Een luxe verzorgingsstaat waarin de koopkracht almaar stijgt? Een utopie, en wel hierom

Opinie Yvonne Hofs

Het is niet reëel om meer koopkracht te eisen en tegelijk steeds meer te verwachten van de publieke voorzieningen. Uiteindelijk is de verzorgingsstaat een sigaar uit eigen doos.

Yvonne Hofs, De Volkskrant, 28 september 2018

Foto Rhonald Blommestijn

Nederlanders zijn best verwend. We verlangen ten eerste dat de overheid eersteklas publieke voorzieningen biedt. Snelwegen van zacht zoevend asfalt, fijnmazig en betrouwbaar openbaar vervoer, uitstekende en laagdrempelige gezondheidszorg… noem maar op. Tegelijkertijd willen we liever niet te veel belasting betalen, want als het besteedbaar inkomen en de koopkracht dalen, zijn we teleurgesteld.

Onlangs zei bijna 60 procent van het EenVandaag-opiniepanel niets te merken van de economische groei van de afgelopen jaren. Toen het kabinet op Prinsjesdag 1,5 procent koopkrachtstijging in het vooruitzicht stelde, waren veel reacties op sociale media sceptisch. ‘Daar kunnen we dan mooi die duurdere zorgverzekering en duurdere energie van betalen’, mopperde een vrouw. Iemand anders klaagde: ‘Mijn loonstrookje verandert niet, maar ik moet wel meer BTW en zorgpremie betalen.’

Met die paradoxale eisen (de overheid moet topkwaliteit leveren, maar het mag niet te veel kosten) brengen kiezers elke regering in een onmogelijke spagaat. De oppositiepartij die gouden bergen belooft, is steevast spekkoper bij de volgende stembusgang.

Hoewel, het kabinet gaat dit keer niet vrijuit. Dat suggereert zelf dat de koopkracht nu echt omhoog moet. Om die koopkrachtstijging waar te maken, geeft Rutte-III meer uit dan op lange termijn verstandig is, schrijven het Centraal Planbureau en de Raad van State in de kantlijn van de Miljoenennota. Het kabinet verhoogt de uitgaven, verlaagt de belastingen en gokt op financiële meevallers om er toch een begrotingsoverschot uit te persen. Een riskante strategie, want het economische tij is volgens het CPB al over het hoogtepunt heen. Maar ach, denkt het kabinet: na ons de zondvloed. Eerst de volgende verkiezingen winnen.

Dat lusten gepaard gaan met lasten zijn we misschien een beetje vergeten. Tot circa 2008 gingen de stijging van de overheidsuitgaven en de opbouw van de verzorgingsstaat grosso modo hand in hand met toenemende koopkracht en welvaart voor Nederlandse huishoudens. Maar die vlieger gaat om vier redenen niet langer op:

  1. De klad zit in de groei van onze arbeidsproductiviteit

Sinds de jaren vijftig zijn Nederlanders – met dank aan de mechanisering, schaalvergroting en digitalisering – per persoon steeds meer goederen en diensten gaan produceren. Als de productie per werkende stijgt, schept dat ruimte voor loonstijgingen en daarmee voor koopkrachtverbetering.

Die loonruimte is gekrompen, doordat de arbeidsproductiviteit in Nederland steeds langzamer groeit. Begin jaren zeventig steeg die rond de 5 procent per jaar, de laatste jaren nog maar 0,8 procent per jaar. Het effect van de ict-revolutie is uitgewerkt en een nieuwe productiviteitsverhogende ontwikkeling is niet in zicht.

De arbeidsproductiviteit groeide ook doordat Nederlanders beter geschoold raakten. Het aandeel hoogopgeleiden nam decennialang zeer snel toe, van 2 procent in de jaren zestig tot 20 procent in de jaren negentig en 30 procent nu. Daar zit weinig rek meer in. Bijna iedereen die de hersens heeft om een hbo- of universitaire opleiding te voltooien, doet dat tegenwoordig.

  1. Het aantal gewerkte uren per Nederlander stijgt amper meer

De afgelopen decennia is de koopkracht van huishoudens én de arbeidsproductiviteit flink gestegen doordat vrouwen betaalde banen zochten. Gezinnen waar twee salarissen binnenkomen, hebben meer te besteden dan huishoudens met een eenverdiener. Maar de arbeidsdeelname van vrouwen stagneert. De laatste jaren zijn jonge vrouwen niet veel extra uren gaan werken. De deeltijdcultuur is hardnekkig in Nederland. Het is ook een welvaartsverschijnsel: de meeste Nederlandse gezinnen hebben genoeg aan anderhalf inkomen om rond te komen.

Dat de arbeidsparticipatie de afgelopen jaren toch flink steeg, kwam doordat veel werklozen een baan vonden. In de Grote Recessie van 2009-2013 raakten veel Nederlanders werkloos. Inmiddels zijn bijna al die mensen opnieuw aan het werk gegaan. De werkloosheid is nu weer laag en daalt al zes maanden niet meer, dus lijkt de meeste rek ook wel uit de arbeidsparticipatie te zijn.

  1. Het aardgas (gratis geld voor iedereen) is op

De Nederlandse overheid had meer dan vijftig jaar een geldboom in het hoge noorden staan. De gaskraan in Groningen gaat dicht en daarmee droogt de bron van ‘gratis geld voor iedereen’ definitief op. Medio jaren tachtig waren de gasbaten goed voor meer dan 16 procent van de inkomsten van de rijksoverheid. Infrastructuur, onderwijs, defensie, gezondheidszorg: decennialang kon de overheid een groot deel van die voorzieningen financieren door aan de Groningse geldboom te schudden. Die boom is omgehakt. Voortaan moeten we alle uitgaven uit eigen zak betalen.

  1. Steeds meer burgers en bedrijven betalen weinig belasting

Aan de inkomstenkant heeft de overheid nog een probleem: een groeiend percentage belastingplichtigen betaalt relatief weinig belasting. Dat komt ten eerste door de vergrijzing. Gepensioneerden dragen minder bij aan de schatkist dan werkenden, omdat zij geen AOW-premie betalen. Anderzijds doen zij een groter beroep op diezelfde schatkist, want zij ontvangen AOW en maken meer gebruik van de gezondheidszorg. Financieel gezien is het dus ongunstig dat het aantal gepensioneerden in Nederland stijgt en de beroepsbevolking gaat krimpen. Nu staan er nog drie werkenden tegenover elke gepensioneerde, in 2040 zal dat twee op één zijn.

Nederland telt ook steeds meer zzp’ers. Ook zij betalen relatief weinig belasting, omdat zij meer fiscale aftrekposten hebben dan werknemers. Zzp’ers bouwen minder pensioen op en moeten op hoge leeftijd vaker rondkomen van alleen een AOW-uitkering. Hun inkomen is gemiddeld ook lager dan dat van werknemers. Daardoor doen ze zowel voor als na hun pensioen vaker een beroep op inkomenssubsidies als huur- en zorgtoeslag. Die toeslagen worden betaald met belastinggeld, dus vooral door de slinkende groep belastingplichtigen die wél de volle mep betaalt. In 2006 gaf de overheid nog 4,5 miljard uit aan die toeslagen, tien jaar later al 7,5 miljard euro.

De belastingdruk voor Nederlanders stijgt ook, omdat bedrijven relatief steeds minder bijdragen. Huishoudens kregen in de periode 1998-2013 tweederde van alle belasting- en premieverhogingen voor hun kiezen; twee keer zoveel als het bedrijfsleven. In 2013 financierden huishoudens per saldo 83 procent van alle overheidsuitgaven en bedrijven 13 procent. In 2001 was dat 70 procent en 23 procent. Het huidige kabinet verlaagt de vennootschapsbelasting en schaft de dividendbelasting af. De verhoging van het lage btw-tarief wentelen bedrijven deels af op hun klanten, de burgers. Bedrijven kunnen de hogere btw immers doorberekenen, consumenten niet.

Foto Rhonald Blommestijn

We zijn de laatste jaren dus nauwelijks productiever geworden en per persoon ook niet meer uren gaan werken. Desondanks verwachten we dat onze lonen en koopkracht stijgen. Terwijl tegelijkertijd steeds minder mensen en bedrijven voldoende belasting betalen om alle overheidsvoorzieningen te bekostigen. Als het niet uit de lengte komt, zal het uit de breedte moeten komen: dan moet de overheid zuinig aan doen. Maar het tegendeel gebeurt: de overheidsuitgaven dijen steeds verder uit. Dat heeft vier oorzaken:

  1. De overheidsuitgaven zijn heel moeilijk in de hand te houden

Een neveneffect van de arbeidsparticipatie van vrouwen is dat allerlei taken die vrouwen vroeger onbetaald deden (huishoudelijk werk, verzorging van ouderen en zieken, kinderopvang), nu door betaalde krachten worden verricht. Econoom Flip de Kam schreef in 2008: ‘Ouders van jonge kinderen en mensen met zorgbehoeften kopen massaal diensten in die tot voor kort zonder financiële vergoeding door buren en familieleden werden verleend. Veel van deze mantelzorg is inmiddels gemonetariseerd, waarbij belasting- en premiebetalers voor de rekening opdraaien.’

Dat vrouwen niet langer veroordeeld zijn tot het aanrecht is een groot goed, maar betekent wel dat kosten die vroeger voor privérekening kwamen nu op het collectief worden afgewenteld. De kosten van de ouderen- en gehandicaptenzorg en de kinderopvang worden deels door de overheid betaald. De individuele kosten van collectieve voorzieningen zijn laag, omdat de gebruikers de rekening grotendeels op ‘de maatschappij’ kunnen afschuiven. Dat verlaagt de drempel voor het gebruik van die voorzieningen. Nederlanders ervaren bijvoorbeeld geen direct verband tussen hun eigen medicijngebruik en de stijgende zorgpremies.

De gezondheidszorg is de omvangrijkste kostenpost op de rijksbegroting en die groeit jaarlijks. Het vorige kabinet heeft die kosten afgeremd, maar volgend jaar gaan ze alweer met 4,7 procent omhoog, voorspelt het CPB. Een van de oorzaken is de al eerder genoemde vergrijzing: ouderen gebruiken meer zorg dan jongeren. Daarnaast komen er constant nieuwe behandelingen en medicijnen op de markt. Dat is fijn voor de patiënten die ermee geholpen kunnen worden, maar het leidt wel tot hogere zorgkosten. Bezuinigen op de gezondheidszorg is net zo moeilijk als mediagenieke asielkinderen het land uitzetten. Journalist Hugo Borst peuterde meer dan 2 miljard euro voor de verpleegzorg los door de wantoestanden in het verpleeghuis van zijn moeder te beschrijven. Soms wordt een nieuw medicijn op advies van het onafhankelijke Zorginstituut niet vergoed, omdat de fabrikant er idioot veel geld voor vraagt. Onmiddellijk verschijnen er dan ouders met zieke kinderen in talkshows en breekt de rechte rug van de minister subiet. Dat is heel begrijpelijk, en als samenleving kunnen we ook beslissen: we willen goede zorg en dat mag wat kosten. Alleen moeten we dan niet zeuren over stijgende zorgpremies en stagnerende koopkracht.

  1. Productiviteitsachterstand maakt overheidsdiensten steeds duurder

Als uitkeringen als AOW, bijstand en WW omhoog gaan, moeten de belastingen en premies omhoog, want daarvan worden die uitkeringen betaald. Hetzelfde geldt voor de lonen van politieagenten, zorgmedewerkers en onderwijzers. Zij willen er dit jaar eindelijk eens wat bij, want tijdens de Grote Recessie zaten deze (semi-)overheidsdienaren lang op de nullijn. Alweer: heel begrijpelijk. De politie krijgt er de komende drie jaar minimaal 8 procent loon bij. De ziekenhuizen hebben hun personeel 8,25 procent in drie jaar aangeboden. Ook de basisschoolleraren dwongen onlangs een forse salarisverhoging af.

Dat de salarissen bij de overheid gelijk opgaan met die in het bedrijfsleven is noodzakelijk, anders wil niemand meer bij de overheid werken. Zeker niet in deze krappe arbeidsmarkt. Het probleem is alleen dat de arbeidsproductiviteit niet evenredig meestijgt. Dat komt doordat de overheid vooral diensten verleent: leraren gaan meer verdienen, maar hun klassen blijven even groot. Een politieagent die beter betaald krijgt, gaat niet per se meer boeven vangen. De arbeidsproductiviteit in de publieke sector stijgt structureel minder hard dan die in het bedrijfsleven. Daardoor stijgen de kosten per eenheid product bij de overheid sneller dan in de rest van de economie. Het Sociaal en Cultureel Planbureau deed in 2011 onderzoek naar dit fenomeen. Het SCP constateerde dat de stijging van de overheidsuitgaven in zeven publieke sectoren geen meetbare kwaliteitsverbetering had opgeleverd. Ofwel: de kosten gaan omhoog, maar de belastingbetaler krijgt er niets voor terug.

  1. Minder loonstijging door globalisering

We kunnen de stijgende overheidsuitgaven opvangen zonder koopkrachtverlies als onze lonen net zo hard of harder omhoog gaan als de belastingen en premies. Helaas staan de lonen in het bedrijfsleven onder druk door de globalisering en het machtsverlies van de vakbonden. Arbeidsmigranten uit Oost-Europa concurreren tegenwoordig met laagbetaalde Nederlanders om dezelfde banen. Bedrijven delen minder vaste contracten uit dan vroeger en werken liever met goedkope zzp’ers dan met doorgaans beter betaalde werknemers. Huishoudens krijgen daardoor een steeds kleiner deel van de economische koek toebedeeld. Tussen 1996 en 2015 daalde het aandeel van werkenden in het door het bedrijfsleven geproduceerde nationaal inkomen van 80 naar 73 procent.

  1. Welvaart maakt ons veeleisend

Arbeidsmarkteconoom Paul de Beer stelt dat de uitgavenexplosie van de overheid ‘niet primair’ door de vergrijzing wordt veroorzaakt. Het probleem is veel fundamenteler, schreef hij in 2006: de kosten lopen op omdat we welvarender worden. Hoe rijker we zijn, hoe meer we vragen van de overheid. Wie rijk is, hecht meer waarde aan zaken als veiligheid, een schoon milieu en goede gezondheidszorg. De Beer: ‘Steeds weer doen politici het voorkomen alsof er meer ruimte komt om aan de wensen van de burgers tegemoet te komen wanneer de economie op volle toeren draait. En telkens blijkt er dan weer een nieuwe hobbel op te doemen. Iedere politicus die zijn kiezers een betere toekomst belooft, zal daar onmiddellijk aan moeten toevoegen dat men dan wel hogere lasten moet accepteren. Willen de kiezers dat niet, dan zullen ze in ruil voor een grotere auto, een extra vakantie of de nieuwste flatscreentelevisie genoegen moeten nemen met een lagere AOW-uitkering, meer lesuitval op school of een langere wachtlijst voor een staaroperatie.’

Conclusie: we kunnen niet én een luxe verzorgingsstaat in stand houden én verwachten dat onze koopkracht almaar stijgt, dus dat we privé ook steeds welvarender worden. Uiteindelijk is die verzorgingsstaat een sigaar uit eigen doos: we moeten hem zelf betalen via de belastingen en premies die we afdragen aan de overheid. Het aantal mensen dat die belastingen moet opbrengen krimpt bovendien. Het gevolg is dat we steeds minder van ons geld vrij kunnen besteden. Een groeiend deel van ons inkomen wordt door de overheid herverdeeld van mensen die veel belasting betalen en weinig gebruik maken van collectieve voorzieningen naar mensen die weinig belasting betalen en veel gebruik maken van collectieve voorzieningen. Op den duur is dat niet vol te houden: de collectieve lastendruk stijgt dan tot onaanvaardbare hoogte. De enige remedie is dan het versoberen van de verzorgingsstaat. Dat is dan ook precies wat de overheid om de zoveel tijd doet. Omdat het onvermijdelijk is.

Gloort er dan helemaal geen licht aan de horizon? Nou, wie weet. Wie weet zwengelt een nieuwe technologische revolutie de arbeidsproductiviteit opnieuw aan. Wie weet nemen we eindelijk afscheid van de deeltijdcultuur. Wie weet schieten de lonen toch nog omhoog, omdat de arbeidsmarkt krap blijft. Wie weet vallen de kosten van de klimaattransitie mee. Wie weet vinden we bij Bonaire een enorme aardgasbel.

Maar voorlopig moeten we leren tevreden te zijn met wat we hebben. En niet van de politiek verlangen dat die ons nóg rijker maakt.

Yvonne Hofs is politiek verslaggever en oud-chef van de redactie economie