Geld en geldschepping (samenvatting)

Het ontstaan van geld

In een nog niet zo ver verleden deden de mensen allemaal zelf het werk: men verbouwde zelf groenten en fruit, hield zelf wat vee, maakte zelf zijn kleren. Had men een goede oogst aan aardappelen gehad, en dus aardappelen over, dan ruilde men die aardappelen tegen vlees wat de buurman over had. Er werd direct geruild: goederen voor goederen. Op den duur gingen mensen zich steeds vaker specialiseren. Degene die goed was in het verbouwen van aardappelen, ging een steeds groter deel van zijn tijd besteden aan alleen het verbouwen van aardappelen; degene die goed was in het maken van kleren, ging een steeds groter deel van zijn tijd besteden aan het maken van kleren. Zodoende kwam er arbeidsverdeling. Door deze arbeidsverdeling konden de diverse specialisten steeds meer produceren. Het gevolg was wel dat direct ruilen steeds moeilijker werd: alle producten die de specialisten nodig hadden, moesten ze door direct ruilen zien te krijgen en dat kost veel tijd en moeite. Eerst moest je iemand zien te vinden die de producten die jij gemaakt had, aardappelen, wilde ruilen tegen de producten die jij wilde hebben, kleren, en daarna moest je de ruilverhouding nog vaststellen: hoeveel aardappelen kost het kledingstuk.  Nu lukt dat nog wel in kleine gemeenschappen waar iederen elkaar kende, maar in de steeds grotere gemeenschappen werd dat steeds moeilijker. De kosten om een ruil te laten plaatsvinden, de transactiekosten, werden steeds hoger. Er was dus behoefte aan een algemeen ruilmiddel. In de gemeenschappen werd dus steeds vaker een algemeen aanvaard ruilmiddel gebruikt om de diverse ruilen te kunnen laten plaatsvinden en hiermee is het geld geboren.

Waaraan moet een ruilmiddel voldoen om geld genoemd te kunnen worden?

  • Het moet algemeen aanvaard worden: iedereen moet het accepteren als ruilmiddel;
  • Het moet hanteerbaar zijn: het moet dus makkelijk mee te nemen zijn;
  • Het moet moeilijk of – liever – niet na te maken zijn;
  • Het moet zijn waarde behouden: iets wat bederft is moeilijk te bewaren;
  • Het moet makkelijk deelbaar zijn: je moet er zowel grote bedragen als ook kleine bedragen mee kunnen betalen;
  • De waarde moet makkelijk te bepalen zijn: je moet dus makkelijk kunnen bepalen wat jouw geld “waard” is.

In de meeste gemeenschappen kwam men vanwege deze eisen uit op munten die gemaakt waren van kostbare metalen: goud, zilver, brons en koper. (En deze metalen gebruiken we nu nog steeds. Denk maar aan de gouden, zilveren en bronzen medailles die sporters krijgen!)

De functies van geld

Het geld heeft nu nog steeds dezelfde drie functies als die ze vroeger had. Deze functies zijn:

  • Ruilmiddel: geld is het tussenstation bij het ruilen. Je ruilt jouw goederen tegen geld en dat geld kun je zelf weer gebruiken als je andere goederen nodig hebt;
  • Rekenmiddel: je kunt de verschillende goederen in waarde vergelijken door middel van hun prijzen;
  • Spaarmiddel: je kunt het geld even bewaren om het later uit te geven.

Het gebruik van geld

Om ervoor te zorgen dat de waarde van de edelmetalen munten gewaarborgd werd, bemoeiden de overheden zich ermee. Zij voorzagen de klompjes goud, zilver enzovoort van een stempel waarmee de intrinsieke waarde (= de hoeveelheid edelmetaal) werd aangegeven. Dit stempelen werd muntslag genoemd. Hiermee werd dus de hoeveelheid edelmetaal van de munt gegarandeerd. Dit gebruik van muntslag dateert van ongeveer 500 voor Christus en is ingevoerd door koning Croesus op Kreta. Vandaar verspreidde het gebruik zich over een groot gebied.

Onder de Romeinen trad er echter muntverzwakking op. Om hun oorlogsmachine te kunnen financieren hadden de Romeinen veel geld, dus veel goud en zilver, nodig. Slim als ze waren begonnen ze munten te maken met minder edelmetaal waardoor de verhouding tussen de waarde van het geld en de hoeveelheid gebruikt edelmetaal losgelaten werd. Hiermee doet de term nominale waarde zijn intrede. Nominale waarde wil zeggen de waarde die op de munt is afgedrukt, dit in tegenstelling tot de intrinsieke waarde die aangeeft hoeveel de materiaalwaarde van de munt is.

Omdat er zoveel verschillende munten in omloop waren, deden de geldwisselaars hun intrede. Deze geldwisselaars waren specialisten op het gebied van de munten in omloop en konden de onderlinge waardes bepalen. Vooral Italië stond hierom bekend en daarom gebruiken we nu in het geldverkeer nog veel termen die uit het Italiaans komen. Zo gebruikten de Italiaanse geldwisselaars een marmeren wisseltafel (de banca) om de munten uit te stallen. Om te weten of een munt vals was of niet, werd de munt op de tafel gegooid en aan de klank kon de wisselaar horen of de munt echt of vals was. Daarom betalen we nu nog “met klinkende munt”. Vanwege de wisseltafel werd de geldwisselaar een banchiere genoemd. Vaak trad de wisselaar tegen vergoeding ook op als bewaarder van munten van anderen omdat hij een veilige opslagplaats had, de cassa. Dit in bewaring geven werd een deposito genoemd en degenen die het in bewaring gaven werden deposanten genoemd. Soms vroeg een deposant aan de wisselaar om een geldbedrag uit zijn deposito te betalen aan een andere persoon. De wisselaar gaf dan namens zijn deposant het bedrag aan een ander. Stalde die ander het geld bij dezelfde wisselaar, dan ging er dus geen geld van de een naar de ander, maar werd het boekhoudkundig van de ene depositorekening naar de andere depositorekening overgedragen. En het Italiaanse woord voor overdragen is “girare”.

Geldschepping in het verleden

Als mensen hun (gouden) munten in bewaring gaven bij een geldwisselaar, kregen ze hiervoor een bewijsje: een schuldpapiertje (een goldsmith’s note) van de geldwisselaar waarop stond hoeveel ze in bewaring hadden gegeven. In Engeland ontstonden hieruit de eerste “bankbiljetten” want in eerste instantie stonden de schuldpapiertjes op naam, maar later werden ze aan toonder: degene die het papiertje kan tonen, is de eigenaar van het goud bij de geldwisselaar. De papiertjes werden namelijk gebruikt in het ruilverkeer. In plaats van steeds het goud op te halen bij de geldwisselaar, gebruikten mensen de schuldbewijzen als betaalmiddel. Hierdoor werd de geldwisselaar van lieverlee een bank die geld schiep.

Om dit te verduidelijken geef ik een voorbeeld.

Stel er zijn door Brown, Smith en Jones bij geldwisselaar Clever in totaal 600 gouden munten in bewaring gegeven. De geldwisselaar heeft dus 600 gouden munten in kas en hij heeft voor 600 gouden munten schuldbewijzen, de goldsmith’s notes, uitgegeven. De balans van Clever ziet er als volgt uit:

activa   Balans   passiva
Goud in kas 600   Goldsmith’s note voor het tegoed van Brown  200
      Goldsmith’s note voor het tegoed van Smith  200
      Goldsmith’s note voor het tegoed van Jones  200
Totaal 600   Totaal  600

Na verloop van tijd komt geldwisselaar Clever erachter dat het goud niet meer wordt opgehaald, maar dat de mensen betalen met de goldsmith’s notes. Belangrijk in dit systeem was dat de mensen erop konden vertrouwen dat de goldsmith’s notes, die uit zichzelf geen enkele waarde hebben, door iedereen als betaalmiddel werden geaccepteerd. Geld werd fiduciair (fiducie = vertrouwen). Heel lang was de mogelijkheid om het biljet om te kunnen ruilen voor goud essentieel voor dit vertrouwen.

De goldsmith’s notes zijn dus “aan toonder” geworden en Clever hoeft dus niet meer bij te houden van wie het goud is. Hij vereenvoudigt zijn balans als volgt:

activa   Balans   passiva
Goud in kas 600   Uitgegeven goldsmith’s notes 600
Totaal 600   Totaal 600

Toen Clever tot de ontdekking kwam dat er steeds minder mensen om het goud kwamen dat hij in bewaring had, kwam hij op het idee om dat goud, tegen betaling (rente), voor korte tijd uit te gaan lenen. Hij had immers genoeg goud en de mensen betaalden met zijn goldsmith’s notes. Toen mevrouw Loan bij hem kwam om 100 goudstukken te lenen, was de ruil snel beklonken. Hij gaf haar de 100 goudstukken en kreeg van haar een bewijsje dat ze hem 100 goudstukken zou terugbetalen binnen een jaar. Zijn balans veranderde als volgt:

activa   Balans   passiva
Goud in kas 500   Uitgegeven goldsmith’s notes  600
Nog te ontvangen van mw Loan 100      
Totaal 600   Totaal  600

Wat hij ook had kunnen doen is in plaats van mw. Loan 100 goudstukken te geven, haar een goldsmith’s note voor 100 goudstukken te geven; die werden toch al gebruikt voor het ruilen. Zijn balans had er dan anders uitgezien:

activa   Balans   passiva
Goud in kas 600   Uitgegeven goldsmith’s notes  700
Nog te ontvangen van mw Loan 100      
Totaal 700   Totaal  700

En zie: geldwisselaar Clever heeft voor 100 goudstukken geld “geschapen”.

Het was voor de geldwisselaar nu wel zaak om goed bij te houden aan wie hij geld had uitgeleend en hoeveel goud hij in kas moest houden voor degenen die het wél komen ophalen. Dat kon hij doen door na te gaan hoeveel procent van de mensen het goud kwam halen ten opzichte van de mensen die goud in bewaring hadden gegeven. Met andere woorden: hoeveel procent van de goldsmith’s notes moet gedekt zijn tegen goud. Dit noemen we het dekkingspercentage.

Dekkingspercentage = hoeveelheid goud / uitgeschreven goldsmith’s notes x 100%

De goudsmeden maakten er echter een puinhoop van. Zij leenden veel teveel geld uit en regelmatig konden mensen hun goldsmith’s note niet meer omruilen voor goud. Om het vertrouwen in de bankbiljetten te redden gingen landen het uitgeven van bankbiljetten toekennen aan één centrale bank. Zo werd in 1814 De Nederlandsche Bank opgericht, die voortaan als enige in Nederland bankbiljetten mocht uitgeven. Tot 1936 bleven bankbiljetten in Nederland gekoppeld aan een bepaalde hoeveelheid goud.

Geldschepping in de moderne tijd

Tegenwoordig gebruiken we nog maar weinig munten en bankbiljetten, het chartale geld, maar steeds vaker werken we met giraal geld, het geld op onze bankrekening. Werd eerst het goud gebruikt als dekking voor de uitgeschreven goldsmith’s notes, nu wordt het chartale geld gebruikt als dekking voor het girale geld. En ook nu moeten de banken rekening houden met het dekkingspercentage, want een deel van het geld dat de mensen op hun bankrekening hebben staan moet gedekt worden door chartaal geld in de kas van de bank, of wat ze gestald heeft bij de centrale bank. En nog steeds kunnen de algemene banken – de banken waarbij je een bankrekening kunt hebben – geld scheppen door geld uit te lenen. Taak van de centrale bank is dat dit niet teveel gebeurt. Want hebben de mensen teveel geld dan kan het zijn dat ze meer kunnen kopen dan de producenten kunnen maken. Hierdoor stijgen de prijzen, er ontstaat inflatie, geldontwaarding.

Ook hierbij een voorbeeld.

De centrale bank verplicht de algemene banken om een dekkingspercentage van 25% aan te houden. De balans van een van deze  algemene banken ziet er als volgt uit:

activa    Balans    passiva
Kas 4500   Rekening-courant tegoeden 17800
Tegoed bij de centrale bank 1500      
Debiteuren 11800      
Totaal 17800   Totaal 17800

We gaan allereerst na of deze bank een voldoende dekkingspercentage heeft met de formule:

(Kas + Tegoed CB) / Rekening-courant tegoeden x 100%

(4500 + 1500) / 17800 x 100% = 6000 / 17800 x 100% = 33,7%.

Het dekkingspercentage is dus ruim voldoende. De bank heeft zelfs nog ruimte om geld uit te lenen.

Allereerst berekenen we hoeveel ze nog chartaal kan uitlenen.

In kas en bij de centrale bank moet zijn een bedrag ter grootte van 25% van de Rekening-courant tegoeden. 25% van 17800 = 4450. Ze hebben 6000 ter beschikking, dus chartaal kan nog 6000 – 4450 = 1550 uitgeleend worden.

De balans ziet er dan als volgt uit:

activa    Balans    passiva
Kas 2950   Rekening-courant tegoeden 17800
Tegoed bij de centrale bank 1500      
Debiteuren 13350      
Totaal 17800   Totaal 17800

Vervolgens gaan we uitrekenen hoeveel de bank nog giraal kan uitlenen.

Ze hebben in kas en bij de centrale bank een bedrag van 6000. Als ze maximaal giraal geld willen uitlenen, moet die 6000 dus 25% vertegenwoordigen van alle uitstaande tegoeden. Dat betekent dat er maximaal 6000 / 0,25 = 24000 uitgeleend kan worden. De Rekening-courant tegoeden zijn al 17800, dus kan er nog 24000 – 17800 = 6200 uitgeleend worden.

De balans ziet er dan als volgt uit:

activa    Balans    passiva
Kas 4500   Rekening-courant tegoeden 17800
Tegoed bij de centrale bank 1500   Extra Rekening-courant tegoeden  6200
Debiteuren 11800      
Extra Debiteuren 6200      
Totaal 24000   Totaal 24000

Ω

Print Friendly, PDF & Email