Inflatie (samenvatting)

Inflatie

Prijzen zijn belangrijk in onze economie. Ze bepalen niet alleen hoeveel we kunnen kopen met ons inkomen maar vertellen ons ook hoe belangrijk we bepaalde goederen vinden. De prijs wordt immers bepaald door het aanbod en de vraag op een markt. Als de vraag naar een bepaald product stijgt dan stijgt ook de prijs van dat product. Dit is voor producenten een seintje om meer van dit product te maken, hij kan er namelijk op verdienen.

Maar wat nu als de prijzen van producten stijgen zonder dat er meer vraag naar is? Wat is er dan aan de hand? En welke problemen geeft ons dat?

Er zijn twee vormen van inkomen. De eerste is het inkomen uitgedrukt in euro’s, het nominale inkomen en de tweede is het inkomen uitgedrukt in goederen, het reële inkomen. Een ander begrip dat je tegenkomt is de term koopkracht. Als het nominale inkomen van iemand gestegen is en hij kan daarmee meer goederen kopen dan is ook zijn koopkracht gestegen. Het kan dus zijn dat de termen koopkracht en reëel inkomen door elkaar gebruikt worden. Netter is het om te zeggen dat de koopkracht van iemands inkomen veranderd is.

Als de procentuele verandering van het nominale inkomen anders is dan de procentuele verandering van de prijzen dan veranderen het reële inkomen en de koopkracht. Als de procentuele stijging van je inkomen kleiner is dan de procentuele stijging van de prijzen dan daalt je koopkracht. Je kan minder kopen voor je zuur verdiende geld.

Wat die koopkrachtverandering in procenten is kunnen we uitrekenen met behulp van indexcijfers. Centraal hierin staat het prijsindexcijfer.

Wat een indexcijfer is en hoe je deze berekent staat in een apart artikel.

De koopkrachtverandering is te bepalen met de volgende formule:

ricnicpic

De consumentenprijsindex

Koopkrachtveranderingen zijn niet zo makkelijk vast te stellen. Oorzaken hiervoor zijn:

  • Producenten bedenken nieuwe producten en halen andere uit de handel;
  • Consumenten kopen niet allemaal dezelfde producten;
  • Consumenten kopen niet van alle producten evenveel;
  • Consumenten hebben allemaal verschillende inkomens.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) berekent voor verschillende huishoudens en verschillende inkomens aparte indexcijfers, maar het indexcijfer dat gebruikt wordt om inflatie te duiden is de prijsindex voor het gemiddelde gemiddelde huishouden. Dit noemt men de consumentenprijsindex (CPI).

Het CPI geeft aan wat de inflatie is in Nederland. Als de inflatie in Nederland in 2012 1,6% is dan betekent dat, dat de waarde van het CPI van 2012 1,6% hoger was dan de waarde van het CPI in 2011; dat het leven in Nederland 1,6% duurder is geworden.

De manier waarop het CBS de consumentenprijsindex vaststelt is via enquêtes en maandelijkse meting van prijzen. Via het zogenaamde budgetonderzoek wil het CBS vaststellen wat het gemiddelde gezin uitgeeft aan bepaalde goederen. Elk goed krijgt een zogenaamde wegingsfactor. De wegingsfactor laat zien welk deel van het totale budget aan het goed uitgegeven wordt. Als het gemiddelde gezin van de 2.000 euro die het per maand te besteden heeft ongeveer 100 euro uitgeeft aan kleding dan krijgt kleding de wegingsfactor 100/2000-ste (5%).

Zo heeft elk artikel/elke artikelgroep een wegingsfactor en wordt deze wegingsfactor om de zoveel tijd opnieuw vastgesteld. De onderstaande tabel laat zien hoe het CBS aan het inflatiecijfer voor 2007 is gekomen en het verwachte inflatiecijfer voor 2008.

  Consumentenprijsindex met 2006 als basisjaar
  artikelgroep wegingsfactor 2006 2007 20081,2 
1 Voedingsmiddelen en alcoholvrije dranken 11,1 100 101,03  107,71 
2 Alcoholhoudende dranken en tabak 2,8 100 101,89  106,58 
3 Kleding en schoeisel 5,1 100 101,23  106,85 
4 Huisvesting, water en energie 24,2 100 102,58  106,18 
5 Stoffering, huishoudelijke apparaten 6,5 100 101,18  104,07 
6 Gezondheid 1,2 100 101,23  101,69 
7 Vervoer 11,4 100 101,76  104,58 
8 Communicatie 4,1 100 97,23  92,37 
9 Recreatie en cultuur 10,4 100 99,33  98,25 
10 Onderwijs 0,1 100 98,60  101,54 
11 Hotels, cafés en restaurants  4,7  100 103,51  108,83 
12 Diverse goederen en diensten  10,8  100 102,91  107,37 
13 Consumptiegebonden belastingen en overheidsdiensten  3,2  100 102,87  107,72 
14 Consumptie in het buitenland 4,5  100 102,32  108,50 
  Totaal  100,0 100 101,61  104,95 
1 Door een aanpassing van de wegingsfactoren kunnen waarnemingen enige tienden van procenten verschillen
2 Schatting
  Bron: CBS statline november 2008

De berekening van de CPI

De CPI is een gewogen gemiddelde. De indexcijfers van de afzonderlijke artikelgroepen kun je niet bij elkaar optellen en door 14 delen anders zou iedere artikelgroep even zwaar tellen. De wegingsfactoren bepalen hoeveel de prijsstijgingen van de verschillende artikelgroepen meetellen in de CPI. Vergelijk het maar met het het berekenen van een rapportcijfer: niet alle cijfers tellen even zwaar mee.

De formule van het gewogen indexcijfer is de volgende.

gewogen indexcijfer
 

∑ betekent “som van”, “een optelling”.

Het CPI van 2007 is dus op de volgende manier berekend:

indexcijfer voorbeeld

 

 

Het prijsindexcijfer is een belangrijk gegeven in de economie; het geeft aan dat de prijzen stijgen en dus ook hoeveel het gemiddelde gezin meer moet uitgeven om hetzelfde te kunnen kopen als het jaar daarvoor. In loononderhandelingen speelt de CPI een belangrijke rol want werknemers willen dt hun nominale loon minstens evenveel stijgt als de prijzen stijgen, ze willen prijscompensatie.

Wanneer de prijzen gedurende een periode in prijs dalen spreekt men van deflatie. De berekening hiervan is dezelfde als die van de inflatie.

De oorzaken en gevolgen van inflatie

Inflatie kan ontstaan als men veel van een bepaald product wil hebben: als de vraag naar een product groter wordt en het aanbod blijft achter dan stijgt de prijs.

In de macro-economie bekijken we de economie in het groot. We bekijken bijvoorbeeld de economie van een land (Nederland, China), van een aantal landen (het Westen, Latijns Amerika) of de wereldeconomie. Macro-economen spreken van de bestedingen in de economie als ze het hebben over de vraagkant van de economie en over de aanbodkant als het gaat om de productie.

Groeien de bestedingen dusdanig dat de productie – het aanbod – de vraag niet meer aankan dan ontstaat er overbesteding. Het resultaat van overbesteding zijn de prijsstijgingen. En de inflatie die daardoor ontstaat wordt bestedingsinflatie genoemd. Als de bestedingen minder worden en de productiecapaciteit een stuk groter wordt dan deze bestedingen dan komen we in een situatie van onderbesteding: deflatie kan dan de kop op steken.

Als de grond- en hulpstoffen stijgen stegen zijn bedrijven genoodzaakt om dit in hun verkoopprijzen door te berekenen. Als de het algemeen prijspeil stijgt omdat de kosten van de producenten stijgen dan spreken we van kosteninflatie. Kosteninflatie kan op verschillende manieren de kop op steken, belangrijke hierin zijn de loonkosten. Als werknemers loonstijging eisen vanwege bijvoorbeeld prijscompensatie omdat de producten duurder geworden zijn door duurdere grondstoffen, dan kan er loonkosteninflatie ontstaan. De inflatie die dan ontstaat kan ook weer een reden zijn voor werknemers om opnieuw prijscompensatie te eisen. Dit haasje over effect wordt de loon-prijsspiraal genoemd.

Komen de in prijs gestegen grond- en hulpstoffen uit het buitenland dan noemen we dat geïmporteerde inflatie. Een voorbeeld hiervan is de prijs van ruwe olie die nog al eens in prijs stijgt.

Ook de overheid kan er de schuld van zijn dat de prijzen stijgen. Als de overheid de accijns op bepaalde producten verhoogt, of de BTW een procentje laat stijgen dan worden de producten voor de consument ook weer duurder.

Als ondernemers merken dat ze de prijs van hun producten wat kunnen laten stijgen zonder dat dit al te veel klanten kost, bijvoorbeeld in een situatie van marktmacht, dan stijgen de prijzen ten behoeve van de winst van de ondernemers: winstinflatie.

Van inflatie wordt niemand blij. We hebben gezien dat door inflatie de koopkracht van ons geld afneemt. Als het geld reëel minder waard wordt en we met hetzelfde geld minder kunnen kopen spreken we ook wel van geldontwaarding. Mensen met geld op de bank kunnen dus flink wat last hebben van de inflatie.

Als de inflatie in Nederland erg verschilt met die van het buitenland kunnen er ook problemen ontstaan. De Nederlandse werknemers willen immers gecompenseerd worden voor hun koopkrachtdaling waardoor de verkoopprijzen van de Nederlandse bedrijven weer omhoog gaan. De buitenlandse klant echter heeft die prijscompensatie niet gehad, daar was geen inflatie. De buitenlandse klant moet nu een hogere prijs gaan betalen omdat in Nederland inflatie was. Deze klant gaat eens in de rest van de wereld naar dezelfde producten kijken die niet in prijs gestegen zijn en koopt ze wellicht daar. De concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven is verslechterd door de verschillende inflatiepercentages tussen landen.

Een laatste gevolg van inflatie dat we willen bespreken is het feit dat men door inflatie het vertrouwen in de munt kan verliezen. Vooral in geval van hyperinflatie.

Inflatie en pensioen

Spaarders zijn niet blij met inflatie, maar mensen die hun pensioen geregeld hebben bij een pensioenverzekeraar kunnen ingedekt zijn tegen het inflatiespook. De pensioenverzekeraar en de gepensioneerde kunnen de afspraak hebben dat de pensioenuitkering meestijgt met de prijsstijgingen: de uitkeringsgerechtigde heeft jarenlang geld ingelegd waar de verzekeraar rendement uit heeft gehaald.

Als de uitkeringen meegaan met de inflatie spreken we van waardevaste uitkeringen. Het kan ook zijn dat de uitkeringen meegaan met de stijging van de cao-lonen omdat de cao-lonen meestal net een stukje boven de prijscompensatie uitkomen en men in Nederland graag de inkomens niet teveel uit elkaar laat lopen. In geval van het meestijgen met de cao-lonen spreken we van welvaartsvaste uitkeringen. Als de uitkering niet wordt aangepast en steeds hetzelfde blijft spreken we van een vaste uitkering.

Ω

Print Friendly, PDF & Email