Lesbrief Crisis, tweede druk 2015

Domein B: Schaarste (SE), Domein C: Ruil (SE), Lesbrief Crisis

H1 Kiezen

1.1 Kiezen

Consumentenvertrouwen

Het consumentenvertrouwen is een graadmeter van de verwachtingen die consumenten hebben over de ontwikkeling van de economie. Als het consumentenvertrouwen daalt, betekent het dat de consumenten niet gerust zijn over de toekomst. Ze zijn bang hun baan kwijt te raken en daardoor zijn ze onzeker over hun inkomen in de toekomst.
Soms is er een aanwijsbare oorzaak voor de daling van het consumentenvertrouwen, zoals de kredietcrisis van 2007-2008, maar soms ook niet.
Het gevolg is: de consumenten gaan meer sparen en dus minder uitgeven. Hierdoor daalt de productie bij de bedrijven en als er minder geproduceerd hoeft te worden, daalt de werkgelegenheid en volgen er ontslagen; een selfie fullfilling prophecy.

Schematisch

consumentenvertrouwen sparen consumptie productie werkgelegenheid werkloosheid

Stimuleren van de economie door de ECB

De ECB kan de economie stimuleren door de bestedingen te laten toenemen. Het middel daartoe is de rentevoet. Als de ECB de rente verlaagt gaan mensen minder sparen en meer uitgeven. Meer uitgeven leidt tot meer productie en dus minder werkloosheid.

Schematisch

rente sparen consumptie productie werkgelegenheid werkloosheid

Stimuleren van de economie door de overheid

De overheid kan de economie ook stimuleren. De middelen van de overheid zijn zelf meer uitgeven of de belastingen te verlagen. Beide maatregelen zorgen voor meer productie en minder werkloosheid.

Schematisch

overheidsbestedingen productie werkgelegenheid werkloosheid
belastingen consumptie productie werkgelegenheid werkloosheid

1.2 Economie: de kunst van het kiezen

Iedereen staat steeds weer voor de keuze: wat doe ik met mijn geld want je kunt een euro maar een keer uitgeven. Er is echter een verschil bij het uitgeven.

Consumeren

Consumeren is het kopen van producten, stoffelijke goederen en onstoffelijk diensten, die in een behoefte voorzien van consumenten. Alleen consumenten hebben behoeften.

Investeren

Investeren is het kopen van producten om verder mee te produceren. Ze voorzien niet in een behoefte. Bedrijven investeren als ze producten kopen voor hun productie.

Meer behoeften dan middelen

Mensen hebben meer behoeften, wat ze willen kopen, dan dat ze middelen hebben, wat ze kunnen kopen. Hier komt het begrip schaars om de hoek. In absolute zin is iets schaars als er weinig van is; in relatieve zin is schaars als er wat opgeofferd moet worden om het te produceren. Er moeten productiemiddelen voor opgeofferd worden.

Goederen worden vrij genoemd als er dus geen schaarse middelen voor opgeofferd hoeven te worden. (Werkvorm van de Vrolijke economen: het ABC van vrije goederen).

Omdat de behoeften groter zijn dan de middelen moeten mensen keuzes maken: welke behoefte is belangrijk en welke kan nog even wachten. Denk bij de middelen niet alleen aan geld maar ook aan producten en tijd.

Opofferingskosten

Bij het maken van een keuze worden alternatieve keuzes opgeofferd. Kies je voor het ene dan kun je voor het andere niet meer kiezen. De waarde van het beste alternatief dat niet gekozen wordt, noemen we de opofferingskosten. Bij een goede keuze zijn de opofferingskosten altijd lager dan de opbrengst van de gemaakte keuze.

1.3 Budgetlijn

Om de keuzemogelijkheden van 2 producten weer te geven wordt gebruik gemaakt van een budgetlijn. Deze lijn geeft de maximale mogelijkheden aan gegeven een bepaald budget in geld of tijd.

Voorbeeld

Gegeven een bepaald budget kan maximaal 10 cola of maximaal 8 marsen gekocht worden. Uiteraard kan ook een combinatie van beiden gekocht worden. Dat laat onderstaande budgetlijn zien.

budgetlijn

Koop je 1 mars dan offer je 10/8 = 1,25 blikje cola op. Koop je 1 cola dan offer je 8/10 = 0,8 mars op.

H2 Ruil, geld en banken

2.1 Arbeidsdeling en arbeidsproductiviteit

Arbeidsdeling is het onderverdelen van het arbeidsproces in afzonderlijke taken. Hierdoor kan men zich specialiseren want men doet waar men goed in is en men doet meer ervaring op waardoor men steeds beter wordt.Hierdoor stijgt de arbeidsproductiviteit: de productie per persoon per tijdseenheid.

Directe ruil

Door arbeidsdeling en specialisatie ontstaan beroepen en moet er geruild worden om aan de producten te komen die men wil hebben. Worden goederen voor goederen geruild dan spreekt men van directe ruil.

Transactiekosten

Nadelen bij directe ruil:

  • Het vinden van een partij waarmee men wil ruilen
  • Het bepalen van de ruilverhouding
  • De bederfelijkheid van goederen
  • De ondeelbaarheid van goederen

Dit zijn voorbeelden van  transactiekosten: de inspanningen die gedaan moeten worden om een transactie tussen partijen tot stand te brengen.

Indirecte ruil

Transacties kunnen veel makkelijker tot stand komen als gebruik gemaakt wordt van een algemeen aanvaard ruilmiddel: geld. Ruilen met behulp van geld heet indirecte ruil.

Geld

Geld kan veel gedaanten hebben maar de belangrijkste eigenschappen moeten zijn:

  • Het moet makkelijk te hanteren zijn
  • Het moet deelbaar zijn
  • Het mag niet bederfelijk zijn
  • Het mag niet na te maken zijn
Vertrouwen in geld

Vroeger was de nominale waarde van geld gelijk aan de intrinsieke waarde ervan. De waarde die op de munt/het briefje staat, is de nominale waarde. De intrinsieke waarde van geld is de waarde waarvan het geld gemaakt is. Vroeger was dus de waarde van het materiaal gelijk aan de waarde van de munt, nu niet meer. De waarde van geld is daarom gebaseerd op vertrouwen.

Is er sprake van een zeer hoge inflatie dan verliezen mensen het vertrouwen in het geld en accepteren het niet meer als betaalmiddel.

Chartaal geld

Chartaal geld zijn de munten en bankbiljetten. Het is tastbaar.

Giraal geld

Giraal geld is het geld dat op je bankrekening staat en waarmee je betaalt met je bankpas, je mobieltje, je bankrekening. Het is dus ontastbaar. Pin je bij de pinautomaat dan maak je van giraal geld chartaal geld.

Functies van geld

Geld heeft drie functies:

  • Ruilmiddel: er kan mee betaald worden
  • Rekenmiddel: de waarde van een product kan ermee vastgesteld worden
  • Spaarmiddel: het kan (tijdelijk) bewaard worden

2.2 Arbeidsdeling binnen het huishouden

Comparatieve voordelen

Arbeidsdeling en specialisatie zorgen ervoor dat iedereen doet waarin hij het beste is. Maar niet iedereen is even goed in wat hij doet; sommige mensen zijn beter. Men kan daarom beter zeggen: iedereen doet waarin hij relatief het beste is. Hier komen de opofferingskosten weer om de hoek.

Een voorbeeld om dit te verduidelijken.

In Nederland en Griekenland worden twee producten gemaakt: olijven en appels. De ruilverhouding is gebaseerd op de hoeveelheid arbeid die voor de producten moet worden ingezet.

Benodigde eenheden arbeid per eenheid product
Olijven per eenheid Appels per eenheid Kosten van 1 eenheid olijven Kosten van 1 eenheid appels
Nederland 2 uur 3 uur 2/3 = 0,67 eenheid appels 3/2 = 1,5 eenheid olijven
Griekenland 1 uur 2 uur 1/2 = 0,5 eenheid appels 2/1 = 2 eenheden olijven

In absolute zin produceert Griekenland beide producten goedkoper dan Nederland. Kijken we naar de relatieve verschillen dan valt op dat Nederland voordeliger is met het produceren van appels en Griekenland met het produceren van olijven.

De productie van olijven

Griekenland kan met 1 uur arbeid 1 eenheid olijven of 1/2 eenheid appels produceren: 1 eenheid olijven kost dus 1/2 eenheid appels ofwel de opofferingskosten voor 1 eenheid olijven is 1/2 eenheid appels.

Nederland kan met 1 uur arbeid 1/2 eenheid olijven of 1/3 eenheid appels produceren: 2x 1/2 eenheid olijven kost dus 2x 1/3 = 2/3 eenheid appels ofwel de opofferingskosten voor 1 eenheid olijven is 2/3 eenheid appels.

De productie van appels

Griekenland kan met 1 uur arbeid 1/2 eenheid appels of 1 eenheid olijven produceren: 2 x 1/2 = 1 eenheid appels kost dus 2 x 1 = 2 eenheden olijven ofwel de opofferingskosten voor 1 eenheid appels is 2 eenheden olijven

Nederland kan met 1 uur arbeid 1/3 eenheid appels of 1/2 eenheid olijven produceren: 3 x 1/3 = 1 eenheid appels kost 3 x 1/2 = 1,5 eenheden olijven ofwel de opofferingskosten voor 1 eenheid appels is 1,5 eenheden olijven

Op basis van de opofferingskosten is te zien dat het produceren van olijven voor Griekenland relatief het goedkoopst is (GR 0,5 eenheid appels tegen NL 0,67 eenheid appels) en het produceren van appels voor Nederland relatief het goedkoopst is (NL 1,5 eenheid olijven tegen GR 2 eenheid olijven).

Door te handelen kunnen beide landen dus een hogere welvaart krijgen als er ruilverhoudingen gehanteerd worden tussen de comparatieve kosten in.

De kosten van olijven zal uitkomen tussen de 0,5 en de 0,67 eenheden appels; de kosten van appels tussen de 1,5 en 2 eenheden olijven.

2.3 Banken kunnen de geldhoeveelheid vergroten

Banken hebben verschillende functies:

  • Beheren van de betaalrekeningen (rekening-couranttegoeden)
  • Beheren van de spaarrekeningen
  • Zorgen voor het girale betalingsverkeer
  • Verstrekken van krediet (leningen)
De prijs van geld

Bij sparen ontvangt de spaarder een vergoeding: de rente.

Bij lenen betalen de leners een vergoeding: de rente.

Rente is dus de prijs van geld.

Naast rente moeten de leners ook nog de lening terugbetalen. Dat heet aflossen van de lening.

Soorten van kredietverlening

Banken kunnen op twee verschillende manier krediet verlenen:

  1. Het gespaarde geld wordt uitgeleend. De bank is dan een doorgeefluik. De hoeveelheid geld verandert niet,
  2. De bank creëert geld door enerzijds jouw banksaldo te verhogen en dezelfde hoeveelheid geld als schuld op te nemen. Hierdoor neemt de geldhoeveelheid toe. De hoeveelheid geld in omloop heet de maatschappelijke geldhoeveelheid.
Liquiditeitspercentage

Banken hebben grenzen aan de kredietverlening. Ze moeten een bepaald percentage aan chartaal geld hebben om klanten die geld van hun rekening willen halen te kunnen betalen. Dat wordt het liquiditeits- of dekkingspercentage genoemd.

Het liquiditeitspercentage bepaalt hoeveel een bank mag uitlenen. Het kan door verschillende oorzaken veranderen:

  • De bank krijgt extra liquide middelen, bijvoorbeeld de bank leent liquide middelen van DNB
  • De bank verliest liquide middelen, bijvoorbeeld klanten nemen contant geld op van hun rekening-couranttegoed

Voorbeeld

Een bank moet een liquiditeitspercentage hebben van 10% omdat ze ervan uitgaat dat slechts 10% van het rekening-couranttegoed contant wordt opgenomen door de klanten.

In dit voorbeeld heeft een bank € 200 miljard aan rekening-courant tegoeden en € 20 miljard aan liquide middelen. Het liquiditeitspercentage is 20 / 200 x 100% = 10%, precies voldoende dus.

Toename liquide middelen

De bank leent € 2 miljard aan liquide middelen bij DNB. Hierdoor wordt het liquiditeitspercentage 22 / 200 x 100% = 11%. Door een hoger liquiditeitspercentage ontstaat er ruimte om meer kredieten te verlenen. De bank mag hierdoor € 22 miljard / 10 x 100 = € 220 miljard aan kredieten verlenen terwijl ze maar voor € 200 miljard heeft uitstaan. Ze mag dus – gegeven het liquiditeitspercentage van 10% – nog € 220 miljard – € 200 miljard = € 20 miljard aan kredieten verlenen.

Afname liquide middelen

De klanten nemen € 2 miljard contant op. Hierdoor neemt de hoeveelheid liquide middelen af van € 20 miljard naar € 18 miljard. Tegelijkertijd neemt het rekening-couranttegoed af van € 200 miljard naar € 198 miljard. Het liquiditeitspercentage wordt hierdoor € 18 miljard / € 198 miljard x 100% = 9,1%. De bank kan hierdoor geen nieuwe kredieten meer verlenen.

Bankrun

Banken staan of vallen met het vertrouwen dat de klanten in hun hebben. Als een bank het vertrouwen verliest, en een gerucht is vaak voldoende, gaan klanten massaal hun geld opnemen. Deze komt al snel in de problemen want de bank kan maar 10% van de klanten hun geld geven; ze hebben domweg niet meer in kas.

De overheid wil het betalingssysteem dat de banken verzorgen niet ten onder laten gaan. Daarom zal ze de banken steun bieden bij problemen en de DNB garandeert dat de tegoeden van klanten tot € 100.000 worden uitbetaald.

2.4 De kredietcrisis, een bankencrisis?

Vooraf

Hypotheeklening: een lening voor een huis waarbij het huis een onderpand voor de bank is. Dat betekent dat wanneer de schuldenaar niet meer kan betalen de bank het huis mag verkopen om zo de schuld ineens af te lossen.

Monetaire economie: de economie van geld en banken.

Reële economie: de economie van bestedingen en productie.

Ontstaan van de kredietcrisis

Amerikaanse banken hadden erg veel mensen, die het eigenlijk niet konden betalen, hypotheekleningen verstrekt. De achterliggende gedachte was dat de huizenprijzen zouden blijven stijgen zodat de banken niet al teveel risico liepen. Maar de huizenprijzen stegen opeens niet meer, maar begonnen te dalen. En toen de banken die huizen gingen verkopen kregen ze (veel) minder geld dan ze verwacht hadden. Ze leden flinke verliezen op hun leningen.

Op zich zou het een Amerikaans probleem zijn maar de Amerikaanse banken hadden de leningen wereldwijd aan andere banken doorverkocht. En zo werd het een wereldprobleem want alle banken hadden bezittingen in de vorm van Amerikaanse hypotheekleningen die nooit meer betaald zouden worden.

Gevolgen
  • Banken dreigden failliet te gaan en leenden daarom veel minder geld uit. Hierdoor daalde het consumentenvertrouwen en namen de bestedingen van consumenten af, de productie nam af en de werkloosheid steeg.
  • Banken werden geconfronteerd met massale opnames van contant geld en gingen failliet of werden met staatssteun gered. Ook dit zorgde voor een afname van het consumentenvertrouwen en dalende bestedingen. Daar bovenop moesten veel overheden sterk bezuinigen.
  • De aandelenkoersen van banken en bedrijven daalden. Beleggers verloren heel veel geld en ook hun bestedingen namen af.
Conclusie

Wat begon in de monetaire economie sloeg over naar de reële economie: door een sterke daling van de bestedingen kwam de economie in zeer slecht weer. Lage economische groei en hoge werkloosheid waren het gevolg.

Ω

Deze samenvatting is gebaseerd op de LWEO lesbrief Crisis, tweede druk 2015.