Hoe pak je een examenopgave aan?

Ontrafel de opgave

Belangrijk bij het beantwoorden van economievragen:

  • Waarover gaat de opgave?
  • Wat is de vraag?
  • Welke informatie heb ik nodig bij die vraag?
  • Waar staat die informatie?

En pas dan: beantwoord de vraag.

Je moet de opgave dus ontrafelen.

Waarover gaat de opgave?

Iedere opgave op een eindexamen heeft een hoofdonderwerp: arbeidsmarkt, inkomensverschillen, wisselkoersen, belastingen enzovoort

Probeer dat hoofdonderwerp te pakken te krijgen.

Antwoorden die niets met het hoofdonderwerp te maken hebben, worden niet goed gerekend!

Wat is de vraag?

Het lijkt een dooddoener, maar het komt maar al te vaak voor dat er GEEN antwoord gegeven wordt op de gestelde vraag!

De oorzaak is niet goed lezen en daardoor te snel aan het antwoord beginnen.

Denk aan de kernwoorden!

Welke informatie heb ik nodig bij die vraag?

Denk in kernwoorden.

Schrijf desnoods op een kladblaadje die kernwoorden op.

Waar staat die informatie?

Zoek in de teksten en bronnen naar de informatie die met de kernwoorden te maken hebben.

Gebruik ALTIJD de bron als dat bij een vraag staat aangegeven.

Markeer of onderstreep de belangrijke onderdelen van de tekst en de bronnen zodat je ze makkelijk kunt terugvinden.

Voorbeelden

Voorbeeld 1

Zoek naar de kernwoorden.

De ..(1).. groei van de wereldeconomie zorgt via de ..(2).. voor krapte op de oliemarkt.

Bij (1) kies uit: afnemende of sterke

Bij (2) kies uit: aanbodzijde of vraagzijde

Bron: Examen economie havo 2014 TV1

Antwoord voorbeeld 1

De ..(1).. groei van de wereldeconomie zorgt via de ..(2).. voor krapte op de oliemarkt.

De kernwoorden in deze zin zijn: groei van de wereldeconomie en krapte op de oliemarkt.

Het gevolg is krapte, dus een tekort, en dat moet je weten!

De oorzaak is …. de groei van de wereldeconomie.

Zorgt een afnemende = dalende wereldeconomie voor krapte? Nee. Dus de wereldeconomie groeit sterk (1). En als de wereldeconomie sterk groeit, moet de vraag (2) naar olie zorgt voor de krapte zorgen.

Voorbeeld 2

In de VS was in de periode 2000-2005 de gemiddelde loonstijging kleiner dan de gemiddelde stijging van de arbeidsproductiviteit. De stijging van de arbeidsproductiviteit werd veroorzaakt door automatisering van veel productieprocessen. De behoefte aan hooggeschoolde arbeidskrachten steeg daardoor sterk. En dat terwijl laaggeschoolde immigranten een steeds groter deel gaan uitmaken van de beroepsbevolking. Door deze ontwikkeling van de arbeidsmarkt in de periode 2000-2005 zijn de inkomensverschillen in de VS toegenomen.

Zijn de loonkosten per product in de VS in de periode 2000-2005 gestegen, gedaald of gelijk gebleven? Verklaar het antwoord.

Bron: Eindexamen economie havo 2010 TV1

Antwoord voorbeeld 2

Zoek naar de kernwoorden.

De vraag gaat over loonkosten per product. Loonkosten per product zijn afhankelijk van het loon en de arbeidsproductiviteit. Dat zijn dus de kernwoorden waar je naar op zoek moet.

In de tekst staat: (De) gemiddelde loonstijging (is) kleiner dan de gemiddelde stijging van de arbeidsproductiviteit.

Dus: de arbeidsproductiviteit stijgt sterker dan het loon! Gevolg: de loonkosten per product dalen.

Voorbeeld 3
Een economiedocent legt naar aanleiding van de tabellen de volgende stellingen aan een klas voor.
  1. Meisjes hebben in 2007 ten opzichte van 2005 door prijsstijging meer koopkracht verloren dan jongens.
  2. ‘Cd/dvd’ is in 2007 ten opzichte van 2005 meer in prijs gestegen dan ‘computer’.
  3. ‘Roken’ is de bestedingscategorie waaraan scholieren het meeste geld besteden.

Geef voor elke stelling aan of deze juist of onjuist is.

Bron: Eindexamen economie 1 havo 2008 TV2

  Examentraining_ontrafel3
Antwoord voorbeeld 3, stelling 1
Stelling 1

Meisjes hebben in 2007 ten opzichte van 2005 door prijsstijging meer koopkracht verloren dan jongens. Juist of onjuist?

Om deze stelling te kunnen beantwoorden moet je kijken naar tabel 2. Daar staan de prijsindexcijfers.

PIC van jongens is 103,4 → de prijzen van jongens zijn met 103,4 – 100 = 3,4% gestegen.

PIC van meisjes is 106,7 → de prijzen van meisjes zijn met 106,7 – 100 = 6,7% gestegen.

Conclusie: meisjes hebben méér koopkracht verloren, dus JUIST.

Examentraining_ontrafel3_tabel 2
Antwoord voorbeeld 3, stelling 2
Stelling 2

‘Cd/dvd’ is in 2007 ten opzichte van 2005 meer in prijs gestegen dan ‘computer’. Juist of onjuist?

Om deze stelling te kunnen beantwoorden moet je kijken naar tabel 1. Daar staan de partiële prijsindexcijfers.

Het PPIC van ‘Cd/dvd’ is 71,3. De prijs is dus gedaald met 71,3 – 100 = 28,7%.

Het PPIC van ‘computer’ is 36,6. De prijs is dus gedaald met 36,6 – 100 = 63,4%.

Conclusie: beide zijn gedaald, dus ONJUIST.

Examentraining_ontrafel3_tabel 1
Antwoord voorbeeld 3, stelling 3
Stelling 3

‘Roken’ is de bestedingscategorie waaraan scholieren het meeste geld besteden.

Tabel 1 laat door middel van de wegingsfactoren zien hoeveel procent jongens gemiddeld uitgeven aan de diverse categorieën.

De wegingsfactor ‘roken’ is bij jongens 4,4. Ze geven dus 4,4% van hun inkomen uit aan ‘roken’.

De wegingsfactor ‘kleding’ is 11,8, dus daaraan geven ze 11,8% van hun inkomen aan uit.

Conclusie: ONJUIST.

Examentraining_ontrafel3_tabel 1
Voorbeeld 4

Uit een krant (3 augustus 2011):

“Na aanhoudende koersstijgingen is de koers van de Zwitserse frank kortstondig gedaald ten opzichte van de euro. Oorzaak is een renteverlaging van de Zwitserse centrale bank naar een tarief van 0%. Maar de centrale bank vindt de frank nog steeds ‘overgewaardeerd’ en zegt dat de hoge koers van de munt de stabiele Zwitserse economie bedreigt. Ongeveer de helft van het Zwitserse nationaal product wordt verdiend met de uitvoer van goederen en diensten.”

Bron: Eindexamen havo 2013 TV1

Stapsgewijze oplossing voorbeeld 4

Stap 1  Waarover gaat de opgave?

Als eerste gaan we op zoek naar het hoofdonderwerp van deze opgave.

Wat zijn de kernwoorden van de tekst?

Zoals vaak in teksten staan de belangrijkste zaken aan het begin en het einde van een alinea. Zo ook hier.

Het gaat namelijk om de koers van de Zwitserse frank (eerste zin) en het belang van de uitvoer van goederen en diensten voor het nationaal inkomen (laatste zin).

Het hoofdonderwerp is dus de wisselkoers.

Stap 2  Wat is de vraag?

Gebruik bron 3. Bereken, in één decimaal nauwkeurig, de procentuele koersdaling van de euro in Zwitserse frank in de periode 1 juli – 1 augustus 2011.

Examentraining_ontrafel4

Stap 3  Wat zijn de kernwoorden van de vraag?

Bereken, in één decimaal nauwkeurig, de procentuele koersdaling van de euro in Zwitserse frank in de periode 1 juli – 1 augustus 2011. Je moet dus de koersdaling van de euro berekenen. En dat moet je doen met behulp van bron 3!

Antwoord voorbeeld 4

Bron 3 laat een stijgende lijn zien, en jij moet een koersdaling berekenen! Maar kijk eens goed naar de bron. Die laat namelijk de koers van de Zwitserse frank zien. Op 1 juli moest je € 0,81 betalen voor 1 CHF en op 1 augustus € 0,93. De koers van de CHF is gestegen, en dus is die van de euro gedaald.

Er moet dus omgerekend worden.

Op 1 juli: 1 CHF = € 0,81, dus € 1 = 1/0,81 = CHF 1,2345…

Op 1 augustus: 1 CHF = € 0,93, dus € 1 = 1/0,93 = CHF 1,0752…

Nu kan met (N – O) / O x 100% de daling berekend worden. (1,0752 – 1,2345) / 1,2345 x 100% = – 12,9%