up with the joneses Het koopgedrag wordt geleid door de aankopen van anderen, bijvoorbeeld de buren of de chef op kantoor.
kengetallen Bij de financiële analyse wordt gebruik gemaakt van bedrijfseconomische kengetallen zoals de liquiditeit, de solvabiliteit en de rentabiliteit. Ook worden allerlei beleggingsratio's gehanteerd zoals de intrinsieke waarde, de winst per aandeel, het dividend per aandeel, de cash-flow per aandeel, de koers/winst verhouding en de pay- out ratio.
kerngegevens De resultaten van de berekeningen door het Centraal Planbureau worden samengevat in een tabel met Kerngegevens. De tabel laat een aantal veronderstellingen zien en de op grond daarvan met het model berekende resultaten.
kerninflatie geharmoniseerde consumentenprijsindex.
keuzevraagstuk Economie handelt over keuzevraagstukken: meer van het een betekent minder van iets anders.Daarom moeten er keuzen worden gemaakt.
keynes, john maynard (1883-1946) Invloedrijk Brits econoom, (spreek uit Keens); grondlegger van de theorie die inhoudt dat bij een gegeven productiecapaciteit de bestedingen in een land de hoogte van de nationale productie en daarmee de werkgelegenheid bepalen. John Maynard Keynes wordt geboren in het sterfjaar van Marx als de zoon van een bekend econoom: John Neville Keynes. Wordt in 1907 ambtenaar bij het ministerie van Koloniën. Inmiddels heeft hij een hoog geprezen boek over mathematische waarschijnlijkheidsrekening gepubliceerd. In 1913 laat hij Indian Currency and Financier het licht zien. Hij keert als docent terug naar Cambridge; wordt hoofdredacteur van Engelands meest invloedrijke economische tijdschrift The Economic Journal. In de eerste wereldoorlog bekleedt hij een post bij het ministerie van Financiën en is in 1918 als vertegenwoordiger van de schatkist aanwezig bij de vredesconferentie van Versailles. Machteloos en woedend ziet hij een verdrag tot stand komen dat de basis legt voor de ellende in de komende decennia. Hij neemt ontslag en schrijft het beroemde The Economic Consequences of the Peace. Een briljant en vernietigend boek. Niet het herstel van Europa stond voorop bij de Conferentie, maar het roekeloos uitleven van politieke wrok. Keynes voorspelt feilloos de depressie en hij waarschuwt voor het daarop volgende oorlogsgeweld. In 1923 schrijft hij zijn Tract on Monetary Reform en in 1930 de Treatise on Money, waarin hij de afwisseling van nu weer oplevende en dan weer inzakkende bedrijvigheid aan de orde stelt. In 1936 verschijnt de General Theory of Employment, Interest and Money. Een moeilijk toegankelijk boek waarin Keynes de gedachten ontvouwt die hem bij de millenniumwisseling doen uitroepen tot de belangrijkste econoom van de twintigste eeuw: een economie herstelt zich niet vanzelf als hij in een depressie terecht is gekomen; de overheid zal door middel van een investeringsprogramma en/of belastingverlaging de productie weer op gang moeten brengen. Tegen het einde van zijn leven speelt hij nog een belangrijke rol bij de wederopbouw van het internationaal geldstelsel. Hij helpt de grondslag te leggen voor het naoorlogse internationaal geldstelsel met het IMF (Internationaal Monetair Fonds) als middelpunt. In 1946 sterft hij als Lord Keynes, met eredoctoraten van Edinburgh, de Sorbonne en Cambridge.
keynesiaanse begrotingspolitiek De hoogte van de overheidsuitgaven en van de belastingontvangsten wordt doelgericht gebruikt als instrument om het niveau van de economische bedrijvigheid te stimuleren (ten tijde van een recessie) of juist af te remmen wanneer de economie oververhit dreigt te raken. Deze beleidsinzet – geïnspireerd door het gedachtegoed van John Maynard Keynes – staat tegenwoordig bij veel economen in een kwade reuk. Politici zijn namelijk geneigd dit instrument eenzijdig te gebruiken. Zij staan snel klaar om de uitgaven te verhogen (of de belastingen te verlagen) om zo de economie te stimuleren, maar zijn veel terughoudender met bezuinigen op de uitgaven (of belastingverhoging) om oververhitting van de economie tegen te gaan. Andere economen stellen dat Keynesiaans beleid geen effect heeft. En er zijn economen die beweren dat het beleid zelfs contraproductief is (monetaristen).
keynesiaanse theorie Deze theorie richt zich op de korte termijn in die zin dat de productiecapaciteit van een land van een gegeven omvang wordt verondersteld. De mate waarin deze capaciteit daadwerkelijk wordt gebruikt bij de productie hangt af van de omvang van de bestedingen. Dit zijn de consumptieve vraag van particulieren en overheid, de investeringsvraag van particulieren en overheid en de vraag uit het buitenland. Schieten de bestedingen te kort dan wordt de aanwezige capaciteit niet volledig bezet, wat zich bij de productiefactor arbeid uit in onderbestedingwerkloosheid of conjunctuurwerkloosheid. Door de bestedingen op te voeren kan deze verdwijnen, maar consumenten noch investeerders hebben enige prikkel om hun aankopen te vergroten. Vandaar dat hier een taak voor de overheid ligt om de eigen bestedingen op te voeren en die van de particuliere sector te stimuleren. Tot ver in de jaren zestig is de theorie van Keynes met vrucht toegepast in de westerse geïndustrialiseerde wereld. Ook nu nog is ze van betekenis, al valt de werkelijkheid niet meer uitsluitend met 'Keynes' te vatten. Het eenvoudig opvoeren van de bestedingen doet de werkloosheid niet als sneeuw voor de zon smelten. En ook is het niet zo dat door het temperen van de bestedingen de prijsinflatie automatisch afneemt. De overmatige aandacht voor de vraagzijde van het economisch proces heeft intussen plaats gemaakt voor theorieën die mede de aanbodkant van de economie in de beschouwing betrekken; meer aandacht dus voor de structuur van de productie en de veranderingen daarin.
keynesianen Zij gaan er -- dit in tegenstelling tot de monetaristen -- niet vanuit dat de goederenmarkten en de markten van productiefactoren via prijsaanpassingen vanzelf worden geruimd. De overheid dient daarom al naar gelang de omstandigheden in te grijpen. De Keynesiaanse theorie gaat ervan uit dat in een economie inkomensevenwicht kan bestaan, terwijl desondanks de productiecapaciteit onderbezet dan wel overbelast is. Dergelijke onevenwichtigheden zijn niet tijdelijk; ze kunnen gedurende lange tijd blijven bestaan, omdat besteders immers het door hen gewenste gedrag volledig kunnen realiseren. Er werkt geen automatisme dat de wensen van de besteders in overeenstemming brengt met de gegeven productiecapaciteit. Omdat particuliere besteders geen prikkels ontvangen die hun gedrag zouden kunnen veranderen, is ingrijpen door de overheid noodzakelijk.
kitchin-golf In zijn Business Cycles (1939) deelt Joseph A. Schumpeter de conjunctuurgolven in drie soorten in. De lange golf of 'Kondratieff' met een gemiddelde duur van 54 jaar, de Kitchin-golf met een gemiddelde duur van 40 maanden en daartussenin de Juglar-golf met een duur van 7 tot 11 jaar. Als men zonder meer over de conjunctuur(golf) spreekt, wordt meestal deze laatste golfbeweging bedoeld.Volgens Schumpeter telt elke Kondratieff-golf zes Juglars, terwijl deze laatste steeds vier Kitchin-cycli omvat. Wanneer alle drie golfbewegingen in dezelfde fase verkeren, leidt dat tot een zeer hevige beweging, doordat de drie golven elkaar versterken.
klassieke economie Klassieke economen (zoals Adam Smith, David Ricardo, Jean Baptiste Say, Thomas Robert Malthus en in de 20ste eeuw Alfred Marshall) hanteerden twee uitgangspunten. Ten eerste stellen zij groot vertrouwen in de evenwichtherstellende werking van het marktmechanisme: markten worden automatisch geruimd. Werkloosheid is in deze optiek niet anders dan een overschot op de arbeidsmarkt dat zal leiden tot een daling van de prijs van de arbeid (het loon), waardoor de goedkoper geworden arbeid opnieuw zal worden ingeschakeld. Ook op het macro-economisch niveau bestaat geen probleem. Men baseert dit optimisme op de Wet van Say, die erop neer komt dat onder of overproductie niet kunnen bestaan. De economie bevindt zich, afgezien van tijdelijke verstoringen, altijd in of rond het volledige werkgelegenheidsevenwicht. Keynes valt in 1936 de Klassieken aan door zijn pijlen op deze twee uitgangspunten te richten. Hij betoogt dat het prijsmechanisme helemaal niet zo soepel werkt en dat met name de lonen wel omhoog maar niet omlaag blijken te gaan. Hij ondermijnt voorts de Wet van Say door erop te wijzen dat in een depressie consumenten en producenten zulke sombere vooruitzichten hebben dat ze geneigd zijn hun aankopen uit te stellen. De koopkracht, het geld, stroomt niet door: de mensen potten het op. Zodoende komt er een kink in de kabel, waarbij producenten met onverkochte voorraden blijven zitten. Het is volgens Keynes dan de taak van de overheid de koopkrachtstroom weer op gang te brengen door de eigen bestedingen drastisch op te voeren. De laatste decennia is het Klassieke vertrouwen in de werking van het marktmechanisme (het 'marktdenken') weer sterk op de voorgrond getreden wat in de economische politiek tot uitdrukking komt. Zie ook neoklassieke economie, Chicago School, Monetaristen
klassieke kwantiteitstheorie De econoom Irving Fisher (1867-1947) stelde dat uitgaande van zijn verkeersvergelijking (M x V= P x T, waarin M staat voor de enge geldhoeveelheid, V voor de gemiddelde omloopsnelheid van het geld, P voor het gemiddeld prijspeil en T voor het volume van de verhandelde goederen en diensten) er een directe relatie bestond tot verandering van M en veranderingen van P. Geldschepping moest in zijn opvatting altijd leiden tot inflatie.
klassieke school Denkrichting binnen de economie (1780-1850). Adam Smith (1723-1790), David Ricardo (1772-1823), Thomas Robert Malthus (1766-1834) en Jean Baptiste Say (1767-1832) legden de grondslag voor de economische wetenschap. Smith legde in zijn Wealth of Nations (1776) de nadruk op de ordenende functie van het prijsmechanisme, waardoor het economisch leven zich in vrijheid, dat wil zeggen zonder overheidsbemoeienis, kon ontplooien. Een opvatting die van groot belang was voor de zich destijds snel ontwikkelende industriële ondernemingen. Ricardo werkte Smith ideeën verder uit . Zijn zogeheten theorie van de comparatieve kostenverschillen is een nog steeds zeer actueel stuk theorie dat verklaart waarom internationale handel voordelig kan zijn voor alle betrokkenen landen zelfs als een van die landen over de hele lijn hogere productiekosten heeft dan de andere landen. Aan Say hebben we onder meer te danken dat hij de opvattingen van de Engelse klassieken naar het Europese continent bracht. Bij de vraag welke factoren de waarde van een goed bepalen schiep hij al enige ruimte voor de rol van het nut dat het goed heeft voor de gebruiker. Dat was nogal bijzonder in een tijd dat men de waarde juist verklaarde uit de opgeofferde productiemiddelen.
koers De prijs van een waardepapier (bijvoorbeeld: aandeel, obligatie of valuta). Bij de evenwichtskoers is de gevraagde hoeveelheid precies gelijk aan de aangeboden hoeveelheid.
koers-winstverhouding Dit is de beurskoers van een aandeel gedeeld door de (verwachte) jaarwinst per aandeel. In het engels P-E ('price-earnings')ratio.
koersrisico Het risico dat een wisselkoers verandert. Wisselkoersfluctuaties kunnen de internationale handel nadelig beïnvloeden. Ondernemingen kunnen zich tegen wisselkoersrisicos indekken door de betrokken valuta te kopen of te verkopen op de valutatermijnmarkt.
koersvorming Koersen van aandelen, obligaties, opties en valutas komen tot stand door de werking van vraag en aanbod. De evenwichtskoers is de koers waarbij de markt wordt 'geruimd': de gevraagde en de aangeboden hoeveelheid zijn precies aan elkaar gelijk. Neemt vervolgens de vraag toe, dan zal de koers omhoog gaan. Neemt, omgekeerd het aanbod toe, dan zal de koers dalen. De koers belichaamt zoals elke prijs alle subjectieve beoordelingen en verwachtingen van duizenden kopers en verkopers. Beleggers die een aandeel willen kopen of verkopen, doen dit omdat ze zich er een bepaald oordeel over hebben gevormd. Als ze op grond daarvan verwachten dat de koers zal stijgen, treden ze als koper op en drijven daarmee de koers omhoog. Als ze, omgekeerd, koersdalingen verwachten, willen ze het aandeel verkopen en dragen zo bij tot daling van de koers. Zo blijkt hoe belangrijk het 'gevoel' of het 'sentiment' van marktpartijen is. Het verklaart ook hoe belangrijke veranderingen in de omstandigheden of schokkende gebeurtenissen tot sterke koersfluctuaties leiden.
kondratieff-golf Lange golfbeweging
kondratieff, nikolai dmitriyevich (1892-1938) Russisch econoom die in twee artikelen in 1925 en 1926 aan de hand van uitvoerig statistisch materiaal aannemelijk probeerde te maken dat in de kapitalistische economieën lange cycli te onderscheiden waren. (lange golfbeweging). Werd een van de slachtoffers van de zuiveringen onder het schrikbewind van Stalin. Na een gevangenschap van acht jaar werd hij in 1938 in Moskou geëxecuteerd.
koopkrachtoverzicht Overzicht met een gestileerde berekening van het bruto-nettotraject van bepaalde groepen inkomensontvangers (werknemers, uitkeringsontvangers), waarbij het bruto- en het netto-inkomen van twee achtereenvolgende perioden met elkaar worden vergeleken. Koopkrachtoverzichten worden veel gebruikt om de inkomensgevolgen van overheidsmaatregelen in beeld te brengen, bijvoorbeeld van belastingmaatregelen die onderdeel vormen van het dekkingsplan, of van de periodieke aanpassing van de sociale uitkeringen.
koopkrachtpariteitstheorie Theorie die zegt dat de wisselkoersverhouding tussen twee munten (op den duur) in overeenstemming moet zijn met de verhouding in binnenlandse koopkracht tussen die valutas. Dit houdt in dat als bijvoorbeeld een kilo kaas in Euroland € 10,- kost, terwijl diezelfde kaas in de Verenigde Staten $ 10,- kost, moet gelden dat: € 1,- = $ 1,-. Wanneer de kaas in de Verenigde Staten meer dan $ 10,- zou kosten, leidt dit tot arbitrage, handelaren zouden er brood in zien kaas in te kopen in Euroland voor € 10,- per kilo om die met winst af te zetten in de Verenigde Staten. Het extra aanbod van kaas dat zo op de Amerikaanse markt ontstaat (en het verminderde aanbod ervan op de Europese markt) zou de Amerikaanse kaasprijs drukken en de Europese opdrijven, zover tot beide prijzen weer aan elkaar gelijk zijn. Op de koopkrachtparititeitstheorie valt wel het een en ander af te dingen. Zo houdt de theorie geen rekening met transportkosten en gaat zij slechts op voor internationaal verhandelbare goederen en diensten.
kopersmarkt Een markt waar sprake is van een aanbodoverschot. Er zijn relatief weinig kopers waardoor deze een zekere machtspositie hebben en lagere prijzen kunnen bedingen.
koppeling Op grond van de wet of uit hoofde van een overeenkomst vindt een automatische aanpassing plaats van de ene economische grootheid (bijvoorbeeld de sociale uitkeringen) aan het beloop van een andere grootheid (bijvoorbeeld de gemiddelde stijging van de contractlonen).
korte rente Rente op kortlopende beleggingen, dat zijn beleggingen met een looptijd korter dan een jaar (ook: geldmarktrente).
korte termijn Betekent als het over kloktijd gaat op de korte duur, waarbij onder kort vaak korter dan een jaar wordt verstaan. In de economie heeft korte termijn ook een meer specifieke betekenis: een situatie waarin één van de productiefactoren een gegeven omvang heeft. Dit dan in tegenstelling tot de lange termijn waarin alle productiefactoren variabel zijn. De Keynesiaanse theorie is een korte-termijntheorie, omdat de omvang en de kwaliteit van de productiecapaciteit gegeven worden verondersteld. De gangbare voorstelling van de onderneming betreft de korte termijn, waarbij de productie-omvang varieert bij een gegeven capaciteit. Wordt van een variabele capaciteit uitgegaan, dan is sprake van een lange-termijnbeschouwing.
kosten-batenanalyse Kosten en baten van een voorgenomen project of van een bestaande activiteit worden zoveel mogelijk op geld gewaardeerd en vervolgens tegenover elkaar gezet om te analyseren of de kosten van dat project/die activiteit wel tegen de baten ervan opwegen.
kosteninflatie Stijging van het gemiddeld prijsniveau door kostenstijgingen die doorwerken in het algemeen prijspeil. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om loonkostenstijgingen (in welk geval wel van loonkosteninflatie wordt gesproken) en om prijsstijgingen van geïmporteerde producten.
kostenvergelijking Verband dat de productiekosten bij uiteenlopende productieomvang aangeeft.
kostprijs De kostprijs bestaat uit de aan een product toegerekende vaste en variabele kosten. Bij de vaststelling van de verkoopprijs vormt de kostprijs van het product het uitgangspunt. Een winstgevende productie is alleen mogelijk als de verkoopprijs de kostprijs overtreft. Bij de bepaling van de kostprijs kan onderscheid worden gemaakt tussen de historische kosten (de oorspronkelijk gemaakte kosten voor het product) en de vervangingswaarde (waarbij als kosten niet de daadwerkelijke kosten worden gehanteerd, maar de kosten die op het moment van verkoop zouden moeten worden gemaakt).
kostprijsverhogende belastingen Groep rijksbelastingen waartoe onder andere behoren de btw (omzetbelasting), accijnzen, milieuheffingen, de motorrijtuigenbelasting, de belastingen van rechtsverkeer en de invoerrechten.
krach Beurscrash.
krapgeldpolitiek Beperking van het groeitempo van de brede geldhoeveelheid door de centrale bank. De centrale bank kan die groei afremmen door het verhogen van de korte rente. De Bank verhoogt dan de rente waartegen particuliere banken bij haar kortlopend krediet kunnen opnemen. Die hogere rente werkt vervolgens door in de andere geldmarkttarieven. Als gevolg hiervan wordt onder meer rood staan bij de bank duurder. Beperking van de kredietverlening door banken (geldschepping) zwakt de geldgroei af. De centrale bank hanteert een dergelijke politiek in het algemeen om oplopende inflatieverwachtingen tegen te gaan.
krediettranche Kredietfaciliteit van landen bij het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Het gaat hier om een zogenoemd voorwaardelijk krediet. Dit wil zeggen dat het IMF bij het toekennen ervan eisen stelt aan de door het betreffende land te voeren economische politiek.
kringloopmodel economische kringloop
kroonleden De door de Kroon benoemde leden van de Sociaal Economische Raad (SER).
laagconjunctuur Het groeipercentage van de nationale productie ligt onder de trendmatige ontwikkeling. Zie ook conjunctuur
laatkoers Prijs waartegen iemand bereid is een effect te verkopen. Hiertegenover staat de biedkoers.
laffercurve Grafiek die laat zien dat voorbij een bepaalde hoogte van het belastingtarief de belastingopbrengst afneemt. Bij een nultarief is er geen belastingopbrengst en bij een tarief van 100% ook niet. Tussen deze extremen ligt een tarief waarbij de opbrengst maximaal is.
lagelonenlanden Verzamelnaam voor een aantal Oosteuropese, Aziatische en Afrikaanse landen met een in vergelijking met de gevestigde industrielanden laag arbeidsloon.
laissez-faire Politieke stellingname dat de overheid zich niet met economisch-financiële ontwikkelingen moet inlaten en deze zoveel mogelijk moet overlaten aan de werking van de markt. Gaat terug naar de theorie van Adam Smith die in zijn in 1776 verschenen Wealth of Nations ervoor pleitte mensen vrij te laten in hun handelen, waardoor – terwijl ieder individu zijn eigen belangen nastreeft – het gemeenschappelijk belang het beste wordt gediend. zie ook liberalisme, economische orde
land-locked countries Landen die geen directe toegang tot de zee hebben.
landbouwpolitiek Europese landbouwpolitiek.
lange rente Rente op de kapitaalmarkt.
lange termijn Analyse waarbij de hoeveelheden van alle productiefactoren variabel worden verondersteld.
langegolfbeweging Door de Russische econoom Kondratieff in twee artikelen in 1925 en 1926 beschreven golfbewegingen in de economische activiteit met een duur van ongeveer vijftig jaar. Door Joseph Schumpeter de Kondratieff-cyclus genoemd. Door de Nederlander Sam de Wolf werd in 1929 in Het economisch getij aandacht aan de lange-golfbeweging geschonken. In ons land is J.J. van Duijn (Beleidscomité Robeco Groep) specialist op het terrein van deze lange golf. Hij publiceerde in 1979 De lange golf in de economie. Van Duijn deelt in navolging van Schumpeter de langegolfbeweging op in vier fasen: voorspoed, recessie, depressie en herstel. De eerste twee zijn de opgaande fase, de laatste twee vormen de neergaande fase van de Kondratieff. De voorspoedfase kent de krachtigste groei en duurt ongeveer 20 jaar. Aan de wieg van elke Kondratieff-cyclus staat een basis innovatie. De eerste lange golf was die van de Industriële Revolutie, de tweede die van de spoorwegbouw, aan de derde lag de opkomst van de elektriciteit en de auto ten grondslag. De vierde was de lange golf van de petrochemische industrie. De vijfde kent als basisinnovatie de chip, met de informatietechnologie (computer, het Internet, mobiele telefonie) als uitvloeisel. De tabel laat het verloop van de vijf Kondratieffs zien. Zie ook Bron: J.J. van Duijn, De Kondratieff-cyclus, SAFE december 1997/januari 1998
latente inflatie Verborgen inflatie. Hiervan is sprake wanneer de overheid de prijzen kunstmatig laag houdt, bijvoorbeeld door het wettelijk aan banden leggen van prijsstijgingen, terwijl zonder overheidsingrijpen sprake zou zijn van sterkere algemene prijsstijgingen.
leasen Het huren of verhuren van bepaalde productiemiddelen (autos, vliegtuigen, machines). Bij financiële leasing gaat het om een lange niet opzegbare overeenkomst. Aan het einde daarvan wordt de huurder niet automatisch eigenaar (zoals bij huurkoop) maar verkrijgt hij een optie om het productiemiddel tegen een lage prijs te kopen of het tegen een sterk verlaagde prijs verder te huren. Financiële leasing is in de eerste plaats een vorm van financiering. Bj operationele lease staan de financieringsmotieven op de achtergrond. Het gehuurde goed is slechts een korte periode nodig, zodat huren voordeliger is dan kopen. Het kan ook zijn dat de verhuurder bepaalde gepatenteerde productiemiddelen niet wil verkopen maar wel wil verhuren.
leningplafond Op grond van de Wet financiering lagere overheid van 1987 kan de centrale overheid daarom bij een dreigende verstoring van de economie een leningplafond instellen. Investeringen mogen slechts met vlottende schuld worden gefinancierd zolang het totaal van de kortlopende leningen de zogeheten kasgeldlimiet niet overschrijdt. Die limiet wordt bepaald als een percentage van de gevestigde schuld (met een looptijd langer dan twee jaar) plus de gemeentelijke reserves.
levenscyclus van een product De opeenvolgende fasen in de ontwikkeling van een product of van een onderneming. Bij een product worden onderscheiden de introductiefase, de groeifase, de rijpheidsfase en de fase waarin het product geleidelijk van de markt wordt gedrongen.
levensjarenbeginsel Verhogingen van de pensioengrondslag gedurende de periode waarin wordt deelgenomen aan een regeling voor aanvullend pensioen werken terug alsof de betrokken werknemer sinds zijn 25ste verjaardag deelnemer in die regeling is geweest.
levensstandaard Deze geeft de omstandigheden weer waaronder iemand leeft. Daarbij kan worden gekeken naar het jaarlijks inkomen dat bepaalt hoeveel goederen en diensten iemand kan kopen. Dan wordt de welstand gemeten. De Ontwikkelingsorganisatie van de VN, de UNDP, publiceert de Human Development Index (HDI) en de Human Poverty Index (HPI), waarbij ook andere criteria een rol spelen, zoals de gemiddelde levensverwachting, het gemiddeld bereikte onderwijsniveau, de toegang tot onderwijs, de toegang tot veilig water, voedsel en gezondheidsvoorzieningen. Daarmee wordt het begrip welvaart in de ruime betekenis van behoeftebevrediging een stapje dichter benaderd.
leveraged buy-out (lbo) Een (vijandige) overname van een (deel van) een onderneming waarbij gebruik wordt gemaakt van het hefboomeffect.
liberalisme Politieke overtuiging die aansluit bij de laissez faire gedachte. Deze hoofdstroming kent verschillende varianten. Klassiek liberale opvattingen zijn terug te vinden bij economen als Friedrich von Hayek en Milton Friedman. Volgens de laatste levert de overheid geen oplossingen voor economische problemen, maar is zij juist zelf het probleem. Neoliberalen erkennen dat voor de overheid een rol is weggelegd om de onvolkomenheden van het marktmechanisme zoveel mogelijk te corrigeren.
libor (London inter-bank offered rate), het rentepercentage dat banken in Londen elkaar berekenen en vergoeden op onderlinge kortlopende kredieten luidend in Britse ponden. Vergelijk: EIBOR
liquide markt Een transparante markt waar zeer veel vragers tegenover zeer veel aanbieders staan. Op zon markt kunnen geen verstoringen optreden als gevolg van het gedrag van een of enkele kopers of verkopers.
liquiditeit De liquiditeit van een onderneming geeft aan of de onderneming op korte termijn genoeg middelen heeft om haar kortlopende schulden te kunnen betalen. In dit verband worden twee maatstaven vaak toegepast: de quickratio en de current-ratio. Onder de quick-ratio verstaat men de direct beschikbare gelden gedeeld door de korte-termijnschulden. De current-ratio is een ruimer begrip. Hierbij worden de vlottende activa gedeeld door de korte-termijnschulden.
liquiditeitenmassa Ook wel: de brede geldhoeveelheid. Het is de enge geldhoeveelheid, vermeerderd met onder meer de depositos met een vaste looptijd van maximaal twee jaar en aandelen in geldmarktfondsen.
lombardrente Rente die de Europese Centrale Bank (ECB) berekent aan particuliere bank als deze laatsten een beroep doen op de marginale kredietfaciliteit. Omdat de bank ongelimiteerd van deze kredietmogelijk gebruik kunnen maken vormt de Lombardrente het renteplafond op de geldmarkt.
lomé conventie van Conventie van Lomé.
loon-prijsspiraal Verschijnsel dat lonen en prijzen elkaar beurtelings opjagen. Stel dat bijvoorbeeld de olieprijzen stijgen. Als gevolg hiervan zal de inflatie toenemen. Werknemers ervaren dan bij een ongewijzigde nominale loonontwikkeling een verslechtering van hun koopkracht. Zij zullen (meestal vertegenwoordigd door hun organisaties) extra looneisen stellen. De gestegen lonen leiden tot kostenstijgingen voor de ondernemingen (loonruimte). Kostenstijgingen die zij weer zullen trachten door te bereken in hun productprijzen. Hierdoor neemt de inflatie weer extra toe, met als gevolg hernieuwde looneisen etcetera.
loonbelasting Voorheffing van de inkomstenbelasting die werkgevers en instanties die sociale uitkeringen verstrekken inhouden op het brutoloon en de bruto sociale uitkering.
loonbeleid Na een langdurige periode van geleide loonpolitiek sinds 1945 werd aan het einde van de jaren zestig overgestapt op een systeem van in beginsel vrije loonvorming. Dit werd vastgelegd in de Wet op de loonvorming 1970, ook wel Loonwet genoemd. Artikel 10 van deze wet gaf de Regering de bevoegdheid om een algemene loonmaatregel te treffen, indien het belang van de nationale economie dat vereiste. Eind 1980 kreeg de Regering bovendien de bevoegdheid om eventueel beperkte loonmaatregel en te treffen, die verschillend konden zijn voor uiteenlopende groepen werknemers. Van deze bevoegdheid is een aantal malen gebruik gemaakt. In 1986 is de Wet op de loonvorming sterk gewijzigd. Ingrijpen is nu nog slechts toegestaan als de nationale economie door plotselinge gebeurtenissen ernstig dreigt te worden ontregeld. Na deze wijziging zijn looningrepen dus nog slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk. De overheid legt de verantwoordelijkheid voor de loonvorming bij het bedrijfsleven en beperkt zich ertoe de sociale partners te bewegen tot het afsluiten van een sociaal akkoord.
loondervingverzekering Sociale verzekering die voorziet in een uitkering aan wie door enigerlei oorzaak niet langer inkomsten uit arbeid kunnen verwerven; zie: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), Werkloosheidswet (WW) en Ziektewet (ZW).
loongrens De inkomensgrens (inkomen uit dienstbetrekking) waaronder werknemers verplicht verzekerd zijn krachtens een sociale verzekering; in Nederland kent uitsluitend de ziekenfondsverzekering een loongrens.
loonkosteninflatie Wanneer de lonen sneller stijgen dan de loonruimte (de som van de stijging van de arbeidsproductiviteit en de inflatie) toelaat, stijgen de arbeidskosten per eenheid product. Deze kostenstijging werkt door in het algemeen prijspeil.
loonmaatregel Een maatregel die ingrijpt in de ontwikkeling van de lonen op grond van de Loonwet.
loonmatiging Loonontwikkeling waarbij de stijging van het nominale loon maximaal gelijk is aan de som van de stijging van de arbeidsproductiviteit en de inflatie. Loonmatiging wordt vaak aanbevolen als het medicijn dat Nederland in een zwakke conjunctuur weer op de been moet brengen. De kostenmatiging die erdoor ontstaat helpt bij het herstellen of verbeteren van de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven ten opzicht van het buitenland.
loonoverleg Het overleg over lonen en andere arbeidsvoorwaarden tussen vakbeweging en werkgeversbonden.
loonpauze Een voorbeeld van een loonmaatregel, waarbij gedurende een zekere periode geen verhogingen van lonen zijn toegestaan (in het algemeen uitgezonderd incidentele loonstijgingen).
loonruimte De som van het percentage waarmee de arbeidsproductiviteit is gestegen en het percentage van de prijsstijging. Zolang de lonen niet meer stijgen dan de loonruimte bedraagt, blijven de arbeidskosten voor de onderneming onveranderd (of ze dalen). Er bestaat dan geen aanleiding tot prijsverhoging. Stijgen de lonen te hard, dan ontstaat loonkosteninflatie. De loonruimte kan worden gebruikt voor een loonstijging van werknemers, maar zij kan ook een andere bestemming krijgen, zoals arbeidsduurverkorting en rendementherstel voor ondernemingen. In dit laatste geval blijft (een deel van) de loonruimte binnen de onderneming.
loonwet (Wet op de loonvorming, 1970, herzien in 1976) een wet die de regering de bevoegdheid geeft onder bijzondere omstandigheden in de vrije loonvorming in te grijpen.
lopende rekening Het totaal van de eerste vier deelrekeningen van de betalingsbalans (goederen-, diensten-, inkomens-, en inkomensoverdrachtenrekening).
lopende uitgaven Op de begroting van gemeenten en provincies staan op de gewone dienst de lopende ontvangsten (belastingen) en de lopende uitgaven (consumpties, salarissen, rente, overdrachten).
lorenzcurve Kromme waarmee de scheefheid van een verdeling zoals bijvoorbeeld de scheefheid van de inkomensverdeling in een land kan worden uitgebeeld. In het laatste geval zijn langs de horizontale as de inkomenseenheden afgezet. Hoe hoger het inkomen, hoe verder naar rechts de inkomenseenheid is gerangschikt. De verticale as laat zien welk aandeel de inkomenseenheden in het totale inkomen hebben. Verdient elke eenheid evenveel, dan resulteert een rechte lijn, met een hoek van 45 graden: de eerste tien procent van de huishoudens hebben tien procent van het totale inkomen, de eerste twintig procent heeft twintig procent van het totale inkomen, en zo verder. Zodra sprake is van inkomensongelijkheid, ontstaat een kromme onder de 45-gradenlijn. De buikigheid van de kromme geeft de mate van scheefheid weer. Hoe groter de oppervlakte tussen de kromme en de 45-gradenlijn, hoe groter de inkomensongelijkheid is. De kromme krijgt pas betekenis door verschillende curven met elkaar te vergelijken. Bijvoorbeeld van inkomensverdelingen in de loop van de tijd, vergelijkingen tussen landen of vergelijkingen vóór en na belastingheffing.
maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) Bedrijven hebben aandacht voor de maatschappij waarin ze functioneren. Het gaat om een verantwoord evenwicht tussen de financiële aspecten van de bedrijfsvoering (winst, financieel rendement en aandacht voor continuïteit) en sociale en ecologische aspecten (mens en milieu), zowel nationaal als internationaal. Deze drie aspecten worden ook wel aangeduid als de 3 ps: people, planet, profit.
maatschappelijke kosten Kosten voor de samenleving als geheel. Dus de private kosten vermeerderd met de omvang van eventuele negatieve externe effecten. Het marktmechanisme brengt zulke externe effecten niet tot uitdrukking. Wil de productprijs de volledige maatschappelijke kosten weergeven, dan dient de overheid met een heffing de prijs te beïnvloeden.
machtspositie economische zie Mededingingswet
macro-economie Deze bekijkt de economische activiteiten op het niveau van een land als geheel: de totale werkgelegenheid, de totale productie, de totale werkloosheid, de bestedingen van alle consumenten samen, de investeringen van alle producenten samen, de betalingsbalans, de wisselkoers. zie ook: mico-economie, meso-economie
macro-economische verkenning (mev) Deze wordt elk jaar op de derde dinsdag van september, bij de opening van het parlementaire jaar, tegelijk met de Miljoenennota gepubliceerd. In de MEV wordt aandacht besteed aan de financieel-economische ontwikkeling in binnen- en buitenland voor het komend jaar. Daarbij wordt uitgegaan van het in de Troonrede, de rijksbegroting en de Miljoenennota neergelegde beleid. De MEV loopt vooruit op het Centraal Economisch Plan (CEP), dat een half jaar later verschijnt.
macroaanbod Dit is het productievolume dat alle producenten samen - gegeven de omvang en kwaliteit van hun productiecapaciteit en hun kosten – van plan zijn bij een bepaald prijsniveau aan te bieden. Zie ook: macrovraag
macrovraag Hiermee wordt bedoeld de bestedingen van alle consumenten, investeerders, de overheid en het uitvoersaldo. De besteders zijn in het algemeen geneigd bij lage prijzen meer aan te schaffen dan bij hoge prijzen. Een lagere prijs betekent immers dat ze voor hetzelfde geld meer goederen kunnen kopen; hun koopkracht is toegenomen. Zie ook: macroaanbod.
malthus, thomas robert Malthus (1766-1834) schilderde een toekomst waarbij de bevolkingsgroei zo hoog zou zijn, dat alle bestaansmogelijkheden erdoor worden overvleugeld. De mensheid was veroordeeld een bij voorbaat verloren strijd om het bestaan te voeren. Aan deze voorspelling van Malthus heeft de economie de naam te danken van 'dismal science': zwartgallige wetenschap.Malthus' opvattingen, die werden gepubliceerd voordat de industriële revolutie goed op gang was gekomen, zijn voor het geïndustrialiseerde deel van de wereld tot nu toe achterhaald door de ontwikkeling van de techniek. In een deel van de ontwikkelingslanden overtreft de enorme bevolkingsgroei wel vaak de aanwezige bestaansmiddelen. Zie ook: Club van Rome.
management buy-out Hiervan is sprake wanneer de directie van een dochteronderneming de onderneming van de moedermaatschappij koopt. Zie ook leveraged buy-out
managementproces Bestaat uit het onderzoek van de omgevingsfactoren, het formuleren van de strategie, het uitvoeren van de strategie in actieplannen en tot slot de evaluatie van de strategie.
mandje Een 'mandje' aandelen is (een veelvoud van) een pakket aandelen volgens de samenstelling van een bepaalde index. Er bestaan ook valutamandjes. Bijvoorbeeld die waarop de waarde van de SDRs (Special Drawing Rights) is gebaseerd.
marge Procentueel verschil tussen de spilkoers en de interventiekoers. Ook: verschil tussen door de bank betaalde en aantal klanten berekende rente (rentemarge). Ook: verhouding tussen (bruto)-resultaat en omzet.
marginaal nut Het marginaal nut of grensnut is de verandering van het totale nut door één eenheid van een goed extra te consumeren.
marginaal tarief Tarief van toepassing op een kleine stijging van de heffingsgrondslag; met ingang van het jaar 2001 bedraagt het hoogste marginale tarief van de Nederlandse inkomstenbelasting 52 procent.
marginale analyse Bij het bepalen van optimumsituaties weegt de economie extra opbrengsten af tegenover extra kosten. Voor producenten, bijvoorbeeld: de totale winst stijgt zolang de extra opbrengst groter is dan de extra kosten. Zij is maximaal waar deze extra opbrengst, de marginale opbrengst, juist gelijk is aan de extra kosten, de marginale kosten.
marginale depositofaciliteit Met de marginale depositofaciliteit legt de Europese Centrale Bank (ECB) een rentevloer in de geldmarkt. Particuliere banken kunnen namelijk onbeperkt hun tijdelijke liquiditeitsoverschotten rentedragend bij de ECB onderbrengen (zij ontvangen hiervoor de depositorente).
marginale druk Het verschil tussen een stijging van het bruto inkomen en de bijbehorende stijging van het netto inkomen, uitgedrukt als percentage van de bruto-inkomensverandering. Het volgende voorbeeld kan dit verduidelijken. Het bruto inkomen stijgt met 1.000 euro; de corresponderende stijging van het netto inkomen bedraagt 600 euro; de marginale druk van de extra verschuldigde heffingen ter grootte van 400 euro is dan 40 procent (400/1000 * 100%).
marginale kosten De stijging van de totale kosten wanneer één extra eenheid wordt geproduceerd. Voor een ondernemer is het van belang steeds marginale kosten en marginale opbrengsten van een productievergroting of van een transactie tegen elkaar af te wegen. Zolang de marginale opbrengsten de marginale kosten overtreffen, neemt de totale winst toe. Zie ook: marginale opbrengst.
marginale kredietfaciliteit Hiermee wordt een renteplafond in de geldmarkt gelegd. De Europese Centrale Bank (ECB) biedt de particuliere banken de mogelijkheid onbeperkt krediet op te nemen op basis van deze beleningsfaciliteit (overigens wel tegen onderpand van waardepapieren). Banken vergoeden hierover aan de ECB de zogeheten Lombardrente.
marginale opbrengst De toeneming van de totale opbrengst wanneer één eenheid meer wordt verkocht. Zie ook: marginale kosten
marginale wig Het verschil tussen een verhoging (verlaging) van de arbeidskosten voor de werkgever en de bijbehorende verandering in het netto loon van de werknemer, uitgedrukt als percentage van de verandering in de arbeidskosten.
market maker Door zelf als marktpartij op te treden, brengt de hoekman vraag en aanbod op de effectenbeurs in evenwicht.
marketing Het doelmatig en doelgericht beheersen van het productie- en verkoopproces. Daarbij wordt gebruik gemaakt van verschillende instrumenten, ook wel de marketing mix genoemd: product, prijs, plaats, distributie en promotie. Reclame is een onderdeel van het instrument promotie. Belangrijk bij marketing is het denken vanuit de behoeften van de klant (vraagkant) in plaats vanuit de mogelijkheden van het product en het productieproces (aanbodkant).
markt In concrete zin: een bepaalde plaats waar vragers en aanbieders direct met elkaar in contact treden (bijvoorbeeld een dagmarkt, een beurs of een veiling). In abstracte zin: het samenhangend geheel van vraag naar en aanbod van een goed. Op een markt met volkomen concurrentie, zoals veel markten voor grondstoffen, wordt de prijs bepaald door alle aanbieders en alle vragers samen, door het collectief aanbod en de collectieve vraag. Er komt op één moment slechts één prijs tot stand, die voor de individuele aanbieder en vrager een gegeven is. In de figuur zijn de vraaglijn en de aanbodlijn op een grondstofmarkt getekend. Daar waar vraaglijn en de aanbodlijn elkaar snijden komen de evenwichtsprijs (marktprijs) en de evenwichtshoeveelheid tot stand. De gevraagde hoeveelheid is bij dit prijspeil precies gelijk aan de aangeboden hoeveelheid, de markt wordt geruimd.
marktaandeel De eigen omzet uitgedrukt in een percentage van de totale marktomzet.
marktbarrière Er kunnen feitelijke drempels of barrières bestaan: er kan een groot beginvermogen vereist zijn of heel specifieke kennis, er kan een grote merkentrouw bestaan bij de afnemers van bestaande aanbieders. Er kunnen ook juridische barrières zijn opgeworpen: bestaande aanbieders hebben afgesproken potentiële concurrenten te boycotten door ze bijvoorbeeld van de levering van grondstoffen uit te sluiten of door bepaalde patenten niet ter beschikking te stellen.
marktconforme maatregelen Dit zijn beleidsmaatregelen die via het marktprijzensysteem werken. Door middel van positieve (subsidie) of negatieve (heffing) prijsprikkels probeert de overheid het gedrag van consumenten en producenten te beïnvloeden. Bij het milieubeleid is het opleggen van een heffing een voorbeeld. Door per hoeveelheid uitstoot van een schadelijke stof een heffing op te leggen, wordt de vervuiler aangespoord de uitstoot terug te brengen. Omgekeerd kan het gebruik van een minder schadelijk product worden gestimuleerd door het te subsidiëren. Een ander voorbeeld van marktconforme maatregelen is de verkoop van vervuilingsrechten. Er zijn ook niet-marktconforme maatregelen, zoals het verbod op een bepaald soort, zeer gevaarlijke productie. Of de overheid verplicht de producent de uitgestoten stoffen zo te zuiveren dat de belasting van het milieu tot een aanvaardbaar laag niveau is teruggebracht.
markteconomie Organisatievorm van de economie waarin het marktmechanisme de hoofdrol speelt. Zie ook: economische orde.
marktevenwicht Situatie op een markt waar bij een bepaalde prijs (de evenwichtsprijs) de gevraagde hoeveelheid van een goed gelijk is aan de aangeboden hoeveelheid van dat goed.
marktfalen Coördinatie door het marktmechanisme werkt niet altijd goed. 1. Sommige goederen hebben geen prijs; denk aan collectieve goederen, zoals straatverlichting, dijken, een leefbaar milieu, defensie, rechtszekerheid en bestuur. Er is een overheid nodig om die te verschaffen; 2 Sommige prijzen zijn bij een vrije werking van vraag en aanbod hoger of lager dan op een bepaald moment maatschappelijk aanvaardbaar wordt gevonden. De overheid grijpt dan in en stelt maximum- of minimumprijzen vast; 3 Het vrije spel van vraag en aanbod kan, met name bij onvolkomen concurrentie, tot een verdeling van inkomens en vermogens leiden die niet rechtvaardig wordt gevonden; de overheid gaat dan over tot herverdeling van inkomen via de belastingtarieven en de uitkeringen krachtens de sociale zekerheid; 4 Markten kunnen soms niet tot een evenwichtsprijs komen, wanneer het aanbod vertraagd reageert op het prijssignaal. Vooral waar de natuur het tempo bepaalt, zoals bijvoorbeeld bij varkensfokkers, is dit vaak het geval; 5 De prijzen bevatten niet altijd de juiste informatie; er zit soms 'ruis' in het prijssignaal externe effecten. 6 Er bestaan niet altijd perfect werkende markten onder volkomen concurrentie; bij monopolie en oligopolie kunnen door machtsposities de wensen van consumenten onvoldoende tot hun recht komen. Het mededingingsbeleid van de overheid beoogt hier corrigerend op te treden. 7 Ook de arbeidsmarkt werkt niet soepel, waardoor onderbestedingwerkloosheid kan bestaan die door een loonsverlaging eerder verergerd dan opgelost wordt. Op deze gedachte baseerde Keynes zijn aanbeveling dat de overheid de bestedingen moet opvoeren om onderbestedingwerkloosheid te bestrijden. 8 Van sommige goederen wil de overheid het gebruik afremmen of juist stimuleren, bemoeigoederen. 9 Soms is de ene marktpartij beter geïnformeerd dan de andere, er is sprake van asymmetrische informatie. De genoemde onvolkomenheden kunnen aanleiding voor de overheid zijn om corrigerend op te treden. Het is echter bepaald niet zo dat door deze overheidsinterventie altijd een verbetering tot stand komt. Ook het optreden van de overheid kent tekortkomingen; zie overheidsfalen.
marktgedrag Het marktgedrag moet worden onderscheiden van de marktvorm. Zo kunnen bijvoorbeeld binnen de marktvorm oligopolie de betrokken ondernemingen een kartel vormen, waardoor zij gezamenlijk het gedrag van een monopolist vertonen.
marktmechanisme Mechanisme waarbij door de ontmoeting van collectieve vraag en aanbod prijzen tot stand komen die richtsnoer zijn voor de beslissingen van individuele vragers en aanbieders. Onder volkomen concurrentie is het marktmechanisme in staat de producenten juist die goederen te laten produceren die de consumenten wensen. De consumenten geven aan de producenten hun behoeften aan voedsel, kleding, vakantiereizen, enzovoort door. De producenten zorgen ervoor dat alle goederen en diensten op het juiste ogenblik in de gewenste hoeveelheden en kwaliteiten, op de goede plaats verkrijgbaar zijn. Als boodschapper tussen de consumenten en producenten dienen de prijzen van de goederen en diensten. Dat gaat ongeveer als volgt: consumenten willen op een bepaald moment méér ijsmutsen kopen. Bij een gegeven aanbod stijgt nu de prijs van wollen ijsmutsen. Dit is voor ijsmutsproducenten een signaal om hun productie uit te breiden. Daarvoor zullen ze als het nodig is productiefactoren weghalen bij de productie van andere goederen -- bijvoorbeeld wollen sokken -- om ze in te kunnen zetten bij de productie van ijsmutsen. De werkelijkheid wijkt echter af van dit theoretisch ideaalbeeld. Het marktmechanisme kent een aantal tekortkomingen die als marktonvolkomenheden of marktfalen worden aangeduid. Zie ook: marktfalen.
marktonvolkomenheden Zie: marktfalen.
marktresultaat De mate waarin een bepaald marktgedrag bij een bepaalde marktvorm bijdraagt tot een bevredigende werking van de markt, in die zin dat efficiënt wordt geproduceerd, bij lage prijzen terwijl sprake is van innovatie.
marktsector Particuliere bedrijven en overheidsbedrijven, die produceren voor de markt.
marktsentiment De stemming op de beurs. Soms is het marktsentiment er de oorzaak van dat gebeurtenissen die objectief gezien tot een verandering van de beurskoersen zouden moeten leiden de beurs onberoerd laten. Bij een euforische stemming op de beursvloer zal ook negatief economisch nieuws geen koersdaling veroorzaken.
marshall, alfred Marshall (1842-1924) was van 1885 tot 1908 hoogleraar economie aan de universiteit van Cambridge. Vooral zijn Principles of Economics (1890) vormt een belangrijke bijdrage aan de micro-economische theorie. Hij behoorde tot de Klassieke school, met Adam Smith en David Ricardo als voorlopers. Marshall bracht een synthese tot stand tussen de klassieke waardeleer en de waardeleer van de Oostenrijkse school. Deze komt er op neer dat de in geld uitgedrukte waarde van een goed, de prijs, zowel afhangt van de subjectieve waardering (Oostenrijkse school) van de consument als van de kosten van de producent (klassieke waardeleer). Marshall vergeleek vraag en aanbodcurve met een schaar: beide bladen samen brengen het resultaat tot stand.
marshall-plan Door de minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten George C. Marshall (1880-1959) opgezet plan om het in de Tweede Wereldoorlog zwaar beschadigde Europa economisch weer op de been te helpen door middel van het Europan Recovery Program, dat later algemeen bekend werd als het Marshall Plan. Aan de Europese landen werd gevraagd samen een plan op te stellen, waarna Amerika voor de financiering ervan zou zorgdragen. Op 12 juli 1947 riepen Groot Brittannië en Frankrijk in Parijs de Committee of European Economic Cooperation (CEEC) bij elkaar, die vrij snel werd vervangen door de Organisation for European Economic Cooperation (OEEC), die in 1961 de Organisatie vvor Economische Samenwerking en Ontwikkeling of Organization for Economic Cooperation and Development (OECD) werd. Tussen april 1948 en december 1951 pompten de Verenigde Staten zo'n 13 miljard dollar in Europa. Het equivalent van $65 miljard nu. Zeventig procent hiervan werd besteed aan Amerikaanse goederen. Nederland ontving van het totale bedrag aan hulpgelden 7,7%. Het geld werd door ons land gebruikt voor de aankoop van graan, kunstmest en landbouwmachines. Ook de industrie kocht kapitaalgoederen: onder andere de toenmalige vrachtautofabrikant DAF, Hoogovens (nu: Corus), DSM en KLM. Naast humanitaire overwegingen waren het met name strategische gronden waarop het plan was gefundeerd: Europa was een belangrijk afzetgebied voor de exportproducten van de VS. Het opdrogen van de vraag vanuit Europa zou de economie van de VS schade toebrengen. Bovendien moest worden voorkomen dat de Sovjet-Unie haar invloedssfeer over West Europa zou uitbreiden. Daarvoor was onder meer noodzakelijk dat de West-Duitse industrie zich zou herstellen. En bij dit laatste was het weer nodig dat West-Duitsland stevig werd geïntegreerd in Europa.Het Marshall Plan was een groot succes. Toen het in 1952 stopte was de dreiging van de communistische heerschappij over West Europa afgewend, de industriële productie lag 35% boven het vooroorlogs niveau en West Duitsland was volop in herstel. Niet alleen heeft het Marshall Plan Europa weer overeind gezet, het legde ook de basis voor het Schumann Plan, waaruit de Europese Gemeenschap voor Kolen Staal (EGKS), Euratom en de Europese Economische Gemeenschap (EEG) zijn geboren. Die worden op hun beurt voortgezet in de Europese Unie.
marx karl Marx (1818-1883) was een Duits filosoof en econoom, de vader van het wetenschappelijk socialisme. Publiceerde samen met zijn vriend Friedrich Engels in 1848 het Communistisch Manifest. In 1867 verscheen het eerste deel van Das Kapital, waarvan de twee volgende delen, door Engels geredigeerd, na Marxdood verschenen in 1885 en 1894. In Das Kapital beschrijft Marx hoe het kapitalisme aan een aantal ingebouwde tegenstrijdigheden zou bezwijken. Ten eerste de uitbuiting van de arbeider door de kapitalist: volgens Marx theorie van de meerwaarde eigent de kapitalist zich het verschil toe tussen de waarde van wat de arbeider produceert en wat deze aan loon krijgt uitbetaald. Vervolgens voeren het winststreven en de concurrentie tussen de ondernemers tot de accumulatie van meerwaarde en de concentratie van kapitaal in handen van een steeds kleinere groep. De voortdurende substitutie van arbeid door kapitaal leidt tot een structureel dalende winstvoet, die de kiem legt voor de ineenstorting van het kapitalistisch systeem. De daarop volgende revolutie zal leiden tot de socialistische staat, waarin aan de ongelijkheid een einde zal worden gemaakt. Marx heeft geen blauwdruk gegeven voor de inrichting van een socialistische samenleving. Wel hebben de communistische landen zich jarenlang gebaseerd op zijn gedachtegangen en die van zijn volgelingen (marxisme).
marxisme Deze term wordt in een aantal betekenissen gebruikt. Ten eerste als de leer van Karl Marx. Nadien ook als de interpretatie daarvan door latere auteurs, politieke partijen en regeringen. Deze interpretaties lopen uiteen al naar de auteur of het land waar ze vorm kregen, zoals in de voormalige Sovjet Unie, in het voormalig Joegoslavië, in China of op Cuba.
materieel betalingsbalansevenwicht Het saldo op de lopende rekening van de betalingsbalans valt precies weg tegen het saldo op de kapitaalrekening.
maximale totale winst De totale winst is het verschil tussen de totale opbrengst en de totale kosten. De totale winst is maximaal wanneer de marginale opbrengst (MO) gelijk is aan de marginale kosten (MK). Immers zolang de opbrengst van een extra verkochte eenheid hoger is dan de extra kosten om die eenheid te produceren, neemt de totale winst toe. Overtreffen de extra kosten de extra opbrengsten dan neemt de totale winst af. Waar extra opbrengst en extra kosten juist aan elkaar gelijk zijn, bereikt de totale winst zijn maximale omvang. Het streven naar maximale totale winst is in de micro-economische theorie niet meer dan een hypothese inzake de doelstelling van de onderneming.
maximumprijs Een door de overheid opgelegde prijs waarboven niet mag worden verkocht. Maximumprijzen worden soms toegepast wanneer tekorten bestaan aan (noodzakelijke) goederen. In het algemeen gaan maximumprijzen gepaard met een distributiesysteem: omdat de gevraagde groter is dan de aangeboden hoeveelheid (vraagoverschot) moet de overheid goederen toewijzen.[vraagoverschot.jpg]
mededinging Zie: concurrentie.
mededingingsregeling Zie: kartel.
mededingingswet Deze wet, die de vroegere Wet Economische Mededinging heeft vervangen, gaat evenals het Europees mededingingsbeleid uit van een verbodssysteem. Beperking van mededinging is in beginsel verboden. Artikel 6 lid 1 luidt: 'Verboden zijn overeenkomsten tussen ondernemingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen, die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst.' Het is mogelijk vrijstelling of ontheffing te krijgen voor afspraken die noodzakelijk zijn om productieve samenwerking tussen ondernemingen te realiseren. Het systeem van ontheffingen en vrijstellingen is rechtstreeks ontleend aan het Europees mededingingsbeleid. Afspraken waarbij het gaat om een omzet beneden een bepaalde waarde blijven ongemoeid: de zogeheten 'bagatelbepaling'. Het misbruik maken van een economische machtspositie is verboden. Artikel 24 luidt: 'Het is ondernemingen verboden misbruik te maken van een economische machtspositie'. De nieuwe wet maakt toezicht mogelijk op concentraties door fusie of overname. Overtredingen (artikel 56) worden bestraft met een boete. Toezicht op de naleving van de wet wordt verzorgd door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (Nma). Internet:/www.minez.nl/nma.
meerjarenramingen (van het rijk) Ramingen van de uitgaven, de niet-belastingontvangsten, de premie- en de belastingontvangsten voor de vier jaren volgend op het begrotingsjaar. Bij het opstellen van de meerjarenramingen wordt, rekening houdend met de macro-economische verwachtingen, uitgegaan van bestaande wettelijke regelingen, concrete door ministers gemaakte afspraken, eerder aangegane verplichtingen en kwantificeerbare “exogene” factoren, zoals de groei van het aantal kinderen (bij de onderwijsramingen).
meeropbrengst In de fysieke betekenis de extra opbrengst die wordt verkregen door eenheden van een variabele productiefactor toe te voegen aan een constant gehouden hoeveelheid van een andere productiefactor. De geldelijke meeropbrengst wordt meestal marginale opbrengst genoemd.
meestbegunstigingsclausule Dit is een voorwaarde in de regels van de World Trade Organization (WTO) die zegt dat een land dat aan een ander land handelsvoordelen toekent, dezelfde voordelen ook aan de andere deelnemers moet gunnen. Op deze regel bestaan twee uitzonderingen. Vrijhandelsgebieden en douane-unies (zie vrijhandelsgebied en douane-unie) hoeven zich niet aan deze regel te houden. En handelsvoordelen die een land toekent aan ontwikkelingslanden hoeven niet ook aan alle andere WTO-leden te worden gegeven.
melkquotum Maximale hoeveelheid melk die per boerenbedrijf mag worden geproduceerd (zie ook: superheffing). De melkquota zijn ingesteld om een eind te maken aan de overproductie die in de jaren zeventig en tachtig leidde tot het ontstaan van melkplassen en boterbergen. Zie ook: Europees landbouwbeleid.
mercantilisten De mercantilisten (17e eeuw) zagen de internationale handel als de voornaamste bron van welvaart, waarmee ze dan vooral de opeenhoping van handelsvoorraden en goud bedoelden. Mercantilisten streefden ernaar meer uit te voeren dan in te voeren om zodoende de goudvoorraad van een land te spekken. Typisch mercantilistische maatregelen waren: het tegengaan van de invoer van eindproducten door Frankrijk in de tijd van Lodewijk XIV en de Act of Navigation (1651), die tot doel had de Engelse scheepvaart te beschermen tegen de concurrentie van de Hollanders.
merchant banking Activiteit van banken waarbij zij optreden als tussenpersoon en adviseur voor hun cliënt bij het aantrekken van vreemd of eigen vermogen bij derden.
mercosur De in 1991 tot stand gekomen Latijns Amerikaanse vrijhandelszone tussen Brazilië, Argentinië, Paraguay en Uruguay met Chili en Bolivia als geassocieerde leden.
merit-goods Zie: bemoeigoederen.
meso-economie Deze bekijkt de economische activiteiten op het niveau van de sectoren en de bedrijfstakken. Daarnaast bestaan de micro-economie en de macro-economie.
mev Zie: Macro-economische Verkenning (MEV).
micro-economie Deze bekijkt de economische activiteiten van individuele bedrijven en gezinnen in verband met het tot stand komen van prijzen en de verdeling van de productiefactoren over de productiemogelijkheden. Daarnaast bestaan de meso-economie en de macro-economie.
middelloonregeling Bij middelloonregelingen is het aanvullend ouderdomspensioen gebaseerd op wat de deelnemer gemiddeld over zijn hele loopbaan verdiende.zie ook: eindloonregeling.
midkap-index Index, waarin de 25 ondernemingen zijn opgenomen die, naar beursomzet gemeten, volgen op de 25 aandelen die in de AEX-index zijn opgenomen.
milieu Het natuurlijk milieu - kortweg de natuur - kan worden gezien als een omhulsel van het economisch systeem. Die natuur heeft twee belangrijke functies: ten eerste is zij de bron van grondstoffen en ten tweede vormt zij de vergaarbak van allerlei afgewerkt materiaal dat overblijft bij productie en consumptie. [vervuiling.jpg]
milieubeleid Overheidsbeleid dat beoogt de kwaliteit van de leefomgeving in stand te houden of deze te verbeteren. Belangrijke instrumenten ten dienste van het milieubeleid zijn vergunningen, voorschriften en aanwijzingen en milieuheffingen.
milieueffect rapportage (mer) Overheden en bedrijven zijn verplicht de gevolgen van bepaalde investeringsprojecten voor de leefomgeving te rapporteren, voordat de overheid vergunning verleent/mag verlenen om met die projecten te beginnen.
milieuheffing Heffing met als grondslag het verbruik van energie of andere grondstoffen (water) dan wel de hoeveelheid afvalstoffen (afvalwater, mest, vaste afvalstoffen) of afvalwarmte die in de leefomgeving wordt geloosd. Zie ook: ecotax.
milieujaarverslag Hierin probeert de onderneming haar invloed op het milieu te becijferen. Met ingang van 2000 is publicatie van het groene jaarverslag voor ondernemingen onder bepaalde wettelijke voorwaarden verplicht.
miljoenennota Deze verschijnt op de derde dinsdag in september bij de opening van het parlementaire jaar. Officieel is de naam: Nota over de toestand van 's Rijks financiën. Geeft een totaaloverzicht van de uitgaven en de ontvangsten van de rijksoverheid. Bevat verder een uiteenzetting over de hoofdlijnen van het financieel-economische beleid en over de toestand van de Nederlandse economie En de nota vat de stapel wetsontwerpen samen die met elkaar de rijksbegroting vormen.
minimabeleid Beleid van de overheid dat is gericht op extra inkomensondersteuning van individuen/huishoudens met de laagste inkomens. Onderdelen van het minimabeleid (kunnen) zijn: het verlenen van bijzondere bijstand, kwijtschelding van gemeentelijke heffingen, extra verhoging van de individuele huursubsidie.
minimum kasreserveregeling Wordt opgelegd door de ECB om de liquiditeit van de banken te verminderen. Gedurende een periode van ongeveer een maand moet elke bankinstelling gemiddeld per dag een (per bank vastgesteld) bedrag op een speciale rekening aanhouden.
minimumloon Brutoloon dat werkgevers wettelijk verplicht zijn ten minste aan hun werknemers van 23 jaar en ouder te betalen. Voor werknemers jonger dan 23 jaar gelden lagere brutoloonniveaus. Het brutominimumloon wordt halfjaarlijks aangepast aan de gemiddelde stijging van de (bruto) CAO-lonen in de voorafgaande periode (brutobrutokoppeling).
minimumprijs Een door de overheid vastgestelde prijs waaronder niet mag worden verkocht. Op markten waar vraag en aanbod de prijs bepalen komt een evenwichtsprijs tot stand waarbij de gevraagde hoeveelheid en de aangeboden hoeveelheid juist aan elkaar gelijk zijn. In de figuur de prijs OP en de hoeveelheid OA. Wanneer de overheid de prijs die door de werking van vraag en aanbod tot stand komt te laag vindt, stelt zij soms een minimumprijs vast. De figuur laat zien wat hiervan het gevolg is. Bij deze minimumprijs wordt de markt niet geruimd. Er wordt een hoeveelheid OB aangeboden, terwijl OA wordt gevraagd. Er bestaat een aanbodoverschot ter grootte van AB. Voorbeelden van het opleggen van een minimumprijs: de arbeidsmarkt waar een minimumloon geldt, wat leidt tot een aanbodoverschot van werknemers (werkloosheid). De Europese landbouwpolitiek heeft jarenlang minimumprijzen (garantieprijzen) gehanteerd, die aanbodoverschotten in de vorm van een boterberg, een vleesberg, een melkplas, en dergelijke tot gevolg hadden.
mission statement Een uitspraak waarin de ondernemingsleiding aangeeft: wie zijn wij en wat willen wij?
mkb-nederland Bij de organisatie voor het Midden- en Klein Bedrijf Nederland zijn 125 brancheorganisaties en zo'n 400 regionaal en lokaal gerichte ondernemersverenigingen aangesloten. Daarmee behartigt MKB-Nederland de belangen van zo'n 125.000 ondernemers.
mobiliteit van arbeid Beweeglijkheid van de arbeid tussen banen, beroepen, regios en landen.
modale werknemer Werknemer met twee kinderen van 6-12 jaar en een looninkomen dat juist beneden de premiegrens van de verplichte ziekenfondsverzekering ligt
model Gestileerde voorstelling van een deel van de werkelijkheid. Behalve de landkaart zijn voorbeelden van een modelmatige afbeelding: de globe, de maquette, atoomstructuurmodellen, het vliegtuigmodel. Ter wille van de analyse van verschijnselen is het nodig om vereenvoudigingen aan te brengen om het geheel overzichtelijk te houden.
mondiale inkomensverdeling Verdeling van het inkomen over (inwoners van) de landen in de wereld.
monetair evenwicht Hiervan is sprake als gedurende een bepaalde periode de som van geldschepping en ontpotting gelijk is aan de som van geldvernietiging en oppotting. De hoeveelheid geld in de economische kringloop is dan constant gebleven. Er is dan geen sprake van een toe- of afname van de bestedingen in die periode.
monetair toezicht Centrale bank bewaakt de geldschepping door particuliere banken.
monetaire financiering Tekort van de overheid financieren door plaatsing van kortlopende schuld bij het bankwezen, waardoor de geldhoeveelheid toeneemt.
monetaire inflatie Van monetaire inflatie is sprake wanneer meer geld in de economische kringloop komt. Het monetair evenwicht wordt hierdoor verbroken.
monetaire politiek In het algemeen: beleid gericht op beïnvloeding van de grootte en de samenstelling van de geldhoeveelheid met als doel het stabiliseren van de binnen- en de buitenwaarde van de eigen munt.
monetaristen Monetaristen wijzen erop dat een sturend begrotingsbeleid van de overheid zinloos is, omdat het alleen tot prijsverhoging leidt en niet tot meer werkgelegenheid. Ook een stimulerende geldpolitiek is volgens monetaristen uit den boze. Een versnelling van de geldgroei leidt tot inflatieverwachtingen en alleen aanvankelijk tot enig positief effect op de productie en de werkgelegenheid. Zij pleiten daarom voor een vaste geldgroei: de brede geldhoeveelheid dient jaarlijks gelijke pas te houden met de trendmatige groei van het nationaal product.Zie ook:Chicago school en Multon Friedman.
monetaristische geldgroeiregel Een versnelling van de geldgroei leidt tot inflatieverwachtingen en alleen aanvankelijk tot enig positief effect op de productie en de werkgelegenheid. Zij pleiten daarom voor een vaste geldgroei: de brede geldhoeveelheid dient jaarlijks gelijke pas te houden met de trendmatige groei van het nationaal product.
monocultuur Een land is aangewezen op de (export-)opbrengst van één of enkele producten. Enkele voorbeelden: Niger (uranium), Zuid-Jemen (olie) en Zambia (koper en kobalt).
monopolie Dit is een marktvorm waarbij slechts één onderneming het product aanbiedt. Concurrenten zijn er niet. De monopolist heeft uitsluitend met zijn kopers te maken. Door zijn machtspositie kan hij een hogere prijs vragen dan bij volkomen concurrentie tot stand zou komen. In zijn meest zuivere vorm zullen we het monopolie nooit in de werkelijkheid aantreffen. Er zal altijd wel een of ander substituut bestaan. Er bestaan zogenoemde natuurlijke monopolies, bijvoorbeeld wanneer de hele uraniumproductie in handen zou zijn van één onderneming. Er zijn overheidsmonopolies, die hun positie meestal aan een wettelijke regeling danken. Bijvoorbeeld de Europese Centrale Bank (monopolie tot het produceren van eurobankbiljetten). De derde groep omvat bedrijven met een feitelijk monopolie: voor mogelijke toetreders is het praktisch onuitvoerbaar om tot de markt door te dringen. Dit kan komen doordat met een geweldig groot beginvermogen moet worden gestart of doordat heel speciale kennis van een bepaald productieproces of van de marktomstandigheden vereist is.
monopoliewinst Op winst komen nieuwe aanbieders af. Bij volkomen concurrentie verdwijnt deze winst, omdat nieuwe aanbieders vrij zijn tot de markt toe te treden. Bij een monopolie is de toetreding geblokkeerd. De aanbieder zal zijn positie proberen te handhaven door toetredingsdrempels op te werpen. zie ook: monopolie
monopolistische concurrentie Marktvorm waarbij zeer veel aanbieders producten aanbieden die elkaars substituten zijn. In tegenstelling tot de situatie bij volkomen concurrentie is hier geen sprake van een homogeen product, maar veeleer van een heterogeen product. De aanbieder probeert voor zijn product een speciale voorkeur te scheppen door de uitvoering en door dienstbetoon. Voorbeelden: de warme bakker, de sigarettenwinkel, de pompstations en dergelijke.
monopsonie Aan de vraagkant van een markt vinden we slechts één afnemer.
multi vezel akkoord Overeenkomst op basis waarvan industrielanden hun import van textielproducten uit ontwikkelingslanden kunnen beperken. Volgens afspraken binnen de zogeheten Uruguay-ronde (WTO) moet dit akkoord verdwijnen.
multilaterale hulpverlening Ontwikkelingshulp die via internationale organisaties loopt. Bijvoorbeeld via de Wereldbank of de Verenigde Naties.
multinationale ondernemingen Grote ondernemingen met vestigingen in een reeks van landen (ook: multinationals). Twee bekende Brits-Nederlandse voorbeelden zijn Unilever en Shell.
multiplier Ook inkomensvermenigvuldiger. Wanneer extra investeringen worden gedaan heeft dit een sneeuwbaleffect, doordat in de kapitaalgoederenindustrie extra wordt geproduceerd, waarbij extra inkomen wordt verdiend. Dit inkomen wordt voor een deel besteed in bijvoorbeeld de meubelbranche, dus daar wordt vervolgens de productie uitgebreid, waarbij weer een inkomen wordt verdiend, enzovoort. Het uiteindelijk resultaat is dat het nationaal product is vergroot met een veelvoud van de oorspronkelijke investeringsstoot.
nachtwakerstaat De kleinst mogelijke overheid die alleen zorg draagt voor onmisbare collectieve goederen zoals veiligheid, rechtszekerheid en bestuur.
nafta Zie: North American Free Trade Association.
nairu De 'non-accelerating inflationary rate of unemployment' is het werkloosheidspercentage waarbij een economie nog kan groeien zonder dat de inflatie begint op te lopen. In de VS werd de nairu traditioneel op 5,5% geschat. Dat lijkt overigens nogal hoog. Het gaat bij de nairu om structuurwerkloosheid , zoals frictieloosheid, seizoenswerkloosheid, werkloosheid van minder geschikte werkzoekenden, werkloosheid ten gevolge van te weinig creatie van arbeidsplaatsen en dergelijke. Tegenwoordig stellen veel economen dat de nairu lager is en dat een economie bij ongeveer 4% werkloosheid nog kan groeien zonder inflatie.
nasdaq National Association of Securities Dealers Automated Quotation. De Amerikaanse schermenbeurs. De handel op de Nasdaq aandelenmarkt –de eerste schermenbeurs ter wereld- ging van start in 1971. Tegenwoordig is Nasdaq de snelst groeiende aandelenbeurs van de Verenigde Staten. De beursthermometer voor de Nasdaq is de Nasdaq Composite index. www.nasdaq.com.
nationaal liquiditeitssaldo De invloed die van de betalingsbalans uitgaat op de binnenlandse liquiditeitenmassa (brede gelddefinitie). Deze is gelijk aan het saldo van de monetaire sectoren.
nationaal spaarsaldo De optelling van het particuliere spaarsaldo en het begrotingssaldo van de overheid. Wanneer de besparingen van de particuliere sector en die van de overheid de investeringen overtreffen ontstaat een positief nationaal spaarsaldo, een spaaroverschot. Met behulp van de nationale boekhouding (macro-economische identiteiten) valt eenvoudig aan te tonen dat zo'n spaaroverschot per definitie samengaat met een uitvoeroverschot.
nationale rekeningen Jaarlijks door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) verzorgd en gepubliceerd boekhoudkundig rekeningenstelsel van de Nederlandse economie.
near-banking Hiervan is sprake als grote ondernemingen hun tijdelijk kasoverschotten zelf (dus zonder tussenkomst van bijvoorbeeld een bank) beleggen op de geldmarkt.
nederlandse emissieautoriteit (nea) Dit is een overheidsorganisatie die als opdracht heeft toezicht te houden op de naleving van de wet- en regelgeving voor de handel in NOx- en CO2-emissierechten.
nederlandse mededingingsautoriteit (nma) Op 1 januari 1998 is dit instituut van start gegaan om toezicht te houden op de naleving van de Mededingingswet. Deze wet verbiedt kartels, onderling afgestemde feitelijke gedragingen, misbruik van economische machtsposities en concentraties van ondernemingen zonder voorafgaande melding. Ondernemers en verenigingen van ondernemers die actief zijn op de Nederlandse markt kunnen bij de NMa verzoeken indienen voor ontheffing van het kartelverbod en de verplichting voorgenomen concentraties te melden. Wie als bedrijf of als consument hinder ondervindt van een vermeende overtreding van de Mededingingswet kan bij de NMa een klacht indienen. Internet: www.nmanet.nl.
neoklassieke economie School die zich baseert op de gedachten van de Klassieke economie. De neoklassieken hebben een groot vertrouwen in de evenwichtsherstellende werking van het marktmechanisme. In tegenstelling tot de Keynesianen zijn neoklassieken van mening dat markten automatisch worden geruimd en dus tenderen naar evenwicht. Overheidsingrijpen verstoort in deze opvatting de automatische prijsaanpassing en leidt ertoe dat markten in hun werking worden belemmerd en niet ruimen.Zie ook: Chicago School en monetaristen.
neoliberalen Liberalen die erkennen dat het marktmechanisme ernstige tekortkomingen (zie marktfalen) kent die de overheid moet corrigeren. Klassiek-liberalen baseren zich op het gedachtengoed van Adam Smith (1723-1790) die in 1776 in zijn Wealth of Nations betoogde dat het gemeenschappelijk belang het best wordt gediend als iedereen zijn eigen belang nastreeft. Een onzichtbare hand ('invisible hand') zorgt er dan voor dat het economisch systeem een zo groot mogelijke welvaart voor iedereen tot stand brengt. Als er al plaats zou zijn voor een overheid dan zou zij niet meer moeten zijn dan een nachtwakerstaat. De overheid zou uitsluitend voor collectieve goederen zoals veiligheid, het rechtssysteem en het openbaar bestuur zorg moeten dragen. Neoliberalen erkennen dat de onzichtbare hand - het marktmechanisme - een aantal ernstige tekortkomingen kent. Zij aanvaarden dat de overheid ingrijpt, met name om deze tekortkomingen op te vangen of te repareren. Een voorbeeld: de overheid moet zorgen voor voldoende concurrentie op de markten door machtsposities (monopolie en oligopolie) aan te pakken.
neosocialisten Socialisten die erkennen dat het budgetmechanisme tekortkomingen kent (zie overheidsfalen) en dat het marktmechanisme een doelmatig allocatie-instrument is, maar die toch van mening zijn dat de overheid in een aantal gevallen corrigerend moet optreden. De klassiek-socialisten zagen het budgetmechanisme als het geschikte instrument om de allocatie van de productiemiddelen te organiseren. In zijn democratische gedaante gaat het dan om de allocatie van middelen via parlementaire besluitvorming. Neosocialisten hebben oog voor een aantal tekortkomingen van overheidsproductie. Daarnaast erkennen zij de betekenis van het marktmechanisme als allocatie-instrument. Maar zij zien ook de tekortkomingen (zie marktfalen) van de markt. Zij wijzen bijvoorbeeld op de scheve verdeling van inkomen en vermogen wanneer uitsluitend marktkrachten de uitkomst van economische processen bepalen.
netto investeringen van bedrijven De door bedrijven verrichte uitbreidingsinvesteringen plus de veranderingen in de voorraden grondstof, onderhanden werk en gereed product. Als de voorraden zijn gedaald, zijn de netto investeringen kleiner dan de uitbreidingsinvesteringen.
netto loon Tussen werkgever en werknemer overeengekomen contractloon nadat daarop loonbelasting en sociale premies zijn ingehouden.
netto nationaal inkomen (nni) De som van de beloningen van alle Nederlandse productiefactoren (arbeidsinkomen, pachtinkomen, rente-inkomen en winstinkomen) in handen van de ingezetenen van een land. Hiertoe worden dus bijvoorbeeld ook gerekend de rente- en dividendinkomsten die ingezetenen ontvangen uit hun buitenlandse beleggingen. Het NNI (tegen factorkosten) is identiek aan het netto nationaal product (tegen factorkosten
netto nationaal product (nnp) Bruto nationaal product minus de afschrijvingen.
netto replacement rate De (netto-)uitkering als percentage van het laatstverdiende (netto-)loon. Een hoge replacement rate impliceert dat uitkeringsontvangers er bij het aanvaarden van betaald werk in veel gevallen nauwelijks op vooruitgaan (armoedeval). Zie ook: vervangingsratio.
nettonettokoppeling De laagste sociale uitkeringen zijn netto (vrijwel) gelijk aan een bepaald percentage (50, 70, 90 dan wel 100) van het nettominimumloon. Als uitvloeisel van de brutobrutokoppeling wordt het brutominimumloon elk half jaar aangepast (aan de trend van de bruto CAO-lonen). De wijziging in het nettominimumloon die hiermee samenhangt wordt via de nettonettokoppeling aan de laagste-uitkeringsontvangers doorgegeven.
newly industrialising countries (nics) Jonge snel groeiende industrielanden, zoals China, India en Brazilië.
niet-actieven Het totale aantal uitkeringsjaren in de sociale zekerheid voorzover geregeld in de wetgeving op de sociale zekerheid.zie ook: inactieven.
niet-belastingontvangsten Alle ontvangsten die zijn verantwoord op de begroting van de rijksoverheid en die niet tot de belastingen worden gerekend. Het gaat vooral om ontvangsten die samenhangen met verleende overheidsdiensten en kredietverlening door het Rijk, en de aardgasbaten (exclusief vennootschapsbelasting).
niet-duurzame consumptiegoederen Consumptiegoederen die in dezelfde inkomensperiode waarin zij werden aangeschaft meteen worden verbruikt
niet-geldscheppende banken Banken die de geldhoeveelheid niet kunnen vergroten (bijvoorbeeld hypotheekbanken).
niet-marktconforme maatregelen Zie: marktconforme maatregelen.
niet-reproduceerbare goederen Goederen (en diensten) die niet opnieuw kunnen worden geproduceerd. Ze zijn uniek, zoals bepaalde kunstwerken, monumenten en natuurgebieden.
nieuwe internationale economische orde Een structurele verandering in de economische verhouding tussen ontwikkelingslanden en rijke landen. Aanhangers van deze visie zoals de befaamde Nederlandse econoom Jan Tinbergen leggen de nadruk op de gewenste volledige economische en sociale onafhankelijkheid van de ontwikkelingslanden. In dit verband wordt ook gewezen op de noodzaak tot meer samenwerking tussen ontwikkelingslanden.
nikkei index Index van de effectenbeurs in Tokio. Deze beursthermometer is gebaseerd op het koersgemiddelde van de 225 belangrijkste aandelenfondsen. Www.nikei.com
nivellering Proces waardoor (inkomens-)verschillen tussen individuen of sectoren geringer worden. Een van de manieren om de (personele) inkomensverschillen te verkleinen is het hanteren van de progressief stelsel van loon- en inkomstenbelasting. Naarmate men een hoger belastbaar inkomen heeft, wordt men belast met een hoger belastingpercentage. In de praktijk wordt aan het inkomensherverdelende effect van zon belastingstelsel afbreuk gedaan door het toestaan van aftrekposten (bijvoorbeeld de betaalde rente over hypothecair krediet).
nma De uitvoering van de Mededingingswet is opgedragen aan de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) De NMa handhaaft het verbod op kartels of misbruik van een economische machtspositie en toetst fusies en overnames. Www.nma-org.nl
nobelprijs voor de economie Strikt genomen is er geen sprake van een echte Nobelprijs voor economie, want in het testament van de Zweed Alfred Nobel werd 'economie' niet genoemd. De prijs voor economie is in 1969 ingesteld door de Zweedse centrale bank, die ook opdraait voor de ruim 1 miljoen euro die eraan verbonden is. Overigens was de Nederlander Jan Tinbergen (samen met de Noor Ragnar Frisch) de eerste econoom die deze eer te beurt viel.
noemereffect Verhoudingsgetallen, zoals de collectieve-lastendruk en de schuldquote, vallen lager uit dank zij de groei van het bruto binnenlands product. Voorbeeld: de overheidsschuld van een land bedraagt in het jaar 2008 240 miljard euro (teller = bedrag boven de breukstreep); het bbp komt uit op 374 miljard (noemer = bedrag beneden de breukstreep). Dit levert een schuldquote van 0,6 op. Wanneer de schuld gelijk blijft en het bbp toeneemt, daalt de schuldquote en wel uitsluitend tengevolge van het noemereffect (de teller blijft immers onveranderd) .
nominaal nationaal inkomen Het nationaal inkomen gemeten in euro's, ongecorrigeerd voor geldontwaarding.
nominale cijfers De cijfers zoals ze in euros luiden. Om een vergelijking met andere jaren mogelijk te maken is het vaak nuttig zulke cijfers te corrigeren voor de inflatie, zodat gewerkt wordt met reële cijfers (defleren).
nominale waarde De waarde die op het aandeel of de obligatie is vermeld. Geeft aan voor welk deel men deelneemt in het kapitaal (aandeel) of de lening (obligatie).
non- discriminatie Volgens de regels van de WTO moet elke handelspartner gelijk worden behandeld. Dit beginsel is uitgewerkt in de zogeheten meestbegunstigingsclausule.
non-tarifaire handelsbelemmeringen Protectiemaatregelen anders dan door heffing van invoerrechten. Vaak hanteren landen sluipwegen om aan de regels van de WTO, die het verhogen van invoerrechten en het instellen van invoerquota verbiedt, te ontsnappen door bijvoorbeeld onder het mom van bescherming van de gezondheid van de consument de toegang van buitenlandse producten tot de eigen markt te bemoeilijken of zelfs te verbieden.
normale bezettingsgraad Dit is de bezettingsgraad waarbij er aan de ene kant geen ongewilde werkloosheid bestaat en geen machines ongewild onderbezet zijn en waarbij aan de andere kant geen prijsstijgingen optreden. Proberen bedrijven meer te produceren dan bij deze normale bezettingsgraad mogelijk is, dan ontstaan allerlei spanningen.
normen en waarden Elke onderneming opereert binnen een maatschappelijke context. In dit verband spreekt men van de omgevingsfactoren of het ondernemingsklimaat waarbinnen de onderneming haar activiteiten ontplooit. Daarbij denken we in de eerste plaats aan de relaties met de participanten. En in de tweede plaats aan zaken als: de concurrentieverhoudingen, de economische situatie, de betrekkingen met het buitenland en de economische orde. Verder weg gelegen omgevingsfactoren zijn de demografische ontwikkeling, de ontwikkeling van de techniek, het systeem van normen en waarden, het politieke systeem en de rechtsorde. Factoren die voor de onderneming wel degelijk van belang zijn, maar die door de algemene economie als data worden beschouwd. Normen en waarden, het politiek systeem en de rechtsorde beïnvloeden het gedrag van consumenten, producenten en overheidsdienaren. Ze zijn dus van betekenis voor het ondernemingsklimaat, maar de economie neemt ze als gegeven aan en laat de verklaring over aan ethici, filosofen, politicologen en rechtsgeleerden.
north american free trade association (nafta) Vrijhandelsverdrag tussen de Verenigde Staten, Canada en Mexico. Het verdrag is 1 januari 1994 in werking getreden. De drie landen vormen een vrijhandelsgebied, wat inhoudt dat zij geen invoerrecht heffen op elkaars producten of de import op andere manieren (non-tarifaire protectie) belemmeren. Anders dan een douane-unie (zoals de Europese Unie) die een gemeenschappelijk buitentarief kent, hanteren de deelnemers aan een vrijhandelsgebied zoals NAFTA tegenover derde landen hun eigen nationale invoertarieven. De toetreding van Mexico tot de vrijhandelszone stuitte in de Verenigde Staten in sommige kringen op hevig verzet. De angst bestond dat het ongelimiteerd toelaten van goedkope Mexicaanse producten zou leiden tot een grotere werkloosheid in de Verenigde Staten, vooral onder laag- of niet-geschoolden. De voorstanders van vrijhandel wisten het pleit te winnen. Zie ook: comparatieve kostenverschillen.
nostrorekening Valutarekeningen die banken binnen de eurozone aanhouden bij banken buiten het eurogebied luidend in de valuta van dat land. Deze rekeningen worden gebruikt om het internationaal betalingsverkeer te vergemakkelijken.
nut De eigenschap van goederen en diensten om in bestaande behoeften te voorzien. Omdat beoefenaren van de economie geen oordeel hebben over de aard van de menselijke behoeften, zijn ook nut en nuttig binnen de economische wetenschap neutrale termen.
nyfer Nijenrode Forum for Economic Research; macro-economisch onderzoeksinstituut dat onder meer de ontwikkeling van de economische situatie tracht te voorspellen. Www.nyfer.nl.
obligatie(lening) Een obligatielening is een langlopende lening verdeeld in kleine coupures, bijvoorbeeld van € 1000. Die coupures heten obligaties. Het knippen van de lening in kleine stukken gebeurt om zoveel mogelijk beleggers te kunnen bereiken. De obligatiehouder ontvang meestal een vaste rente. Aflossing van de obligatie kan plaatsvinden via uitloting. Elk jaar wordt dan geloot welke obligaties voor aflossing in aanmerking komen. Maar er bestaan ook obligatieleningen die ineens worden afgelost. Dan is sprake van een bullet-lening.
obligatiekoers De beurskoers van een obligatie. Een stijging van de kapitaalmarktrente (of de verwachting dat de rente stijgt) brengt een koersdaling van obligaties teweeg. Een daling van de rente (of een verwachte rentedaling) leidt tot een koersstijging. Omdat obligaties worden afgelost tegen de nominale waarde nadert de beurskoers in de regel naar 100 naarmate het moment van aflossing dichterbij komt. Dit is vooral duidelijk bij obligatieleningen die in één keer worden afgelost (zogeheten bullet-lening).
oeso De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. Vaak aangegeven met de afkorting OECD (Organisation for Economic Co-operation and Development). De organisatie (secretariaat is gevestigd in Parijs) ontstond in 1961 uit de OEES (Organisatie voor Europese Economische Samenwerking). De OEES heeft een grote rol gespeeld bij het in goede banen leiden van de Amerikaanse Marshallhulp aan Europa na de Tweede Wereldoorlog. Lid van de OESO zijn de vijftien oude lidstaten van de Europese Unie, plus vijftien andere landen, te weten: Korea, Mexico, Polen, Hongarije, de Republiek Tjechië, de Republiek Slowakije, Noorwegen , IJsland, Turkije, de Verenigde Staten, Canada, Japan, Australië en Nieuw-Zeeland De activiteiten van de OESO zijn vooral gericht op het uitvoeren van sociaal-economische analyses en het publiceren van internationaal vergelijkende statistieken. www.oecd.org.
officiële goud- en deviezenreserve Onder meer de waarde van het goud en de vrij inwisselbare valutas en de onvoorwaardelijke kredietmogelijkheden bij het IMF, waarover de centrale bank van een land kan beschikken. Ook: officiele reserve.
officiële reserve Voorraad buitenlandse betaalmiddelen, goud en onvoorwaardelijke kredietmogelijkheden bij het IMF waarover een centrale bank beschikt. Ook: officiële goud- en deviezenreserve.
officieuze economie Zie: informele economie.
oligarchische clausule Bepaling in de statuten van een vennootschap waarin bepaalde bijzondere bevoegdheden worden gegeven aan bijvoorbeeld de raad van commissarissen van de vennootschap of aan houders van prioriteitsaandelen. Bij die bevoegdheden kan het gaan om het opstellen van een bindende voordracht bij de benoeming van directie en commissarissen. Dit soort bepalingen perkt de macht van de algemene vergadering van aandeelhouders in.
oligopolie Een marktvorm waarbij weinig aanbieders verkopen en waarbij de handelingen van elke aanbieder een merkbare invloed hebben op de afzet van de overige aanbieders. Oligopolie betekent letterlijk dat er weinig (oligos) verkopen (polein). Het is een marktvorm die erg veel voorkomt, meestal als heterogeen oligopolie: de producten zijn over het algemeen niet homogeen, maar zij vormen sterk verwante substituten. De staalindustrie, de computerindustrie, de benzinemaatschappijen, de banken, de Internet- providers, de auto-industrie, het zijn allemaal bedrijfstakken waar een paar ondernemingen het aanbod helemaal of voor een groot deel beheersen. Bij een oligopolie weet elke aanbieder dat zijn handelingen, bijvoorbeeld een prijsverlaging of een productverandering, een merkbare invloed hebben op de afzet van zijn concurrenten. Als Coca-Cola zijn prijs verlaagt, merkt Pepsi Cola dat door het teruglopen van zijn verkopen. Coca-Cola moet dus rekening houden met reacties van Pepsi, die voor Coca-Cola weer nadelige gevolgen kunnen hebben. De ondernemingen zouden elkaar zolang kunnen blijven onderbieden in een felle concurrentiestrijd -- cut-throat-competition -- dat allen er verlies door gaan lijden en zelfs ondernemingen te gronde gaan. De onzekerheid over deze reacties heeft nogal eens tot gevolg dat aanbieders met elkaar tot afspraken proberen te komen om op bepaalde gebieden de concurrentie te beperken. Een dergelijke overeenkomst, waarbij de ondernemingen in juridische zin zelfstandig blijven, heet een mededingingsregeling of een kartel.
oligopsonie Marktvorm die wordt gekenmerkt door een gering aantal afnemers.
ombuiging Beleidsmatige verlaging van de (netto-) uitgaven van de rijksoverheid ten opzichte van een eerdere vastgelegd ijkpunt.
omgevingsfactoren in enge zin (= ondernemingsklimaat) de relaties met de participanten, de concurrentieverhoudingen, de economische situatie, de mate van openheid van de economie, de invloed van de overheid.
omgevingsfactoren in ruime zin De demografische ontwikkeling, de ontwikkeling van de techniek, de normen en waarden, het politieke systeem en de rechtsorde.
omloopsnelheid van het geld Het aantal malen dat een munteenheid in een periode (gemiddeld) van eigenaar verwisselt.
omslagstelsel Financieringsstelsel van sociale zekerheid waarbij de jaarlijks op te brengen premies zijn afgestemd op het totaal van de jaarlijkse uitkeringen en uitvoeringskosten.
omzet Geldswaarde van de verkopen in een bepaalde periode.
omzetbelasting Algemene verbruiksbelasting die wordt geheven op basis van de toegevoegde waarde (btw). Ondernemers brengen de belasting aan hun afnemers in rekening en dragen haar af aan de Belastingdienst. Bij de berekening van het af te dragen bedrag mogen zij de zelf betaalde btw in mindering brengen. Wanneer een onderneming in een bepaalde maand voor euro 100.000 goederen heeft verkocht (exclusief btw) is aan de afnemers euro 119.000 in rekening gebracht (100.000 plus 19% btw). Stel dat deze onderneming in dezelfde maand over ingekochte goederen aan haar leveranciers euro 9000 wegens in rekening gebrachte btw heeft betaald. Aan de Belastingdienst moet dan (per saldo) euro 10.000 worden afgedragen. Sommige ondernemingen, bijvoorbeeld banken en ziekenhuizen, zijn van btw vrijgesteld. Zij hoeven hun afnemers geen btw in rekening te brengen, maar kunnen op hun eigen inkopen drukkende btw ook niet met de fiscus verrekenen (zoals niet-vrijgestelde ondernemingen wel kunnen). Voor sommige eerste levensbehoeften geldt een verlaagd tarief (6%). Op uitgevoerde goederen is het nultarief van toepassing, waardoor de btw alleen drukt op de binnenlandse consumptie (ondernemers die goederen invoeren moeten wel btw afdragen).
onderbesteding De bestedingen schieten te kort om voldoende werkgelegenheid te scheppen voor het gegeven arbeidsaanbod. Dit is de situatie waarin de besteders minder willen kopen dan met de gegeven productiecapaciteit kan worden geproduceerd. Anders gezegd de macrovraag schiet tekort om het macroaanbod af te nemen. Zie ook: Keynes.
onderbestedingwerkloosheid Ook: conjunctuurwerkloosheid. Werkloosheid ten gevolge van tekortschietende bestedingen, te berekenen als het verschil tussen het gegeven arbeidsaanbod en de door de bestedingen bepaalde vraag naar arbeid. Kan met behulp van de Keynesiaanse theorie worden verklaard.
onderdrukte inflatie Een situatie waarin de overheid door prijsmaatregelen het algemeen prijspeil stabiliseert.
ondergewaardeerde munt De bestaande waarde van een valuta is lager dan de waarde die de munt zou moeten hebben op basis van de factoren die de koers gemeten over een langere periode bepalen, de zogeheten fundamentals (zoals bijvoorbeeld in de koopkrachtpariteittheorie). Op basis van die fundamentals kan de verwachting worden uitgesproken dat de koers zou moeten stijgen.
onderhandse kapitaalmarkt Partijen staan in contact met elkaar en onderhandelen over de voorwaarden van de lening.
onderliggende waarde De waarde waarop een optie betrekking heeft. Bijvoorbeeld een aandeel, een obligatie, een valuta, een hoeveelheid edel metaal.
ondernemer De ondernemer brengt het eigen (risicodragend) vermogen in de onderneming in. Zijn inkomen is volledig afhankelijk van het reilen en zeilen van de onderneming. Als beloning voor het dragen van het ondernemersrisico ontvangt hij in geval van een positieve uitkomst de ondernemerswinst. In het midden- en kleinbedrijf is de ondernemer in veel gevallen ook de leidinggevende. Maar in (naamloze) vennootschappen bestaat een formele scheiding tussen leiding (de directie, de Raad van Bestuur) en de vermogensverschaffers.
onderneming Meestal wordt er geproduceerd binnen een organisatie: een geordende groep mensen die samenwerkt om bepaalde doelen te bereiken. Een tennisclub is een organisatie, evenals een ziekenhuis, een omroepvereniging, een staalfabriek en een advocatenkantoor. Organisaties die economische goederen produceren heten bedrijven. Binnen de categorie bedrijven worden de ondernemingen onderscheiden. Dit zijn bedrijven die naar winst streven.
ondernemingsklimaat Zie: omgevingsfactoren
ondernemingsraad Vaak afgekort als OR. De OR is de vertegenwoordiging van de werknemers in de onderneming, een soort medezeggenschapsraad. Ondernemingen die vijftig of meer werknemers in dienst hebben zijn verplicht een OR in te stellen.
onderuitputting Het bij het opstellen van de rijksbegroting ervan uitgaan dat een deel van het per ministerie begrote bedrag niet daadwerkelijk wordt uitgegeven zodat daaraan een andere bestemming kan worden gegeven.
ongebonden inkomensoverdrachten Inkomensoverdrachten die los staan van de besteding van het inkomen (bijvoorbeeld: loon- en inkomstenbelasting, sociale premies).
ongedifferentieerde koopkracht Een ruilmiddel dat bruikbaar is voor alle doeleinden: geld.
onroerendezaakbelasting Naar opbrengst veruit de belangrijkste van de gemeentelijke belastingen. Er zijn in feite twee onroerende-zaakbelastingen; de ene heffing is verschuldigd door eigenaren van onroerende zaken (huizen, bedrijfspanden), de andere door gebruikers van onroerende zaken (eigenaar-bewoners, huurders). De grondslag van de heffing is de waarde van de onroerende zaak in het economisch verkeer. Deze waarde wordt eenmaal in de vier jaar vastgesteld. De gemeenteraad stelt jaarlijks het tarief vast, dat van gemeenten tot gemeente sterk verschilt.
ontgroening De bevolking telt relatief minder jongeren.
ontkoppeling Het buiten werking stellen van de koppeling van sociale uitkeringen aan de loonontwikkeling.
ontpotting Van ontpotting is sprake als kasgeld uit de voorzorg- en beleggingskassen wordt overgeheveld naar de transactiekassen. De omloopsnelheid van het geld neemt hierdoor toe.
ontsparen Van ontsparen is sprake wanneer de nationale bestedingen in een land groter zijn dan het nationaal product. Het land leeft dan op te grote voet, wat uitsluitend mogelijk is door het aangaan van buitenlandse schulden.
ontwikkelingslanden Landen die voldoen aan ten minste drie van de volgende criteria: laag inkomen per hoofd, lage levensverwachting, gebrekkige medische zorg en geringe scholingsgraad. De term ontwikkelingslanden zou de suggestie kunnen oproepen dat het bij deze landen gaat om een tamelijk homogene groep. Het tegendeel is waar. Binnen de groep ontwikkelingslanden bestaan zeer grote verschillen, bijvoorbeeld in de beschikbaarheid van natuurlijk hulpbronnen.
onvolkomen concurrentie Alle marktvormen behalve volkomen concurrentie. De marktvorm gaat van volkomen over naar onvolkomen door beperking van het aantal aanbieders, of productdifferentiatie waardoor de goederen heterogeen worden, en beperking van de toetreding.
onvolkomenheden van het marktmechanisme Zie: marktfalen.
onvolledige informatie Situatie op een markt waarbij de ene marktpartij beter is geïnformeerd dan de andere.
onvoorwaardelijk trekkingsrecht Krediet bij het Internationaal Monetair Fonds (IMF) dat een land kan opnemen zonder dat het IMF aan deze kredietverlening eisen ten aanzien van het te voeren beleid kan verbinden.
onzekerheid Een beslissing kent een reeks van mogelijke uitkomsten, terwijl niet objectief is vast te stellen hoe waarschijnlijk het is dat elk van die mogelijke uitkomsten in feite optreedt. Zie ook: risico
onzichtbaar verkeer Deel van de lopende rekening van de betalingsbalans : de dienstenrekening, de inkomensrekening en de inkomensoverdrachtenrekening.
opbouwstelsel Verzekeringssysteem waarbij de uitkeringshoogte mede afhankelijk is van de periode waarin de verzekerde verzekerd was en premie betaalde.
opbrengst In fysieke zin het resultaat van de productie gemeten in gewichtseenheden. In geldelijke zin het aantal verkochte eenheden vermenigvuldigd met de gemiddelde verkoopprijs (omzet).
opec In 1960 opgerichte Organization of Petroleum Exporting Countries, een kartel van voornamelijk Arabische olieproducerende landen, dat momenteel 40% van de wereldolieproductie verzorgt en 75% van de bewezen reserves bezit. De OPEC bestaat uit Saoedie Arabië, Iran, Irak, Qatar, Verenigde Arabische Emiraten, Koeweit, Venezuela, Nigeria, Libië, Algerije en Indonesië. Deze landen proberen door prijsafspraken en productieafspraken invloed uit te oefenen op de wereldolieprijs. In 1973 en 1979 schokte de OPEC de wereld met drastische prijsverhogingen. www.opec.com
open economie Economie die economische betrekkingen met het buitenland heeft. De openheid van een economie wordt doorgaans gemeten door de invoer- en de uitvoerwaarde van het land uit te drukken als percentage van het bruto binnenlands product(de invoer- en uitvoerquote). In het algemeen geldt dat kleinere landen een meer open economie hebben dan grote landen.
open-outcry systeem Het op sommige beurzen (nog) gehanteerde systeem waarbij het personeel op de beursvloer door tegen elkaar te roepen tot overeenstemming komt.
openbare financiën De leer van de openbare financiën - een onderdeel van de economische wetenschap - houdt zich bezig met de uitgaven, de ontvangsten en de lening- en schuldpolitiek van de overheid. Daarnaast krijgt de sturende rol van de overheid veel aandacht. Zie ook: publieke financien
openbare kapitaalmarkt Deel van de kapitaalmarkt waar de voorwaarden voor een lening of een uitgifte van aandelen vooraf worden bekend gemaakt en waarop alle geïnteresseerde beleggers op kunnen inschrijven.
openbare nutsbedrijven Bedrijven die zich bezig houden met de productie en de distributie van nutsvoorzieningen, zoals openbaar vervoer, water, gas- en elektriciteit. Traditioneel waren veruit de meeste van deze producenten een overheidsbedrijf of in handen van de overheid. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw stoten het Rijk en de decentrale overheden steeds meer van deze bedrijven af (privatisering). Voorbeelden zijn de postbestelling, telefoondiensten en sommige openbaarvervoerbedrijven.
openeinderegeling Regeling op grond waarvan derden (buiten de overheid) onder voorwaarden recht hebben op een overdracht van inkomen door de overheid. Anders dan door het aanpassen van deze voorwaarden kan de overheid het beroep op een openeinderegeling niet beheersen
openmarktpolitiek Als aanvulling op de minimumkasreserve of in plaats daarvan kan de ECB waardepapieren verkopen aan de banken. Het doel van deze openmarktpolitiek kan het verminderen van hun liquiditeit zijn, zodat zij gedwongen worden een beroep te doen op de kredietmogelijkheden van de ECB. In dat geval onttrekt de ECB liquide middelen aan de kassen van banken die zij weer kunnen aanvullen door te lenen bij de ECB.
opportunities Het onderzoek van de omgeving van de onderneming valt uiteen in extern onderzoek en intern onderzoek. Bij het eerste gaat het om een analyse van de kansen en bedreigingen (opportunities en threats) die buiten de onderneming liggen en die op de korte duur een gegeven vormen voor de ondernemingsleiding. zie ook:omgevingsfactoren
opportunity cost Zie: alternatieve kosten.
oppotmiddel Een oppotmiddel biedt de mogelijkheid vermogen in liquide vorm te bewaren, als kasgeld dus.
oppotting Van oppotting is sprake als kasgeld uit de transactiekassen wordt overgeheveld naar de voorzorg- en beleggingskassen . De omloopsnelheid van het geld neemt hierdoor af.
opta De Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit, is zelfstandige toezichthouder op de post- en telecommunicatiemarkt in Nederland. OPTA is een zelfstandig bestuursorgaan dat op 1 augustus 1997 met zijn werkzaamheden startte. De taken en bevoegdheden van OPTA zijn in de wet - de OPTA-wet - geregeld. Het driehoofdig college van OPTA is onafhankelijk. OPTA staat nu los van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. De minister blijft wel politiek verantwoordelijk voor delen van de taken die OPTA uitvoert, maar heeft geen directe zeggenschap bij de besluiten van het college. Het is met name het parlement geweest dat heeft aangedrongen op de verzelfstandiging van de toezichthouder. De volksvertegenwoordiging wilde afstand tussen de politiek en de uitoefening van het toezicht. Ook wilde zij dat de toezichthouder en de staat als aandeelhouder van de meest dominante partij op de post- en telecommarkt KPN, duidelijk gescheiden partijen zijn. Bovendien vereist de relevante Europese regelgeving een onafhankelijke toezichthouder. www.opta.nl
optiebeurs Plaats waar de handel in opties plaatsvindt. Op 1 januari 1997 is de Amsterdamse Effectenbeurs gefuseerd met de EOE-Optiebeurs; de combinatie heet nu Amsterdam Exchanges en is gevestigd op Beursplein 5 te Amsterdam. De optiebeurs van Amsterdam Exchanges houdt zich bezig met de organisatie van de handel in opties en termijncontracten, de financiële futures.
opties Een optie is een overeenkomst tussen twee partijen: de koper en de verkoper (schrijver). Overigens is er geen rechtstreekse overeenkomst: tussen koper en verkoper zit de organisatie die de afwikkeling (clearing) garandeert. Door alle genoteerde opties op hoofdkenmerken te standaardiseren is het mogelijk de optie zelf te verhandelen. Het schema laat de verschillende situaties zien bij callopties en putopties. De koper van een call-optie krijgt het recht om de onderliggende waarde, bijvoorbeeld aandelen, tegen een vooraf vastgestelde prijs te kopen. Als de koers van de aandelen stijgt, wordt dit recht meer waard en zal de calloptie in premie stijgen. Callopties kunnen daardoor worden gebruikt om in te spelen op verwachte koersstijgingen. Als de koers van de onderliggende waarde daalt, daalt ook de premie van de calloptie.De verkoper van een calloptie heeft een leveringsplicht. Wil de koper zijn recht uitoefenen, dan moet de verkoper leveren tegen de vooraf afgesproken prijs. De schrijver ontvangt de premie die de koper voor de optie heeft betaald. De schrijver hoopt op een daling van de koers. Dan hoeft hij geen verplichting na te komen en kan hij de ontvangen premie beschouwen als extra inkomen. De koper van een putoptie heeft het recht om de onderliggende waarde tegen een vooraf vastgestelde prijs te verkopen. Dit recht wordt meer waard wanneer de koers van de onderliggende aandelen daalt. Putopties worden gebruikt om in te spelen op een koersdaling. De verkoper van een putoptie heeft een afnameplicht. Wil de tegenpartij zijn kooprecht uitoefenen dan moet verkoper tegen de vooraf vastgestelde prijs de aandelen afnemen. De verkoper ontvangt voor die afnameplicht een premie. Hij hoopt op een stijging van de koers. Hij hoeft dan niet af te nemen, omdat de koper van de put zich niet bij hem zal melden. Die kan immers op de beurs een betere koers kan krijgen dan de uitoefenprijs van de optie.Het overgrote deel van de omzet op de Amsterdamse Optiebeurs komt tot stand in aandelenopties en indexopties. Bij de indexproducten zijn opties en futures op de AEX-index veruit het meest verhandeld. Naast opties en futures, worden op de Optiebeurs ook enkele warrants verhandeld op verschillende onderliggende waarden.Warrants lijken veel op opties, maar kunnen door beleggers alleen worden gekocht en niet geschreven.
optimale allocatie Verdeling van de productiemidelen over de productiemogelijkheden in overeenstemming met de wensen van de consumenten. Dit wordt ook een Pareto-optimale allocatie genoemd. Het marktmechanisme bij volkomen concurrentie heeft de fraaie eigenschap dat producenten hun productie via prijssignalen inrichten volgens de wensen van de consumenten. Vragen deze laatsten meer van een bepaald goed, dan gaat -- bij gegeven aanbod -- de prijs daarvan omhoog. Dat is voor de producenten een signaal hunaanbod uit te breiden. Anders gezegd: het marktmechanisme bij volkomen concurrentie brengt automatisch een situatie van optimale allocatie tot stand. Toch zijn er redenen te noemen om niet zonder meer de gehele inrichting van het economisch systeem aan het marktmechanisme kan overlaten, zie marktfalen.
optimale milieukwaliteit Bij de inzet van middelen om het milieu schoner te krijgen moet gelet worden op de alternatieve gebruiksmogelijkheden van die middelen. Er moet rekening mee worden gehouden dat de desbetreffende middelen ook nog voor andere nuttige bestemmingen kunnen worden gebruikt.
organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (oeso) Zie: OESO.
outputgap Dit is het verschil tussen de feitelijke productie in een land en de maximaal mogelijke productie, de productiecapaciteit.
over the counter (otc) De OTC-markt is een markt waarop financiële waarden worden verhandeld zonder tussenkomst van een officiële beurs; vooral een telefonische markt tussen banken.
overbesteding De situatie waarbij de besteders meer willen kopen dan met de gegeven capaciteit kan worden geproduceerd. Anders gezegd de macrovraag is groter dan het macroaanbod. Er doen zich allerlei spanningsverschijnselen voor: fabrikanten kunnen niet meer op tijd leveren, er zijn te weinig werknemers, er is onvoldoende krediet verkrijgbaar. De prijzen van de productiefactoren gaan omhoog: de lonen stijgen, de prijzen van grondstoffen lopen op, krediet wordt duurder. Uiteindelijk worden deze prijsstijgingen doorberekend in de prijzen van de eindproducten: er bestaat bestedingsinflatie.Zie ook: inflatie.
overcapaciteit Het verschil tussen de beschikbare capaciteit en de voor een normale productieomvang benodigde capaciteit. Zie ook: rationele overcapaciteit.
overdrachtsuitgaven Uitgaven van de overheid voor inkomensoverdrachten (subsidies, sociale uitkeringen).
overgenomen emissie Een aandelenemissie waarbij de bank het risico voor het slagen van de aandelenuitgifte over neemt van de emitterende onderneming.
overheid Hieronder wordt verstaan: het Rijk, de provincies, de gemeenten en de waterschappen. De laatste drie zijn de decentrale overheden. De overheid is een deel van de collectieve sector of publieke sector.
overheidsbedrijf Binnen de categorie bedrijven worden de ondernemingen onderscheiden. Dit zijn bedrijven die naar winst streven. Een tweede kenmerk van een onderneming is dat deze risico aanvaardt omdat de uitkomsten van het productieproces onzeker zijn. Een onderneming die gedurende langere tijd verlies maakt, is gedoemd van de markt te verdwijnen. Bij een overheidsbedrijf ligt dit anders. Dit hoeft zichzelf niet in een concurrentiestrijd staande te houden. Het wordt, zolang de samenleving het geleverde product het geld waard vindt, betaald uit belastingopbrengsten. Voorbeelden van overheidsbedrijven zijn: openbare reinigingsbedrijven, brandweercorpsen en openbare scholen.
overheidsconsumptie De consumptieve bestedingen van de overheid, onderscheiden in de netto materiële consumptie (waaronder ook defensieuitgaven zoals tanks en kazernes, die men eerder bij de overheidsinvesteringen zou verwachten) en de lonen en salarissen.
overheidsfalen Het democratisch budgetsysteem kent bezwaren. Overheidsproductie heeft de volgende nadelen: ambtenaren hebben de neiging om risico's te vermijden, zij hebben onvoldoende informatie over de wensen van afnemers en daardoor een minder klantgerichte instelling, de weerstand tegen vernieuwingen is bij de overheid vaak groter dan in de particuliere sector, men is zich minder bewust van de kosten, de overheid is vaak monopolist, wat leidt tot een hoge tarieven bij verminderd dienstbetoon. Het bureaucratisch budgetmechanisme heeft deze nadelen in versterkte mate. Bedrijven reageren niet op prijsprikkels maar moeten het van boven opgelegd plan gehoorzamen. Mensen worden niet gemotiveerd om hun best te doen. De centrale leiding moet vaak dwangmaatregelen nemen wat tot onvrije burgers leidt. De planeconomieën van het Oostblok zijn eind jaren tachtig alle ten onder gegaan. Het bureaucratisch budgetmechanisme bleek het allocatievraagstuk niet meer te kunnen oplossen.
overheidsinvesteringen De aanschaf van kapitaalgoederen door de overheid.
overheidsschuld De gezamenlijke schuld van het Rijk, van de decentrale overheden en van de sociale fondsen. Er wordt wel eens gesproken over staatsschuld, terwijl men de overheidsschuld bedoelt. Het verschil tussen beiden is dat de staatsschuld, de schuld is van het Rijk, terwijl de overheidsschuld meer omvat dan alleen de schuld van het Rijk. De overheidsschuld bestaat uit de schuld van het Rijk, van de sociale fondsen (voor zorguitgaven en uitgaven voor de sociale zekerheid) en de schuld van de lokale overheden (gemeenten en provincies).
De overheid heeft jarenlang meer uitgegeven dan er binnenkwam en dus geld geleend om alle uitgaven te kunnen doen. Zo is een schuld opgebouwd. Sinds Nederland deel uitmaakt van de Economische en Monetaire Unie (de EMU) worden voor het tekort (of overschot op de begroting: begrotingssaldo) en de schuld definities gebruikt die binnen de gehele EMU hetzelfde zijn. Er wordt sindsdien alleen nog gesproken over EMU-saldo en EMU- schuld.
overheidsschuldquote De schuld van het rijk en de decentrale overheden als percentage van het bruto binnenlands product.
overheidsuitgaven De totale uitgaven van de overheid. Kunnen nader worden onderverdeeld in overheidsbestedingen en overdrachtsuitgaven. De overheidsbestedingen bestaan uit overheidsconsumptie (materiële consumptie plus ambtenarensalarissen) en overheidsinvesteringen.
overlegeconomie Typisch kenmerk van de Nederlandse economische orde, waarbij belangengroepen - zoals werknemersorganisaties en werkgeversorganisaties - en de overheid regelmatig overleg voeren over sociaal-economische aangelegenheden. Een voorbeeld: de Sociaal Economische Raad (SER) waarin vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers en Kroonleden zitting hebben. Het geïnstitutionaliseerd overleg is een kenmerk van het poldermodel.
overspannen (arbeids)markt De vraag (naar arbeid) overtreft het aanbod in sterke mate.
pandbrief Schuldbewijs van een hypotheekbank.
parallelimport Indien een land als gevolg van de door producenten of distributeurs gevoerde prijspolitiek voor dat land relatief hoge prijzen kent voor bepaalde geïmporteerde producten (bijvoorbeeld medicijnen) kan een importstroom op gang komen naast de import die wordt verzorgd via de reguliere kanalen, waarbij het product wordt ingevoerd uit een land waar lagere prijzen worden gehanteerd.
parallellisatie Het samenvoegen van geledingen die zich op hetzelfde niveau in verschillende bedrijfskolommen bevinden. Bijvoorbeeld: een producent van vleesconserven besluit ook groenteconserven voort te brengen. Een reden voor parallellisatie kan zijn dat de bestaande gespecialiseerde know how toepasbaar is op andere producten (zoals in het gegeven voorbeeld). Parallellisatie komt ook voor in gevallen waar een seizoenscomponent bestaat in de vraag naar het product (strandhotels bieden zich in de wintermaanden aan als conferentieoorden) of in het aanbod van grondstoffen (schaatsfabrikanten die daarnaast speelgoed produceren).
pareto optimale allocatie Zie optimale allocatie
pareto, vilfredo Pareto (1848-1923) was een Italiaan die vanuit zijn oorspronkelijk beroep als ingenieur veel wiskundige bagage meebracht toen hij zich voor economische vraagstukken begon te interesseren. In zijn Cours déconomie politique (1896) geeft hij een wiskundige verhandeling van de algemeen-evenwichtstheorie. De publicatie van zijn Manuale de economia politica (1906) kan worden gezien als het startpunt van de moderne welvaartstheorie.Zie ook: optimale alocatie
pareto-optimum Zie: optimale allocatie
pariteit Spilkoers: vastgestelde koersverhouding tussen valutas binnen een systeem van stabiele wisselkoersen.
participanten De mensen en groepen mensen die bij de bedrijfsvoering van de onderneming zijn betrokken, zoals de ondernemingsleiding, de werknemers, de vermogensverschaffers, de leveranciers, de afnemers en de overheid. (Eng. stakeholders)
participatiegraad De beroepsbevolking als percentage van de beroepsgeschikte bevolking of potentiële beroepsbevolking. Tot de beroepsbevolking rekent het CBS alle personen van 15 tot 65 jaar die ten minste 12 uur per week werken of zouden willen werken (dus werkzoekend zijn).
participatiemaatschappij Onderneming die zich toelegt op het verstrekken van financiering aan vennootschappen die door hun te geringe omvang niet in staat zijn zelf als vrager op de openbare kapitaalmarkt op te treden.
particuliere sector Omvat de ondernemingen met winstoogmerk. Tegenhanger is de collectieve sector.
passagekoers Elke werkdag bepalen vertegenwoordigers van de banken aan de hand van vraag en aanbod voor de belangrijkste valuta de passagekoers van de euro (ook wel: middenkoers).
passende arbeid Het werk dat een werkloze zal moeten accepteren als vervanging van zijn vroegere baan, wil hij/zij niet zijn/haar uitkering verliezen.
passief bankbedrijf Deel van het bankbedrijf dat zich bezig houdt met het aantrekken van middelen die kunnen dienen als basis voor hun kredietverlening (bijvoorbeeld spaargelden).
passiva De schulden en het eigen vermogen op een balans.
paternalisme De overheid doorkruist de voorkeuren van individuen/bedrijven, omdat zij worden geacht onvoldoende oog te hebben voor wat werkelijk in hun belang is.
pay-out ratio Het verhoudingsgetal dat aangeeft welk deel van de totale nettowinst aan de aandeelhouders wordt uitbetaald. De pay-out-ratio wordt gebruikt om te beoordelen of een vennootschap haar dividenduitkeringen in de toekomst op hetzelfde peil kan handhaven. Een lage pay-out-ratio stelt de onderneming in staat om ook in de minder vette jaren een constant dividend uit te betalen.
pemba De Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba) beoogt werkgevers financieel te prikkelen om te voorkomen dat hun werknemers verdwijnen in de Wia. Dit wordt bereikt door de Wia-premie gedeeltelijk afhankelijk te maken van de uitstroom van eigen werknemers naar de WAO in het verleden. Verder mogen werkgevers er voor kiezen de eerste vijf jaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering van gewezen werknemers voor eigen rekening te nemen, in combinatie met een lagere collectieve Wia-premie (opting out).
pensioenbreuk Pensioenverlies door verandering van pensioenfonds of als gevolg van werkloosheid.
pensioenfonds Instelling die een vermogen beheert dat wordt uitgekeerd wanneer iemand met pensioen gaat, dat wil zeggen zich uit het arbeidsproces terugtrekt. De meeste ontwikkelde landen hebben een overheidspensioen, bij ons de uitkering krachtens de Algemene ouderdomswet (AOW). Daarnaast zijn er tal van particuliere pensioenfondsen. Soms is sprake van het omslagstelsel (bij de AOW bijvoorbeeld), soms van het kapitaaldekkingsstelsel.
pensioengrondslag Bedrag (inkomen) dat als grondslag dient voor de berekening van de hoogte van de pensioenuitkering.
per capita inkomen Of: inkomen per inwoner. Is het bruto binnenlands product (-inkomen) gedeeld door het aantal inwoners van een land. Wordt gebruikt bij internationale vergelijkingen van de levensstandaard in verschillende landen. Omdat de koopkracht van een dollar in uiteenlopende landen sterk verschilt, wordt vaak het per capita inkomen PPP (Purchasing Power Parity) gebruikt. Hierbij houdt men rekening met deze koopkrachtverschillen.
perfecte markt Op een perfecte of volkomen markt wordt een homogeen goed verhandeld: een dollar is een dollar. De markt is transparant: alle kopers en verkopers zijn volledig op de hoogte van wat er op de markt aan de hand is. Bovendien is de toetreding vrij: iedere burger kan op elk moment z`n bank bellen en dollars verkopen. Op zo`n perfect werkende markt kan op elk moment maar één dollarprijs bestaan.
personele inkomensverdeling De verdeling van inkomens over individuen/huishoudens. Zie ook: categoriale inkomensverdeling.
persoonsgebonden budget Individuen die behoefte hebben aan thuiszorg en gehandicapten kunnen onder voorwaarden aanspraak maken op een door hun ziektekostenverzekeraar beschikbaar gesteld budget waaruit zij zelf de benodigde zorg kunnen betalen terwijl zij vrij zijn zelf de zorgaanbieder te kiezen.
phillipscurve De Phillipscurve (genoemd naar de econoom A.W.H. Phillips) legt verband tussen het werkloosheidpercentage in een economie en het tempo van de inflatie. Lage inflatiecijfers zouden gepaard gaan met een hoog werkloosheidspeil, terwijl een lage werkloosheid alleen zou kunnen worden bereikt ten koste van hoge inflatie. In deze optiek bestaat er dus een afruil tussen inflatie en werkloosheid. Tegenwoordig overheerst onder economen de overtuiging dat een laag inflatietempo een belangrijke voorwaarde is voor productie- en werkgelegenheidsgroei. Vooral monetaristen hechten sterk aan het belang van vroegtijdige inflatiebestrijding.
pincode Viercijferige code behorend bij een bankpasje. Het Persoonlijk Identificatie Nummer is alleen bekend aan de eigenaar van het bankpasje.
planbureau Zie: Centraal Planbureau.
planmechanisme Bureaucratisch budgetmechanisme: op centraal niveau wordt een plan vastgesteld dat wordt opgelegd aan de organisaties en individuen lager in de hiërarchie.
poldermodel Een systeem van economische orde gekenmerkt door regelmatig en intensief overleg tussen overheid en sociale partners (overlegeconomie). Dit overleg maakt loonmatiging mogelijk, en heeft de afgelopen vijftien á twintig jaar bijgedragen aan verkleining van de collectieve sector en versterking van de marktwerking in de Nederlandse economie.
politieke cyclus Perioden waarin politici gunstige respectievelijk ongunstige maatregelen voor de burgers treffen. Een regering is geneigd zodra zij in het zadel zit harde maatregelen te nemen om de economie op orde te brengen en tegen de tijd dat de verkiezingen in zicht komen de teugels te laten vieren (bijvoorbeeld de belastingen te verlagen) om zodoende de kiezers gunstig te stemmen
porter michael e Amerikaans econoom bekend van onder meer het onderzoek dat hij aan het eind van de jaren tachtig deed naar de economieën van tien industrielanden. Doel van het onderzoek was erachter te komen welke factoren verantwoordelijk waren voor het succes dat deze landen hadden geboekt met hun industriële ontwikkeling in de periode 1971-1985. Vaak worden deze factoren samengevat in de zogeheten diamant van Porter. [diamant.jpg]
potentiële beroepsbevolking Alle inwoners tussen 15 en 65 jaar. Vanzelfsprekend willen of kunnen niet al deze personen betaalde arbeid verrichten: scholieren, studenten, huisvrouwen (en –mannen), arbeidsongeschikt verklaarden en vervroegd gepensioneerden. Door de potentiële beroepsbevolking met deze groepen te verminderen resteert de beroepsbevolking.
potentiële concurrenten Concurrenten die nog niet tot de markt zijn toegetreden, maar dat wel zouden kunnen doen. Bestaande producenten kunnen drempels opwerpen die het mogelijke toetreders moeilijker maken de markt te betreden.
preferente aandelen Preferente aandelen geven recht op een dividenduitkering die gelijk is aan een vast percentage van de nominale waarde van het aandeel. De houders van zulke aandelen krijgen daarmee een voorkeursbehandeling boven de gewone aandeelhouders. Een bijzondere variant vormen de cumulatief preferente aandelen.
premiegrens Het maximale inkomen waarover premie voor een sociale verzekering wordt geheven.
prestatiebegroting Maakt zichtbaar welke prestaties een overheidsorganisatie levert/van plan is te leveren in ruil voor beschikbaar gestelde middelen. Een prestatiebegroting laat bijvoorbeeld zien hoeveel kilometers autoweg ten laste van de begroting van het ministerie van Verkeer en Waterstaat voor het beschikbare bedrag worden onderhouden.
prestatiebeloning Beloningsvorm waarbij een verband bestaat tussen prestatie en beloning. Meestal zo vorm gegeven dat een deel van de beloning vast is en een deel variabel. De prestatie hoeft niet per se een verkoopprestatie te zijn, het kan ook gaan om sociaal gedrag of persoonlijke ontwikkeling.
prijs De in geld uitgedrukte waarde van een goed.
prijs als communicatiemiddel Prijssignalen vormen bij volledige mededinging een communicatiemiddel tussen consumenten en producenten.
prijsbeleid Het prijsbeleid houdt in dat de overheid beschikkingen kan uitvaardigen op grond van de uit 1961 daterende Prijzenwet, waarbij prijsverhogingen aan een maximum worden gebonden of prijsverlagingen worden stopgezet. De minister van Economische Zaken kan bijvoorbeeld een prijsbeschikking afkondigen waarin wordt aangegeven met hoeveel procent in een bepaalde bedrijfstak de prijzen mogen worden verhoogd. De Economische Controle Dienst is belast met het toezicht. Sinds 1984 zijn de prijzen van nagenoeg alle goederen en diensten vrijgelaten.Bij een onderneming vormt het prijsbeleid een van de P's in de marketingmix. Zie ook: marketing
prijsbinding verticale Zie:verticale prijsbinding.
prijscompensatie Bepaling in collectieve arbeidsovereenkomsten dat de brutolonen met enige vertraging worden aangepast aan het gestegen prijspeil. Zo wordt vermeden dat de inflatie het reële loon aantast. In de jaren zeventig waren degelijke regelingen in Nederland nog vrij gebruikelijk. De slechte ervaringen die er mee zijn opgedaan (opdrijving loonkosten en versterking van de inflatie) hebben ertoe geleid dat de automatische prijscompensatie vrijwel overal is afgeschaft.
prijsdifferentiatie Ook: prijsdiscriminatie. Situatie waarbij een aanbieder op gescheiden deelmarkten verschillende verkoopprijzen voor hetzelfde goed hanteert. Een voorbeeld zijn de spoorwegen die senioren een lagere prijs laten betalen dan de overige reizigers.
prijsdiscriminatie Zie: prijsdifferentiatie.
prijselasticiteit van de invoer Dit getal geeft aan hoe een procentuele verandering van het invoerprijspeil (gemeten in eigen valuta) het invoervolume procentueel doet veranderen.
prijselasticiteit van de vraag Laat zien met hoeveel procent de gevraagde hoeveelheid van een product verandert als de prijs met 1% verandert. Zie ook: elasticiteit
prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie Verouderde term voor de consumentenprijsindex.
prijskartel Zie: kartel.
prijsmechanisme Zie: marktmechanisme.
prijssignaal Zie: prijs als communicatiemiddel
prijstheorie Dit is het deel van de micro-economie waar de vraag centraal staat hoe prijzen voor eindproducten en voor productiefactoren tot stand komen.
prijszetter Een aanbieder die zelfstandig zijn verkoopprijs kan vaststellen, zoals een monopolist of een oligopolist. In het laatste geval moet wel met reacties van medeaanbieders rekening worden gehouden.
prijzenwet Wet van 1961 die de overheid in staat stelt maximumprijzen en maximum prijsverhogingen vast te stellen. De Prijzenwet wordt niet meer gebruikt.
primair inkomen Inkomen dat wordt gevormd in het productieproces, anders gezegd de beloning voor het ter beschikking stellen van de productiefactoren arbeid en kapitaal.
primaire bank Geldscheppende bank: banken waarvan de kortlopende schulden door het publiek worden gebruikt als geld. Voor de centrale banken zijn dat de bankbiljetten (bankbiljetten zijn een schuldbewijs van de centrale bank die ze heeft geëmitteerd), voor particuliere banken gaat het hierbij om het girale geld.
primaire inkomensrekening Deelrekening van de betalingsbalans waarop voornamelijk kapitaalopbrengsten, zoals winsten en renteopbrengsten, worden geregistreerd (ook wel: kapitaalopbrengstenrekening). In de huidige monetaire statistiek spreekt men van de inkomensrekening.
primaire liquiditeitenmassa Al het chartale en het girale geld in handen van ingezetenen (waar het om de euro gaat wordt hier bedoeld ingezetenen van Euroland), verminderd met de kassen van de banken en de centrale overheid. Ook: enge geldhoeveelheid.
primaire sector Deze sector omvat mijnbouw, bosbouw, landbouw, veeteelt en visserij. Daarnaast worden onderscheiden de secundaire sector (verwerkende industrie), de tertiaire sector (commerciële dienstverlening) en de quartaire sector (dienstverlening zonder winstoogmerk).
prime rate Het rentepercentage op kortlopende leningen dat aan de meest betrouwbare klanten in rekening wordt gebracht door Amerikaanse particuliere banken. Het vormt de basis voor de Amerikaanse rentestructuur.
prinsjesdag Derde dinsdag in september, wanneer de koningin de Troonrede voorleest en de minister van Financiën de rijksbegroting aanbiedt aan de voorzitter van de Tweede Kamer. [koets.jpg]
prioriteitsaandelen De houders van prioriteitsaandelen doen aan de Algemene Vergadering van Aandeelhouders bindende voordrachten voor de benoeming van leden van de Raad van Bestuur en van de Raad van Commissarissen. Prioriteitsaandelen worden vaak als beschermingsconstructie gebruikt tegen een mogelijke vijandige overname van de vennootschap.
prisoners dilemma De speltheorie van Nash maakt duidelijk dat in een onderhandelingssituatie, zoals bijvoorbeeld bij de loononderhandelingen, het resultaat nooit die situatie is die allebei de partijen eigenlijk wensen. Eenvoudig omdat de een bang is in te leveren terwijl de ander dat dan niet doet. Dat is het dilemma, de tweestrijd, van de twee gevangenen Bonnie en Clyde. Ze hebben samen een aantal misdrijven gepleegd en ze worden in aparte cellen opgesloten. Ze kunnen bekennen of blijven zwijgen en ze weten daarvan de gevolgen: 1 als de één bekent en de ander niet, dan wordt degene die bekent getuige 'à charge' en wordt vrijgelaten, terwijl de ander 20 jaar krijgt; 2 als ze allebei bekennen, gaan ze allebei 8 jaar de gevangenis in; 3 als ze allebei zwijgen worden ze na een jaar wegens gebrek aan bewijs vrijgelaten. In het schema zijn de keuzemogelijkheden en de uitkomsten voor allebei samengevat. Bonnie weet niet wat Clyde zal doen; als zij aanneemt dat Clyde bekent, dan heeft zij de keuze tussen niet bekennen en 20 jaar opgesloten worden of bekennen en 8 jaar de gevangenis ingaan. Zij zal dus bekennen. Als zij aanneemt dat Clyde niet bekent dan heeft zij de keuze uit niet bekennen en 1 jaar gevangenis of wel bekennen en vrijkomen. Ook bij deze veronderstelling zal zij dus bekennen. Je kunt zelf nagaan dat voor Clyde precies hetzelfde geldt. Het resultaat is dat ze alle twee bekennen en 8 jaar krijgen terwijl het voor beiden het voordeligst zou zijn geweest als ze allebei niet zouden bekennen. Als je dit dilemma toepast op het loonoverleg zul je moeten vaststellen dat een door beide partijen het meest gewenste situatie niet altijd door deze partijen zelf kan worden bereikt. Een derde - de overheid - zal die situatie moeten afdwingen: geleide loonpolitiek. Sommige economen bepleiten op grond van het bovenstaande dat de overheid moet ingrijpen in de loonvorming omdat de sociale partners onderling niet tot voldoende matiging van de loonstijging kunnen besluiten.
private equity specialisten Deze kopen zoveel aandelen in ondernemingen dat zij het daar voor het zeggen hebben. Hun bedoeling is die aandelen na enige tijd tegen een (flink) hogere koers weer te verkopen. Zoiets wordt vanwege de werking van het hefboomeffect een leveraged buy out (lbo) genoemd
private kosten (calculatie) De kosten die een individu (ondernemer, consument) in aanmerking neemt, zonder daarbij met eventuele kosten voor de maatschappij (maatschappelijke kosten) rekening te houden.
privatisering De overheid trekt zich terug uit (de uitvoering en/of financiering van) economische activiteiten om die over te laten aan marktconform handelende bedrijven en gezinnen. Het ophalen en verwerken van huisvuil werd tot voor enige tijd terug door de overheid verzorgd. Maar noodzakelijk is dat niet. Het is een dienst, waarbij per klant kan worden afgerekend. Deze komt zonder meer voor volledige privatisering in aanmerking, waarbij commerciële bedrijven de productie ter hand nemen. Daar staat tegenover dat een aantal milieuschandalen in het verleden de combinatie van afval en commercie niet populair heeft gemaakt.
procent en procentpunt Een stijging van 20% naar 25% is een stijging van 25% (5/20 * 100%). Ten onrechte wordt soms gesteld dat dit een stijging van 5% zou zijn; het is een stijging van 5 procentpunten.
procesinnovatie Het toepassen van verbeterde technieken in het productieproces.
procyclisch beleid Beleid dat, in tegenstelling tot zogeheten anticyclisch beleid - de conjunctuurbeweging onbedoeld versterkt in plaats van haar af te zwakken.
producentensurplus Het totale prijsvoordeel dat producenten genieten, omdat de marktprijs hoger is dan de prijs waarvoor zij bereid waren hun product aan te bieden. Zie ook: consumentensurplus
producentenvertrouwen Een door het CBS samengestelde indicator die gebaseerd is op oordelen en verwachtingen van ondernemers over de orderpositie en de voorraden, het gereed product en de verwachtingen van de bedrijvigheid. [producentenvertrouwen07.jpg]
produceren Het voortbrengen van goederen en diensten met behulp van productiefactoren.
productdifferentiatie De ondernemer geeft het product zodanige kenmerken dat het zich in de ogen van de afnemer onderscheidt van concurrerende goederen. Hierdoor worden de goederen heterogeen en de markt onvolkomen. Zie ook: onvolkomen concurrentie.
productiecapaciteit De maximale hoeveelheid goederen en diensten die in een periode kan worden voortgebracht wanneer alle productiefactoren volledig zijn ingeschakeld.
productiefactor arbeid Alle geestelijke en lichamelijke inspanning van mensen ten dienste van de productie.
productiefactor kapitaal De goederen die zijn ingeschakeld bij het productieproces om er kapitaal- en consumptiegoederen mee te produceren.
productiefactor natuur De grond, het water, de lucht en alles daarop en daarin voor zover niet door mensen geproduceerd.
productiefactoren De factoren natuur, arbeid (inclusief ondernemersarbeid) en kapitaalgoederen met behulp waarvan wordt geproduceerd.
productiegroei Met groei wordt bedoeld de toeneming van het bruto binnenlands product. Ofwel de groei van de waarde van alle in een jaar in een land geproduceerde goederen en diensten. Er zijn jaren met snelle groei en jaren waarin de productie maar weinig toeneemt. De productie kan ook krimpen. De gemiddelde groei over een reeks van jaren heet de trendmatige groei of trend.
productiestructuur De wijze waarop de productie is ingericht.
productievolume van bedrijven De hoeveelheid goederen en diensten die elk jaar in de bedrijven wordt geproduceerd.
productiviteit Zie: arbeidsproductiviteit
productiviteitsval De arbeidsproductiviteit van een (potentiële) werknemer weegt niet op tegen zijn totale arbeidskosten zodat het voor een werkgever financieel niet aantrekkelijk is de betrokkene in dienst te nemen of te houden.
profijtbeginsel De overheid laat gebruikers een bijdrage betalen voor het gebruik van een overigens gesubsidieerd goed.
progressief belastingtarief Naarmate de grondslag van een belasting (inkomen, vermogen) hoger is dient daarvan een groter deel aan de fiscus te worden afgedragen. Het meest bekende voorbeeld is de inkomstenbelasting: naarmate het belastbaar inkomen stijgt, betaalt iemand van zijn inkomen een hoger percentage aan inkomstenbelasting.
prohibitief invoerrecht Hiervan is sprake als een invoerrecht zo hoog wordt vastgesteld dat import niet meer lonend is.
proportioneel tarief Naarmate het belastbaar inkomen stijgt, betaalt iemand van zijn inkomen hetzelfde percentage aan inkomstenbelasting.
prospectus Brochure waarin ter gelegenheid van een emissie financiële informatie wordt gegeven over een onderneming, zoals de inschrijvings- en stortingsdatum, het aantal en de aard van de te plaatsen aandelen (gaat het om gewone aandelen of bijvoorbeeld om preferente aandelen), de nominale waarde van de aandelen, de procedure bij de inschrijving en de risicofactoren. Ook bevat het prospectus uitvoerige gegevens over de onderneming zelf, bijvoorbeeld: financiële gegevens over de afgelopen jaren, motieven voor de emissie, vooruitzichten voor de toekomst en de structuur van de onderneming.
protectie Hiervan is sprake wanneer de overheid van een land ingrijpt in het internationale handels- en/of betalingsverkeer met als doel de bescherming van de eigen producenten. Instrumenten die hiervoor kunnen worden ingezet zijn: - invoerquota. Hierbij wordt een maximum gesteld aan de hoeveelheid die per jaar mag worden ingevoerd; - invoerrechten. Dit is een kostprijsverhogende belasting op geïmporteerde producten;- uitvoersubsidies. Deze subsidies moeten het de lokale producenten mogelijk maken de concurrentie aan te gaan op buitenlandse markten;- producentensubsidies. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om bevoordeling van lokale producenten bij het toekennen van overheidsopdrachten;- overige non-tarifaire handelsbelemmeringen. Voorbeelden: het stellen van verscherpte kwaliteitseisen aan buitenlandse producten, het verbieden van bepaalde in het buitenland gebruikte grondstoffen (zoals genetisch gemanipuleerde soja).
provinciefonds Fonds is onderdeel van de rijksbegroting waaruit jaarlijks (algemene) uitkeringen worden gedaan aan de provincies, ter dekking van een deel van hun uitgaven. De jaarlijkse groei van het fonds op basis van de ontwikkeling van de netto gecorrigeerde rijksuitgaven wordt het accrès genoemd.
publieke sector Het totaal van de overheid en de instellingen die de sociale verzekeringen verzorgen. Zie ook: collectieve sector
publiekprivate samenwerking Vormen van samenwerking tussen marktpartijen en de overheid waarbij gezocht wordt naar een vorm die een doelmatiger inzet van schaarse middelen mogelijk maakt.
putoptie Zie: opties.
quartaire sector Omvat alle instellingen die op niet-commerciële basis diensten verlenen.
quasi-collectieve goederen Individuele goederen die door de overheid beneden de kostprijs of zelfs gratis worden verstrekt.
quesnay, francois In de 18e eeuw kwam de Franse arts François Quesnay (1694-1774) op de gedachte dat de geldomloop in een economie kan worden vergeleken met de bloedsomloop in het menselijk lichaam. Zie ook: economische kringloop.
quick ratio Verhoudingsgetal dat de liquiditeit aangeeft, waarbij de voorraden niet tot de liquide middelen worden gerekend
quotum Bijdrage van lidstaten aan het Internationaal Monetair Fonds. Voor andere betekenis zie: contingent.
raad van bestuur De directie van een vennootschap.
raad van commissarissen De commissarissen van een vennootschap die namens de aandeelhouders toezicht houden op het beleid van de directie en de directie adviseren.
raad van de europese unie Het belangrijkste wetgevende orgaan van de Unie. De algemene Raad bestaat uit de ministers van Buitenlandse Zaken. Als het gaat om specifieke onderwerpen, vormen de betreffende vakministers de Raad.
raad van europa Deze werd in 1949 door zestien Europese staten opgericht om de eenheid en de samenwerking in Europa te bevorderen. Intussen maken 39 staten deel uit van de Raad van Europa, waarvan de zetel in Straatsburg is gevestigd. De Raad van Europa heeft zich bijzonder sterk kunnen profileren op de terreinen mensenrechten, sociale zaken, onderwijs en cultuur. Aangezien de organen van de Raad van Europa geen bindende rechtsnormen kunnen vaststellen, moeten de besluiten door de afzonderlijke lidstaten worden geratificeerd. De Europese Commissie voor de rechten van de mens en het Europese Hof voor de rechten van de mens zijn opgericht ter handhaving van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, dat in het kader van de Raad van Europa werd gesloten.
raad voor de financiële verhoudingen Adviesorgaan op het terrein van de gemeentelijke en de provinciale belastingen.
raad voor werk en inkomen (rwi) Deze Raad, opgericht 1 januari 2002, adviseert de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid terzake van het zo goed mogelijk laten functioneren van de arbeidsmarkt. De Raad telt 15 leden (werkgevers, werknemers en Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG)).
rabobank Groep coöperatief georganiseerde banken.
rationeel handelen In de traditionele neoklassieke economische theorie wordt als werkhypothese een individu geponeerd dat volledige kennis heeft van alle omstandigheden die zijn keuzen beïnvloeden, de homo economicus. Dit hypothetisch individu heeft ook volkomen kennis van de toekomst (perfect foresight). Het is in staat alle beschikbare alternatieven tegen elkaar af te wegen. Daarbij vertoont het logisch consistent gedrag: als het A meer waardeert dan B en B meer dan C dan waardeert het A meer dan C. Eind jaren dertig is naar voren gebracht dat deze werkhypothese wel erg ver af staat van het werkelijk gedrag van individuen . Ze zijn meestal niet volledig geïnformeerd, hebben geen volkomen kennis van de toekomst en ze kunnen niet alle alternatieven overzien. In feite is sprake van begrensde rationaliteit, een begrip dat in de institutionele economie een belangrijke rol speelt. Hennipman heeft de subjectieve rationaliteit naar voren gebracht, waarbij de mens altijd rationeel handelt, omdat hij handelt volgens zijn subjectieve behoeften. Hij handelt zoals hij handelt.
rationele overcapaciteit Het deel van de productiecapaciteit dat men bewust niet inschakelt om een zekere buffer te hebben om schokken in de bezettingsgraad op te vangen.
rayonkartel Zie: kartel.
recessie Milde laagconjunctuur. Het groeipercentage ligt onder de trend. Vaak wordt een strengere definitie gehanteerd: van een recessie is sprake wanneer de productie twee achtereenvolgende kwartalen daalt.
reclame Het overbrengen (communiceren) van een boodschap door een adverteerder met de bedoeling zijn afzet te vergroten of sympathie te winnen voor zijn denkbeelden. Als de reclame eigenschappen aan een product toekent die het niet heeft is sprake van misleidende reclame. Verschillende instellingen oefenen een vorm van zelfcontrole uit op reclameboodschappen. Bijvoorbeeld de STER en de Reclameraad voor de etherreclame, de Reclamecodecommissie voor de drukpersreclame en de Keuringsraad voor geneesmiddelenreclame. Sinds 1980 bestaat een wet tegen misleidende reclame.
reclamecodecommissie Een instelling, die toezicht houdt op het naleven van de reclamecodes.
reclameraad Toezichthoudend orgaan, vooral voor de etherreclame.
reëel effectieve wisselkoers De effectieve wisselkoers waarbij rekening wordt gehouden met verschillen in binnenlandse koopkracht tussen de valutas. Stel dat de euro ten opzichte van de dollar met 3% in koers stijgt. En dat de inflatie in Euroland 4% bedraagt, terwijl deze in de VS 5% is. Dan is de reëel effectieve wisselkoers van de euro met 2% gestegen. Door de appreciatie van de euro werden Europese producten (in verhouding tot de VS) 3% duurder, maar door het inflatieverschil (dat in het voordeel was van Europa) bleef hier maar 2% van over.
reëel inkomen per inwoner Het nominale nationale inkomen van een land of een gebied gecorrigeerd voor geldontwaarding en gedeeld door het aantal inwoners. Vaak wordt dit cijfer gehanteerd om de economische ontwikkeling van een land te meten. Maar dit cijfer kent de nodige beperkingen. Zo komt er bijvoorbeeld niet in tot uitdrukking hoe het nationaal inkomen is verdeeld over de bevolking. Een ander bezwaar is dat de productie in de informele economie niet of slechts ten dele tot uitdrukking komt in de officiële cijfers.
reëel kapitaal De kapitaalgoederen; de productiefactor kapitaal: de goederen die zijn ingeschakeld bij het productieproces om er kapitaal- en consumptiegoederen mee te produceren.
reële rente Het nominale rentepercentage verminderd met de procentuele prijsinflatie.
referentiejaar Bij de berekening van de consumentenprijsindex (cpi) wordt het gemiddeldprijspeil vergeleken met het prijspeil in een eerder jaar. De cpi van dit zogeheten referentiejaar wordt op 100 gesteld. Het basisjaar (waaraan het bestedingspatroon wordt ontleend voor de berekening van het gewogen gemiddelde) wordt jaarlijks geactualiseerd.
refirente Zie: basisherfinancieringsfaciliteit.
reflatie Een politiek waarbij de overheid en of de centrale bank de bestedingen stimuleert om het groeitempo van een economie te vorderen.
regeerakkoord Samenstel van afspraken die coalitiepartijen maken bij het begin van een regeringsperiode. De partijen zijn gehouden het akkoord uit te voeren, anders bestaat grote kans op een kabinetscrisis.
regionale inkomensverdeling Verdeling van de inkomens over verschillende gebieden van het land.
regulering De overheid vaardigt regels uit om het gedrag van individuen/bedrijven te beïnvloeden. Voorbeelden zijn wettelijke voorschriften inzake openingstijden van winkels en milieuvoorschriften.
reïntegratie Maatregelen en activiteiten met als doel uitgevallen werknemers opnieuw in het betaalde-arbeidsproces op te nemen.
rekening-courantkrediet Bij het rekening-courantkrediet spreekt de bank met de cliënt af dat hij tot een bepaalde limiet rood mag staan op zijn rekening. Het krediet kan dagelijks worden opgezegd door een van de beide partijen.
rekenmiddelfunctie van het geld Geld maakt het mogelijk de waarden van verschillende goederen te vergelijken (ook wel: waardemeter).
rekenrente Rentepercentage dat wordt gebruikt bij het contant maken van de toekomstige premie-inkomsten en de uitkeringsverplichtingen van pensioenfondsen en levensverzekeraars.
rendement Opbrengst, meestal uitgedrukt in procenten van het in een belegging gestoken bedrag.Zie ook: couponrendement, effectief rendement en dividentrendement.
rentabiliteit van het eigen vermogen (rev) Verhouding tussen de winst nà belasting en het gemiddeld gedurende het verslagjaar werkzame eigen vermogen van een onderneming.
rentabiliteit van het totale vermogen (rtv) Verhouding tussen het bedrijfsresultaat (winst inclusief rentelasten en belastingen) en het gemiddeld gedurende het verslagjaar werkzame totale vermogen van een onderneming.
rente Prijs van krediet. Op basis van de looptijd bij de beschikbaarstelling van het krediet vallen verschillende rentevoeten te onderscheiden. Een globale indeling is die in de korte rente of geldmarktrente (leningen met een looptijd van niet langer dan een jaar) en de lange rente of kapitaalmarktrente (looptijd langer dan een jaar).
rente-ecart Ecart betekent letterlijk afwijking. Het rente-ecart is het verschil in renteniveau tussen twee landen.
rentekromme Zie: yieldcurve
rentemarge Verschil tussen de rente die de bank betaalt over de aangetrokken middelen en de rente die de bank in rekening brengt over de verleende kredieten.
renterisico Renteschommelingen kunnen zowel voor wie geld hebben geleend als voor wie geld hebben uitgeleend onplezierige gevolgen hebben. Zo loopt bijvoorbeeld de huizenkoper die zijn aanschaf heeft gefinancierd met een hypothecair krediet op een zeker tijdstip het risico van hogere rentelasten. Ook ondernemers kunnen als gevolg van een rentestijging worden geconfronteerd met hogere financieringslasten. In sommige gevallen is het mogelijk dit renterisico af te dekken.
renteswap Letterlijk: renteruil. Stel dat een onderneming een obligatieschuld heeft van € 20 miljoen waarover een vaste jaarrente moet worden betaald van 8%. Aflossing van de lening vindt plaats over vier jaar. De kapitaalmarktrente is op dit moment 7% en de ondernemer verwacht dat de rente in de komende vier jaar zal dalen. Op basis van die verwachting g zou de ondernemer liever een variabele rente betalen over zijn schuld. Een renteswap kan hier uitkomst bieden. De ondernemer spreekt met zijn bank af dat hij vier jaar lang een variabele rente zal betalen over € 20 miljoen, terwijl de bank hem een vaste rente uitkeert over datzelfde bedrag. Bij een normale rentestructuur – waarbij de interestvoet hoger is naarmate de looptijd langer is – levert deze transactie de ondernemer direct al rentevoordeel op. Het kortlopende-rentetarief ligt dan immers onder de aan de bank te betalen kapitaalmarktrente. Als de rente daadwerkelijk zakt, wordt het rentevoordeel nog groter: de aan de bank te vergoeden variabele rente daalt, terwijl de rente die van de bank wordt ontvangen, gelijk blijft.
repo Koop- en wederinkoop- overeenkomst tussen de centrale bank en de particuliere banken die de basis vormt voor de kredietverlening aan die particuliere banken. In feite gaat het om kredietverlening tegen onderpand van waardepapieren die tijdelijk bij de centrale bank worden gestald. zie ook: basisherfinancieringsfaciliteit
reporente Zie: basisherfinancieringsfaciliteit. Zie ook: refirente
researchkartel Zie: kartel.
reserveren Geld opzij leggen voor te verwachten uitgaven in de toekomst.
reserveringsloon Het minimale loon waartegen iemand bereid is betaalde arbeid te accepteren, dus het loon dat de werkzoekende minimaal wil verdienen.
reservetranche Onvoorwaardelijk trekkingsrecht op het Internationaal Monetair Fonds.
reservevaluta Een valuta die door centrale banken aangehouden wordt in hun officiële goud- en deviezenreserve. De belangrijkste reservevaluta in de wereld is nu nog de Amerikaanse dollar. De in 1999 geïntroduceerde euro is van toenemend belang.
restrictieve begrotingspolitiek Overheidspolitiek die is gericht op het terugdringen van de totale bestedingen. De overheid bezuinigt zelf en/of verhoogt de belastingtarieven. Het doel van een dergelijke politiek kan zijn om een oververhitte conjunctuur tot afkoeling te brengen. Maar een restrictief begrotingsbeleid kan ook gericht zijn op terugdringing van het overheidstekort.
resultatenrekening Ook wel verlies- en winstrekening. Rekening waarop de in de loop van het boekjaar gerealiseerde omzet en de gemaakte kosten van een onderneming in compacte vorm worden verantwoord.
retributies Dit zijn heffingen voor prestaties die specifiek op het terrein van de overheid liggen, zoals paspoortleges en griffierechten.
revaluatie Verhoging van de spilkoers van een munt binnen een stelsel van stabiele wisselkoersen. Ook wanneer de valuta informeel is gekoppeld aan een andere munt (bijvoorbeeld de Mexicaanse peso aan de Amerikaanse dollar), spreekt men wel van een revaluatie als het betreffende land voortaan koppelt op een hoger koersniveau. Een revaluatie van de nationale munt maakt de producten van het desbetreffende land duurder voor het buitenland, maar importproducten worden juist goedkoper. Een revaluatie van de eigen valuta kan helpen bij de bestrijding van inflatie.
ricardo, david Ricardo (1772-1823) was een Engels econoom, zakenman en parlementariër. Zijn Principles of Political Economy and Taxation (1817) behandelt belangrijke onderwerpen zoals de waardetheorie, de productiegroei en de grondrente. Vooral dit laatste stuk theorie, zijn leerstuk van de comparatieve kostenverschillen en zijn wet van de afnemende meeropbrengsten hebben hem beroemd gemaakt. Zij arbeidswaardeleer legt de grondslag voor die van Karl Marx. Zijn pleidooi voor vrijhandel valt te begrijpen tegen de achtergrond van Engeland als machtige zeevarende natie.
rijksbegroting Een gedetailleerde raming van uitgaven en ontvangsten per departement voor het komende jaar.
rijksbelastingen De belastingen die de rijksoverheid heft.
rijksbijdragen aan sociale fondsen Bijdragen ten laste van de rijksbegroting aan de sociale-verzekeringsfondsen, die naast de door de fondsen ontvangen premies dienen ter financiering van de sociale-verzekeringsuitgaven.
rijnlands model Aanduiding voor de gemengde economische orde waarbij de werking van de markt sterk wordt ingeperkt door aan de ene kant een betrekkelijk omvangrijke collectieve sector en daarnaast een relatief harmonieuze samenwerking tussen de overheid en de sociale partners. Een belangrijk onderdeel van de collectieve sector is daarbij het stelsel van sociale zekerheid. Tegenover de verzorgingsstaat van het Rijnlands model staat het meer op marktwerking gerichte Angelsaksische model. Nederland heeft de laatste jaren stappen gezet vanuit het Rijnlands model in de richting van het Angelsaksische model. Daarbij wordt de collectieve sector teruggedrongen door met name de sociale zekerheid te versoberen. Verder door privatisering, deregulering en bevordering van de concurrentie. Deze nieuwe mengvorm wordt wel het Rijndeltamodel, het Deltamodel of het poldermodel genoemd.
risico Een beslissing kan een reeks mogelijke uitkomsten hebben waarbij aan elk van deze uitkomsten een objectief bepaalbare waarschijnlijkheid valt te verbinden. In die zin wordt risico onderscheiden van onzekerheid, waarbij de waarschijnlijkheid van mogelijke uitkomsten onbekend is.
risicoselectie Verzekeraars proberen slechte risico's (verzekerden met een grote kans op schade) te weren of zij zijn alleen bereid met de betrokkenen een verzekeringsovereenkomst onder beperkende voorwaarden aan te gaan (hogere premie, uitsluiting van bepaalde risico's); net zo proberen werkgevers te voorkomen dat zij werknemers in dienst nemen die vaak ziek zijn of een grote kans hebben arbeidsongeschikt te worden verklaard.
road-pricing Een systeem waarbij de gebruiker voor het gebruik van infrastructurele voorzieningen moet betalen. In principe is dit mogelijk, omdat wegen, tunnels, bruggen individuele goederen zijn. In een land als Frankrijk wordt al jarenlang voor het rijden op de 'autoroute' betaald. Vroeger kende ook ons land tolhuisjes. Nu zou het ondenkbaar zijn overal betaalhuisjes bij de op- en afritten van de autowegen neer te zetten. Maar wel zouden we via een chip in de auto elektronisch kunnen afrekenen.
roll-over krediet Vorm van middellang krediet waarbij het rentepercentage periodiek wordt aangepast aan de rente op de geldmarkt.
ruil Het tegen elkaar uitwisselen van goederen en diensten. Het populaire gezegde waar er twee ruilen moet er één huilen, is niet aan de economische theorie ontleend. Deze neemt aan dat beide partijen van een ruil beter worden, anders zouden ze de ruiltransactie niet aangaan.
ruilmiddelfunctie van het geld Functie van het geld als tussengoed bij de ruil. Het gebruik van geld splitst de ruilhandeling in twee transacties. Mensen ruilen goederenoverschotten met een belangstellende tegen geld. Dat geld kan weer worden gebruikt om te worden geruild tegen de overschotten van iemand anders. Een van de voordelen boven bartertrade (ook wel: directe ruil) is dat het vinden van een partner in het ruilverkeer eenvoudiger is.
ruilvoet Het gemiddeld exportprijspeil gedeeld door het gemiddeld importprijspeil. Een ruilvoetverbetering ontstaat door een stijging van het gemiddeld exportprijspeil ten opzichte van het gemiddeld importprijspeil. Gebeurt het omgekeerde, dan is sprake van een ruilvoetverslechtering: een daling van het gemiddeld exportprijspeil ten opzichte van het gemiddeld importprijspeil.
ruilvoet van de collectieve sector De relatieve verhouding tussen het loon- en prijsniveau in de collectieve sector ten opzichte van het prijsniveau van het bruto binnenlands product.
ruilvoetverbetering Stijging van het gemiddeld exportprijspeil ten opzichte van het gemiddeld importprijspeil.
ruilvoetverslechtering Daling van het gemiddeld exportprijspeil ten opzichte van het gemiddeld importprijspeil.
rwi Zie: Raad voor Werk en Inkomen.
salderingsrekening Zorgt voor het formele evenwicht op de betalingsbalans (saldo bancaire financiële transacties en saldo monetaire autoriteiten).
saldo inkomensoverdrachten van en naar het buitenland Saldo van de betalingen waar geen tegenprestatie tegenover staat (schenkingen) van Nederlandse ingezetenen aan het buitenland en omgekeerd.
saldo uit het buitenland ontvangen primaire inkomens Saldo van de beloningen van Nederlandse productiefactoren in het buitenland en van buitenlandse productiefactoren in Nederland.
saldo van de niet-monetaire sectoren Saldo van de lopende rekening, de vermogensoverdrachten en de niet-monetaire financiële transacties.
samuelson, paul anthony Samuelson is een in 1915 geboren Amerikaans econoom. Werkzaam aan het MIT in Boston. Heeft op bijna alle gebieden van de economische theorie belangrijke bijdragen geleverd. Publiceerde in 1947 Foundations of Economic Analysis. In 1955 verscheen het wereldwijd gebruikte tekstboek Economics: An Introductory Analysis.
say, jean baptiste Say was een Frans klassiek econoom (1767-1832). Tijdgenoot van Adam Smith, David Ricardo en Thomas R. Malthus, die de naar hem genoemde Wet van Say als volgt beredeneerde. Bij de productie van goederen en diensten wordt een inkomen verdiend en dat inkomen wordt besteed aan de geproduceerde goederen en diensten. Met andere woorden: de koopkracht stroomt onbelemmerd door. 'Les produits s'achètent des produits', wat je zou kunnen vertalen met: 'elke productie schept zijn eigen vraag'. Een gedachtegang waarin vraagoverschotten of aanbodoverschotten niet kunnen bestaan. De economie bevindt zich, afgezien van tijdelijke verstoringen, altijd in of rond het volledige werkgelegenheidsevenwicht.
schaalvoordelen Zie: economies of scale
schaarse goederen Goederen die kunnen worden aangeschaft door productiemiddelen aan andere gebruiksmogelijkheden te onttrekken. Dit in tegenstelling tot vrije goederen. Zie ook: schaarste
schaarste De spanning tussen behoeften en middelen. Schaarste wordt in het dagelijks verkeer nogal eens gehanteerd in de zin: er is te weinig van iets, er bestaat een tekort. Bij deze opvatting van het begrip schaarste is het leidingwater dat uit de kraan loopt niet schaars. Het stroomt immers overvloedig. Maar volgens economen is water wel degelijk schaars. Ze redeneren daarbij als volgt: voor de voortbrenging van het water dat uit de kraan loopt zijn grondstoffen, zuiveringsinstallaties, een leidingennet, pompen, een hele administratie en veel arbeidskrachten nodig. Anders gezegd, er worden productiefactoren (natuurlijke hulpbronnen, mensen en machines) gebruikt om dat heldere frisse water uit die kraan te laten lopen. En die productiefactoren hadden ook voor iets anders gebruikt kunnen worden. Bijvoorbeeld om waterputten in de Sahel te slaan of om er slagroomsoezen mee te bakken. Het zijn alternatief aanwendbare middelen. Ook tijd is schaars. Iemands tijd is schaars, omdat de tijd die wordt gebruikt voor bezigheid A moet worden onttrokken aan activiteit B. Schaarste dwingt tot afwegen wat we het belangrijkste vinden, tot prioriteiten stellen en tot het maken van keuzen.
schaduwprijs Een rekenprijs die de alternatieve kosten van een goed of productiefactor weergeeft. Schaduwprijzen spelen een rol bij kosten-batenanalyse.
schengen akkoord Het in 1985 in Schengen (Luxemburg) bereikte akkoord voorziet in de stapsgewijze afschaffing van de controles aan de binnengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie. Een hierbij aansluitende overeenkomst regelt de behandeling van asielaanvragen en de samenwerking tussen de politiediensten over de grenzen heen. De oorspronkelijke termijn voor de opening van de grenzen voor personenverkeer (1990) moest verschillende malen worden verschoven. Na de invoering van het „Schengen informatiesysteem“ (SIS), waardoor de grensoverschrijdende misdaadbestrijding werd vergemakkelijkt, is op 26 maart 1995 de volledige afschaffing van de onderlinge grenscontroles (België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Portugal, Spanje, Griekenland, Italië, Denemarken, Finland, Zweden, Noorwegen en IJsland) goedgekeurd. Ierland en het Verenigd Koninkrijk hebben zich niet aangesloten bij de overeenkomst van Schengen.
schijninnovaties Innovaties kunnen worden onderscheiden in basisinnovaties, verbeteringsinnovaties en schijninnovaties. Bij basisinnovaties denken we aan de stoommachine, de lopende band, de auto, het vliegtuig, kunstharsen, de radio, de TV, de transistor, de geïntegreerde schakeling en dergelijke. Een verbeteringsinnovatie is bijvoorbeeld de stuurbekrachtiging in een auto. Schijninnovaties treffen we vooral aan waar de mode het ontstaan van steeds weer nieuwe uiterlijke vormgeving dicteert.
schijnwinst Wanneer de onderneming voor de afschrijving op zijn machines de aanschafprijs (de historische kostprijs) gebruikt, reserveert de onderneming onvoldoende middelen om zijn versleten machines te vervangen. Als gevolg van de inflatie zijn deze immers in prijs gestegen. Dit dwingt de onderneming zijn afschrijving te baseren op de vervangingswaarde. De overheid dient hiermee bij de belastingheffing rekening te houden door de onderneming in staat te stellen deze hogere afschrijvingsbedragen in mindering te brengen van de (belaste) winst. De winst is in dit geval immers voor een deel schijnwinst. Zulke schijnwinsten ontstaan ook als de onderneming zich bij haar winstberekening baseert op de inkoopprijzen van grondstoffen en halffabrikaten. De verbruikte grondstoffen moeten immers worden aangevuld tegen intussen gestegen prijzen. Ook in dit geval moet de onderneming uitgaan van de vervangingswaarde. De Nederlandse belastingwetgeving staat het bepalen van de fiscale winst op basis van de vervangingswaarde niet toe.
schijventarief Tariefstructuur van de inkomstenbelasting, waarbij het belastbaar inkomen wordt opgedeeld in stroken ('schijven') die worden belast tegen een oplopend marginaal tarief(percentage). Het resultaat is een progressieve drukverdeling.
schuldillusie Wanneer de overheid haar uitgaven voor een deel financiert door schulden aan te gaan, kunnen burgers lijden aan schuldillusie: het onjuiste idee dat extra overheidsvoorzieningen gratis zijn, omdat de belastingen niet in dezelfde mate omhoog gaan. Uiteraard moet de overheid in de toekomst de belastingen wél verhogen, om in het verleden aangegane schulden af te lossen.
schumpeter joseph alois Schumpeter (1883- 1950) was een Oostenrijks econoom, die in 1932 naar de Verenigde Staten vertrok. Publiceerde in 1912 Theory of Economic Development. waarin de conjunctuurtheorie centraal stond. Dit boek vindt verdere uitwerking in zijn Business Cycles (1939) , waarin hij de productiegroei verklaart uit de wisselwerking tussen uitbarstingen van technologische ontwikkeling en de concurrentie tussen bedrijven. Centraal staat daarbij de stuwende kracht van de innoverende ondernemer. In Capitalism, Socialism and Democracy (1942) voorspelt hij dat het kapitalistisch systeem aan zijn eigen succes ten onder zal gaan. Het ondermijnt door zijn succes de sociale structuur waarop het steunt en roept krachten in het leven die het stelsel vijandig gezind zijn. Doordat de technische vooruitgang meer en meer automatisch verloopt, verliest de ondernemersfunctie geleidelijk haar betekenis. Het kapitalisme zal worden opgevolgd door een socialistisch systeem. In 1954 verscheen posthuum het naslagwerk History of Economic Analysis.
sec Security and Exchange Commission, Amerikaanse overheidsinstelling die toezicht houdt op de Amerikaanse beurzen.
sector Binnen een economie kunnen vier sectoren worden onderscheiden: de primaire sector, de secundaire sector, de tertiaire sector en de quartaire sector.
secundair inkomen Primair inkomen, gesaldeerd met ongebonden overdrachten aan en door de collectieve sector
secundaire arbeidsvoorwaarden Werktijden, werkomstandigheden, scholingsfaciliteiten, vakantieregelingen, medezeggenschap. De hoogte van het loon behoort tot de primaire arbeidsvoorwaarden.
secundaire bank Kredietbemiddelende bank (hypotheekbanken). Deze banken kunnen geen geld scheppen.
secundaire liquiditeiten Vorderingen op banken waarmee je geen girale betalingen kunt doen, maar die wel vrij gemakkelijk in geld zijn om te zetten. Het is 'bijna geld'. Tot de secundaire liquiditeiten worden gerekend:- korte termijndeposito's;- korte valutategoeden (looptijd minder dan twee jaar) in een andere valuta dan de euro; - kort spaargeld (looptijd minder dan twee jaar).
secundaire liquiditeitenmassa Som van alle secundaire liquiditeiten (kortlopende deposito's, certificates of deposit en repos).
secundaire sector Industrie en nijverheid. Andere sectoren zijn de primaire sector, de tertiaire sector en de quartaire sector.
seizoenswerkloosheid Werkloosheid die een gevolg is van het wegvallen van bepaalde producties in bepaalde jaargetijden. Het kan hierbij gaan om seizoensarbeid in de agrarische sector (oogsttijd), de toeristenbranche (strandtoerisme), en zo meer.
sell and lease back Men heeft een (kapitaal)goed in eigendom, verkoopt dit aan een ander persoon of instelling om het vervolgens te leasen voor een afgesproken periode en bedrag. Men doet dit om bedrijfsvermogen dat in de kapitaalgoederen zit opgesloten vrij te maken.
sentiment De stemming op de effectenbeurs
ser Zie: Sociaal-Economische Raad.
shareholder value De waarde van de onderneming voor de aandeelhouders. In navolging van de Angelsaksische praktijk krijgt het maximaliseren van de shareholder value steeds meer voorrang bij het ondernemingsbeleid.
short gaan Verkopen van waardepapieren die de verkoper niet bezit, met de bedoeling ze op een later tijdstip goedkoper te kunnen terugkopen.
slaper Werknemer die zijn deelname aan een pensioenregeling vóór de datum van pensionering beëindigt, anders dan door overlijden of het intreden van arbeidsongeschiktheid.
sluitende begroting Volgens voorstanders van een sluitende begroting moeten de totale uitgaven van de overheid elk jaar volledig worden gedekt door de opbrengst van belastingen en eventuele andere overheidsontvangsten. De begroting mag dus geen tekort vertonen dat de overheid via leningen moet financieren.
smith, adam Smith (1723-1790) was een Schots moraalfilosoof en econoom, die wordt beschouwd als de vader van de economische wetenschap. In 1776 publiceerde hij zijn Wealth of Nations, een boek dat grote invloed heeft gehad op het economisch denken. Smith pleit ervoor de mensen vrij te laten in hun handelen, waardoor – terwijl iedereen zijn eigen belang nastreeft – het gemeenschappelijk belang het beste wordt gediend: het klassiek liberalisme. Een onzichtbare hand ('invisible hand') zorgt ervoor dat het economisch systeem een zo groot mogelijke welvaart voor iedereen tot stand brengt. Beroemd is zijn voorbeeld van de speldenfabriek waarmee hij demonstreert hoe arbeidsverdeling tot een grotere arbeidproductiviteit leidt. Als één persoon alle handelingen moet verrichten – het trekken van de draad, het afknippen, het plaatsen van de kop en het scherpen van de punt – dan zou zijn productie erg laag zijn. Maar als ieder zich toelegt op één onderdeel van het productieproces kan het resultaat worden verhonderdvoudigd.
sociaal en cultureel planbureau (scp) In 1973 opgerichte overheidsinstelling die wetenschappelijke verkenningen verricht om te komen tot een samenhangende beschrijving van het en cultureel welzijn in Nederland en op dit gebied te verwachten ontwikkelingen. Het SCP publiceert in even kalenderjaren het Sociaal en Cultureel Rapport. www.scp.nl.
sociaal fonds Fondsen waaruit uitkeringen en bepaalde verstrekkingen worden gefinancierd krachtens de sociale-verzekeringswetten. De financiering vindt voor het overgrote deel plaats via sociale premies en rijksbijdragen.
sociaal jaarverslag Verslag waarin wordt gerapporteerd over de mensen die in de onderneming werken en hun belangen. In zo'n verslag staan gegevens over wisselingen in de omvang van de personeelsbezetting, het Personeelsstatuut, het arbeidsvoorwaardenoverleg, de ondernemingsraad, en de personeelssamenstelling naar fulltimers, parttimers en hulpkrachten. Tenslotte bevat het sociaal jaarverslag informatie over de beloningen van al deze categorieën, over verloop en ziekteverzuim, werkoverleg, personeelsplanning en loopbaanbegeleiding. Ook wordt gerapporteerd over verzekeringen en pensioenen.
sociaal minimum Inkomen waarop individuen/huishouden minimaal aanspraak kunnen maken ingevolge de Algemene bijstandswet.
sociaal-economische driehoek De ministeries van Economische Zaken Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
sociaal-economische raad (ser) Adviesorgaan van de regering bestaande uit 33 leden, waarvan elf door werkgevers, elf door werknemers en elf door de Kroon zijn aangewezen. Www.ser.nl
sociaal-fiscaal nummer Het unieke nummer (sofi-nummer) waaronder een natuurlijk persoon bij de Belastingdienst was geregistreerd. Op 26 november 2007 vervangen door het burgerservicenummer (BSN). Zie: burgerservicenummer
sociale partners Vertegenwoordigers van de organisaties van werkgevers en werknemers.
sociale premies Inkomensoverdrachten aan de sociale fondsen die zijn bestemd voor de financiering van sociale verzekeringen.
sociale uitgavenquote Het totaal aan uitgaven in het kader van de sociale zekerheid als percentage van het bbp.
sociale uitkering Inkomensoverdracht via de collectieve sector uit hoofde van een sociale verzekering of sociale voorziening.
sociale verzekering Wettelijke regeling die werknemers werknemersverzekering) dan wel alle ingezetenen ( volksverzekering) beschermt tegen inkomensverlies en die wordt gefinancierd uit de opbrengst van sociale premies.
sociale voorzieningen Regelingen voor inkomensoverdrachten die worden gefinancierd uit de algemene middelen (in plaats van uit premies); de bekendste sociale voorzieningen zijn de bijstand en de kinderbijslag.
sociale zekerheid stelsel van Het stelsel dat in Nederland iedereen een financieel bestaansminimum garandeert.[schemasoczek.jpg]
socialisme Economische orde waarbij de productiemiddelen eigendom zijn van de gemeenschap; de economische beslissingen worden genomen door een centraal gezag dat ze in de vorm van een dwingend plan oplegt aan bedrijven en gezinnen. De klassiek-socialisten zagen het budgetmechanisme als het geschikte instrument om de allocatie van de productiemiddelen te organiseren. In zijn democratische gedaante gaat het om allocatie van middelen via parlementaire besluitvorming. Neosocialisten erkennen een aantal tekortkomingen van overheidsproductie. Daarnaast erkennen zij de betekenis van het marktmechanisme als allocatie-instrument. Maar zij hebben ook oog voor de tekortkomingen van de markt. Zij wijzen bijvoorbeeld op de scheve verdeling van inkomen en vermogen die ontstaat als de markt onbelemmerd zijn gang mag gaan. Zie ook: marktfalen, overheidsfalen.
sofi-nummer Zie: sociaal-fiscaal nummer.
soft loans Leningen die tegen gemakkelijke voorwaarden (rente lager dan de marktrente, aangepaste aflossingsvoorwaarden) worden verstrekt aan ontwikkelingslanden.
solidariteitsgedachte De premie (voor een sociale verzekering) is op inkomenspolitieke gronden niet afgestemd op het verzekerde risico. Het solidariteitsbeginsel is het tegenovergestelde van het equivalentiebeginsel.
solvabiliteit De verhouding tussen het eigen vermogen en het vreemd vermogen op de balans van een onderneming. Daarbij is de vraag aan de orde of de onderneming voldoende eigen vermogen heeft om in geval van faillissement alle verschaffers van vreemd vermogen hun geld terug te betalen. Wordt het eigen vermogen te klein, of zelfs negatief - doordat met verlies wordt gewerkt-, dan zijn de vermogensverhoudingen verstoord. De solvabiliteit is dan onvoldoende om kredietverschaffers en leveranciers het nodige vertrouwen te geven. Bij de schuldeisers van de onderneming gaat het signaal op rood: zullen zij straks hun vordering wel kunnen innen? Bij producten die een langdurige 'after sales-service' vereisen, haken ook de klanten af.
spaarbanken Oorspronkelijk verleenden deze banken vooral krediet buiten de sfeer van het bedrijfsleven. Tegenwoordig is er weinig verschil meer met de activiteiten van de algemene banken.
spaarquote Het gedeelte van het nationaal inkomen dat wordt gespaard. De spaarquote speelt een belangrijke rol bij de productiegroei. Besparingen worden omgezet in investeringen en deze vergroten de voorraad kapitaalgoederen, waardoor in de toekomst een grotere productie kan worden gerealiseerd. Zie ook: groeitheorie
sparen Zie: besparingen
special drawing rights (sdr's) Onvoorwaardelijke kredietmogelijkheid bij het Internationaal Monetair Fonds (IMF).
speciale beleningen Beschikbaar gesteld door de ECB. Banken kunnen op deze kredietmogelijkheid (looptijd meestal twee weken of korter) inschrijven bij de ECB. Het is vooral met dit rentepercentage dat de ECB het niveau van de korte rente in de eurozone beïnvloedt.
speciale economische zones In 1978-79 is een eerste viertal Speciale Economische Zones (SEZ) in Zuid-China ingericht. Een soort kapitalistische eilandjes binnen het Chinese socialistisch gebied, waar buitenlandse investeerders speciale voorrechten genieten.
specialisatie Een individu, onderneming of land legt zich toe op een bepaalde bekwaamheid, dienst of product.
specifiek recht Invoerrecht in de vorm van een vast bedrag per eenheid product. Zie ook: ad valorem recht.
specifieke uitkering Uitkering van de rijksoverheid aan gemeenten en provincies waarbij de bestedingsrichting vooraf is aangegeven.
speculant Iemand die gebruik maakt van prijsverschillen die in de loop van de tijd optreden op een markt. De speculant vormt zich op basis van beschikbare informatie een verwachting van het toekomstige prijsverloop (gebeurt dit zonder enige relevante informatie in de besluitvorming te betrekken, dan is sprake van een casinospeculant) en besluit daarop te kopen, omdat hij uitgaat van een prijsstijging (speculatie à la hausse) of te verkopen omdat hij een prijsdaling verwacht (speculatie à la baisse). In dit laatste geval zal de speculant vaak een verkoop op termijn plegen. Hij verkoopt waardepapieren met levering in de toekomst tegen een nu vastgestelde prijs. Daarbij gaat hij ervan uit dat hij de waardepapieren op het afgesproken moment van levering goedkoper zal kunnen inkopen.
speculatief kapitaalverkeer Kapitaalbewegingen die ontstaan om te kunnen profiteren van bijvoorbeeld renteverschillen of wisselkoersbewegingen. Ook wel: flitskapitaal, hot money.
speltheorie (Eng.: theory of games). Een theoretische analyse van twee soorten strategische situaties. Ten eerste de toestand van zuiver conflict, waarbij de winst van de één het verlies van de ander impliceert (zero-sum game). Ten tweede een toestand tussen conflict en samenwerking in, waarbij samenwerking het gezamenlijke voordeel kan vergroten. De theorie wordt toegepast op economische, politieke en sociale vraagstukken. Bijvoorbeeld de wapenwedloop en het gedrag bij een oligopolie. Zie ook: prisoner's dilemma
spilkoers Vastgestelde koersverhouding tussen valutas binnen een systeem van stabiele wisselkoersen.
spill-over effecten Economische activiteiten op een bepaald gebied hebben gevolgen voor (lopen over naar) economische activiteiten op een naburig gebied. Een sprekend voorbeeld zijn de sociaal-culturele voorzieningen die een centrumgemeente tot stand brengt, en waar ook inwoners van omringende forensengemeenten van profiteren. Vaak houdt de centrumgemeente met die uitstralingseffecten onvoldoende rekening, tenzij een hogere bestuurslaag coördinerend optreedt, bijvoorbeeld door - in dit voorbeeld - de omringende gemeenten te dwingen mee te betalen voor de sociaal-culturele voorzieningen van de centrumgemeente, dan wel door centrumgemeenten extra middelen ter beschikking te stellen – die deels worden opgebracht door belastingbetalers in omringende gemeenten – uit het gemeentefonds of via een specifieke uitkering, om aldus de hoge kosten van de desbetreffende voorzieningen te dekken.
spinnenwebtheorema Zie: varkenscyclus.
spotmarkt Deel van de markt waar levering en betaling zeer kort na het afsluiten van de transactie plaatsvinden. Bijvoorbeeld de spotmarkt voor ruwe aardolie in Rotterdam. Tegenhanger van de spotmarkt is de termijnmarkt.
staat van middelen en bestedingen Het tegenover elkaar stellen van de som van het nationaal inkomen en de invoer aan de ene kant en de som van de bestedingen aan de andere kant.
staathuishoudkunde De vroegere benaming voor economie, die veel te beperkt is omdat de economische wetenschap zich niet alleen met de huishouding van de staat bezighoudt. De beroepsvereniging van economen in Nederland heet de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde.
staatsbalans Overzicht van de activa (bezittingen) en passiva (schulden en verplichtingen) van het Rijk, dat elk jaar in de Miljoenennota wordt gepubliceerd.
staatsschuld Openstaande schuld van het Rijk. Zie ook: overheidsschuld.
De staatsschuld bedroeg € 293,7 miljard eind maart 2009.
staatsschuldquote De staatsschuld als percentage van het bruto binnenlands product.
stabiele wisselkoersen Koersen mogen beperkt afwijken van een afgesproken spilkoers (bijvoorbeeld het Europees Monetair Stelsel, de voorloper van de Economische en Monetaire Unie).
stabilisatiefunctie De collectieve sector probeert de omvang en de bezettingsgraad van de productiecapaciteit te beïnvloeden. Een dergelijke politiek past binnen een anticyclisch beleid.
stabiliteits- en groeipact Hierin verplichten de overheden van de aan de EMU deelnemende landen zich te streven naar een sluitende overheidsbegroting. In ieder geval mag het overheidstekort niet boven de 3% van het bbp uitkomen. Overheden die hun financiën toch laten ontsporen, moeten een boete betalen aan de EU-kas. Inmiddels is het pact versoepeld in die zin dat bij een laagconjunctuur een beperkt tekort mag worden aangehouden, mits men in een hoogconjunctuur een overschot realiseert.
stagflatie Het tegelijkertijd optreden van inflatie en werkloosheid (stagnatie). Dit verschijnsel deed zich voor in de loop van de jaren zeventig in de industrielanden. De hogere olieprijzen tastten de koopkracht van de industrielanden aan en daarmee ook de werkgelegenheid. Een snel oplopende werkloosheid was het gevolg. En tegelijkertijd werkten de hogere energieprijzen door in de prijzen van producten, zodat de inflatie versnelde.
standaard bedrijfsindeling (sbi) Ondernemingen die verwante bewerkingen uitvoeren op de zelfde hoogte in de bedrijfskolom vormen een bedrijfstak. Bedrijven kunnen op verschillende manieren worden ingedeeld naar de aard van hun activiteiten. De meest gebruikte indeling is de Standaard Bedrijfsindeling (SBI). De SBI – die wordt gebruikt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, de Kamers van Koophandel en verschillende onderzoeksinstituten – geeft elk zelfstandig bedrijfsonderdeel een viercijferige codering wat de hoofdactiviteit betreft. Het eerste cijfer geeft de sectie aan, het tweede de afdeling, het derde de groep en het vierde de bedrijfsklasse.
stichting toezicht effectenhandel (ste) Zie: Autoriteit financiële markten (Autoriteit-FM)
stichting van de arbeid Een privaatrechtelijke organisatie opgericht door de werkgevers en de vakbeweging, waarbinnen het centrale overleg over lonen en andere arbeidsvoorwaarden plaatsvindt.
stille reserve Uit de balans van de onderneming blijkt wel het bestaan maar niet de omvang van deze reserve. Gebouwen kunnen bijvoorbeeld heel voorzichtig gewaardeerd zijn, dat wil zeggen ondergewaardeerd zijn. Als dat heel duidelijk is, bijvoorbeeld wanneer de gebouwen voor € 1,- op de balans staan, dan is sprake van een stille reserve. Zie ook: geheime reserve.
stockdividend Dividend in de vorm van aandelen.
strategie Het geheel van bestuurlijke beslissingen en handelingen dat de prestaties van de onderneming op de lange duur bepaalt.
strategisch management Het strategisch managementsproces bestaat uit het onderzoek van de omgevingsfactoren, het formuleren van de strategie, het uitvoeren van de strategie in actieplannen en tot slot de evaluatie van de strategie.
stroomgrootheid Een stroom gemeten over een bepaalde periode; bijvoorbeeld een inkomen gemeten over een jaar; of het ondernemingsresultaat gemeten over een kwartaal. Zie ook: voorraadgrootheid.
structureel begrotingsbeleid Bij de begrotingsnormering wordt geen rekening gehouden met tijdelijke veranderingen in het niveau van de overheidsuitgaven (bijvoorbeeld werkloosheidsuitkeringen) en overheidsontvangsten (bijvoorbeeld de opbrengst van de winstbelasting) die zijn toe te schrijven aan schommelingen van de conjunctuur. Zie ook: Zalmnorm
structureel kapitaalverkeer Kapitaalverkeer dat jaarlijks voorspelbaar optreedt (bijvoorbeeld kapitaalverstrekking aan ontwikkelingslanden).
structuurvennootschap Vennootschap met een ondernemingsraad (OR) en met meer dan honderd werknemers; hierbij heeft de RVC enkele van de beslissingsbevoegdheden van de aandeelhoudersvergadering overgenomen.
structuurwerkloosheid Werkloosheid die bestaat of ontstaat door de structuur van de productie en de veranderingen daarin. Het gaat daarbij om frictiewerkloosheid, seizoenswerkloosheid, werkloosheid van minder geschikten, werkloosheid ten gevolge van te weinig creatie van arbeidsplaatsen, werkloosheid doordat vraag en aanbod op de arbeidsmarkt niet op elkaar aansluiten, werkloosheid doordat sommige producten niet meer gemaakt worden of doordat de productie naar het buitenland is verplaatst. In tegenstelling tot conjunctuurwerkloosheid verdwijnt structuurwerkloosheid niet door de bestedingen op te voeren.
subsidiariteitsbeginsel Dit beginsel houdt in dat een hogere bestuurslaag (overheid) alleen mag (soms: moet) optreden wanneer -- gelet op grensoverschrijdende effecten -- handelen op het niveau van de lagere bestuurslaag (overheden) niet doelmatig is. Zijn de spill-over effecten beperkt, dan dient de autonomie van de lagere bestuurslagen te worden gerespecteerd.
subsidie Een door de overheid verstrekte inkomens- of kapitaaloverdracht aan ondernemingen of gezinnen.
substituten Producten die elkaar, wat de consument betreft, kunnen vervangen. Bijvoorbeeld frisdrank A en B of appelsoort C en D of pijnstiller E en F. Door reclame proberen de producenten hun merk zo uniek te maken dat kopersvoorkeuren ontstaan. Zie ook: complementaire goederen en kruisprijselasticiteit.
substitutie Het bij de bank omwisselen van de ene geldsoort in de andere (bijvoorbeeld bankbiljetten opnemen ten laste van een giraal tegoed).
substituut Zie: substituten.
successierecht Een belasting naar de waarde van alles wat wordt verkregen door het overlijden van iemand die in Nederland zijn/haar laatste woonplaats had. Het tarief wordt toegepast op het saldo van bezittingen en schulden. Het successierecht kent een dubbel progressief tarief. Ten eerste is het tarief hoger naarmate een erfgenaam een groter bedrag erft. Bovendien worden verkrijgingen door verre familie en niet-verwanten zwaarder belast dan verkrijgingen door naaste verwanten, met name de overlevende echtgenoot en de kinderen.
superheffing Boete die melkveehouders moeten betalen wanneer zij meer melk produceren dan toegestaan is volgens hun melkquotum.
supply side economics Zie: aanbodeconomie.
surséance van betaling Uitstel van betaling. De schuldenaar wordt in staat gesteld tot een akkoord te komen met de crediteuren. Lukt dit niet dan volgt faillissement.
sustainable competitive advantage Een duurzaam concurrentievoordeel voor de onderneming.
swap Letterlijk: ruil, omwisseling. De swap kan betrekking hebben op een renteruil, we spreken dan van een renteswap, of op een ruil van valutas: een valutaswap. Bij de renteswap sluit een onderneming met de bank een lening en omgekeerd. De ene lening is tegen een variabele, de andere tegen een vaste rente. Doel van zulke transacties is het zich indekken tegen het renterisico. Meer hierover, zie renteswap. In geval van een valutaswap ruilen de partijen valutas met elkaar tegen de wisselkoers van dat moment onder de conditie de ruil op een later moment tegen diezelfde koers weer terug te draaien. De renteverschillen die tussen de twee valutas gedurende die periode bestaan worden periodiek afgerekend. Bedoeling van de valutaswap is het uitschakelen van het valutarisico.
swot-analyse Hierbij confronteert men de strenghts (S) en weaknesses (W) van de onderneming met de opportunities (O) en threats (T) die de omgeving biedt, om tot de formulering van een strategie te komen.
syndicaat Tijdelijke combinatie van banken bij de emissie van aandelen of obligaties.
tax credit Financiële tegemoetkoming van de overheid in de vorm van een vermindering van verschuldigde heffing/belasting.Zie ook: belastingkorting en heffingskorting.
technische analyse De technische analist ('chartist') interesseert zich alleen voor het koersverloop op de beurs onder invloed van vraag en aanbod. In dat koersverloop zitten de stemmingen en verwachtingen -het marktsentiment- verwerkt van duizenden potentiële kopers en verkopers
technische doelmatigheid De vraag naar de technische doelmatigheid is een van de criteria voor het beoordelen van economische systemen. Hierbij gaat het om de mate waarin een niet efficiënt gebruik van productiefactoren wordt voorkomen. Dus of er geen mensen werkloos zijn en geen machines en materialen worden verspild.
technische levensduur van een machine De periode dat een machine technisch gesproken in staat is te produceren. Vaak is deze langer dan de economische levensduur.
technische slijtage De door het gebruik optredende waardevermindering van goederen. Daarnaast bestaat economische slijtage.zie ook: technische levensduur
tekortkomingen van het budgetmechanisme Zie: overheidsfalen.
tekortkomingen van het marktmechanisme Zie: marktfalen.
tendersysteem Methode die wordt gehanteerd bij het plaatsen van staatsleningen. Hierbij maakt het Agentschap van het ministerie van Financiën bekend tegen welke rente de overheid wil lenen, maar de koers van uitgifte van de lening en de omvang van de obligatielening worden pas na afloop van de inschrijving vastgelegd. Beleggers geven via hun bank of commissionair door voor welk bedrag zij tegen ten hoogste welke koers (de limietkoers) willen deelnemen aan de lening. Naarmate zij de lening aantrekkelijker vinden, zullen zij tegen hogere limietkoersen inschrijven. Na sluiting van de inschrijving maakt het Agentschap een overzicht, waaruit blijkt voor welk bedrag bij verschillende koersen is ingeschreven. Bij de keuze van de uitgiftekoers geldt dat bij een lagere koers een grotere lening kan worden binnengehaald, maar dat de Staat hogere rente-uitgaven heeft.
termijndeposito Geld dat voor enige tijd is vastgezet bij een bank. Op de kapitaalmarkt verhandelbare termijndepositos zijn certificates of deposit.
termijnhandel Handel in termijncontracten in goederen (bijvoorbeeld olie), effecten en vreemde valutas. Een termijncontract betekent dat iemand nu goederen, effecten of valutas koopt of verkoopt die op een bepaald tijdstip in de toekomst worden geleverd tegen een prijs die nu wordt vastgesteld. Bij futures is sprake van gestandaardiseerde termijncontracten (looptijden en hoeveelheden per contract) die kunnen worden verhandeld op de termijnmarkt, in Nederland bijvoorbeeld op de Financiële Termijnmarkt Amsterdam (FTA).
termijnkoers De nu vastgestelde koers van een valuta met levering in de toekomst.
termijnmarkt Zie: termijnhandel.
tertiair inkomen Secundair inkomen (zie aldaar) vermeerderd met de op geld waardeerbare voordelen van het gebruik van gesubsidieerde goederen en diensten, verminderd met aan goederengebruik gebonden overdrachten aan de overheid (met name de kostprijsverhogende belastingen).
tertiaire sector Deze omvat de commerciële dienstverlening. Daarnaast worden onderscheiden de primaire sector(agrarische sector, mijnbouw en dergelijke), de secundaire sector (verwerkende industrie) en de quartaire sector (dienstverlening zonder winstoogmerk).
theorie van de comparatieve kostenverschillen Handelstheorie ontwikkeld door de Engelse econoom David Ricardo (1723-17900. Hij toonde aan dat internationale handel zelfs voordelig kan zijn voor beide handelspartners als een van de twee landen over de hele lijn lagere productiekosten per eenheid product heeft dan het andere land.
thesaurier-generaal Hoogste ambtenaar die leiding geeft aan de Generale Thesaurie, het onderdeel van het ministerie van Financiën dat zich hoofdzakelijk bezig houdt met het algemeen financieel-economisch beleid.
threats Het onderzoek van de omgeving van de onderneming valt uiteen in extern onderzoek en intern onderzoek. Bij het eerste gaat het om een analyse van de kansen en bedreigingen (opportunities en threats) die buiten de onderneming liggen en die op de korte duur een gegeven vormen voor de ondernemingsleiding.
tien-procentgroep Inkomensklasse die tien procent van de individuen of gezinnen omvat.
tinbergen, jan Tinbergen (1903-1994) was een Nederlands wiskundig econoom en econometrist, die in 1969 samen met Ragnar Frisch de eerste Nobelprijs voor economie ontving. In de jaren dertig ontwikkelde hij modellen die bruikbaar waren om de werkloosheid te lijf te gaan. Publiceerde in 1935 samen met Hein Vos het Plan van de Arbeid waarmee de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP) de depressie en de massale werkloosheid wilde bestrijden door vergroting van de overheidsbestedingen en door openbare werken. Na de oorlog legde hij de basis voor het gebruik van macro-economische modellen bij de voorbereiding van de economische politiek. Hij was van 1945 –1955 de eerste directeur van het Centraal Planbureau. Zijn latere werk betreft ontwikkelingsvraagstukken, inkomensongelijkheid, de (internationale) economische orde en vredesvraagstukken.
toegevoegde waarde De marktwaarde van de omzet minus de waarde van de gekochte en verbruikte grond- en hulpstoffen levert de bruto toegevoegde waarde op. Nadat deze is verminderd met de afschrijving op vaste activa resteert de netto toegevoegde waarde.
toetredingsdrempels Feitelijke situaties of juridische regelingen die de toegang tot een markt belemmeren. Een voorbeeld van een feitelijke belemmering is dat een zeer groot startvermogen noodzakelijk is om de markt te kunnen betreden, zoals bij een olieraffinaderij. Een voorbeeld van een juridische belemmering is dat iemand zich in Nederland niet vrij kan vestigen als notaris, ook wanneer hij de vereiste studie met succes heeft voltooid . De beroepsgroep beschermt zich op deze manier tegen concurrentie.
toonbanksysteem Wordt soms bij uitgifte van staatsleningen gehanteerd. De koers van uitgifte wordt dagelijks vastgesteld en beleggers kunnen opgeven voor hoeveel ze willen inschrijven. Het Agentschap kan de uitgiftekoers verhogen als er veel belangstelling voor de desbetreffende lening bestaat.
transactiebasis De betalingsbalans of de Nationale rekeningen van een land kunnen worden opgesteld op kasbasis of op transactiebasis. In het eerste geval worden transacties geboekt in de periode waarin betaling plaatsvindt, in het tweede geval de periode waarin rechten en verplichtingen zijn ontstaan.
transactiekas Kasvoorraad die is bedoeld om het verschil te overbruggen in ontvangsten- en uitgavenstroom bij gezinnen en bedrijven. Bijvoorbeeld omdat het gezinsinkomen eens per maand wordt ontvangen terwijl de uitgaven (voor een deel) gespreid over de maand worden gedaan.
transactiekosten Kosten die tevoren gemaakt moeten worden om een contract tot stand te brengen (vergelijken van prijzen en andere relevante eigenschappen van goederen die in een bepaalde behoefte kunnen voorzien) en de kosten die daarna gemaakt worden om naleving van de overeenkomst af te dwingen.
transactiemotief Een van de redenen waarom gezinnen en bedrijven volgens de liquiditeitsvoorkeurtheorie van de Britse econoom J.M. Keynes kasgeld aanhouden. In dit geval om het verschil te overbruggen in ontvangsten- en uitgavenstroom.. Bijvoorbeeld omdat het gezinsinkomen eens per maand wordt ontvangen terwijl de uitgaven (voor een deel) gespreid over de maand worden gedaan. Andere motieven zijn: het voorzorgmotief en beleggingsmotief (of speculatiemotief).
transformatie Het bij de bank omwisselen van geld in niet-geld of omgekeerd (bijvoorbeeld een girale storting op een spaartegoed).
transparante markt De mate waarin de marktomstandigheden voor vragers en aanbieders zijn te overzien ofwel de mate waarin zij zijn geïnformeerd.
trekkingsrechten Kredietmogelijkheden bij het Internationaal Monetair Fonds.
trend De over een reeks van jaren gemiddelde groei van een grootheid, bijvoorbeeld de productie.
trend (matige) groei De over een reeks van jaren gemiddelde groei van een grootheid, bijvoorbeeld de productie.
trendmatig begrotingsbeleid Bij een trendmatig begrotingsbeleid wordt, op basis van doelstellingen of randvoorwaarden voor het overheidstekort en de lastenontwikkeling, aan het begin van de kabinetsperiode een uitgavenkader vastgesteld. Daar wordt tijdens de kabinetsperiode op gekoerst. Mutaties die tijdens de kabinetsperiode optreden bij de ontvangsten komen tot uitdrukking in het begrotingssaldo en de collectievelastendruk.
troonrede Toespraak die de koning(in) voorleest ten overstaan van de volksvertegenwoordiging op de derde dinsdag in september, wanneer de regering de rijksbegroting voor het daaropvolgende kalender jaar aan het parlement aanbiedt.
trust Machtsconcentratie door een aantal ondernemingen in de vorm van een fusie of kartel.
tweedehands markt Handel in bestaande waardepapieren (bijvoorbeeld de Effectenbeurs).
tweeverdieners Huishouden waarin beide partners een eigen inkomen hebben.
uitbreidingsinvesteringen Investeringen die dienen om de kapitaalgoederenvoorraad per saldo te vergroten. De vervangingsinvesteringen zijn daarentegen bedoeld om de productiecapaciteit op peil te houden.
uitbuitingstheorie Theorie die de achtergebleven positie van ontwikkelingslanden verklaart door te wijzen op de economische overmacht van de industrielanden.
uitgavenquote Collectieve uitgaven uitgedrukt als percentage van het bruto binnenlands product.
uitgavenreserve De in de rijksbegroting opgenomen uitgavenreserve is bedoeld voor het opvangen van eventuele tegenvallers die zich in de loop van de kabinetsperiode kunnen voordoen.
uitoefenprijs De prijs waartegen iemand zijn optierecht kan uitoefenen. De gekochte call PHI mrt08 40 geeft de bezitter het recht tot op de derde vrijdag in maart 2008 100 aandelen Philips Electronics te kopen voor de uitoefenprijs van 40 euro per stuk.
uitstroomkans Het werkloosheidscijfer is het resultaat van een instroom en een uitstroom van werklozen. Eenmaal ingestroomd in het werklozenbestand is het interessant om te weten hoe groot de kans is dat men er weer uitkomt. Deze zogenoemde uitstroomkans is gedefinieerd als de kans om binnen 6 maanden het werklozenbestand te verlaten. Deze kans verschilt niet alleen naar de mate hoe lang iemand werkloos is, maar ook naar leeftijd. De uitstroomkans is kleiner naarmate de werkloze ouder en langer werkloos is.
uitvoer Verkoop van goederen en diensten aan het buitenland.
uitvoerquote Percentage dat de goederenuitvoer bedraagt van het bruto binnenlands product.
unctad United Nations Conference on Trade and Development. In 1964 opgericht permanent overlegorgaan binnen de Verenigde Naties waar ontwikkelingslanden hun specifieke belangen kunnen behartigen. Het secretariaat is gevestigd in Genève. Nadere informatie www.unctad.org.
urbanisatie Verstedelijking: verschijnsel dat een steeds groter deel van de bevolking zich in de stad vestigt.
uruguay-ronde Reeks van onderhandelingen (1986-1993) binnen het General Agreement on Tariffs and Trade (GATT). Hierbij werd onder meer besloten het GATT om te zetten in een permanente organisatie: de World Trade Organization (WTO).
valuta-arbitrage Zie: arbitrage.
valuta-interventie Hiervan is sprake als de centrale bank van een land door zelf valuta te kopen of verkopen op de wisselmarkt probeert de koers van de eigen munt te beïnvloeden.
valutamarkt Geheel van vraag naar en aanbod van buitenlandse valuta. Ook: wisselmarkt.
valutarekening Bankrekening in een andere dan de eigen valuta.
valutarisico Risico dat een valuta meer of minder waard wordt. In de regel geldt dat een groter valutarisico gepaard gaat met een hogere rentevergoeding Sinds de invoering van de euro is het onderlinge valutarisico voor de landen die deelnemen aan de Economische en Monetaire Unie (EMU) vervallen.
valutaspeculatie Als financiële markten verwachten dat een munt in koers dreigt te dalen, zullen beleggers en speculanten proberen winst te slaan uit deze verwachting. Een manier waarop dit in zijn werk gaat is als volgt. De speculant leent een (groot) bedrag in de valuta waarvan hij verwacht dat de koers zal dalen, neem aan Mexicaanse pesos. Onmiddellijk zet hij de verkregen pesos om bijvoorbeeld dollars. Vervolgens wacht hij op de koersval van de peso. Is die een feit, dan wisselt hij zijn dollars weer om in pesos. Door de waardedaling van de peso ontvangt hij nu voor zijn dollars meer pesos dan hij er oorspronkelijk voor heeft betaald. De speculant beschikt nu over meer dan genoeg pesos om zijn lenig af te lossen. Wat resteert is zijn speculatiewinst.
valutatermijnmarkt Op de valutatermijnmarkt wordt gehandeld in vreemde valuta met levering op een afgesproken tijdstip in de toekomst, waarbij de koers, de termijnkoers, nu wordt vastgelegd. Bij de handel in termijncontracten gaat het om gestandaardiseerde overeenkomsten (looptijd en contractgrootte). Men spreekt dan van futures. Termijncontracten kunnen door ondernemers worden gebruikt om hun wisselkoersrisico uit schakelen. Ook speculanten die een verwachting hebben omtrent het koersverloop van en valuta hebben, kunnen op de termijnmarkt munt slaan uit hun verwachting. Of eraan verliezen.
varianten(analyse) Alternatieve voorspellingen van het Centraal Planbureau op grond van variatie in de veronderstellingen. Wordt ook spoorboekje genoemd.
varkenscyclus Verschijnsel dat het aanbod van een bepaald product of een bepaalde dienst te groot wordt na een periode van tekort en te klein na een periode van overschot. Een voorbeeld: als varkensfokkers op de varkensmarkt de prijs zien stijgen, dan reageren ze door méér varkens te gaan fokken. Maar voordat die op de markt kunnen worden aangeboden, gaat er ruim een jaar voorbij. Komt dat toegenomen aanbod eenmaal op de markt, dan zal het daar - bij gegeven vraag - de prijs flink laten kelderen. Bij een zo lage prijs zien de fokkers er geen brood meer in en ze besluiten hun productie sterk in te krimpen. Als er bijna geen varkens meer worden aangeboden schiet de prijs weer omhoog en de geschiedenis herhaalt zich. Het verschijnsel wordt ook waargenomen bij rubber, koffie, cacao en dergelijke. Ontwikkelingslanden die één of enkele landbouwproducten aanbieden, hebben van die scherpe prijsschommelingen veel last. Ook bij onderwijs en arbeidsmarkt speelt de varkenscyclus een rol. Als er in een bepaalde periode te weinig tandartsen zijn, loopt de honorering van tandartsen op. Dit spoort veel studenten aan om tandheelkunde te gaan studeren. Komt al dit aanbod op de markt dan blijken er opeens veel te veel tandartsen te zijn en de honorering gaat omlaag. Zakken de salarissen niet voldoende dan vertaalt zich dit in werkloosheid onder tandartsen. Studenten keren zich af van de tandheelkunde. Waardoor er opnieuw een tekort ontstaat, enzovoort.
vast kapitaal Kapitaalgoederen die meer dan één productieproces meegaan. Dit in tegenstelling tot vlottend kapitaal. Voorbeelden van vast kapitaal zijn machines, kantoorpanden en patenten.
vaste geldgroeiregel Volgens monetaristen moet de jaarlijkse toename van de geldhoeveelheid gelijk zijn aan de gemiddelde groei van de productiecapaciteit over een reeks van jaren.
vaste kosten Zie: constante kosten.
vaste lasten Betalingen die steeds weer gedaan moeten worden omdat een bepaalde verplichting is aangegaan. Denk aan: lasten van de hypotheek en abonnementskosten.
vaste voorschotfaciliteit Banken kunnen bij de ECB terecht voor kortlopend krediet tegen onderpand van waardepapieren. Periodiek stelt de ECB per bankinstelling vast voor welk bedrag zij maximaal een beroep kunnen doen op deze voorschotfaciliteit. Over deze kredieten betalen de banken rente, het officiële tarief van de Bank: het disconto. In het algemeen stelt de Bank de voorschotfaciliteit zo krap vast dat op voorhand duidelijk is dat de banken tekort komen aan deze kredietruimte.
veiling Op een veiling voeren de verkopers goederen aan die door de veiling worden verkocht aan kopers. Gaat het om kleine hoeveelheden en/of unieke goederen (schilderijen, meubelen, sieraden, huizen, etherfrequenties) dan worden voor belangstelende kopers kijkdagen georganiseerd en er wordt een catalogus uitgegeven. De goederen worden meestal bij opbod verkocht. In de land- en tuinbouw – groenten-, bloemen-, en bollenveilingen – worden de partijen in bepaalde standaardkwaliteiten ingedeeld en meestal met een veilingklok bij afslag geveild. Dit wil zeggen dat de klok begint bij een hoge prijs en doorloopt naar een steeds lagere prijs. De koper kan door een druk op de knop kenbaar maken bij welke prijs hij wil kopen. Wordt een bepaalde tevoren vastgestelde minimumprijs niet gehaald, dan worden de goederen uit de markt genomen en vernietigd om prijsbederf te voorkomen. De term doordraaien die hiervoor wordt gebruikt, slaat op het doordraaien van de klok. De veiling is een schoolvoorbeeld van volkomen concurrentie.
vennootschap De vennootschap is een van de mogelijke ondernemingsvormen. De vennootschap - een besloten vennootschap (BV) of een naamloze (NV)- is zelf rechtspersoon, zodat de oprichter niet persoonlijk met zijn vermogen aansprakelijk is.
vennootschapsbelasting Jaarlijks geheven belasting van rechtspersonen die belastbare winst behalen door deel te nemen aan het economisch verkeer.
venture-capital Vermogen dat ter beschikking wordt gesteld aan ondernemingen die nog relatief kort bestaan en dus een hoog risico lopen te mislukken. In Nederland spreekt men wel van durfkapitaal.
verborgen beleidskosten Ondernemingen zijn verplicht om allerlei gegevens te verschaffen aan de uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid en aan het Centraal Bureau voor de Statistiek. Banken moeten jaarlijks de aan hun cliënten vergoede rente opgeven aan de fiscus. Zij moeten verder ongebruikelijke kastransacties melden. Zo probeert de overheid belastingfraude en het 'wit wassen' van drugsgelden tegen te gaan.Voor al deze hand- en spandiensten ontvangen de betrokken ondernemingen van de overheid geen enkele vergoeding. Het gaat bij deze verborgen beleidskosten om niet geringe bedragen.
verborgen economie Totaal van de economische transacties (bedrijvigheid) dat niet wordt waargenomen door overheidsinstellingen, zoals de Belastingdienst (belastingfraude, belastingontduiking), de sociale dienst of het Centraal Bureau voor de Statistiek. Zie ook: zwart circuit
verborgen werkloosheid Werkloosheid die niet in de officiële cijfers tot uitdrukking komt. Zo zal bijvoorbeeld een aantal jongeren bij ongunstige perspectieven op de arbeidsmarkt besluiten nog en tijd scholing te volgen in plaats van zich te melden als werkzoekende.
verdelingsfunctie De invloed van de collectieve sector op de verdeling van inkomens en vermogens.
verdrag van amsterdam Verdrag (1997) binnen de Europese Unie dat onder afspraken bevat inzake de verdere uitbreiding van de Unie.
verdrag van maastricht Hierbij werd onder meer de oprichting van de Economische en Monetaire Unie (EMU) afgesproken (1993). Bij het Verdrag werd ook de benaming Europese Gemeenschap veranderd in Europese Unie.
verdrag van rome In 1957 gesloten overeenkomst waarbij de Europese Economische Gemeenschap en Euratom werden opgericht. Het verdrag vormt de basis voor de Europese integratie.
vereniging van effectenbezitters (veb) In 1924 opgerichte belangenvereniging van beleggers, gevestigd in Den Haag. Publiceert het blad Effect en is medeorganisator van de jaarlijkse Dag van het Aandeel. Www.veb.net
vergrijzing Een groeiend deel van de bevolking behoort tot de groep van de ouderen (54- of 64-plussers). Zie ook: ontgroening
vergroening belastingstelsel Ontwikkeling waarbij het aandeel van heffingen op milieubelastende economische activiteiten in de totale belastingopbrengst toeneemt; voorbeelden van zulke heffingen zijn belastingen op energieverbruik en de uitstoot van schadelijke stoffen.
verkeersvergelijking van fisher In de zogeheten kwantiteitstheorie van het geld legde de Amerikaanse econoom Irving Fisher (1867-1947) een verband tussen de reële kant van de economie (handel in goederen en diensten) en de monetaire kant (geldhoeveelheid en omloopsnelheid van het geld). Hierin speelde verkeersvergelijking een hoofdrol: MV = PT, waarin M staat voor de geldhoeveelheid, V voor de gemiddelde omloopsnelheid van het geld, P voor het gemiddeld prijsniveau en T voor de productie van goederen en diensten in constante prijzen.
verkopersmarkt Een markt waar sprake is van een vraagoverschot. Er zijn relatief weinig verkopers waardoor deze een zekere machtspositie hebben en hogere prijzen kunnen bedingen.
verlies- en winstrekening Zie: resultatenrekening.
vermaatschappelijking van de onderneming Ondernemingen moeten in toenemende mate tegenover de maatschappij verantwoording afleggen, hoe ze met grondstoffen, energie, milieu, ruimte en de Derde Wereld omgaan. Onder bepaalde voorwaarden zijn onderneming in Nederland verplicht jaarlijks een milieujaarverslag uit te brengen.
vermogen Wordt gebruikt in de zin van geldkapitaal: een persoon bezit vermogen, een onderneming trekt vermogen aan. In de algemeen juridische of fiscale zin is het saldo van bezittingen en schulden. Een balans geeft de vermogenspositie op een bepaald moment aan.
vermogensbelasting Jaarlijks geheven belasting van natuurlijke personen over de nettowaarde van hun vermogen (bezittingen minus schulden). De vermogensbelasting is in Nederland afgeschaft in 2001.
vermogensmarkt Geheel van vraag naar en aanbod 2 van krediet. De vermogensmarkt kan op basis van looptijd bij uitgifte van de vermogenstitels worden ingedeeld in de geldmarkt en kapitaalmarkt.
vermogensoverdrachtenrekening Op deze rekening van de betalingsbalans worden de eenzijdige vermogenstransacties met het buitenland genoteerd (schenking van kapitaalgoederen, kwijtschelding van schulden en dergelijke).
vermogensrendementsheffing Heffing van 30 procent inkomstenbelasting over een door de wetgever verondersteld rendement van 4 procent van het nettovermogen. Staat gelijk aan een vermogensbelasting met een tarief van 1,2 procent.
vermogenstoets Bij de bepaling van de uitkering waarop iemand recht heeft wordt rekening gehouden met het eigen vermogen van de aanvrager en/of dat van een eventuele partner. Zie ook middelentoets
verstedelijking Verschijnsel dat een steeds groter deel van de bevolking zich in de stad vestigt (ook: urbanisatie). Vooral in ontwikkelingslanden veroorzaakt de trek naar de steden grote problemen. Men ontvlucht de armoede op het platteland in de hoop in de stad beter af te zijn. Maar de steden zijn met hun gebrekkige infrastructuur niet in staat de nieuwkomers een enigszins menswaardig bestaan te bieden.
verticale concurrentieverhoudingen De concurrentieverhoudingen tussen ondernemingen op verschillend niveau in de bedrijfskolom. Bijvoorbeeld de verhouding tussen grondstofproducenten en de verwerkende industrie.
verticale prijsbinding Situatie waarbij een producent aan de winkelier voorschrijft tegen welke prijs deze zijn product moet verkopen. Dergelijke prijsafspraken zijn op grond van de Mededingingswet verboden. Een uitzondering bestaat voor de vaste boekenprijs.
vervangingsinvesteringen Investeringen die dienen ter vervanging van versleten vaste kapitaalgoederen.
vervangingsratio Verhouding tussen iemands netto uitkering en het netto loon dat hij daarvoor met arbeid verdiende (net replacement rate).
vervangingswaarde De prijs die bij vervanging van het goed op dit moment zou moeten worden betaald. Dit in tegenstelling tot de historische kostprijs, de prijs bij aanschaf.
vervroegde uittreding (vut) Eerder stoppen met werken dan de officiële 65-jarige leeftijd. Heeft de bedoeling arbeidsplaatsen vrij te maken voor jongeren.
vervuilingsrechten Verhandelbare rechten om een bepaalde hoeveelheid milieuvervuiling aan te richten. De overheid heeft van te voren een maximum niveau vastgesteld en per producent vastgesteld hoe groot zijn aandeel daarin mag zijn.De overheid kan de milieuvervuiling ook proberen te reguleren door vervuilingsrechten te verkopen. Daarbij wordt eerst vastgesteld wat het maximaal aanvaardbare niveau van vervuiling is. Dit totaal wordt in 'quota' opgedeeld. Vervolgens worden deze quota als verhandelbare rechten om een bepaalde hoeveelheid vervuiling te lozen in omloop gebracht. De rechten worden gratis ter beschikking gesteld en worden dan ook door de producenten veel positiever tegemoet getreden dan bijvoorbeeld een heffing. Vraag en aanbod bepalen de prijs en in zoverre is sprake van een marktconforme maatregel. De overheid kan de totale uitstoot in een gebied terugbrengen door het quotum te verkleinen. Het verhandelen van vervuilingsrechten is een aanpak die in de VS tot bloei is gekomen en daar al een tijd wordt toegepast. Onderzoek in een viertal bedrijfstakken in Nederland heeft laten zien dat het systeem relatief eenvoudig is en ook veel minder kostbaar dan het doorvoeren en controleren gedetailleerde verboden en geboden. Overigens bestaat er in de landbouwsector als gevolg van de mestwetgeving al handel in ammoniakrechten. De ambtenaren van het ministerie van VROM zien vooral problemen. Hoe verdeel je de rechten rechtvaardig? Hoe passen de vervuilingsrechten in de bestaande wetgeving? De wat recentere wetgeving noemt hier en daar een marktconform instrument als de regulerende heffing, maar is toch vooral doortrokken van niet-marktconforme maatregelen.
verwachtingen Opvattingen over de aard van toekomstige gebeurtenissen die vaak van grote betekenis zijn voor het gedrag van economische subjecten. Producenten stellen hun verkoopprijs vast op basis van verwachte ontwikkelingen. Consumenten baseren hun aankopen op verwachtingen over toekomstige prijzen. Beleggers baseren hun aan- en verkopen op verwachtingen omtrent toekomstige winsten en koersen.
verzekeren Transactie waarbij een kleine, onzekere kans op een grote schade wordt ingeruild tegen de zekerheid van een relatief kleine premie.
verzekeringsbankieren Grote verzekeraars verkopen via hun distributiekanaal ook bankproducten (assufinance). Bij bankverzekeren (bancassurance) verkopen banken via hun kanalen ook verzekeringsproducten.
verzelfstandiging Het in de sociale zekerheid toekennen van rechten en het opleggen van verplichtingen op individuele basis, waarbij rekening wordt gehouden met schaalvoordelen door het gezamenlijk voeren van een huishoudingZie ook: individualisering. Anderer betekenis: Bij externe verzelfstandiging worden taken overgedragen aan een verzelfstandigde eenheid buiten de rijksoverheid. De ministeriële verantwoordelijkheid neemt af.Bij interne verzelfstandiging worden taken en bevoegdheden binnen de rijksoverheid gedelegeerd. De ministeriële verantwoordelijkheid blijft volledig intact.
verzorgingsstaat Aanduiding van een sociaal-politiek bestel gekenmerkt door een democratische staatsvorm, waar de productie grotendeels geschiedt door winstbeogende particuliere ondernemingen, terwijl de overheid er naar streeft alle burgers een redelijk bestaan te garanderen door een actief beleid te voeren ten aanzien van omvang, verdeling en stabilisatie van de nationale productie.
vijffasen theorie Theorie ontwikkeld door de econoom W.W. Rostow die zegt dat een land in zijn ontwikkeling vijf fasen doorloopt, te weten: 1 de traditionele maatschappij, een situatie waarin geen noemenswaardige economische en sociale veranderingen plaatsvinden; 2 de aanzet tot de start, waarbij rationeel denken en inventiviteit een belangrijke rol gaan speen; 3 de 'take off'. De ontwikkeling komt op gang. Voor de ontwikkelde landen was dat de periode van de industriële revolutie. Er vinden grote investeringen plaats in de productie; 4 de rijpheidsfase. Niet alleen de industrie, maar vrijwel alle sectoren, kennen groei. Een groei die wordt ondersteund door een voortdurende technologische vernieuwing; 5.het tijdperk van de massaconsumptie, waarin voor (vrijwel) iedereen een hoog ontwikkeld consumptieniveau bestaat.
vlaktaks Stelsel van inkomstenbelasting waarbij een uniform belastingpercentage geldt (in tegenstelling tot een zogeheten progressief belastingtarief). In de meeste gevallen wordt ook gebruik gemaakt van een heffingskorting, waarover geen belasting is verschuldigd. Meestal gaat een vlaktaks gepaard met het afschaffen van allerlei aftrekposten die het belastbaar inkomen verkleinen.
vlottend kapitaal Zie: kapitaal.
vng Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), landelijk samenwerkingsverband van alle Nederlandse gemeenten.
vno-ncw De Vereniging VNO-NCW (kortweg: VNO-NCW) is de grootste werkgeversorganisatie van Nederland. VNO-NCW behartigt zowel op nationaal als op internationaal niveau de gemeenschappelijke belangen van het Nederlandse bedrijfsleven. Daarnaast verleent VNO-NCW diensten aan haar leden. Direct en indirect zijn bij VNO-NCW meer dan 80.000 bedrijven aangesloten. Het merendeel van de ondernemingen is aangesloten via de 150 brancheorganisaties die lid zijn van VNO-NCW. Een groot aantal - vooral grotere - bedrijven is rechtstreeks lid. www.vnoncw.nl
volkomen concurrentie Bij deze marktvorm bepalen collectieve vraag en collectief aanbod de evenwichtsprijs. Een sprekend voorbeeld van een markt waar vraag en aanbod de prijs bepalen, is een bloemenveiling. Op zo'n veiling komt het aanbod van een groot aantal kwekers te staan tegenover de vraag van een heleboel bloemenverkopers. Kenmerken van een markt met volkomen concurrentie zijn: * er zijn heel veel vragers en ook heel veel aanbieders; * er wordt een homogeen goed verkocht, wat wil zeggen dat het gaat om producten die in de ogen van de kopers precies dezelfde eigenschappen hebben. Op de bloemenveiling bijvoorbeeld een standaard kwaliteit anjers; op de valutamarkt allemaal gelijke dollars of euro's; *de markt is volkomen doorzichtig voor de vragers en de aanbieders: iedereen is op elk moment volkomen geïnformeerd over alles wat van belang is voor zijn handelen; * de toetreding tot de markt is vrij: er zijn geen toetredingsdrempels voor nieuwe aanbieders om, als zij dat willen, hun aanbod aan de man te brengen.
volkomen markt Markt die gekenmerkt wordt door een homogeen goed, waar volledige informatie bestaat en de toetreding vrij is.
volksverzekering Wettelijke regeling die onder nadere voorwaarden alle ingezetenen aanspraak op een sociale uitkering geeft; Nederland kent drie volksverzekeringen, die zijn geregeld in achtereenvolgens de Algemene ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet (Anw) en de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ).
volledige mededinging Zie: volkomen concurrentie
volledige werkgelegenheid De situatie waarbij de gegeven productiecapaciteit volledig wordt benut.
volumebeleid Beleid dat is gericht op beperking van het aantal mensen dat een beroep doet op het stelsel van sociale zekerheid.
voorheffing Belasting die wordt ingehouden wanneer inkomen betaalbaar wordt gesteld (salaris, dividend). Zie ook: bronheffing, dividendbelasting en loonbelasting.
voorjaarsnota Tussentijds overzicht van de lopende uitvoering van de rijksbegroting, waarin wordt aangegeven welke wijzigingen ten opzichte van de oorspronkelijk goedgekeurde begroting nodig zijn. De Voorjaarsnota dient uiterlijk 1 juni van het lopende jaar bij de Staten-Generaal te worden ingediend.
voorkennis Het van te voren bekend zijn met ontwikkelingen die de koers kunnen beïnvloeden, terwijl anderen daarmee nog niet bekend zijn. In de Wet Toezicht Effectenverkeer staat dat handelen met voorkennis verboden is. De wet is aangevuld door een Algemene Maatregel van Bestuur waarin sinds 1 januari 1999 een aantal uitzonderingen wordt opgesomd.
voorraadgrootheid Een voorraad gemeten op een bepaald tijdstip; bijvoorbeeld een voorraad grondstoffen op 31 december van een gegeven jaar. Een balans bevat voorraadgrootheden.
voorspeller Zie: conjunctuurindicator
voorwaardelijk trekkingsrecht Kredietmogelijkheid bij het Internationaal Monetair Fonds waaraan eisen kunnen worden verbonden met betrekking tot het te voeren economisch beleid.
voorzorgmotief Het aanhouden van vermogen in liquide vorm om voorbereid te zijn op onverwachte uitgaven.
vorderingentekort (= emu-tekort) Financieringstekort gesaldeerd met de ontvangsten en uitgaven wegens kredietverlening en de aan- en verkoop van staatsdeelnemingen.
vraag en aanbod Op een markt met volkomen concurrentie bepalen vraag en aanbod de evenwichtsprijs.Zie ook: vraaglijn en aanbodlijn.
vraagfactoren De factoren die de vraag naar goederen en diensten in een land bepalen, zoals de vraag van consumenten, investeerders, overheid en buitenland. Men spreekt ook wel van bestedingen.
vraagoverschot Het verschil tussen gevraagde en aangeboden hoeveelheid dat ontstaat bij het instellen van een maximumprijs. De overheid moet een distributiesysteem instellen om het vraagoverschot op een aanvaardbare manier te verdelen. Een klassiek voorbeeld is het vaststellen van maximumhuren, waarbij een distributiesysteem voor woonruimte noodzakelijk is.
vreemd vermogen Het vreemd vermogen op de balans van een vennootschap is het door derden beschikbaar gestelde vermogen. Er is kort vreemd vermogen, zoals bankkrediet en crediteuren (leveranciers die nog betaald moeten worden). En er is lang vreemd vermogen, zoals obligatieleningen en andere langlopende leningen. Zie ook: eigen vermogen
vrij zwevende wisselkoersen Wisselkoersen worden volledig bepaald door het vrije spel van vraag en aanbod.
vrije goederen Goederen die in onze behoeften kunnen voorzien en die niet schaars zijn.
vrije loonpolitiek Een per bedrijf(stak) gedifferentieerd systeem van loonvorming, waarbij de loonontwikkeling in handen ligt van werkgevers(organisaties) en werknemers(organisaties).
vrijhandel Internationale handel zonder handelsbelemmeringen. Na de Tweede Wereldoorlog heeft de GATT en vanaf 1995 de World Trade Organization (WTO) een grote rol gespeeld bij het opruimen van handelsbarrières.
vrijhandelsgebied Vorm van economische integratie waarbij de deelnemende landen geen invoerrechten heffen op elkaars producten, maar – anders dan in een douane-unie – hanteert elk land zijn eigen tarieven tegenover derde landen. Zie ook: Afta, Nafta en Europese Vrijhandelsassociatie (EVA)
vut Zie: vervroegde uittreding.
waarde Onderscheiden worden ruilwaarde en gebruikswaarde. De eerste wordt in geldeenheden uitgedrukt. De tweede is de waarde die het goed heeft voor de gebruiker. Een ander onderscheid is dat tussen nominale waarde en reële waarde van een grootheid. Zie ook: defleren.In het financiële jargon worden onderscheiden de nominale waarde van bijvoorbeeld obligaties en de beurswaarde (of koers). De beurswaarde van een onderneming is gelijk aan de beurswaarde van alle uitstaande aandelen van die onderneming. De intrinsieke waarde is de waarde van het eigen vermogen onder de veronderstelling dat de onderneming blijft functioneren.
waarderingskamer Zelfstandig bestuursorgaan dat toeziet op de correcte waardering van onroerende zaken in Nederland ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (WOZ). De WOZ-waarde van woonhuizen en panden in zakelijk gebruik wordt in aanmerking genomen bij de heffing van de gemeentelijke onroerende-zaakbelastingen, bij de omslag van de waterschapslasten en ter bepaling van het van toepassing zijnde eigenwoningforfait in de inkomstenbelasting.
waardevrijheid van de economische wetenschap Opvatting dat de economie, zoals elke wetenschap, geen normen geeft maar uitsluitend de werkelijkheid probeert te verklaren zoals deze door de onderzoeker wordt waargenomen. Hiertegenover staat de opvatting dat wetenschap zich ten dienste moet stellen bijvoorbeeld aan de emancipatie van minderheden (normatieve wetenschap). Volgens pleitbezorgers van de waardevrije of positieve wetenschapsbeoefening is normatieve wetenschap een contradictie, omdat wetenschap per definitie geen normen kan geven. In deze positieve wetenschapsopvatting bestaat er ook geen marxistische, feministische, boeddhistische, ethische, humanistische of christelijke economische wetenschap. Een en ander laat onverlet dat de econoom als persoon, maar dan niet vanuit de wetenschap, normen en waarden kan onderschrijven en uitdragen.
wachtdag (Werk)dag waarover geen uitkering wordt betaald krachtens een sociale verzekering.
wachtgeldverzekering Sociale verzekering die inkomensverlies van werklozen dekt gedurende de eerste 26 weken van de werkloosheid. Zij is geregeld in een onderdeel van de Werkloosheidswet. De premie voor de wachtgeldverzekering verschilt per bedrijfstak. Ná 26 weken krijgen werklozen een uitkering krachtens de algemene werkloosheidsverzekering. Voor deze verzekering geldt een landelijk uniforme premie.
wall street De naam van de straat in New York waar de New York Stock Exchange (NYSE) is gevestigd. De term wordt gebruikt als algemene aanduiding van de Amerikaanse beurs. Vaak werkenkoersontwikkelingen op Wallstreet door op onder meer de Europese beurzen. Beleggers in Europa houden dan ook de gang van zaken op de Amerikaanse beurs nauwlettend in de gaten. www.nyse.com
waterschapsomslag Aanslag die wordt opgelegd aan de ingezetenen van een waterschap en aan de eigenaren van grond gelegen binnen het werkgebied van een waterschap . De totale opbrengst van de waterschapsomslag moet voldoende zijn om de kosten van het waterschap te dekken.
weaknesses Bij zogeheten SWOT-analyse confronteert men de strenghts (S) en weaknesses (W) van de onderneming met de opportunities (O) en threats (T) die omgeving biedt om tot de formulering van een strategie te komen.
wederzijdse schuldaanvaarding Kredietverlening door primaire banken waarbij de bank een onmiddellijk opeisbare schuld (een banktegoed) erkent aan de kredietnemer en de kredietnemer een langer lopende schuld aangaat met de bank.
weerstandsniveau Term uit de technische analyse: een koersniveau waar in het verleden bij herhaling koersstijgingen zijn gestopt.
weglekeffect De opbrengst van een bezuinigingsmaatregel lekt voor een deel weg door uitgavenstijgingen bij andere overheidsregelingen, met name omdat de inkomensdaling van huishoudens als gevolg van de bezuiniging leidt tot hogere collectieve uitgaven voor regelingen met een inkomensprijs.
welstand Zie: levensstandaard.
welvaart De mate waarin de schaarste is opgeheven, ofwel de mate waarin in de behoeften is voorzien door het gebruik van schaarse, alternatief inzetbare middelen. Het gaat hierbij niet alleen om zaken als geld en inkomen.(welvaart in enge zin) Ook bijvoorbeeld de hoeveelheid vrije tijd waarover iemand kan beschikken, de recreatiemogelijkheden en de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu bepalen de totale welvaart.
welzijn De mate waarin behoeften worden bevredigd, zonder opoffering van schaarse alternatief aanwendbare middelen. Hiermee is welzijn een buiten-economisch begrip.
wereldbank (Eng.: ): International Bank for Reconstruction and Development (IBDR). Verstrekt langlopende leningen aan ontwikkelingslanden tegen de geldende marktrente. De bijdragen van de leden aan het kapitaal van de Wereldbank wordt bepaald aan de hand van het aandeel van landen in de wereldhandel. Dochterorganisaties van de Bank zijn de IDA en de IFC. www.worldbank.org
werk Betaalde arbeid in het productieproces.
werkgelegenheid De vraag naar arbeid, te berekenen door de totale productie te delen door de arbeidsproductiviteit per persoon.
werkgelegenheidsargument Zegt dat het ter bescherming van de eigen werkgelegenheid geoorloofd kan zijn de buitenlandse concurrentie kunstmatig te beperken.
werkgeversorganisaties Organisaties van werkgevers. De grote en middelgrote bedrijven zijn in het algemeen aangesloten bij VNO/NCW. Veel ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf zijn aangesloten bij de Koninklijke Vereniging MKB-Nederland ( MKB).
werkgeverswig Het verschil tussen de totale arbeidskosten voor de werkgever en het brutoloon van de betrokken werknemer.
werkloosheid Bij de werkloze beroepsbevolking (WBV) gaat het om: * personen zonder werkkring of met een werkkring van minder dan 12 uur per week, * die zelf actief zoeken en beschikbaar zijn voor een werkkring van ten minste 12 uur per week. Internationale organisaties zoals Eurostat en de OESO hanteren de gestandaardiseerde werkloosheid om landen onderling vergelijkbaar te maken. Het criterium van een werkweek van meer dan 12 uur zijn hanteren andere landen bijvoorbeeld niet. Wie 1 uur werkt is al niet meer werkloos.Wie op zoek is naar een baan voor twee uur wordt in Nederland dus niet tot de werklozen gerekend maar in andere landen wel. De werkloosheidswet (WW) en de Algemene bijstandswet(ABW) definiëren het begrip werkloosheid om te kunnen bepalen wie voor een uitkering in aanmerking komt. Het aantal werkloosheidsuitkeringen is groter dan het aantal geregistreerde werklozen, bijvoorbeeld omdat werklozen van 57,5 jaar en ouder zich niet langer als werkzoekende hoeven te laten registreren bij het RBA.
werkloosheidsval Ontstaat door de gecombineerde werking van armoedeval en productiviteitsval.
werkloosheidswet (ww) Sociale verzekering die werknemers beschermt tegen inkomensderving als gevolg van het verliezen van hun baan.
werknemersorganisaties Organisaties van werknemers, doorgaans aangeduid als vakbonden' of vakorganisaties. De belangrijkste werknemersorganisaties in Nederland zijn de FNV (Federatie Nederlandse Vakbeweging), het CNV (Christelijk Nationaal Vakverbond) en de MHP (Vakcentrale voor Middelbaar en Hoger Personeel).
werknemersverzekeringen Regelingen die onder nadere voorwaarden zieke, werkloos geworden en arbeidsongeschikt verklaarde werknemers recht geven op een uitkering die is gerelateerd aan het vroeger verdiende loon; het overheidspersoneel valt niet onder deze regelingen.
werknemerswig Verschil tussen het brutoloon en het bijbehorende nettoloon; dit verschil ontstaat doordat de werkgever op het brutoloon van de werknemer loonbelasting en sociale premies inhoudt, en vaak ook premie voor aanvullend pensioen.
werkzame beroepsbevolking Personen in loondienst (inclusief dienstplichtige militairen), zelfstandigen en meewerkende gezinsleden.
werkzoekenden zonder baan Personen zonder betaald werk, die zelf actief werk zoeken en beschikbaar zijn voor een werkkring.
wet algemene bepalingen milieuhygiëne (wabm) Wat betreft coördinatie, inspraak en beroep en vergunningenprocedure kwam er in 1980 één regeling, de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (Wabm, 1980). In 1986 worden regels inzake de milieu-effect-rapportage aan de Wabm toegevoegd. In 1988 wordt er een hoofdstuk Financiële bepalingen opgenomen. In 1990 wordt de Wabm omgevormd tot een nieuwe integrale milieuwet, de Wet milieubeheer (Wmb, 1990).
wet inschakeling werkzoekenden (wiw) De WIW is ingevoerd in 1998 en regelt hoe gemeenten langdurig werklozen, werkloze jongeren en andere uitkeringsontvangers kan klaarstomen voor de arbeidsmarkt. Het belangrijkste instrument zijn gesubsidieerde werkervaringsplaatsen bij reguliere werkgevers en de gemeente. Het vroegere JWG is opgegaan in de WIW. Het aantal WIW-plaatsen bedraagt in 2003 ongeveer 50.000.
wet milieubeheer Zie: Wet algemene bepalingen milieubeheer (Wabm)
wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (wao) Voormalige (in 2005 vervangen door de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wia)) Sociale verzekering die werknemers beschermde tegen het verlies van loon/salaris als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Zie ook: Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wia)
wet op de loonvorming Wet die de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de bevoegdheid geeft in te grijpen in uitkomsten van het overleg tussen werkgevers en werknemers over de arbeidsvoorwaarden wanneer zich een economische noodsituatie voordoet. Wordt ook Loonwet genoemd
wet op de ondernemingsraden Wet die grotere ondernemingen verplicht over te gaan tot instelling van een ondernemingsraad (OR). De leden van de OR worden gekozen uit het werknemersbestand van de onderneming. De wet regelt tevens de bevoegdheden van de ondernemingsraad.
wet toezicht kredietwezen Wet waarin het bedrijfseconomische toezicht van De Nederlandsche Bank op de banken is geregeld. De Wet toezicht kredietwezen (Wtk 1992), heeft twee hoofddoelstellingen. Ten eerste een zo goed mogelijke bescherming van de belangen van het publiek, dat geld op een salarisrekening of bijvoorbeeld in de vorm van deposito's (dit zijn gelden die voor een bepaalde tijd bij een bank worden vastgezet), aan de banken heeft toevertrouwd. Een tweede doelstelling van het bankentoezicht is het verzorgen van de stabiliteit van het financiële stelsel. Dit betekent dat het financiële stelsel zo is georganiseerd dat een faillissement van een individuele instelling kan worden opgevangen zonder dat dit onder banken een sneeuwbaleffect veroorzaakt. Voorkomen moet worden dat door de problemen bij één instelling ook andere instellingen in de problemen komen In de Tweede Coördinatierichtlijn voor het bankwezen (richtlijn van de Europese Unie uit1989) is vastgelegd dat in Europa het beginsel van 'home state control' geldt, dat wil zeggen dat banken onder het toezicht staan van de verantwoordelijke autoriteiten van de lidstaat waar de vergunning voor de bank is verleend.
wet van de comparatieve kostenverschillen Als tussen twee landen een comparatief (of ook wel: relatief) kostenverschil bestaat, is het voor beide landen voordelig wanneer elk land zich specialiseert in het productie van het goed waarin het de grootste comparatieve kostenvoorsprong heeft of de kleinste comparatieve kostenachterstand. Zie ook: theorie van de comparatieve kostenverschillen.
wet van engel Bij gezinnen met een laag budget is het aandeel van voeding in het budget relatief groot.
wet van gresham Deze wet, genoemd naar de Britse zakenman en hofadviseur Sir Thomas Gresham, stelt het volgende: als er in een economie twee geldsoorten in omloop zijn, een waarvan de nominale waarde gelijk is aan de intrinsieke waarde (bijvoorbeeld gouden munten) en een waarvan de nominale waarde hoger is dan de intrinsieke waarde (bijvoorbeeld bankbiljetten), zullen de bankbiljetten de gouden munten uit het betalingsverkeer verdringen. De wet staat ook bekend als: bad money drives out good money.
wet van say De klassieke gedachtegang dat alle bij de productie verdiende koopkracht zou worden gebruikt om al het geproduceerde te kopen. Zie ook: klassieke economie, Say, Jean Baptiste.
wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (wia) Eind december 2005 kwam deze sociale verzekering in de plaats van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO). In de Wia staat het behouden of het opnieuw verkrijgen van werk centraal. Werkgevers en werknemers worden door middel van financiële prikkels gestimuleerd om gedeeltelijk arbeidsgeschikten aan het werk te helpen of te houden. Het basisprincipe van de Wia is dat alleen volledig arbeidsongeschikten een uitkering krijgen. Werknemers die deels kunnen werken, moeten dat ook doen. Zij kunnen nog wel een aanvulling op hun loon krijgen.De Wia kent twee regelingen: de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) en de regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA). arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).Zie ook: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid (wrr) Instantie die in het bijzonder tot taak heeft de regering op wetenschappelijk verantwoorde wijze te adviseren over grote, langlopende beleidsproblemen, zoals de gewenste inrichting van onderwijs en gezondheidszorg en te verwachten gevolgen van de vergrijzing van de bevolking en de mondialisering van de economie. www.wrr.nl
wig gemiddelde Verschil tussen de arbeidskosten van de werkgever en het daarbij behorende nettoloon van de werknemer als percentage van de arbeidskosten. Zie ook: werkgeverswig en werknemerswig.
winst Een onderneming verkoopt producten en realiseert daarmee een bepaalde opbrengst, de omzet. Bij het vervaardigen van de producten worden kosten gemaakt. Het positieve verschil tussen omzet en kosten wordt bedrijfsresultaat genoemd. Na correctie van het bedrijfsresultaat voor overige baten en lasten (zoals rente) resulteert de winst voor aftrek van belasting. Hierover wordt belasting betaald; wat overblijft is de winst na belasting. Deze wordt voor een deel uitgekeerd aan aandeelhouders (dividend) of aan werknemers (tantièmes, bonussen, winstdeling). Voor een deel wordt de winst gereserveerd wat een vergroting van het eigen vermogen betekent.
winst- en verliesrekening Zie: resultatenrekening
winstdeling Alle werknemers of een groep samenwerkende werknemers krijgen een bonus uitgekeerd afhankelijk van het financiële resultaat. Zie ook: prestatiebeloning.
winstmaximering Streven naar het behalen van een zo groot mogelijke winst.
wisselkoers Prijs van een vreemde valuta, uitgedrukt in euros.
wisselkoersrisico Zie: koersrisico.
wisselmarkt Geheel van vraag naar en aanbod van buitenlandse valutas. Ook: valutamarkt.
wka De Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid (WKA) regelt de koppeling van het wettelijk minimumloon en de sociale uitkeringen aan de contractloonontwikkeling van werknemers in bedrijven en bij de overheid. Van deze koppeling kan in bepaalde situaties worden afgeweken (ontkoppeling).
world economic forum Stichting opgericht door duizend grote, wereldwijd opererende ondernemingen die functioneert als een soort denktank voor economische en sociale vraagstukken. In het World Economic Forum zijn veel vooraanstaande intellectuelen, managers en politici vertegenwoordigd. www.weforum.org
world trade organization (wto) De wereldhandelsorganisatie, die vanaf 1995 de rol van de GATT heeft overgenomen is gevestigd in Genève. De hoofdfunctie van de WTO is er voor zorg te dragen dat wereldhandelsstromen zo ongestoord mogelijk kunnen verlopen. De besluitvorming binnen de WTO vindt plaats door middel van overleg tussen de lidstaten. Besluiten worden vervolgens ter goedkeuring voorgelegd aan de nationale parlementen. www.wto.org
wto Zie: World Trade Organization
wulbz De Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz) bepaalt dat werkgevers hun zieke werknemers gedurende ten hoogste een jaar 70 procent van hun loon moeten doorbetalen. In de praktijk zijn werkgevers doorgaans verplicht bij ziekte het volledige loon door te betalen, omdat aanvulling tot 100 procent is vastgelegd in de van kracht zijnde cao die het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid -algemeen verbindend heeft verklaard.
wvg Op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) hebben gemeenten de plicht te zorgen voor woonvoorzieningen, vervoer en rolstoelen zodat gehandicapten beter deel kunnen nemen aan allerhande maatschappelijke activiteiten.
yieldcurve Lijn die het verband aangeeft tussen de looptijd van kredieten en het rentepercentage. In het algemeen geldt dat het rentepercentage hoger is naarmate de looptijd langer is. Dit hangt samen met het toenemen van onder meer het debiteurenrisico en het inflatierisico. In een situatie waarin de lange rente maar weinig hoger is dan de korte rente, spreekt men van een vlakke rentestructuur. Als (tijdelijk) het tarief van de korte rente boven dat van de lange rente ligt, wordt gesproken over een omgekeerde rentestructuur.
zachte valuta Onbetrouwbare valuta (met een groot neerwaarts koersrisico).
zalmnorm Sinds 1994 in achtereenvolgende regeerakkoorden verankerde afspraak dat de uitgaven van het Rijk plus die voor zorg en de sociale verzekeringen niet boven en bepaalde plafondwaarde mogen uitstijgen. Wel worden de in euro's vastgelegde uitgavenplafonds jaarlijks aangepast aan de prijsstijging van het bruto binnenlands product (bbp).Er gelden verschillende 'spelregels' voor de uitgavenkant en de ontvangstenkant van de rijksbegroting, de sociale verzekeringen en de zorgsector. Ministers mogen de afgesproken uitgavenplafonds niet overschrijden (budgetdiscipline). Mee- en tegenvallers bij de belasting- en premieontvangsten mogen in het vorderingensaldo (EMU-saldo) lopen. Door deze afspraken neemt de automatisch stabiliserende werking van de begroting toe.
zelffinanciering Hierbij wordt het gereserveerde eigen vermogen gebruikt voor de aanschaf van productiemiddelen. Dit in tegenstelling tot de situatie waarbij vreemd vermogen van derden wordt aangetrokken.
zelfselectie Zie: negatieve selectie
zero-bonds Obligaties die geen rente geven maar die ver onder de nominale waarde worden uitgegeven.
zero-sum game Spel in de speltheorie waarin bij elke gekozen strategie de som van verliezen en winsten van de spelers nul is. Stel dat op een markt slechts twee aanbieders A en B zijn, die samen 100% van de markt bedienen. Vergroting van het marktaandeel van A gaat dan altijd ten koste van dat van B, en omgekeerd. Er is sprake van een belangenconflict en er is geen aanleiding voor gezamenlijk optreden om het totaal resultaat te verbeteren.
procedure Een reeks opeenvolgende handelingen, stappen of taken die min of meer één geheel vormen, met als resultaat de uitkomsten van het productieproces.
onderneming Een bedrijfshuishouding die bewust onzekerheden en risico's aanvaardt in de uitkomsten van het proces van productie en verkoop.
ziektewet Zwangere vrouwen, uitzendkrachten en werklozen die bij ziekte geen aanspraak kunnen maken op doorbetaling van hun loon krachtens de Wulbz ontvangen een loondervinguitkering krachtens de Ziektewet. Deze uitkeringen worden gefinancierd ten laste van de werkloosheidsverzekering.
zwart circuit De omvang van de frauduleus aan het zicht van de fiscus onttrokken transacties. (verborgen economie).
zwarte markt De illegale markt die zich naast de officiële markt ontwikkelt, zoals bij valuta, voetbalkaartjes. Vaak veroorzaakt doordat er een maximumprijs is waarbij een vraagoverschot ontstaat. Een andere mogelijke oorzaak is dat het gebruik verboden is, bijvoorbeeld de handel in drugs of die in stimulerende middelen in de topsport.
zwevende wisselkoers De koers wordt, zonder ingrijpen van de centrale bank, geheel overgelaten aan vraag en aanbod op de valutamarkt.
overheidsdiensten Diensten waarbij de exploitatiekosten helemaal voor rekening van de overheid komen. De productie van deze collectieve goederen strekt tot voordeel van de gemeenschap.
bedrijfshuishouding De economisch zelfstandige organisatie van mensen, middelen en procedures, waarbij productie van goederen/diensten plaatsvindt.
differentiatie Afstoten van activiteiten naar de vorige of volgende schakel in de bedrijfskolom (verticaal).
integratie Samenvoegen van activiteiten van de vorige of volgende schakel in de bedrijfskolom (verticaal).
specialisatie Het afstoten van activiteiten naar een ander bedrijf in dezelfde bedrijfstak (horizontaal).
parallellisatie Het samenvoegen van activiteiten uit een andere bedrijfstak (horizontaal).
diversificatie Het brengen van nieuwe producten in nieuwe markten.
intensieve financiering De binnengekomen afschrijvingsgelden gebruiken om expansie te financieren. Er ontstaat in de toekomst een financieringsbehoefte om terugval in capaciteit te voorkomen.
totale financiering Als men de vermogensvoorziening niet afstemt op de behoefte van de individuele kapitaalgoederen of -componenten, maar uitgaat van de totale vermogensbehoefte.
partiële financiering Als men de vermogensvoorziening geheel afstemt op de behoefte van een individueel kapitaalgoed of kapitaalcomponent. Het kan zowel gelden voor de omlooptijd van het vermogen als voor de grootte van het vermogen. Er wordt bij partiële financiering relatief veel gebruik gemaakt van aflosbare leningen van verschillende grootte en looptijd, vanwege de afnemende vermogensbehoefte in de tijd. Er wordt dus veel gebruik gemaakt van niet-ondernemen, tijdelijk vreemd vermogen.
vermogensstructuur Eigen Vermogen en Vreemd Vermogen.
financieringsstructuur De vormen van EV en VV.
diversiteit De situatie waarbij verschillende grootheden (debiteuren, voorraden) niet gelijktijdig hun maximum- of minimumniveau bereiken.
macro-economische bronnen Besparingen en Kredietcreatie door banken.
voorgecalculeerde balans Een financieringsplan waarop de vermogensbehoefte en de planning om in de behoefte te voorzien staan.
kapitaal De collectiviteit van de voorraadcomponenten.
vermogen De hoeveelheid geld dat in de kapitaalcomponenten zit opgesloten.
kapitaalcomponent De samenvoeging van gelijksoortige activa.
vaste activa Activa waarbij de koopkracht niet of geleidelijk via afschrijvingen vrijkomt. Ze gaan langer mee dan een productieproces.
vlottende activa Activa die slechts eenmaal in het productieproces dienstdoen.
financieringsvraagstuk Het bepalen van de vermogensbehoefte en het aantrekken van vermogen uit de meest geëigende bronnen.
controller Is belast met de administratieve beheersing van bedrijfsprocessen. Denkt in resultaten, in opbrengsten en kosten.
treasurer Is gericht op externe financiële markten. Denkt in kasstromen, in ontvangsten en uitgaven.
moderne portefeuilletheorie Doel is het beperken van het beleggingsrisico door het vermogen te spreiden over meer fondsen. Een belangrijk kenmerk is de integrale benadering: de eigenschappen van de collectiviteit zijn belangrijker dan de kenmerken van de afzonderlijke fondsen. Men streeft naar een diversificatie die het meest bijdraagt aan de doelstelling, bv maximaal rendement bij een gegeven risico of minimaal risico bij een gegeven rendement.
risicospreiding Ontstaat door een combinatie van beleggingen waarvan de onzekerheden elkaar compenseren.
kapitaalobligatielening Worden uitgegeven door banken.
surplusobligatielening Een achtergestelde obligatielening waarbij het nadeel van de achterstelling gecompenseerd wordt door een surplusrente.
garantievermogen bij personenassociaties (eenmanszaak, VOF, CV) Omvat naast de inbreng ook het persoonlijke bezit.
toename EV Door winstinhouding. Hierdoor ontstaan winstreserves. Kapitaalreserves ontstaan door de herwaardering van activa en agioreserves ontstaan door de plaatsing van aandelen boven pari.
vrije emissie Iedereen kan inschrijven.
voorkeursemissie (claim-emissie) Bestaande aandeelhouders hebben het verhandelbare recht om in te schrijven. De emissiekoers ligt meestal duidelijk lager dan de te verwachten beurskoers na emissie.
intrinsieke waarde van een onderneming Het verschil tussen de bezittingen en de schulden = het eigen vermogen.
intrinsieke waarde van een aandeel Het eigen vermogen / het aantal uitstaande aandelen.
verwachte beurskoers na emissie Huidige beurswaarde plus de verwachte toename van de beurswaarde na emissie / totale aantal aandelen.
claim Het voorkeursrecht voor bestaande aandeelhouders. Hierdoor wordt (mogelijk) het vermogensverlies op de oude aandelen voorkomen. De waarde van de claim is ongeveer het verschil tussen het inschrijvingsbedrag van het nieuwe aandeel en de vermoedelijke waarde van het aandeel na emissie, gedeeld door het aantal in te leveren claims.
theoretische waarde van 1 claim De vermoedelijke beurswaarde per aandeel na emissie min het inschrijvingsbedrag / aantal in te leveren claims.
financieringsstructuur Geeft aan welke vormen van vermogensoverdracht zijn gebruikt om te voldoen aan de behoefte van eigen en vreemd vermogen, respectievelijk ondernemend en niet-ondernemend vermogen.
stakeholders Hebben belang bij de onderneming zoals werknemers, leveranciers en afnemers.
ondernemend vermogen Eigen vermogen en achtergestelde leningen.
eigen vermogen 1) bij een eenmanszaak, VOF en CV: de inbreng van de eigenaar en vennoten. 2) bij een coöperatie: minimaal het ingebrachte ledenkapitaal. 3) bij een BV, NV: minimaal gelijk aan het wettelijk minimaal gestorte aandelenkapitaal. Een BV of NV krijgt eigen vermogen door de uitgifte van aandelen.
finance lease Een economische, maar niet juridische, bezitsverwerving. Het betreft een onopzegbaar huurcontract met een looptijd van minimaal 75% van de economische levensduur. Vanwege de onopzegbaarheid is het een financieringsovereenkomst. Het wordt vaak gebruikt voor unieke productiemiddelen.
operating lease Een gecombineerd huur-, onderhoud-, service- en bedrijfszekerheidscontract. Wordt gebruikt voor zaken waarbij er een grote kans is op economische veroudering en wat deskundig onderhoud nodig heeft zoals kantoormachines, IT-apparatuur en auto's.
incentive Een extraatje voor de institutionele belegger bij de verstrekking van een onderhandse geldlening. Het bestaat meestal uit toezeggingen in de eigen-vermogenssfeer van de geldnemer: aandelen, optie op aandelen, aandeel in de (over)winst. het is een extra prikkel maar het blijft niet-ondernemend vermogen.
belangrijkste voorwaarden voor een bankkrediet De kwaliteit van het management/eigenaar en in welke bedrijfstak de onderneming werkzaam is.
merchant banking Bij deze banken staat de bemiddeling bij kapitaalmarkttransacties voorop en niet de kredietverlening of het betalingsverkeer.
leverancierskrediet De vermogensoverdracht vindt plaats in gedifferentieerde koopkracht (goederen).
markt voor onderhandse leningen Als institutionele beleggers optreden als potentiële aanbieders van geld. Ook de markt voor hypothecaire leningen wordt tot de markt voor onderhandse leningen gerekend.
onderhandse lening op schuldbekentenis De belangrijkste beleggingsvorm voor institutionele beleggers, en voor de private sector samen met de hypothecaire leningen de belangrijkste vorm (80%) voor de voorziening in de vermogensbehoefte. De oorzaken hiervoor zijn: 1) de leningsvoorwaarden kunnen aangepast worden aan de behoeften van de geldnemer. 2) een publieke emissie is alleen mogelijk via de kalender van de DNB. . 3) de kosten zijn lager dan bij een obligatielening. 4) als men geen toegang heeft tot de openbare emissie markt. De voordelen van een onderhandse lening voor een institutionele belegger zijn: 1) het kunnen beleggen van de groeiende stroom geld. 2) eenvoudige rente- en aflossingsbetaling. 3) grotere zekerheid bij zijn financiële planning. Een nadeel is de geringere liquiditeit, maar hieraan hoeft men niet zwaar te tillen omdat ze genoeg mogelijkheden hebben om aan liquiditeiten te komen.
risicospreiding Ontstaat door een combinatie van beleggingen waarvan de onzekerheden elkaar compenseren.
achtergestelde lening Ondernemend vermogen waarbij de verschaffers pas rente en aflossing krijgen nadat aan alle verplichtingen ten opzichte van andere schuldeisers is voldaan. Ze kan ook in de vorm van een achtergestelde obligatielening worden afgesloten.
kapitaalobligatielening Worden uitgegeven door banken.
obligatielening met achterstellingsclausule Hierdoor wordt het aansprakelijk vermogen van een onderneming verhoogd, maar blijft de rente fiscaal aftrekbaar.
surplusobligatielening Een achtergestelde obligatielening waarbij het nadeel van de achterstelling gecompenseerd wordt door een surplusrente.
garantievermogen bij personenassociaties (eenmanszaak, VOF, CV) Omvat naast de inbreng ook het persoonlijke bezit.
toename EV Door winstinhouding. Hierdoor ontstaan winstreserves. Kapitaalreserves ontstaan door de herwaardering van activa en agioreserves ontstaan door de plaatsing van aandelen boven pari.
note Een obligatielening met een looptijd van maximaal 5 jaar.
belangrijkste voorwaarden voor een bankkrediet De kwaliteit van het management/eigenaar en in welke bedrijfstak de onderneming werkzaam is.
near banking De onderlinge kredietverlening tussen bedrijven.
afnemerskrediet Is vooruitbetalen. Vooral bij projecten met een lange bouwduur: schepen, huizen, projecten.
old line factoring De factoor schiet 80-90% voor, de rest wordt betaald op de vervaldatum. De post debiteuren verdwijnt hierdoor grotendeels van de balans.
maturity factoring De uitbetaling door de factoor vindt plaats op of vlak na de vervaldatum.
markt voor onderhandse leningen Als institutionele beleggers optreden als potentiële aanbieders van geld. Ook de markt voor hypothecaire leningen wordt tot de markt voor onderhandse leningen gerekend.
onderhandse lening op schuldbekentenis De belangrijkste beleggingsvorm voor institutionele beleggers, en voor de private sector samen met de hypothecaire leningen de belangrijkste vorm (80%) voor de voorziening in de vermogensbehoefte. De oorzaken hiervoor zijn: 1) de leningsvoorwaarden kunnen aangepast worden aan de behoeften van de geldnemer. 2) een publieke emissie is alleen mogelijk via de kalender van de DNB.
kredietwaardigheid In de USA wordt deze beoordeeld op de 5 C's Character, Capacity, Capital, Collateral, Condition. In ons land is de kwaliteit van het management het belangrijkste alsmede de aard van de bedrijfsactiviteiten en de te financieren projecten, de ontwikkeling van het resultaat van de onderneming t.o.v. die in de bedrijfstak en de analyse van de financiële structuur m.b.v. kengetallen. Vaak worden deze nog aangevuld met beschermende clausules (ratio of safety covenants).
obligatielening Schuldbekentenissen, meestal aan toonder en verhandelbaar. Aflossing geschiedt volgens een uitlotingsschema. Is de aflossing in één keer dan spreken we van een bulletlening.
pandbrieven Obligaties die uitgegeven zijn door hypotheekbanken.
hypothecaire obligatielening Een trustee oefent de rechten van de obligatiehouders uit overeenkomstig de trustakte. Hierdoor kan de naam/namen van de schuldeiser(s) opgenomen worden in de hypotheekakte.
negatieve hypotheekclausule Alle of bepaalde onroerende goederen mogen niet met een hypotheek bezwaard worden bij een andere bank.
akte van cessie Akte van overdracht.
marktprijs (beurswaarde) van een obligatie De contante waarde van alle toekomstige ontvangsten.
soorten obligaties 1) gewone obligatie: vaste rente, aflossing (meestal) à pari. 2) zero bond: geen rentecoupons maar een hoger aflossingsbedrag dan het emissiebedrag. 3) discount bond: lagere couponrente dan de marktrente bij uitgifte ? een lagere emissiekoers. 4) indexobligatie: rente en/of aflossing zijn gebaseerd op een bepaald indexcijfer. 5) inkomstenobligatie:de rente wordt uitgekeerd als de winst het toelaat. 6) winstdelende obligatie: een bescheiden vaste rente plus een uitkering afhankelijk van de winst. 7) converteerbare obligatie: de obligatiehouder mag gedurende een bepaalde periode tegen een bepaalde conversiekoers zijn obligatie omzetten in aandelen.
conversie van een obligatielening Het omwisselen van een obligatielening met een hoge rente tegen een obligatielening met een lage rente.
voordelen voor een onderneming van een converteerbare obligatielening 1) als de vermogensmarkt geen succesvolle aandelenemissie toestaat, is de converteerbare obligatielening een tussenvorm. 2) in de aanloopperiode van de investeringen financiert men via deze tussenvorm voorlopig met goedkoop vreemd vermogen want de rente is fiscaal aftrekbaar. 3) als er onzekerheden bestaan rond het te financieren project (kwalitatieve elasticiteit!). 4) er is indirect een hogere emissiekoers te bereiken dan bij een directe emissie. Maar een te hoge conversiekoers voedt de angst voor misleiding, want de koers moet natuurlijk wel gehaald kunnen worden.
premie boven de obligatiewaarde Bij een converteerbare obligatie kan de houder profiteren van de voordelen van aandelenbezit én van obligatiebezit. Gaat het goed met de onderneming dan kan hij converteren, anders behoudt hij zijn obligatie en blijft hij concurrente schuldeiser. De obligatiehouder heeft zo graag converteerbare obligaties dat hij bereid is een premie te betalen ten opzichte van een gewone obligatie van hetzelfde bedrijf.
conversiekoers De emissiekoers van aandelen voor de houder van een converteerbare obligatie.
conversie Het initiatief voor conversie ligt bij de obligatiehouder. Hij zal alleen converteren als de aandelenkoers gestegen is boven de conversiekoers.
afdwingen van conversie Als het motief voor de emissie van een converteerbare obligatie was dat een aandelenemissie onmogelijk was, dan heeft het bedrijf bij niet converteren de mogelijkheid tot vervroegde aflossing opgenomen, à pari of er iets boven. De onderneming heeft aldus invloed en kan een betere financiële planning maken.
antiverwateringsclausule Beschermt de houders van converteerbare obligaties tegen manipulatie door de ondernemingsleiding (uitgifte van stockdividend en bonusaandelen, nieuwe emissie tegen een relatief lage koers). Uitgifte van stockdividend leidt echter niet/nauwelijks tot koersaanpassing; het is eerder een vorm van vertrouwen in de toekomst. De ondernemingsleiding is er dus gerust op dat de conversiekoers in de toekomst wordt overschreden door de aandelenkoers, ondanks dat er meer aandelen in omloop zijn.
functie van de antiverwateringsclausule 1) waarborg dat het conversierecht niet wezenlijk wordt aangetast. 2) de onderneming kan de conversiekoers verlagen om conversie te bespoedigen of mogelijk te maken.
warrant Waardepapier waarin het recht is vastgelegd om gedurende een bepaalde periode tegen een vooraf vastgestelde koers, de uitoefenprijs, aandelen te kopen. De waarde van dit optierecht bestaat uit twee elementen: 1) de intrinsieke waarde: als de koers van het aandeel hoger is dan de uitoefenprijs. 2) tijdspremie (verwachtingswaarde): als men verwacht dat de aandelenkoers stijgt, terwijl men gedurende een bepaalde tijd verzekerd is van de uitoefenprijs. Naarmate de resterende looptijd korter wordt nadert de tijdspremie tot 0.
DIM-warrant Hierbij ligt de uitoefenprijs aanzienlijk beneden de actuele beurswaarde van het aandeel. Het warrant heeft dus meteen een intrinsieke waarde en het lichten van de optie op korte termijn is zeer waarschijnlijk. het geld per aandeel komt dus in twee fasen binnen: bij de plaatsing van de DIM-warrant en bij de uitoefening van het recht.
optie Het recht om gedurende een vaste periode een bepaald aandeel, goud, dollars, obligatie te kopen (call optie) of te verkopen (put optie) tegen een vaste, vooraf afgesproken koers.
falcon Langlopende optie.
fascon Kortlopende optie.
onderhands Niet openbaar.
onderhands bij banken 1) rekening-courantkrediet. 2) persoonlijke lening. 3) krediet op middellange termijn.
onderhands geldlenen bij particulieren Geïsoleerde ruil bij familie en bekenden.
liquiditeit In staat zijn om aan alle financiële verplichtingen op korte termijn te voldoen. Een liquiditeitentekort kan tot onmiddellijke ondergang van een bedrijf leiden.
gevoeligheidsanalyse Het berekenen wanneer de NCW omslaat van + naar - door één grootheid te veranderen ceteris paribus. Hierdoor kan bepaald worden met hoeveel de afzet mag dalen, met hoeveel de verkoopprijs mag dalen, met hoeveel de productiekosten mogen stijgen.
cashflow (netto ontvangsten) De liquiditeiten die vanwege de investering binnenkomt en die niet nodig zijn voor het handhaven van het investeringsproject. Bij het bepalen van deze nettokasstroom in het geval van een investeringsbeslissing gaat het vooral om het verschil van de werkelijke ontvangsten en uitgaven.
juridische fusie Het gehele vermogen gaat over op een nieuwe rechtspersoon of overblijvende rechtspersoon. Na de fusie bestaat er nog maar een rechtspersoon. Procedure: Het besluit wordt opgesteld. Het bestuur legt een voorstel neer bij KvK, bij de vennootschap en publiceert het in de krant. Na plaatsing is er een verzetstermijn van 1 maand (b.v voor de schuldeisers). Daarna nemen de aandeelhouders nemen een besluit.
goodwill De afwijking tussen de verkrijgingsprijs en de lagere intrinsieke waarde van een onderneming. Dit mag in 5 jaar worden afgeschreven of ineens afgeboekt worden ten laste van de (overige) reserves.
badwill De afwijking tussen de verkrijgingsprijs en de hogere intrinsieke waarde van een onderneming. Bij onderrentabiliteit toevoegen aan de overige reserves of laten vrijvallen ten gunste van de verlies- en winstrekening. Bij een lucky buy opnemen in een (herwaarderings)reserve.
waardebepaling op basis van de discounted cashflow methode Deze waardebepaling is op basis van de contante waarde van de cashflows. Het wordt gebruikt bij ondernemingen met erg dynamische product/marktcombinaties. Hierbij zijn de reactiesnelheid en flexibiliteit van het bedrijf belangrijk. Men berekent de waarde met de tweetraps- of Traasmethode: eerst berekent men de CW van de vrije (netto) kasstroom en deze waarde vermindert men met de CW van de rente- en aflosingsverplichtingen.
bedrijfsfusie De overdracht van activa en passiva aan een bestaande of nieuw op te richten onderneming. In dit voorbeeld worden alle activa en alle passiva van Zaan en Stad overgedragen aan de nieuwe onderneming Zaanstad. Zaan: draagt € 5 mln aan activa en € 2 mln aan schulden over en krijgt hiervoor aandelen ter waarde van € 3 mln; Stad: draagt € 6,2 mln aan activa en € 2,6 mln aan schulden over en krijgt hiervoor aandelen ter waarde van € 3,6 mln. De toekomstige winsten worden dus verdeeld op basis van de intrinsieke-waarde-inbrengverhouding. De balans van Zaanstad is de optelling van de balansen van Zaan en Stad. Zaan en Stad zijn de houdstermaatschappijen, Zaanstad is de werkmaatschappij.
aandelenfusie De overdracht van aandelen. Alle aandelen van Zaan en Stad moeten in één hand komen. Dat kan in een nieuwe onderneming (geeft een psychologisch voordeel) maar een van de partners kan ook zelf als houdstermaatschappij optreden (= goedkoper). Procedure: In een fusiebericht worden de aandeelhouders in kennis gesteld; de aandeelhouders kunnen hun aandelen tegen een bepaalde prijs ter beschikking stellen of inwisselen; er wordt een Algemene Vergadering van Aandeelhouders belegd. De fusie gaat niet door als er te weinig aandelen worden aangeboden.
waarderingsvraagstuk Is belangrijk omdat de oude eigenaren/aandeelhouders een fusie of overname als een verkoop zien. De waardering zorgt voor een objectieve basis van de prijsbepaling.
waardebepaling op basis van Vervangingswaarde Op de balans staan de activa op basis van de aanschafwaarde. Herwaarderen is dus nodig om de actuele waarde te bepalen. Let op de fiscale claims en de lagere winst door hogere afschrijvingen. Hierdoor wordt de rentabiliteit slechter. Analyseer ook de afschrijvingen goed. Geringe(re) afschrijvingen kunnen het gevolg zijn van verminderde investeringen. Hierdoor kan de winst en rentabiliteit geflatteerd zijn. De herberekende intrinsieke waarde (het EV op de balans) wordt vaak als minimumverkoopprijs gezien.
waardebepaling op basis van de Marktprijs van de aandelen Bij een open NV kijkt men niet zozeer naar de IW, maar naar de rendementswaarde. De rendementswaarde is de marktprijs van het aandeel: de koers. Als de rentabiliteitswaarde (CW van de toekomstige winsten) hoger dan de rendementswaarde (de beurswaarde), is medewerking van aandeelhouders te verwachten.
waardebepaling op basis van de opbrengstwaarde De economische waarde is de contante waarde van toekomstige opbrengsten van het bezit. De waarde van een onderneming kan men dus gelijk stellen aan de CW van toekomstige winsten.
fusie De samenwerking en financieel-economische samensmelting komt tot stand op basis van gelijkheid.
overname Er is geen sprake van een gelijkheid maar van een koper/verkoper-verhouding.
synergie Het resultaat van de samenwerking is groter dan de resultaten van de individuele ondernemingen samengeteld.
fasen in het fusie/overnameproces Motieven, waardebepaling, uitvoeringstechniek.
kapitalisatie De vaststelling van de grootte van het nominale aandelenkapitaal.
financiële reorganisatie De ingrijpende verandering in omvang en samenstelling van het vermogen en een aanpassing aan gewijzigde omstandigheden. Dit is nodig/wenselijk bij: 1) kapitaalverwatering. 2) onderkapitalisatie. 3) overkapitalisatie.
kapitaalverwatering Als het ingebrachte (nominale) aandelenkapitaal niet meer in effectieve vorm aanwezig is (verliezen, te hoge waardering van de activa). Een financiële reorganisatie is dan nodig om het zichtbare en onzichtbare verlies weg te werken. Oplossing: inkopen van eigen aandelen (als er genoeg liquide middelen zijn) of het aandeel afstempelen. Er is dan wel een aanpassing van de statutaire winstverdelingsregeling nodig. Let op: het nieuwe dividend geldt daarna ook voor nieuwe aandeelhouders.
onderkapitalisatie (ondernominalisatie) Het nominale aandelenkapitaal vertoont een wanverhouding ten opzichte van het veel grotere totale eigen vermogen. Hierdoor ontstaat een meer dan normaal dividendpercentage. Nadelen van onderkapitalisatie zijn: 1) een verkeerde beeldvorming. De hoge reserves kunnen het gevolg zijn van zeer bescheiden dividenduitkeringen in het verleden (winstinhouding). Dit leidt op den duur tot een hoog dividendpercentage over het nominale aandelenkapitaal. 2) mogelijke emissieproblemen. Hoge dividendpercentages leiden tot hoge aandelenkoersen. Bij een emissie moet de koers hoog zijn om het vermogen van de oude aandeelhouders niet aan te tasten. Oplossing: uitgifte van bonusaandelen ten laste van de reserves of coupureverkleining zodat de aandelen optisch goedkoper worden.
overkapitalisatie Een bedrijf heeft veel meer vermogen aangetrokken dan ze in eigen bedrijf rendabel kan aanwenden. Hierdoor komt de rentabiliteit onder druk. Oplossing: aanwenden van de middelen als dat kan.
dynamische liquiditeit De ingaande geldstroom is groot genoeg om de uitgaande geldstroom te financieren.
statische liquiditeit (balansliquiditeit) Het liquiditeitsbeeld op het balansmakingsmoment.
netto werkkapitaal Het deel van de vlottende activa dat gefinancierd is met lang (eigen of vreemd) vermogen. In principe dient lang vermogen om de vaste activa te financieren. Dus het nettowerkkapitaal is het verschil tussen het lange vermogen en de vaste activa.
current ratio De verhouding tussen de vlottende activa (inclusief liquide middelen) en de vlottende passiva (kortlopende schuld. De overwaarde hiervan hangt af van de samenstelling van de vaste activa en de aard van het bedrijf.
working capital ratio Nettowerkkapitaal / vlottende passiva
quick ratio De verhouding tussen de vlottende activa minus voorraden en de vlottende passiva. Dit neutraliseert het voorraadprobleem van de current ratio.
window dressing Het oppoetsen van de balansliquiditeit door b.v. de bankschuld (gedeeltelijk) af te lossen. De teller en noemer worden beide kleiner, maar de verhouding van de current ratio wordt beter.
cash flow De binnenkomende stroom liquiditeiten die niet direct nodig zijn voor lopende uitgaven. Is de nettowinst na belasting plus de voorzieningen plus de afschrijvingen.
rentabiliteit Is van doorslaggevende betekenis voor het voortbestaan op lange(re) termijn.
RTV De verhouding tussen de ondernemingswinst inclusief betaalde rente en tantièmes voor aftrek van belastingen en het totale ondernemingsvermogen (EV + VV).
REV De verhouding tussen de winst na belastingen toekomend aan de eigenvermogenverschaffers en het gemiddeld geïnvesteerd eigen vermogen.
RVV De kostenvoet van het vreemde vermogen. Het is de verhouding tussen de ondernemingswinst toekomend aan de vreemdvermogenverschaffers (= de betaalde rente!) en het gemiddels geïnvesteerde vreemde vermogen.
financieel hefboomeffect Het verschil tussen de RTV en de RVV komt ten goede of ten laste van het REV. Het versterkt winsten als het goed gaat en verliezen als het slecht gaat.
financiële hefboomfactor VV/EV Bepaalt in welke mate men van de hefboomwerking van de vermogensstructuur gebruik maakt.
financieringsfiguur De vorm van vermogensoverdracht. Deze wordt mede door kostenoverwegingen bepaald.
kritische termijn De termijn waarbij het uit kostenoverwegingen onverschillig is of men LVV of KVV aantrekt. Deze is moeilijk toepasbaar vanwege eenzijdige accentuering van de kosten, de cirkelredenering (men kan het aan te trekken bedrag op lange termijn pas bepalen als men de kritische termijn kent) en de verwaarlozing van de financieringsdynamiek.
solvabiliteit De mate waarin een onderneming in staat is de schulden af te lossen in geval van faillissement of liquidatie. Het is de verhouding tussen de liquiditeitswaarde van de activa en het vreemde vermogen. Hoe hoger deze verhouding, hoe beter.
debt ratio VV/TV De schuldverhouding. Hoe hoger deze verhouding, hoe slechter de solvabiliteit en hoe hoger de eisen gesteld aan het weerstandsvermogen. In geval van liquidatie worden de voorzieningen meestal als VV aangemerkt vanwege loskomende claims.
voorzieningen Risico's en verplichtingen waarvan de grootte en het tijdstip niet exact bepaalbaar zijn, zoals dubieuze debiteuren, garantie, lopende rechtszaak.
weerstandsvermogen De mogelijkheid om ook in ongunstige tijden stand te houden en een faillissement te voorkomen. Het weerstandsvermogen is groter naarmate men minder vaste verplichtingen heeft voor aflossing, rente, huur, lease.
formele reserve Een eigenvermogenssurplus op de creditzijde van de balans, zoals agio-, herwaarderings- en winstreserve.
materiële reserve Activa die in vrij liquide vorm aanwezig zijn en zonder hoge kosten om te zetten zijn in primaire liquiditeiten.
liquiditeitsbegroting Heeft betrekking op ontvangsten en uitgaven. WEL in de liquiditeitenbegroting: investeringen en aflossingen (op het moment van betalen), NIET in de liquiditeitenbegroting: afschrijvingen (geen uitgave) en geen Opbrengst verkopen (nog niet betaald). De periode van een liquiditeitsbegroting moet kort zijn anders zou de inkomende geldstroom groot genoeg kunnen zijn voor de uitgaande geldstroom. Uit de liquiditeitsbegroting blijkt de mutatie en het eindsaldo van de liquide middelen.
financieel meerjarenplan Bezien welke gevolgen de voorgenomen ondernemingsbeslissingen hebben op de financiering ervan en op welke termijn.
middellangetermijnplanning Is afgeleid van het langetermijnplan en heeft een duur van ongeveer 3-4 jaar. Het dient ter bepaling van de vermogensbehoefte op lange en middellange termijn en hoe erin te voorzien: ondernemend of niet-ondernemend vermogen en kierzen uit de verschillende financieringsfiguren.
verband kapitaalstructuur en vermogensstructuur De risico's voor de vermogensverschaffers bepalen de mogelijkheid en kosten van vermogensverkrijging. De risico's zijn tevens afhankelijk van de vermogensstructuur (vee/weinig EV) en de aard van de investeringen.
kwalitatieve elasticiteit De mogelijkheid om de ene financieringsfiguur te vervangen door een andere.
kwantitatieve elasticiteit De mogelijkheid om de vermogensomvang aan de behoefte aan te passen.
maximale leencapaciteit Hoeveel schuld kan een onderneming nog hebben zonder dat de aflossing en rentebetaling gevaar loopt. Dit is afhankelijk van: a) beoordeling van de risico's door de vermogensverschaffers. Hierbij weegt de kwaliteit van de ondernemer of het management zeer zwaar. b) de prognose van de kasstroom. c) de prognose van de rentabiliteit. Er kan een minimale REV of ROI worden vastgesteld.
dividendbetaling Vermindert het nettowerkkapitaal; de liquiditeiten dalen of de bankschuld stijgt.
specifieke kortetermijnplanning Voor een zeer nabij, korte periode aangeven wanneer en door wie een bepaalde handeling moet worden verricht.
algemene kortetermijnplanning Als men voor een nabije, korte periode de afzet, productie, inkoop of financieringsmogelijkheden raamt.
bottleneck De moeilijkst te realiseren activiteit.
Concurrentie Het proces van wedijver om de gunst van de afnemers.
Concurrentiebepalende factoren De factoren die invloed uitoefenen op de intensiteit van de concurrentie.
Concurrentiepositie De mate waarin een onderneming op lange termijn in staat is om alle belanghebbenden (eigenaren, werknemers, afnemers, leveranciers, overheid) tevreden te stellen.
Externe concurrentie Concurrentie die zich afspeelt tussen bedrijfstakken in een bedrijfskolom.
Heterogene markt/producten Gelijksoortige producten die in de ogen van de afnemers onderlinge verschillen vertonen.
Homogene markt/producten Gelijksoortige producten die in de ogen van de afnemers geen onderlinge verschillen vertonen.
Interne concurrentie Concurrentie tussen ondernemingen die behoren tot dezelfde bedrijfstak.
Kartel Overeenkomst tussen zelfstandige ondernemingen om de concurrentie te beperken.
Markt Het geheel van betrekkingen tussen vragers en aanbieders van een bepaald product.
Potentiële concurrentie Concurrentie die mogelijk ontstaat door toetredende ondernemingen of door substituutproducten.
Waardesysteem De toegevoegde waarde in de hele bedrijfskolom.
Basisbehoeften Behoeften die gericht zijn op het fysieke voortbestaan.
Conjunctuur De regelmatige afwisseling van periodes met een hoge en minder hoge groei van het nationaal inkomen.
Consumentenvoorkeuren Prioriteiten in het aankoopgedrag van consumenten.
Consumptiepatroon De samenstelling van het consumptiepakket ter bevrediging van de behoeften.
Inferieure goederen Goederen met een negatieve inkomenselasticiteit.
Inkomenseffect De toename van de koopkracht van het inkomen door een prijsdaling van producten.
Inkomenselasticiteit van de vraag De verandering van de vraag naar een product als gevolg van en gedeeld door de verandering van het inkomen.
Integrale ketenbeheersing De invloed die grote (merk)fabrikanten uitoefenen op het productieproces van toeleveranciers en afnemers.
Kopersstaking Plotselinge onverklaarbare stagnatie in de vraag.
Kruiselingse elasticiteit Het verband tussen de afzet of omzet van een product en de prijs van een ander product.
Levensstijl Min of meer samenhangende normen- en waardenpatronen die invloed uitoefenen op het (koop)gedrag van individuen.
Overige behoeften Behoeften die gericht zijn op veiligheid, sociale relaties, waardering en zelfontplooiing.
Prijselasticiteit van de vraag De relatieve verandering van de vraag naar een product gedeeld door en als gevolg van een relatieve verandering van de prijs.
Seizoenpatroon Wisselende vraag als gevolg van klimatologische factoren.
Substitutie-effect De verdringing van producten door een prijsverlaging van een ander product.
Vraagfunctie Het verband tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid van een goed.
Arbeidsbesparende technieken Productiewijzen die leiden tot een minder grote arbeidsintensiteit.
Belichaamde technische kennis Technische kennis die een onderneming door middel van investeringen aankoopt.
Bezettingsgraad Het quotient van de werkelijke bedrijfstijd en de normale bedrijfstijd.
Constante kosten Kosten die onafhankelijk zijn van de productieomvang op korte termijn.
Doorbraaktechnologie Ontwikkeling van producten die toepassingen vinden in vrijwel alle producten en productieprocessen.
Gemiddelde kosten Het quotient van totale kosten en productieomvang TK/q.
Heterogene arbeid Specialistische, meestal hooggeschoolde arbeid die tot vaste kosten leidt.
Homogene arbeid Routinematige arbeid waarvoor voldoende, meestal lagere opleidingen bestaan. Deze arbeid wordt beschouwd als variabele kosten.
Kennisdiffusieproces Verspreiding van kennis tussen ondernemingen en onderzoeksinstellingen.
Kostenfunctie Het verband tussen de kosten en de productieomvang.
Leereffecten Kostenvoordelen die samenhangen met ervaring met productieprocessen.
Minimumefficiencyschaal De kleinste capaciteit met de laagste gemiddelde totale kosten.
Onbelichaamde technische kennis Technische vernieuwing door middel van R&D.
Onderbezetting Onvolledige bezetting van de productiecapaciteit.
Overbezetting Hogere productie dan de normale bezetting van de capaciteit toelaat.
Planningcurve Curve die de minima van de gemiddeldetotalekostencurven op lange termijn verbindt.
Proportionele variabele kosten Variabele kosten die evenredig stijgen met de productieomvang.
Schaalvoordelen Kostenvoordelen door uitbreiding van de productieomvang.
Synergie-effecten Schaalvoordelen voortvloeiend uit samenhangen tussen producten of productieprocessen.
Techniek Een bepaalde combinatie productiefactoren waarmee een product voortgebracht kan worden.
Technische ontwikkeling Het ontwikkelen van producten of productiewijzen door middel van R&D.
Technisch onderzoek Fundamenteel onderzoek naar nieuwe producten en productieprocessen.
Variabele kosten Kosten die varieren met de productieomvang.
Wet van toe- en afnemende meeropbrengsten Bij een toename van de productieomvang aanvankelijk afnemende en vervolgens toenemende gemiddelde variabele kosten.
Economische orde Het geheel van waarden, normen en instituties die het economisch handelen bepalen.
Externe effecten Effecten van het gebruik van goederen en diensten die verder strekken dan de gebruiker.
Instituties Wet- en regelgeving en de instellingen die de wet- en regelgeving opstellen en uitvoeren.
Kartel Overeenkomst tussen zelfstandige ondernemingen om de concurrentie te beperken.
Marktfalen Het onvermogen van het marktmechanisme om in goederen en diensten te voorzien waarvan het gebruik ondeelbaar is en waarvan de kosten niet individueel toerekenbaar zijn.
Marktimperfectie De tegenstrijdigheid van het marktproces met collectieve waarden en normen.
Marktmechanisme Transacties en informatie tussen economische actoren verlopen via de markt.
Normen Richtlijnen voor het gedrag.
Planeconomie Economische orde waarbij de transacties en informatie tussen economische actoren door de overheid worden bepaald.
Waarden Uiteindelijke doelstellingen van het gedrag.
Basisproductiefactoren Productiefactoren waarover elk land van nature beschikt, zoals ligging, klimaat en bevolkingsomvang.
benchmarking Een continu, systematisch proces om prestaties van een organisatie (onderneming of een non-profitinstelling zoals een school of ziekenhuis) maximaal te verbeteren door prestatieniveaus, processen en werkwijzen te vergelijken met - onder meer - vergelijkbare organisaties die toonaangevend zijn in de samenleving.
Cluster Samenhangend geheel van bedrijven en ondersteunende instellingen binnen een bedrijfstak of een geheel van verbonden bedrijfstakken, waarbinnen zowel wordt samengewerkt als geconcurreerd.
Co-design Het ontwikkelen van producten door toeleverancier en uitbesteder gezamenlijk.
Co-makership De samenwerking bij het maken van producten.
Concentratie Het samengaan van ondernemingen waardoor de productiebeslissingen in minder beslissingscentra genomen worden.
Conglomeratie Het ontwikkelen van activiteiten in geheel verschillende bedrijfstakken en in verschillende geledingen van de bedrijfskolom.
Consortium Samenwerking van een aantal ondernemingen ten behoeve van een bepaald project.
Coöperatie Vereniging die een bedrijf uitoefent ten behoeve van de leden.
Diversificatie Het ontwikkelen van activiteiten in een andere bedrijfskolom.
Dynamiek (van een bedrijfstak) Veranderingen in een bedrijfstak. Ook wel het vermogen om op lange termijn voldoende concurrentiekracht te verwerven of te behouden.
Franchising Samenwerking tussen ondernemingen waarbij een onderneming tegen betaling bepaalde voorzieningen, zoals verkoopbevordering, producten en service, ter beschikking stelt van andere zelfstandige ondernemingen.
Fusie Het samengaan van twee gelijkwaardige ondernemingen tot een nieuwe onderneming.
Geavanceerde productiefactoren Productiefactoren die ontwikkeld moeten worden, zoals kennis en scholing.
Groeifase Fase van de productlevenscyclus waarin de afzet van een product een snelle groei doormaakt.
Innovatieconcurrentie Het ontwikkelen van een volledig nieuw product waardoor een nieuwe markt ontstaat.
Innovatiemonopolist Onderneming die als eerste een product op de markt brengt en daarom een monopoliepositie bekleedt.
Integratie Uitbreiden van de activiteiten in andere geledingen van de bedrijfskolom.
Introductiefase De eerste fase van de productlevenscyclus waarin het product op de markt verschijnt.
Joint venture Gezamenlijke dochteronderneming.
Netwerken Samenwerkingsverbanden tussen zelfstandige ondernemingen buiten de markt om.
Kostenleiderschap Strategie waarbij ondernemingen streven naar een kostenniveau onder dat van de concurrenten.
Limit pricing Strategie waarbij een onderneming de prijs onder de kosten van de concurrenten houdt teneinde toetreding te voorkomen.
Parallellisatie Het ontwikkelen van activiteiten in dezelfde geleding van een andere bedrijfskolom.
Patent Het alleenrecht van productie gedurende een bepaalde periode.
Prijsleider Onderneming die de prijs vaststelt waarnaar de bedrijfstakgenoten zich richten.
Productlevenscyclus De beschrijving van de afzet van een product volgens een natuurlijk groeipatroon.
Rijpheidsfase Fase van de productlevenscyclus waarin de groei van de afzet stagneert en afneemt.
Rivaliserend gedrag Gedrag waarbij ondernemers wedijveren om een zo groot mogelijk marktaandeel.
Sleutelfactoren voor het succes Concurrentiebepalende variabelen die in een bepaalde bedrijfstak van groot belang zijn voor de concurrentiepositie van individuele ondernemingen.
Strategische planning Het opstellen van doelstellingen en een strategie voor een onderneming.
Stagnatiemonopolie Monopoloïde marktvorm in de teruggangsfase van de productlevenscyclus.
Teruggangsfase Fase van de productlevenscyclus waarin de afzet daalt.
Verdedigbaar concurrentieel voordeel Voordeel waarmee een onderneming zich gedurende enige tijd kan onderscheiden van haar concurrenten.
Vrijwillig filiaalbedrijf Vereniging uitgaande van een grossier, bij wie individuele ondernemingen zich kunnen aansluiten.
Winsterosie Dalingen van de winst uitgelokt door prijsdalingen.
Verzonken kosten De relatief hoge kosten die zijn gemaakt voor reclame, het opbouwen van de goodwill, de ontwikkeling van speciale productiemiddelen, research enzovoort welke bij eventuele sluiting van de onderneming aanzienlijk minder opbrengen dan hun boekwaarde of de in de loop der jaren daarin geïnvesteerde kosten. Zij vormen aldus dikwijls niet alleen een drempel voor het verlaten van de bedrijfstak maar eveneens een barrière voor eventuele toetreders.