Economische verbanden

Economie kent veel verbanden. In onderstaande schema staan een aantal van die verbanden. Onder het schema zijn de verbanden verduidelijkt. De “+” en de “-” geeft aan of er een positief of negatief verband bestaat tussen het ene verschijnsel (de oorzaak) en het andere verschijnsel (het gevolg).

“+” wil zeggen dat oorzaak en gevolg dezelfde kant op bewegen: een stijging bij de oorzaak geeft een stijging bij het gevolg en andersom: dan dalen beide.

“-” wil zeggen dat oorzaak en gevolg tegenstrijdig bewegen: een stijging bij de oorzaak geeft een daling bij het gevolg en andersom.

Pijl 1. Van prijzen naar rente, een positief verband

Verklaring pijl 1. Als de prijzen stijgen, daalt de koopkracht van het geld. Hierdoor zijn mensen minder bereid om geld uit te lenen waardoor het aanbod van geld daalt. Het gevolg is dat de prijs van geld, de rente, zal stijgen.

Pijl 2. Van rente naar beleggers, een positief verband

Verklaring pijl 2. Als de rente stijgt, is dat aantrekkelijker voor beleggers. Zij verdienen steeds meer aan hun beleggingen.

Pijl 3. Van rente naar consumptie, een negatief verband

Verklaring pijl 3. Als de rente stijgt, wordt lenen duurder en sparen aantrekkelijker. Gezinnen zullen minder lenen voor duurzame goederen en meer gaan sparen waardoor zij minder zullen consumeren.

Pijl 4. Van rente naar investeringen, negatief verband

Verklaring pijl 4. Als de rente stijgt, wordt lenen duurder en omdat bedrijven vaak lenen voor hun investeringen, worden de investeringen duurder en kunnen ze niet meer rendabel zijn. Daarom worden investeringen niet meer gedaan bij een hoge rente.

Pijl 5. Van consumptie naar productie, een positief verband

Verklaring pijl 5. Als de consumptie stijgt, moeten er meer consumptiegoederen geproduceerd worden.

Pijl 6. Van investeringen naar productie, een positief verband

Verklaring pijl 6. Als de investeringen stijgen, moeten er meer investeringsgoederen geproduceerd worden.

Pijl 7. Van productie naar werkgelegenheid, een positief verband

Verklaring pijl 7. Als er meer geproduceerd moet worden, moeten er meer productiefactoren ingezet worden. Arbeid is één van de productiefactoren dus is er meer arbeid nodig.

Pijl 8. Van beleggers naar wisselkoers, een positief verband

Verklaring pijl 8. Als er meer buitenlandse beleggers naar een land komen, moeten die hun valuta omwisselen. De vraag naar de munt van het land stijgt en daardoor stijgt prijs = de wisselkoers van die munt.

Pijl 9. Van wisselkoers naar concurrentiepositie, een negatief verband

Verklaring pijl 9. Een hoge wisselkoers betekent dat de munt voor het buitenland (erg) duur is. Als het buitenland in het land goederen wil kopen, moeten ze die dure munt kopen en daardoor worden de goederen duurder. Hoe duurder de goederen voor het buitenland zijn, hoe slechter de concurrentiepositie is.

Pijl 10. Van wisselkoers naar prijzen, een negatief verband

Verklaring pijl 10. Een dure munt is nadelig voor de export, maar voordelig voor de import: het land kan goedkoper goederen importeren en dit vertaalt zich naar lagere prijzen.

Pijl 11. Van prijzen naar concurrentiepositie, een negatief verband

Verklaring pijl 11. Als de prijzen in een land stijgen, worden ze duurder voor het buitenland. Hoe duurder de goederen voor het buitenland zijn, hoe slechter de concurrentiepositie is.

Pijl 12. Van concurrentiepositie naar export, een positief verband

Verklaring pijl 12. Hoe beter de concurrentiepositie van een land is, hoe beter er geconcurreerd kan worden met het buitenland. Hierdoor stijgt de export van het land.

Pijl 13. Van concurrentiepositie naar import, een negatief verband

Verklaring pijl 13. Als jouw land goed kan concurreren met het buitenland, omdat je prijzen gunstig zijn, is er minder reden om goederen in het buitenland te kopen. De import daalt.

Pijl 14. Van export naar productie, een positief verband

Verklaring pijl 14. Als de export stijgt, moeten er meer goederen geproduceerd worden voor het buitenland.

Pijl 15. Van import naar productie, een negatief verband

Verklaring pijl 15. Goederen die in het buitenland gekocht worden, hoeven in eigen land niet geproduceerd te worden.

Pijl 16. Van productie naar import, een positief verband

Verklaring pijl 16. Hoe meer goederen er in een land geproduceerd worden, hoe meer grondstoffen en/of halffabricaten er nodig zijn. Als die goederen uit het buitenland gehaald moeten worden, stijgt dus de import.

Pijl 17. Van import naar wisselkoers, een negatief verband

Verklaring pijl 17. Meer import betekent dat het land meer moet betalen aan het buitenland. Hiervoor moet het land zijn munt omwisselen tegen een andere munt: meer aanbod van een munt betekent een lagere wisselkoers.

Pijl 18. Van export naar wisselkoers, een positief verband

Verklaring pijl 18. Meer export betekent dat het buitenland meer moet betalen aan het land. Hiervoor moet het buitenland zijn munt omwisselen tegen onze munt: meer vraag naar onze munt betekent een hogere wisselkoers.

#

Print Friendly, PDF & Email