Lesbrief Jong & Oud, samenvatting vierde druk 2016

School of baantje

Samenwerken of niet

Het gevangenendilemma

Het gevangenendilemma komt uit de speltheorie die het nemen van beslissingen bestudeert waarbij de uitkomst afhangt van wat anderen doen.

Voorbeeld

Twee zussen die een hekel hebben aan opruimen, delen een kamer. Wekelijks staan ze voor de keuze: opruimen en hun spullen weer vinden of niet opruimen. De keuzes en de tijd die het kost zijn:

  • Ze ruimen samen op: dat kost ieder 30 minuten
  • De een ruimt op de ander niet: dat kost de opruimer 70 minuten en de niet-opruimer 10 minuten
  • Ze ruimen geen van beiden op: dat kost ieder uiteindelijk 60 minuten.

De uitkomsten van dit dilemma kunnen in een opbrengstenmatrix gezet worden.

Zus 1
ruimt op ruimt niet op
Zus 2 ruimt op 30, 30 70, 10
ruimt niet op 10, 70 60, 60

De zussen gaan voor zichzelf na wat voor haar de verstandigste keuze is. Dat blijkt niet-opruimen te zijn, de dominante strategie. Als zus 2 opruimt kost dat haar 30 of 70 minuten, samen 100 minuten; als zus 2 niet-opruimt kost dat haar 10 of 60 minuten, samen 70 minuten. Niet-opruimen is dus gunstiger. Datzelfde geldt voor zus 1. Dus beiden kiezen ze voor niet-opruimen en zo zijn ze iedere week 60 minuten kwijt aan opruimen en zoeken.

Als ze hadden samengewerkt zouden ze beiden beter af zijn geweest: 30 minuten werk per persoon.

Samenwerken hangt bij speltheorie nauw samen met vertrouwen. Als een van de twee haar belofte niet nakomt is ben jij de klos en lift de ander mee op jouw inspanning. Alleen een bindende afspraak, waar een sanctie op staat, kan tot samenwerking leiden.

De levensfasen

In een mensenleven zitten drie verschillende fasen, de levensloop:

  1. kinderfase: de generatie kinderen.
  2. ouderfase: de generatie ouders.
  3. grootouderfase: de generatie grootouders.

Deze fasen staan niet los van elkaar: het gedrag van de ene fase heeft gevolgen voor de andere fasen. Sterker nog: het gedrag van de huidige generaties kan (verstrekkende) gevolgen hebben op toekomstige generaties en dus op hun keuzemogelijkheden.

De jeugd

Kosten van kinderen

Het grootbrengen van kinderen kost erg veel tijd en geld. Iedere fase van een kind brengt, naast voeding en kleding, andere kosten met zich mee.

  • baby: inrichting babykamer, babyuitzet.
  • peuter/kleuter: kinderopvang.
  • basisschool: school is gratis, extra kosten is zakgeld.
  • middelbare school: school is gratis, extra kosten zijn schoolspullen, contributie, zakgeld.
  • hoger onderwijs: collegegeld, kamerhuur, ziektekosten enzovoort.

Tot dat een kind 18 jaar is krijgen de ouders ieder kwartaal kinderbijslag. Vanaf 18 jaar is dat afgelopen.

Naast de kosten die de ouders betalen, krijgen de meeste kinderen ook zak- en/of kleedgeld dat ze zelf kunnen besteden. Hierdoor leren kinderen keuzes maken; ze handelen economisch.

Consumeren en ruilen over de tijd

Inkomen kan meteen uitgegeven worden. Het geld wordt dan geconsumeerd. Maar er kan ook geruild worden over de tijd.

Wordt niet alle inkomen meteen uitgegeven dan wordt (een deel) gespaard: de consumptie wordt uitgesteld, maar er wordt rente ontvangen.

Wordt er meer uitgegeven dan er binnen komt, dan moet er geleend worden: de consumptie wordt naar voren gehaald, maar er moet rente betaald worden.

Sparen en lenen zijn vormen van ruilen over de tijd: geld verdienen en uitgeven gebeurt in verschillende periodes.

Ruilen-over-tijd_J&O

Ook de keuze doorstuderen of meteen na de middelbare school gaan werken is ruilen over de tijd:

  • Vroeg verdienen is vroeg consumeren, maar het inkomen is laag en zal laag blijven.
  • Laat verdienen is laat consumeren, mogelijk moet er zelfs geleend worden, maar het latere inkomen wordt hoger.

Werken en belasting betalen

(Bijna) iedereen zal vroeg of laat aan het werk moeten. Of dat in loondienst of als zelfstandige wordt, is een keuze die ieder voor zich moet maken: beide vormen hebben voor- en nadelen.

Bronnen van inkomen

Voor het ter beschikking stellen van productiefactoren worden vergoedingen ontvangen: de bronnen van inkomen.

Productiefactor Bron van inkomen Voorbeeld
Arbeid Loon
Kapitaal Rente Spaargeld, obligaties
Huur Gebouw, huis
Natuur Pacht Grond, bos
Ondernemerschap Winst, dividend Eigen bedrijf, aandelen

Al deze inkomens samen worden het primaire inkomen genoemd en hierover moeten inkomstenbelasting en sociale premies betaald worden aan de overheid. De sociale premies worden betaald om verzekerd te zijn tegen de financiële gevolgen van onverwachte gebeurtenissen.

Inkomen uit arbeid

Over het loon moet loonheffing betaald worden. Dat  bestaat uit loonbelasting en premies volksverzekeringen. De werkgever houdt maandelijks van het loon een bedrag aan loonheffing in en draagt dat af aan de belastingdienst, de overheid dus. Aan het einde van het jaar moeten de meeste mensen hun belastingaangifte doen. Hieruit blijkt of er genoeg, teveel of te weinig belasting betaald is.

De loonheffing wordt door de overheid gebaseerd op het draagkrachtbeginsel: hogere inkomens moeten meer belasting afdragen. Hierdoor verandert de inkomensverhouding ten gunste van de lagere inkomens. Ons belastingstelsel is dan ook progressief, hoe meer inkomen uit arbeid, hoe hoger het belastingbedrag. Vanwege aftrekposten en heffingskortingen kan het te betalen belastingbedrag van persoon tot persoon verschillen.

Basis van de inkomensheffing

Het bruto jaarinkomen is de basis voor de loonheffing. Hierop mogen aftrekposten in mindering gebracht worden.

Bruto jaarinkomen
Aftrekposten                     –
Belastbaar jaarinkomen

Het belastbaar inkomen is dus het bedrag waarover belasting betaald moet worden.

Het schijventarief 2017

Over het belastbaar jaarinkomen moet vervolgens belasting en premies volksverzekeringen betaald worden volgens een progressief stelsel. Dat betekent dat er over verschillende delen van het inkomen verschillende percentages betaald moeten worden. Die verschillende delen worden schijven genoemd, vandaar de term “schijventarief”. In schijf 1 en schijf 2 wordt naast belasting ook premies volksverzekeringen geheven (28,15%), in schijf 3 en schijf 4 wordt alleen belasting geheven. Onderstaand voorbeeld laat de tarieven van 2016 zien.

Schijf Belastbaar inkomen Omvang schijf Percentage Maximale heffing over de schijf
1 van € 0 t/m € 19.981 € 19.981 36,55% € 7.303
2 van € 19.982 t/m € 33.790  € 13.808 40,8% € 5.633
3 van € 33.791 t/m € 67.071 € 33.280 40,8% € 13.578
 4 van € 67.072 onbegrensd 52% onbegrensd

Is het te betalen belastingbedrag op basis van het belastbaar inkomen berekend dan zijn we er nog niet. De meeste Nederlanders krijgen namelijk nog korting(en): de heffingskortingen. Deze heffingskortingen verschillen per persoon en verlagen het te betalen belastingbedrag.

De aftrekposten, de lengte van de schijven, de belastingtarieven per schijf en de heffingskortingen worden jaarlijks door de overheid vastgesteld.

Voor de nadere uitleg van het schijventarief: zie het menupunt “Belastingen”.

Gemiddelde heffingstarief

Het gemiddelde heffingstarief is het percentage van je bruto-inkomen dat je aan belasting en premies moet afdragen, dus: inkomensheffing / brutoloon x 100%. Het Nederlandse belastingstelsel is progressief.

Marginale heffingstarief

Het marginale heffingstarief is het percentage dat over de laatstverdiende euro betaald moet worden; het tarief van de hoogste schijf waarin belasting betaald moet worden.

Soorten belastingstelsels

Naam Hoe is de heffingsdruk?
Wat is het effect na belastingheffing?
Progressief Gemiddelde heffingsdruk stijgt bij een stijgend inkomen Inkomensverschillen worden kleiner: nivelleren
Proportioneel Heffingsdruk is gelijk voor alle inkomens Inkomensverschillen blijven gelijk
Degressief Gemiddelde heffingsdruk daalt bij een stijgend inkomen Inkomensverschillen worden groter: denivelleren

 

Inkomensongelijkheid

Van primair naar secundair inkomen

Door het inzetten van de productiefactoren Kapitaal Arbeid Natuur Ondernemerschap in het productieproces worden als beloningen loon, huur, pacht, rente en winst verdiend. Deze beloningen samen vormen het primaire inkomen. Over deze beloningen wordt door de overheid belasting en sociale premies ingehouden en worden uitkeringen, subsidies en toeslagen betaald; het inkomen wordt herverdeeld. Het dan resterende inkomen is het secundaire inkomen, het netto besteedbaar inkomen.

Primaire inkomen
Belasting en sociale premies
Uitkeringen, toeslagen, subsidies +
Secundaire inkomen =

De Lorenzcurve

De personele inkomensverdeling (inkomensverdeling over personen of huishoudens) kan worden weergegeven met een Lorenzcurve. Hiermee kan de mate van ongelijkheid van de inkomens inzichtelijk worden gemaakt.

Hiervoor worden de inkomens eerst gerangschikt van laag naar hoog en vervolgens verdeeld in groepen.

Groepsgrootte Benaming Aantal groepen
1 procent van het totaal Percentiel 100 groepen
10 procent van het totaal Deciel 10 groepen
20 procent van het totaal Kwintiel 5 groepen

Vervolgens worden alle inkomens bij elkaar geteld en wordt per groep bepaald hoeveel het inkomen in % van het totaal is. Deze uitkomsten worden gecumuleerd (opgeteld) weergegeven in een grafiek zodat zichtbaar wordt hoeveel per percentiel/deciel/kwintiel hoeveel procent van het inkomen heeft. Dat kan gedaan worden voor de bruto-inkomens en voor de netto-inkomens.

Een voorbeeld van een Lorenzcurve

Een groep van 100 personen heeft de volgende verdeling naar bruto-inkomen:

Inkomensgroep van laag naar hoog Personen in % van het totaal Bruto-inkomen per groep in € Bruto-inkomen per groep in % van het totaal Cumulatief % personen Cumulatief % van het totale bruto-inkomen
Groep 1 20% 300.000 10% 20% 10%
Groep 2 20% 420.000 14% 40% 24%
Groep 3 20% 480.000 16% 60% 40%
Groep 4 20% 750.000 25% 80% 65%
Groep 5 20% 1.050.000 35% 100% 100%
3.000.000 100%

Deze inkomensverdeling resulteert in onderstaande zwarte Lorenzcurve.

Vervolgens wordt er door de overheid progressief belasting geheven wat weergegeven is in de volgende tabel.

Groep Personen in % van het totaal Netto-inkomen per groep in % van het totaal Cumulatie % personen Cumulatief % van het netto-inkomen
1 20% 13% 20% 13%
2 20% 17% 40% 30%
3 20% 19% 60% 49%
4 20% 21% 80% 70%
5 20% 30% 100% 100%
100% 100%

Het resultaat van deze belastingheffing resulteert in de rode Lorenzcurve in de grafiek. De rode lijn ligt dichter bij de 45°-lijn wat aangeeft dat de inkomens zijn genivelleerd.

Herverdelen

In Nederland wordt door het progressief heffen van belasting, inkomen herverdeeld. De hoge inkomens betalen naar verhouding meer belasting dan de lage inkomens waardoor de inkomens na belastingheffing dichter bij elkaar komen te liggen in relatieve zin. De inkomens zijn dan genivelleerd. Bij denivellering komen de inkomens verder van elkaar te liggen in relatieve zin.

Andere manier van inkomensongelijkheid bepalen

De mate van ongelijkheid kan ook bepaald worden door de verhouding hoogste/laagste inkomens te nemen. In het voorbeeld is de verhouding 1.050.000/300.000 = 3,5 wat betekent dat de hoogste inkomens 3,5x zoveel verdienen als de laagste inkomens.

Belastingbeginsels

Draagkrachtbeginsel: de hogere inkomens betalen relatief meer belasting dan de lagere inkomens. Progressief belastingtarief op basis van solidariteit.

Profijtbeginsel: iedereen betaalt hetzelfde bedrag/percentage omdat hij of zij ervan gebruik maakt. Proportioneel belastingtarief.

Waarde toevoegen

Toegevoegde waarde

In een productieproces worden, naast ingekochte grond- en hulpstoffen, de productiefactoren Kapitaal Arbeid Natuur Ondernemerschap in meer of mindere mate ingezet. De inzet van de productiefactoren moet ook betaald worden. Hierdoor neemt de waarde van het geproduceerde toe. Dat wordt Toegevoegde Waarde genoemd. De verkoopprijs van een product is dus de optelling van de ingekochte grond- en hulpstoffen plus de waarde die door het bedrijf is toegevoegd.

Toegevoegde waarde = productiewaarde = omzet – inkoopwaarde grondstoffen

Resultatenrekening

Op de resultatenrekening van een bedrijf worden over een periode enerzijds de kosten zichtbaar gemaakt: wat is betaald aan inkoop en beloningen productiefactoren en anderzijds de opbrengsten: de omzet. De sluitpost van een resultatenrekening is steeds het saldo winst/saldo verlies want de ondernemer mag de winst opstrijken maar is ook verantwoordelijk voor het geleden verlies.

De posten op de resultatenrekening worden stroomgrootheden genoemd omdat ze steeds gaan over een periode.

Verzekeren

Particuliere verzekeringen

Particuliere verzekeringen worden afgesloten door individuen of bedrijven om risico’s af te dekken. De premiehoogte is afhankelijk van het risico. Particuliere verzekeringen worden behandeld in de lesbrief Vervoer.

Sociale verzekeringen

Sociale verzekeringen verzekeren mensen tegen inkomensverlies of tegen hoge kosten. Ze zijn door de overheid ingesteld en zijn verplicht. Solidariteit is belangrijk en de premie wordt geheven naar draagkracht. Bij sociale verzekeringen wordt de premie niet vastgesteld naar het individuele risico en niemand wordt uitgesloten.

Sociale verzekeringen worden onderverdeeld in volksverzekeringen en werknemersverzekeringen.

Volksverzekeringen

Volksverzekeringen zijn verplicht voor alle mensen die in Nederland wonen. Ze dekken het risico tegen verlies van inkomen (ziekte, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en ouderdom) of tegen hoge kosten (langdurige geneeskundige zorg, kinderen).

De volksverzekeringen zijn:

  • AOW: Algemene Ouderdomswet, voor iedereen vanaf de AOW-leeftijd. De uitkering is voor iedereen even hoog, het sociale minimum en voor een volledige uitkering moet iemand 50 jaar in Nederland gewoond hebben.
  • Wlz: Wet Langdurige zorg, ter vergoeding van langdurige verpleging en psychiatrie.
  • Anw: Algemene Nabestaandenwet, geeft een inkomensafhankelijk minimum voor nabestaanden.
  • AKW: Algemene Kinderbijslagwet, voor kinderen tot 18 jaar. De uitkering wordt betaald uit belastinginkomsten.

Werknemersverzekeringen

De werknemersverzekeringen zijn verplicht voor alle mensen in loondienst.

De werknemersverzekeringen zijn:

  • WW: Werkloosheidswet, voor werknemers die onvrijwillig werkloos worden. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van het arbeidsverleden.
  • WIA: Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen, voor werknemers die geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt worden. Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid moet de werkgever zorgen voor aangepast werk.
  • ZW: Ziektewet. Voor zieke werknemers moet de werkgever twee jaar loon doorbetalen. Gaat de werkgever failliet dan neemt de ZW de betaling over.

Sociale voorzieningen

Sociale voorzieningen is voor mensen die geen uitkering krijgen van een werknemers- of volksverzekering en zonder inkomsten zitten. De overheid betaalt deze uit de belastinginkomsten.

Sociale voorzieningen zijn:

  • De bijstand: Wet Werk en bijstand. De hoogte is – net als bij de volksverzekeringen – het sociale minimum.
  • Wajong: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, voor jonge gehandicapten zonder arbeidsverleden.

De sociale zekerheid in een schema

De ziektekostenverzekering

Ziektekosten vallen onder de Zorgverzekeringswet Zvw. De Zvw is geen volksverzekering maar een particuliere verzekering met kenmerken van een volksverzekering: verplichte deelname en geen risico-selectie. Naast de eigen premie aan de verzekeraar moet ook een inkomensafhankelijk premie aan de overheid betaald worden. Bij werknemers gebeurt dat door de werkgever (de werkgeversheffing), alle anderen moeten het uit eigen zak betalen.

Mensen met een laag inkomen kunnen zorgtoeslag krijgen die door de overheid uit de belastinginkomsten betaald wordt. Hierdoor is ons ziektekostenstelsel gebaseerd op solidariteit.

Om de zorg voor iedereen toegankelijk te houden en averechtse selectie tegen te gaan, hebben de verzekeraars voor het basispakket een acceptatieplicht: iedereen die zich aanmeldt moet geaccepteerd worden. Het basispakket omvat de vergoeding voor huisarts, medicijnen en specialistische hulp. Voor aanvullende verzekeringen, zoals tandarts, fysiotherapie, alternatieve geneeswijzen, geldt de acceptatieplicht niet. De aanvullende verzekeringen zijn particuliere verzekeringen en daarom vrijwillig.

Voor de basisverzekering geldt een eigen risico van € 385 (2016 en 2017) per verzekerde om moreel wangedrag tegen te gaan.

Omslagstelsel of Kapitaaldekkingsstelsel?

Als de ontvangen premies gebruikt worden om in dat jaar uitkeringen te betalen, wordt gebruik gemaakt van het omslagstelsel. Voorbeelden van het omslagstelsel zijn:

  • Schadeverzekeringen: autoverzekering, opstalverzekering enzovoort
  • Sociale zekerheid: ww, aow enzovoort

Het kapitaaldekkingsstelsel keert uitkeringen uit vanuit in het verleden betaalde premies; er wordt dus geruild over de tijd. Deze premies worden belegd zodat er later een groter kapitaal ontstaat. Voorbeelden van het kapitaaldekkingsstelsel zijn:

  • De eigen pensioenverzekering: wat de Nederlander zelf spaart als aanvulling op zijn pensioen
  • De pensioenverzekering via het pensioenfonds: wat de werknemer spaart als aanvulling op zijn aow
  • Verzekeringen voor later: levensverzekering, overlijdensverzekering, uitvaartverzekering

Het huishouden

Koophuis of huurhuis?

Een huis kopen heeft in de regel langdurige en verstrekkende gevolgen want slechts weinig mensen hebben genoeg geld om een koophuis te kunnen betalen. Ze zullen dus een hypothecaire lening moeten afsluiten. Een hypothecaire lening is een lening met een lange looptijd en een onroerend goed (het huis zelf) als onderpand. De woningeigenaar heeft met veel kosten rekening te houden:

  • Rente en aflossing van de hypotheeklening
  • Verzekeringspremies
  • Onderhoudskosten
  • Onroerende zaakbelasting
  • Eigenwoningforfait

Een huurder heeft die kosten allemaal niet. Die betaalt zijn huur en daarmee is de kous af.

Het voordeel van een eigen huis is de vermogensopbouw. Bij iedere aflossing wordt het huis meer van de eigenaar. Als het huis later verkocht wordt krijgt de eigenaar een som geld in handen waarmee hij het restant van de lening ineens kan aflossen. Is het huis dan ook nog in waarde gestegen dan is het dubbel winst.

De gezinsfase

Met de komst van kinderen verandert er veel. Er moet voor kinderen gezorgd worden en de tijd voor die zorg kan er niet gewerkt worden dus het inkomen daalt. Tevens stijgen de uitgaven. Gelukkig helpt de overheid een handje met kinderopvang, kinderbijslag en gratis ziektekostenverzekering.

De koopkracht

Voor de berekening van de koopkracht wordt uitgegaan van de stijging van het algemene prijspeil: de consumentenprijsindex CPI. Het CPI is het gewogen gemiddelde van een mandje goederen waaraan een gezinnen hun inkomen uitgeven. Iedere uitgave heeft zijn eigen weging omdat niet alle uitgaven even zwaar op het huishoudbudget drukken. Per uitgavesoort wordt gekeken wat de wegingsfactor is – hoe zwaar drukt het op het budget – en hoeveel de prijs van deze uitgavesoort verandert is ten opzichte van een vorige periode. De berekening van het CPI gebeurt met de formule van het gewogen indexcijfer:

gewogen indexcijfer

waarbij Σ betekent “som van”.

Voorbeeld

Consumentenprijsindex alle huishoudens (2000 = 100)

Bereken het CPI voor het jaar 2004.

Uitwerking

Per categorie moet het partiële indexcijfer met de weging vermenigvuldigd worden. Deze uitkomsten worden opgeteld en gedeeld door de som van de wegingen: in dit geval is de som van de wegingen 1000.

De uitkomst geeft de stijging van het prijspeil weer sinds het basisjaar.

Sinds 2000 zijn de prijzen dus gemiddeld gestegen met 111,2 – 100 = 11,2%.

De wegingen

Hieronder staan de wegingen van het voorbeeld gesorteerd van laagste naar hoogste weging.

Dat betekent dat van dit mandje met goederen/diensten het meeste wordt uitgegeven aan Huisvesting, water en energie (218/1000 = 21,8% van het huishoudbudget) en het minste aan Onderwijs (1/1000 = 0,1%). Heeft jouw eigen mandje een andere samenstelling dan wijkt jouw CPI af van het algemene CPI: het ligt er maar net aan hoe zwaar de groepen op jouw budget drukken.

Aanpassingen door het CBS

Het CBS past de berekening van het CPI van tijd tot tijd aan. Zo wordt het mandje goederen/diensten aangepast aan een veranderd uitgavenpatroon. Zo is bijvoorbeeld bij Communicatie het mobieltje en de computer toegevoegd en is de vaste telefoon naar de achtergrond gedrongen. Ook wordt van tijd tot tijd het basisjaar verlegd en worden de indexcijfers dus opnieuw bepaald. Het heeft immers weinig zin om het CPI van nu te vergelijken met dat van 1900 of van 1800.

Verleggen van het basisjaar

Indexcijfer oude basisjaar / indexcijfer nieuwe basisjaar x 100

Om het basisjaar te verleggen moeten alle indexcijfers opnieuw berekend worden. Ook hierbij maken we gebruik van de gegeven indexcijfers. Het oude indexcijfer wordt gedeeld door het indexcijfer van het nieuwe basisjaar en vermenigvuldigd met 100. Klaar.

Stel dat we het basisjaar gaan verleggen van 2002 naar 2006 en dat de oude indexcijfers als volgt waren:

Jaar 2000 2002 2004 2006 2008
Indexcijfer oud 98 100 104 107 110
Herberekening 98/107 x 100 102/107 x 100 104/107 x 100 107/107 x 100 110/107 x 100
Indexcijfer nieuw = 91,6 = 95,3 = 97,2 = 100 = 102,8

 

Nog meer indexcijfers

Om de koopkracht, het reële inkomen, te berekenen maken we ook gebruik van indexcijfers.

 

of wel RIC = NIC / PIC x 100.

Is het indexcijfer Reëel Inkomen > 100 dan gaat de koopkracht erop vooruit, is het < 100 dan is de koopkracht gedaald en is het gelijk aan 100 dan blijft de koopkracht gelijk.

Op soortgelijke wijze kan de koopkracht van een spaarbedrag berekend worden. De formule hiervoor is:

Het nominale spaarbedrag stijgt hierbij met het rentepercentage.

Senioren

De laatste levensfase is die van de senioren; de kinderen zijn het huis uit en de senior stopt met werken.

Inkomen voor de met werken gestopte senior

Het inkomen bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd kan uit 3 pijlers bestaan:

  • De AOW
  • Het bedrijfspensioen
  • Zelf opgebouwd pensioen

De AOW

Iedereen in Nederland die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, heeft recht op AOW. De AOW-uitkering verschaft een minimuminkomen en de hoogte is afhankelijk van:

  • Hoe lang je in Nederland woont. Is dat 50 jaar dan ontvang je 100%. Per jaar minder gaat daar 2% van af.
  • Het inkomen van een nog werkende partner.
  • Alleenstaand of samenwonend. Een alleenstaande ontvangt 70% van het minimumloon, een gehuwde/samenwonende ontvangt 50%.
Financiering van de AOW

AOW is een volksverzekering op basis van het omslagstelsel. Dat betekent dat de actieven de premie betalen voor de AOW’ers. Door de vergrijzing is de betaalbaarheid van de AOW in het gedrang en daarom is ervoor gekozen om de AOW-leeftijd te verhogen van 65 naar 67+. Hierdoor stijgt het aantal actieven en neemt het aantal inactieven af.

Het bedrijfspensioen

Vrijwel iedere werknemer in Nederland bouwen een verplichte aanvulling op de AOW op via een bedrijfspensioenfonds. Dit opgebouwde pensioen is uitgesteld loon en is dus een vorm van ruilen over de tijd. De hoogte van de pensioenuitkering is afhankelijk van hoe lang gewerkt is en hoeveel premie betaald is maar is meestal zodanig dat de totale uitkering – AOW plus bedrijfspensioen – 70% tot 90% bedraagt van het gemiddelde loon over alle gewerkte jaren. Over het pensioen moet later belasting betaald worden.

Financiering van het bedrijfspensioen

Het bedrijfspensioen wordt gefinancierd op basis van het kapitaaldekkingsstelsel. De pensioenfondsen ontvangen de premies en beleggen deze voornamelijk in aandelen, obligaties en onroerend goed. De opbrengsten uit deze beleggingen plus de premieopbrengsten moeten voldoende zijn om de uitkeringen te kunnen doen.

Aandelen

Aandelen zijn bewijzen van mede-eigendom van een onderneming. Als vergoeding wordt dividend uitgekeerd, een evenredig deel van de winst. Gaat het bedrijf failliet dan is de aandeelhouder zijn geld kwijt. Is het bedrijf erg winstgevend dan krijgt de aandeelhouder een flink rendement. Er zitten dus grote risico’s aan beleggen in aandelen.

Obligaties

Obligaties zijn langlopende schuldbewijzen van bedrijven of overheden met een vaste rente en een vaste looptijd. Ieder jaar ontvangt de obligatiehouder de vaste rente en aan het einde van de looptijd krijgt hij zijn ingelegde geld terug. Obligatieleningen geven daarom meer zekerheid dan aandelen.

Waardevast en welvaartsvast

Een waardevast pensioen betekent dat het pensioen jaarlijks evenveel stijgt als het inflatiepercentage. De koopkracht blijft dus gelijk.

Bij een welvaartsvast pensioen stijgt het pensioen evenveel als de gemiddelde stijging van de CAO-lonen. Deze stijging is in de regel hoger dan het inflatiepercentage; de koopkracht van het pensioen stijgt.

Zelf opgebouwd pensioen

Sommige mensen vinden de AOW plus bedrijfspensioen te laag en sparen extra voor hun oude dag. Het vergaarde kapitaal kan op een spaarrekening gezet worden, maar kan – net als de bedrijfspensioenfondsen doen – ook worden belegd in aandelen, obligaties en onroerend goed.

Koers van aandelen

Er is een relatie tussen de rente en de koers van aandelen.

Rente Gevolg 1 Gevolg 2 Aandelenkoers
Daalt Op spaargeld en obligaties wordt minder verdiend De vraag naar aandelen stijgt De koers van aandelen stijgt
Daalt Bedrijven hebben minder rentekosten De winsten stijgen De koers van aandelen stijgt
Daalt Gezinnen en bedrijven lenen en besteden meer De winsten stijgen De koers van aandelen stijgt

Uiteraard geldt steeds het omgekeerde als de rente stijgt.

Een dalende rente heeft ook invloed op de koers van obligaties.

Rente daalt Bestaande obligaties blijven de oude rente uitkeren Bestaande obligaties leveren meer op De koers van bestaande obligaties stijgt

En uiteraard geldt het omgekeerde bij een stijgende rente.

Ruilen tussen generaties

De samenleving waarin de overheid zorgt voor de sociale zekerheid wordt verzorgingsstaat genoemd. De overheid grijpt in in de:

  • inkomensverdeling
  • arbeidsomstandigheden
  • gezondheidszorg
  • onderwijs

In de verzorgingsstaat is de solidariteit tussen gezond en ziek, jong en oud, arm en rijk vastgelegd in wetten.

Overdrachten tussen generaties

De verzorgingsstaat mag dan wel in veel zaken ingrijpen maar ze heeft ook geld nodig. Dat geld komt van de werkenden in de vorm van belasting en premies. In principe krijgt men tijdens het leven net zoveel van de overheid dan dat er afgedragen wordt.

De jongeren en de ouderen zijn de netto-ontvangers, de werkenden zijn de netto-betalers.

Naast overdrachten van inkomen en vermogen worden nog andere overdrachten tussen de generaties gedaan die de welvaart positief of negatief beïnvloeden:

  • Positief
    • overdracht van kennis door scholing
  • Negatief
    • milieuproblemen
    • uitputting van grondstoffen

Ω

Deze samenvatting is gebaseerd op de lesbrief Jong en Oud, vierde druk 2016.

Bewaren

Bewaren

Bewaren