Prijselasticiteit van de vraag

Hoe prijsgevoelig is een goed of dienst?

Op een prijsverandering van een goed wordt verschillend gereageerd door consumenten. Terwijl een prijsverhoging van 50% van zout de consument koud laat, zorgt een prijsverhoging van 50% van verre reizen voor een dramatische afname van de vraag hiernaar. Sommige goederen zijn dus prijsgevoeliger dan andere goederen. Deze prijsgevoeligheid wordt weergegeven met het begrip prijselasticiteit van de vraag.

Elasticiteit van de vraag

Als kopers amper meer of minder van een goed te kopen bij prijsveranderingen, noemen we het goed prijsinelastisch. Is er daarentegen een sterke reactie, dan noemen we het goed prijselastisch: er wordt veel meer of veel minder van het goed gekocht bij prijsveranderingen.

De mate van elasticiteit

Prijselasticiteit  Het goed is:  Effect
0  Volkomen inelastisch  De vraag reageert niet op een prijsverandering
tussen 0 en –1  Relatief inelastisch  De vraag reageert relatief zwak op een prijsverandering
–1  Noch inelastisch, noch elastisch  Een prijsverandering van 1% resulteert in een hoeveelheidsverandering van 1%
kleiner dan –1  Relatief elastisch  De vraag reageert relatief sterk op een prijsverandering

prijselasticiteit vraag

Berekenen van de prijselasticiteit van de vraag

De prijselasticiteit van de vraag geeft weer met hoeveel procent de vraag verandert (het gevolg) door een prijsverandering van één procent (de oorzaak). De prijselasticiteit van de vraag wordt berekend met de volgende formule:

Ev

De betekenis van de prijselasticiteit

In het kort is de betekenis van de prijselasticiteit: verander de prijs met 1% dan verandert de hoeveelheid met hetzelfde percentage als de prijselasticiteit. Is de prijselasticiteit –5, dan daalt de gevraagde hoeveelheid met 5% bij een prijsstijging van 1%.

Een paar voorbeelden

Prijselasticiteit %ΔP %ΔQ Berekening
0 +10% 0% 0 x +10% = 0% (de gevraagde hoeveelheid verandert niet!)
–0,25 +2% –0,5% –0,25 x +2% = –0,5%
–0,52 –1% +0,52% –0,52 x +1% = –0,52%
–1 +2,5% –2,5% –1 x +2,5% = –2,5%
–1,5 –3% +4,5% –1,5 x –3% = +4,5%
–3 +4% –12% –3 x +4% = –12%

De “richting” van de reactie

Normaal gesproken daalt de vraag als de prijs stijgt en stijgt de vraag als de prijs daalt. Er is dus een negatief verband tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid en daardoor staat er een min-teken voor het getal van de prijselasticiteit. Deze goederen worden normale goederen genoemd.

Een uitzondering zijn de statusgoederen als kunst of dure auto’s. Wordt de prijs van een Ferrari (te) goedkoop gemaakt dan zullen er (veel) minder van verkocht worden. Het exclusieve is weg en daar komt nog bij dat consumenten te goedkope producten niet van goede kwaliteit vinden. In deze gevallen komt er een + voor de prijselasticiteit te staan: stijgt de prijs dan stijgt de gevraagde hoeveelheid. Het gaat echter om de grootte van het getal, niet om het teken!

Afhankelijkheid prijselasticiteit

Waarom het ene goed sterker of minder sterk reageert is terug te voeren op een aantal oorzaken:

  • Is er een substitutiegoed? Als er een vervanger is, is de prijselasticiteit hoger. Maakt een producent frisdrank A 2x zo duur dan stappen de consumenten over naar frisdrank B.
  • De termijn. Op korte termijn is het goed misschien inelastisch, maar op lange termijn niet omdat de consumenten dan alternatieven hebben gevonden. Als de NS de treinkaartjes flink duurder maakt kunnen reizigers op korte termijn niet zo makkelijk een andere manier van reizen vonden, maar op de lange(re) termijn  wel.
  • Het soort goed. Noodzakelijke goederen als water en brood zijn inelastischer omdat je die nodig hebt om in leven te blijven.

Een voorbeeld

De vraag naar eieren in Nederland kan weergegeven worden met de volgende vergelijking:

Qv = –30P + 1400. Qv = het aantal eieren in 1.000.000, P = de prijs van een ei in eurocenten

  1. Bereken de omzet in eieren bij een prijs van € 0,20 per ei.
  2. Bereken de omzet in eieren bij een prijs van € 0,22 per ei.
  3. Bereken de prijselasticiteit van de vraag naar eieren bij een verhoging van de prijs van € 0,20 naar € 0,22 per stuk.
  4. Is de vraag naar eieren prijselastisch of prijsinelastisch en waarom?

Oplossing

  1. TO = P x Q ofwel omzet = prijs x hoeveelheid. Bij een P van 20 eurocenten is de Qv:–30 x 20 + 1400 = –600 + 1400 = 800, dus 800.000.000 eieren. De omzet is: € 0,20 x 800.000.000 = € 160.000.000
  2. Bij een P van 22 eurocenten is de Qv: –30 x 22 + 1400 = –660 + 1400 = 740, dus 740.000.000 eieren. De omzet is: € 0,22 x 740.000.000 = € 162.800.000
  3. De procentuele prijsverandering is
    22  2020 x 100% = 10%

    . De procentuele hoeveelheidsverandering is

    740  800800 x 100% = 7,5%

    . De prijselasticiteit is

    7,5%10% = 0,75

    . Dit is inelastisch want een prijsstijging van 1% geeft een reactie van minder dan 1%.

Prijselasticiteit en omzet

De prijselasticiteit heeft een relatie tot de omzet van het product zoals in onderstaand schema is weergegeven.

 

Waarde Elasticiteit Prijsstijging Prijsdaling Soort product
Ev = 0 De vraag is volkomen inelastisch Omzet neemt toe Omzet neemt af Onmisbaar
Ev tussen 0 en -1 De vraag is inelastisch Omzet neemt toe Omzet neemt af Noodzakelijk
Ev kleiner dan -1 De vraag is elastisch Omzet neemt af Omzet neemt toe Luxe
Ev = -1 De vraag is proportioneel elastisch Omzet is maximaal

Ω