Kopen en werken H1

Havo onderbouw, Lesbrief Kopen en Werken

1.1 De Parkweg

Huishoudingen

Bij economie wordt onder een huishouden verstaan: een zelfstandig economische beslissingen nemende eenheid. Dat kan een gezin zijn maar ook een bedrijf, vereniging of de overheid.

Bij economische beslissingen gaat het altijd om het maken van keuzes. Het vak economie wil graag weten hoe gezinshuishoudingen, bedrijfshuishoudingen, de overheid en het buitenland aan hun geld komen en hoe ze het  besteden.

1.2 Hoe kom je aan je geld?

Het omrekenen van bedragen

Soms moet een bedrag omgerekend worden naar een andere periode. Daarbij moeten de volgende afspraken in acht genomen worden:

1 jaar is gelijk aan 2 halve jaren
4 kwartalen
12 maanden
52 weken
365 dagen

Het omrekenen van bedragen gaat via een jaar. Twee voorbeelden:

week naar maand

maand naar week

Primair inkomen en overdrachtsinkomen

Inkomen wordt op verschillende manieren verkregen. Primair inkomen wordt ontvangen door deel te nemen aan het productieproces. Van dat primaire inkomen moeten belasting en sociale premies betaald worden. Hiervan worden collectieve voorzieningen (politie, wegen, onderwijs enzovoort) en uitkeringen (aow, medische zorg, kinderbijslag, huurtoeslag enzovoort) betaald. Al die uitkeringen worden overdrachtsinkomens genoemd: geld dat zonder tegenprestatie ontvangen wordt. Overdrachtsinkomen is dus inkomen dat van de ene groep naar een andere groep wordt overdragen.

Rekenen met grote getallen

Zie op deze website “Rekenen met grote getallen” onder het menupunt “Havo onderbouw/Rekenvaardigheid Havo”.

1.3 Productiefactoren en hun beloning

Productiefactoren zijn middelen die productie mogelijk maken. Er worden vier productiefactoren onderscheiden, de KANO:

  • Kapitaal: alle goederen die gebruikt worden om andere goederen te kunnen produceren, machines, gebouwen en materialen
  • Arbeid: het werk dat mensen verrichten
  • Natuur: alles wat niet door mensen geproduceerd wordt maar door de natuur
  • Ondernemerschap: het combineren in het productieproces van Kapitaal, Arbeid en Natuur

Voor de productiefactoren moet worden betaald. Deze vergoedingen vormen het primaire inkomen van de verstrekkers. De vergoedingen voor het ter beschikking stellen van de productiefactoren zijn:

Productiefactor Vergoeding/inkomen
Kapitaal Rente en huur
Arbeid Loon
Natuur Pacht
Ondernemerschap Winst

1.4 De categoriale inkomensverdeling

De verdeling van de 5 inkomensbestanddelen die verkregen zijn door het inzetten van de 4 productiefactoren wordt de categoriale inkomensverdeling genoemd. Er wordt dan gekeken hoeveel het aandeel loon/huur/rente/pacht/winst is van het totale inkomen.

Als een grootheid wordt uitgedrukt als percentage wordt dat een quote genoemd. Het loon als percentage van het totale inkomen is dus de loonquote.

De loonquote laat zien hoeveel van het totale inkomen verdiend wordt door te werken. Een hoge loonquote is niet goed voor de bedrijven, een lage loonquote is ook niet goed; er kan dan niet genoe uitgegeven worden en dat is ook slecht voor de bedrijven.

1.6 De keuze tussen arbeid en vrije tijd

Wie werkt, geeft vrije tijd op. Maar om inkomen te verwerven moeten de meeste mensen arbeid inzetten. Ook hier moet een mens kiezen: veel werken = veel inkomen = weinig vrije tijd. Die keuze kan grafisch weergegeven worden met een budgetlijn.

Hieronder staat zo’n budgetlijn.

Ze laat iemands weekinkomen zien bij een uurloon van € 15.

De rode lijn laat het inkomen zien wanneer een persoon 8 uur per dag werkt = 16 uur vrije tijd gedurende 5 dagen per week. Zijn inkomen is dan € 600 per week: 8 x 5 x € 15 = € 600.

De blauwe lijn laat het inkomen zien wanneer een persoon 10 uur per dag werkt = 14 uur vrije tijd gedurende 5 dagen per week. Zijn inkomen is dan € 750 per week: 10 x 5 x € 15 = € 750.

De participatiegraad

Wie inkomen wil hebben zal een baan moeten zoeken. In het verleden werkten vouwen niet of nauwelijks in betaalde banen maar de tijden zijn veranderd: vrouwen willen economisch zelfstandig zijn en hun eigen inkomen verdienen, ze willen meedoen in het arbeidsproces.

Dat vertaalt zich in de participatiegraad: het percentage van de totale bevolking tussen 15 jaar en de pensioengerechtigde leeftijd dat een baan heeft of er een wil hebben.

De arbeidsparticipatie in Nederland in vergelijking met andere (Europese) landen is erg hoog. De belangrijkste oorzaken hiervoor zijn:

  • In Nederland zijn er meer mogelijkheden om in deeltijd te werken
  • Nederlanders geven een grotere voorkeur voor vrije tijd
  • Nederlanders verdelen de zorgtaken

Ω