Geaggregeerde vraag, aanbod en Fisher

Als de overheid de geldhoeveelheid vergroot kan dat meerdere gevolgen hebben.

Korte termijn

  • Op korte termijn is er sprake van prijsstarheid. Volgens Fisher zal een vergroting van M dan tot gevolg hebben dat Y stijgt, omdat V constant verondersteld wordt: M↑ x V = P x Y↑. Een stijging van de productie kan alleen als de productiecapaciteit niet volledig benut is. Dus bij onderbesteding leidt een verhoging van M tot een verhoging van Y.
  • Is de productiecapaciteit volledig benut dan leidt een verhoging van M tot een verhoging van P, uitgaande van een constante V: M↑ x V = P↑ x Y.
  • Verandert de V – de consumenten houden bij laagconjunctuur de hand op de knip –  dan leidt een toename van M niet tot meer productie: M↑ x V↓ = P x Y

Lange termijn

Als de geaggregeerde vraag stijgt doordat de overheid de geldhoeveelheid vergroot heeft, heeft dat  tot resultaat dat de prijzen stijgen. De economie maakt namelijk niet meer producten waardoor het geaggregeerde aanbod, het reële BBP, hetzelfde blijft.

De geaggregeerde vraag reageert wél op de vergroting van de geldhoeveelheid; de GA-lijn verschuift naar rechts.

In onderstaande grafiek zijn de reacties van GA en GV te zien.

GA_stijging M

Een verhoging van de geldhoeveelheid M heeft geen effect op de productie Y. Dat wordt de neutraliteit van het geld genoemd.

Ingevuld in de verkeersvergelijking van Fisher:

M↑ x V = P↑ x Y

Ω

Print Friendly, PDF & Email