budgetlijn

H1 §2 Kiezen is verliezen

Alternatief aanwendbaar

In paragraaf 1 is verteld dat er middelen ingezet moeten worden om behoeften te bevredigen. Nu zijn die middelen op verschillende manieren in te zetten. Dat wordt alternatief aanwendbaar genoemd. Dit begrip staat centraal in de economie. De schaarste van de middelen dwingt iedereen tot het maken van keuzes. Steeds weer moeten mensen afwegen wat ze het belangrijkste vinden om hun middelen voor te gebruiken. Geef ik mijn geld uit aan een vakantie van twee weken of aan een nieuwe scooter, of ga ik maar een week op vakantie en koop een tweedehandse scooter? Gebruik ik al mijn vrije tijd om lekker te voetballen of aan het maken van huiswerk, of een combinatie van beiden?

De budgetlijn

De afwegingen die mensen maken tussen twee alternatieven kan grafisch weergegeven worden met een budgetlijn. Op deze budgetlijn liggen alle mogelijkheden tussen de twee alternatieven.

budgetlijn

Hierboven staat de budgetlijn van € 10 zakgeld voor blikjes Coca Cola, die € 1 per stuk kosten, en Marsen, die € 1,25 per stuk kosten. Wordt al het zakgeld opgemaakt aan blikjes Coca Cola, dan kunnen er maximaal 10 gekocht worden. Wordt al het zakgeld opgemaakt aan grote Marsen, dan kunnen er maximaal 8 gekocht worden. Dat zijn de uiterste punten van de budgetlijn. In theorie (je kunt natuurlijk geen kwart Mars of een half blikje Coca Cola kopen) kunnen alle combinaties gekocht worden die op de budgetlijn liggen.

De begroting

Als het leven zo simpel was dat we ons geld maar aan slechts twee producten uitgeven, hadden we genoeg aan een budgetlijn. In werkelijkheid is dat natuurlijk niet zo: we kunnen uit oneindig veel producten kiezen. Daarom hebben we een ander hulpmiddel nodig: de begroting, ook wel het budgetplan genoemd.

In een begroting vergelijken we onze toekomstige inkomsten met onze toekomstige uitgaven.

De soorten uitgaven

We kennen drie soorten uitgaven:

  • De vaste lasten, dat zijn uitgaven die regelmatig terugkeren en waarvan de je hoogte van het bedrag op korte termijn niet kunt beïnvloeden zoals abonnementen, energiekosten, huur of hypotheek, contributies;
  • De dagelijkse uitgaven, dat zijn vaak voorkomende uitgaven waarvan je de hoogte van de bedragen wél op korte termijn kunt beïnvloeden zoals boodschappen, zakgeld, benzine;
  • De incidentele uitgaven, dat zijn weinig voorkomende maar vaak grote(re) uitgaven zoals kleding, vakanties, auto’s, wasmachines, bankstellen. Hiervoor wordt meestal gespaard.

Ω

Print Friendly, PDF & Email