Lesbrief Markt & Overheid, samenvatting vierde druk 2016

Deze lesbrief gaat over de diverse marktvormen en de invloed van de overheid hierop.

De marktvormen

De verdeling van de marktaandelen tussen de verschillende aanbieders op een bepaalde markt geeft inzicht in marktvorm. Het marktaandeel kan uitgedrukt worden in afzet (= aantallen) of in omzet (= geld).

  • Zijn er heel veel aanbieders die ieder een heel klein stukje van het marktaandeel hebben, dan is de marktvorm Volkomen concurrentie.
  • Is er slechts één aanbieder die daardoor het totale marktaandeel heeft, dan is de marktvorm Monopolie.
  • Zijn er slechts enkele aanbieders die een groot deel van het marktaanbod vertegenwoordigen (80-85%), dan is de marktvorm Oligopolie.
  • Zijn er veel aanbieders die ieder een uniek, maar wel substitueerbaar product maken, dan is de marktvorm Monopolistische concurrentie.

Marktvorm 1: Volkomen concurrentie

Een markt van volkomen concurrentie of volledige mededinging kenmerkt zich door:

  • een groot aantal aanbieders: een individuele producent is klein en heeft daarom geen invloed op de prijs.
  • een homogeen product: voor de consument zijn alle exemplaren van het product identiek.
  • een transparante (doorzichtige) markt: vragers naar en aanbieders van het product zijn op de hoogte van het totale aanbod. Op een transparante markt is slechts één prijs mogelijk, namelijk de laagste.
  • vrije toe- en uittreding: er zijn geen belemmeringen om tot een markt toe te treden of eruit te stappen.

Deze marktvorm komt in de praktijk niet voor maar een groenteveiling of de valutamarkt komt er dichtbij.

Het marktmechanisme

Wordt er op de markt winst gemaakt dan lokt dat andere aanbieders. Het hogere aanbod zorgt voor een lagere prijs, de winst daalt, toetreden wordt onaantrekkelijk en aanbieders verdwijnen. Door het verdwijnen van aanbieders stijgt de prijs weer enzovoort. Een andere oorzaak voor de toename van aanbieders kan zijn het dalen van de kostprijs door goedkopere grondstoffen of betere productietechnieken waardoor de winsten stijgen.

Het vrije spel van vraag en aanbod wordt het marktmechanisme of prijsmechanisme genoemd.

Hoeveelheidsaanpasser

De individuele aanbieder heeft geen invloed op de prijs, die is voor de individuele aanbieder een gegeven. Omdat hij streeft naar maximale winst, zal hij het aantal producten aanbieden waarbij zijn winst maximaal is. Hij past dus zijn hoeveelheid aan. Daarom heet een aanbieder op een markt van volkomen concurrentie een hoeveelheidsaanpasser.

De optimale inzet van productiefactoren

Het marktmechanisme of prijsmechanisme is het vrije samenkomen van vraag en aanbod. Als de vraag naar een product stijgt, stijgt de prijs en worden de aanbieders geprikkeld om meer te gaan produceren, zodat in de extra vraag kan worden voorzien. Bij een afnemende vraag en dus dalende prijzen, gebeurt het omgekeerde: de aanbieders bieden minder producten aan omdat de productie minder winstgevend is. Het marktmechanisme zorgt er ook voor dat producten waaraan geen behoefte meer is, niet meer geproduceerd worden.

Door het marktmechanisme worden de productiefactoren arbeid, kapitaal, natuur en ondernemerschap zo ingezet dat zij het beste in de behoeften voorzien. Dit heet optimale allocatie (inzet) van de productiefactoren.

Kosten, opbrengsten, winst

Constante en variabele kosten

Constante kosten zijn kosten die niet veranderen bij een verandering van de productie. Het is een vast bedrag dat eerst terugverdiend moet worden alvorens winst gemaakt kan worden.

Variabele kosten zijn kosten die wel veranderen bij een verandering van de productie.

  • Bij proportioneel variabele kosten zijn de GVK voor ieder product even hoog. De MK zijn gelijk aan de GVK.
  • Bij degressief variabele kosten dalen de GVK bij toename van de productie door schaalvoordelen en doelmatiger werken.
  • Bij progressief variabele kosten stijgen de GVK bij een toename van de productie door overwerk en ondoelmatiger werken.

Totale Winst en Totale Opbrengst: MO en MK

Marginale kosten (MK) zijn de kosten van een extra geproduceerde eenheid. Door één product meer te maken stijgen de totale kosten TK met de MK. Zolang de MO groter is dan de MK, stijgt de winst. Dat betekent dat de winst maximaal is als MO = MK.

Marginale opbrengsten (MO) zijn de opbrengsten van een extra geproduceerde en verkochte eenheid. Op de markt van volkomen concurrentie is de prijs een gegeven. De MO is dus gelijk aan de prijs. Door één product meer te verkopen stijgt de totale opbrengst TO met de MO. Zolang de MO groter is dan 0, stijgt de omzet. Dat betekent dat de omzet maximaal is als MO = 0.

Marktvorm 2: Monopolie

Een monopolist is alleenheerser op een markt omdat hij de enige aanbieder is. In theorie kan hij zelf bepalen welke prijs hij vraagt voor zijn product: de monopolist is een prijszetter. Toch kan een monopolist voor een product niet meer vragen dan klanten bereid zijn te betalen. Deze betalingsbereidheid van de consument wordt weergegeven door de collectieve vraaglijn. Dat is tevens de prijsafzetlijn van de monopolist want deze geeft weer hoeveel de monopolist verkoopt bij verschillende prijzen. Naarmate de prijs daalt zal de monopolist meer verkopen.

Van vraaglijn naar prijsafzetlijn

De algemene gedaante van de functie van een vraaglijn is: Qv = – aP + X. De vraaglijn gaat dus uit van de gevraagde hoeveelheid.

De algemene gedaante van de functie van de prijsafzetlijn is: P = – aQv + X. De prijsafzetlijn gaat dus uit van de prijs.

Het is vrij eenvoudig om van de vraaglijn een prijsafzetlijn te maken en andersom, want beide functies gaan uit van dezelfde betalingsbereidheid van de consumenten: dezelfde lijn, een andere functievorm.

Om de prijsafzetlijn te construeren moet je de vraagfunctie zodanig ombouwen dat de P en de Qv van plaats wisselen rond het =-teken. Let op: + wordt – en – wordt + als ze van plaats wisselen.

Hoe wordt van de vraaglijn Qv = – 2P + 30 een prijsafzetlijn gemaakt?

  • Wissel P en Qv van plaats.
  • 2P = – Qv + 30.
  • Deel links en rechts zodanig dat er slechts één P links van het =-teken staat.
  • In dit geval: deel beide kanten door 2.
  • 2P / 2 = ( – Qv + 30 ) / 2.
  • P = – ½Qv + 15.
  • De prijsafzetlijn is dus: P = – ½Qv + 15.

De prijs op de monopolistische markt

Als prijszetter mag een monopolist zelf bepalen welke prijs hij hanteert.

Doelstellingen

Een monopolist kan streven naar:

  • Maximale omzet. Dit wordt bereikt bij MO = 0. De reden voor deze doelstelling is om zoveel mogelijk klanten te trekken.
  • Kostendekking.  Dit wordt bereikt bij TO = TK of GO = GTK. De reden hiervoor is om het product tegen een zo goedkoop mogelijke prijs te verkopen. B.v. de overheid verkoopt paspoorten tegen kostendekking.
  • Maximale totale winst. Dit wordt bereikt bij MO = MK. De reden spreekt voor zich. Een probleem kan zijn dat concurrenten aangetrokken worden tot de monopolistische markt bij (extreem) hoge winsten. Toetreding kan echter moeilijk zijn bij (zeer) hoge investeringen.

Voor elke onderneming geldt dat de totale winst toeneemt zolang bij uitbreiding van de productie MO > MK.

De berekening van de TW kan op twee manieren:

  1. TW = TO – TK
  2. TW = (GO – GTK) x Q

Prijsdiscriminatie

Er is sprake van prijsdiscriminatie als een monopolist verschillende prijzen in rekening brengt aan verschillend groepen consumenten voor hetzelfde product. Prijsdiscriminatie is alleen mogelijk als de zogenaamde deelmarkten strikt gescheiden zijn. Dat betekent dat de groepen consumenten van elkaar onderscheiden kunnen worden. Voorbeelden zijn:

  • Leeftijd: korting voor 65-plussers
  • Geslacht: man of vrouw
  • Regio: in de VS een andere prijs dan in Europa
  • Tijd: NS-dalurenkaart na 9.00u.

Privatiseren

Privatiseren is het overhevelen van taken/productie van de overheid naar de marktsector, de private sector. Door concurrentie zouden de prijzen omlaag moeten gaan en de kwaliteit omhoog. Maar privatisering kan ook leiden tot onverantwoorde risico’s, winststreven dat ten koste gaat van de service en de kwaliteit plus slechtere lonen en arbeidsvoorwaarden voor het personeel.

Marktvorm 3: Oligopolie

De marktvorm oligopolie kenmerkt zich door een beperkt aantal aanbieders met een relatief groot marktaandeel. Het aantal aanbieders op een oligopolistische markt is beperkt omdat er hoge toetredingsbarrières zijn. Die toetredingsbarrières kunnen te maken hebben met schaalvoordelen, verzonken kosten en octrooien.

Schaalvoordelen

Een belangrijke oorzaak van het ontstaan van oligopolies is het bestaan van schaalvoordelen. Veel producten kunnen alleen winstgevend worden aangeboden als ze op (zeer) grote schaal produceren. Denk in dit verband aan mobiele telefonie waar grote investeringen gedaan moeten worden in zend- en ontvangstmasten om communicatie mogelijk te maken. Gebrek aan schaalgrootte vormt voor nieuwkomers een probleem.

Verzonken kosten

Investeringskosten die bij uittreding van de markt verloren raken, zijn verzonken kosten. Naarmate de verzonken kosten hoger zijn, zijn de verliezen van een mislukte toetreding hoger en dat schrikt potentiële toetreders af. Verzonken kosten kunnen er toe leiden dat samenwerking tussen twee partijen niet tot stand komt omdat de ene partij een grotere onderhandelingsmacht heeft doordat de tegenpartij een investering moet doen die bij terugtrekking niets meer oplevert.

Octrooi/patent

Op oligopolistische markten vinden veel innovaties plaats (productdifferentiatie). Om de kennis af te schermen van de concurrentie kan een onderneming op een uitvinding octrooi aanvragen. Hierdoor heeft een ondernemer jarenlang het alleenrecht op het commerciële gebruik van de uitvinding.

Homogeen oligopolie

De marktvorm homogeen oligopolie kenmerkt zich door een beperkt aantal aanbieders en een homogeen product. In de ogen van de consument zijn alle producten op die markt identiek. Een voorbeeld is de markt van benzine. Als slechts twee oligopolisten de markt in handen hebben, spreken we van een duopolie.
Omdat het product in de ogen van de consument identiek is, zal concurrentie zich toespitsen op de prijs. Concurreren op de prijs zal uiteindelijk leiden tot een situatie die overeenkomt met het evenwicht bij volledige mededinging: het producentensurplus is gelijk aan nul.

Een andere vorm van marktgedrag is samenwerken. Door samenwerken ontstaat een situatie vergelijkbaar met de monopolistische marktvorm. Het aanbod of de prijs wordt dan zo gekozen dat de winst maximaal is. Vervolgens moeten er afspraken gemaakt worden over de verdeling van het totale aanbod. Er is dan sprake van een kartel, dat bij wet verboden is omdat die de consumenten benadelen.

Heterogeen oligopolie

De marktvorm heterogeen oligopolie kent ook weer een beperkt aantal aanbieders. Bij een heterogeen oligopolie heeft elke aanbieder een eigen klantenkring en kan de aanbieder binnen zekere grenzen de prijs zelf bepalen. Het bepalen van de prijs is beperkt omdat klanten kunnen overlopen naar de concurrent. Hoe groot het aantal overlopers is hangt af van de mate waarin de klanten trouw blijven aan hun merk. Ondernemingen op de marktvorm heterogeen oligopolie houden rekening met elkaars prijzen. Een prijsverhoging door de een kan er toe leiden dat klanten weglopen. De prijzen vertonen daardoor een zekere starheid (prijsstarheid). Er is sprake van prijsleiderschap als een van de producenten de markt domineert. De andere producenten volgen de prijs van leider waardoor er een soort niet-aanvalsverdrag bestaat.

Marktvorm 4: Monopolistische concurrentie

Bij deze marktvorm zijn er veel aanbieders en is het product heterogeen. Monopolistische concurrentie lijkt op monopolie, maar ook op volkomen concurrentie. Door productdifferentiatie heeft de onderneming een eigen product en een eigen unieke vraaglijn of prijsafzetlijn gecreëerd. Binnen de klantenkring van zijn product is de ondernemer monopolist en kan hij binnen beperkte grenzen een eigen prijs kiezen en winst maken: hij is dus beperkt prijszetter. De gelijkenis met volkomen concurrentie is dat er veel aanbieders zijn. Ze hebben ieder een eigen deelmarkt, maar die lijken erg veel op elkaar.

Voorbeelden zijn:

  • de markt van TV’s
  • de markt van wasmachines
  • de markt van spijkerbroeken
  • de markt van schoenen
  • enzovoort.

Met behulp van marketing worden de verschillen breed uitgelicht in de hoop dat de consument juist voor die ene tv of spijkerbroek kiest.

Overeenkomsten en verschillen tussen marktvormen

De macht die een producent op een markt heeft, is afhankelijk van de mate van concurrentie tussen producenten. De mate van concurrentie wordt bepaald door het aantal aanbieders en het soort product (homogeen of heterogeen). Het aantal aanbieders en het soort product zegt iets over de marktvorm waarbinnen een producent opereert. Bij volkomen concurrentie hebben aanbieders geen enkele invloed op de prijs: de prijs is een gegeven. Een monopolist daarentegen bepaalt zelf de prijs. Oligopolisten hebben enige invloed op de prijs al moeten ze wel rekening houden met de naaste concurrenten. Bij monopolistische concurrentie hebben aanbieders beperkte invloed op de prijs.

Marktgedrag/marktstrategie

Op een bepaalde markt kunnen bedrijven elkaar beconcurreren of samenwerken. Concurrentie kan betrekking hebben op de prijs en kan leiden tot een ware prijsoorlog. De winnaars veroveren het marktaandeel van de verliezers.

Het maken van reclame is een strategie zijn om het marktaandeel te vergroten. Een andere mogelijkheid is productdifferentiatie. Door een product een of meer unieke kenmerken te geven kan een bedrijf zich profileren en klanten af snoepen van de concurrent. Ook de service, aankleding van de winkel, de kwaliteit zijn middelen zijn om de concurrent af te troeven.

Samenwerken leidt veelal tot betere resultaten (meer winst) voor de betreffende bedrijven dan concurreren. Dit kan door overname van een of meerdere concurrenten of door afspraken te maken. Als bedrijven onderling afspraken maken, bijvoorbeeld over de prijs of het afzetgebied, met het doel de concurrentie te beperken, is er sprake van een kartel. Kartels zijn bij wet verboden en dus is het maken van afspraken niet mogelijk.

Marktgedrag bij dominante strategieën

Twee fabrikanten hebben de keuze tussen een hoge prijs of een lage prijs. In dit geval zullen zij bij hun beslissing rekening houden met de keuze van de ander.

De twee fabrikanten hebben de volgende uitbetalingsmatrix:

     Fabrikant B
    hoge prijs lage prijs
 Fabrikant A hoge prijs 800, 800 400, 1.200
lage prijs 1.200, 400 500, 500

De dominante strategie is hier voor beide ondernemingen een lage prijs want die levert de meeste kans op de hoogste winst op. Een hoge prijs levert op: 800 of 400 is samen 1.200; een lage prijs levert op: 1.200 of 500 is samen 1.700.

Hoewel samenwerking voor beide bedrijven meer winst oplevert, komt deze niet vanzelf tot stand. Hiervoor is een bindend contract nodig, maar kartelvorming is verboden. In Nederland en ook in Europa zijn er diverse instanties die toezicht uitoefenen op de verschillende markten. Het toezicht is vooral gericht op het bevorderen van concurrentie en tegen kartelafspraken tussen ondernemingen.

Overzicht marktvormen

  Volkomen Concurrentie Monopolie Oligopolie Monopolistische Concurrentie
Aantal vragers Veel Veel Veel Veel
Aantal aanbieders Veel Eén Enkele Veel
Soort product Homogeen N.v.t. Homogeen, Heterogeen Heterogeen
Transparantie Ja, iedereen is perfect geïnformeerd Nee Nee Nee
Toetreding Makkelijk Moeilijk Moeilijk Makkelijk
Invloed op de prijs Geen Veel Redelijk veel Beperkt
Voorbeeld Veiling, Valutamarkt BrabantWater, Microsoft, Viagra Benzine, Supermarkt Spijkerbroek, TV, auto

De markt levert niet de juiste prijs

Het falen van de markt

Gesproken wordt van marktfalen als de vrije markt

  • te hoge of te lage prijzen oplevert;
  • ongewenste goederen produceert;
  • te veel of te weinig goederen produceert.

De overheid pakt de prijzen aan

Maximumprijs

Bij te hoge prijzen kan de overheid een maximumprijs invoeren. Dit doet de overheid om de consumenten te beschermen. Te hoge prijzen zijn het gevolg van onvoldoende concurrentie op de markt. Door het instellen van een maximumprijs, die ligt onder de evenwichtsprijs, ontstaat er een vraagoverschot of aanbodtekort.

Minimumprijs

De overheid kan ook de producenten beschermen tegen een te lage prijs. Ze voert dan een minimumprijs in. Minimumprijzen vinden we vaak bij landbouwproducten, om de boeren een redelijk inkomen te verschaffen en de voedselvoorziening veilig te stellen. Veel van het budget van de EU gaat op aan minimumprijzen voor landbouwproducten. Minimumprijzen worden ook wel garantieprijzen of interventieprijzen genoemd. Een minimumprijs ligt boven de evenwichtsprijs.

Bij minimumprijzen ontstaan er aanbodoverschotten (of vraagtekorten) die door de overheid opgekocht worden tegen de door haar vastgestelde minimumprijs.

Heffingen, subsidies, quota

De overheid kan door het opleggen van accijns en btw (heffingen) de kostprijs van producten verhogen. Hierdoor verschuift de aanbodlijn naar links/boven en neemt de gevraagde hoeveelheid af. Door het gedeeltelijk betalen van de verkoopprijs (subsidies) kan ze die prijs verlagen waardoor de aanbodlijn verschuift naar rechts/beneden en de gevraagde hoeveelheid toeneemt.

Door het opleggen van een maximale hoeveelheid (quotum) beïnvloedt de overheid de aangeboden hoeveelheid.

Loonvorming

Op de arbeidsmarkt is loon de prijs van arbeid. Bij het marktmechanisme zorgt vraag en aanbod voor het evenwichtsloon. Maar omdat arbeid heterogeen is, sluiten vraag en aanbod niet op elkaar aan. Daarnaast wordt de loonvorming belemmerd door CAO’s en het minimumloon.

Minimumloon

Het minimumloon is een ondergrens aan de lonen dat door de overheid is vastgesteld. Doel is om werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt een redelijk inkomen te garanderen. Door de invoering van het minimumloon ontstaat werkloosheid omdat de vraag naar arbeid afneemt en het aanbod toeneemt. De vraag naar arbeid neemt af omdat de werknemers dan meer gaan kosten dan ze opbrengen: hun arbeidsproductiviteit is te laag.

Omdat door het minimumloon zich structureel meer mensen aanbieden dan er gevraagd wordt ontstaat structurele werkloosheid: niet goed geschoold en onvoldoende productief in relatie tot het loon.

De overheid bemoeit zich er mee

Toezichthouders

Er zijn diverse toezichthoudende instanties door de overheid opgericht met het doel om de concurrentie te bevorderen (Autoriteit Consument en Markt: ACM), de consumenten te beschermen (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit: NVWA en de ACM) en toezicht te houden op de financiële markten (Autoriteit Financiële Markten: AFM). Ook op Europees niveau zijn er toezichthouders.

Octrooi en monopoliemacht

Een octrooi is het alleenrecht op het maken of laten maken van een product voor een bepaalde tijd. Een onderneming kan hierdoor functioneren als een monopolist, de onderneming is prijszetter. Een hoge prijs maakt het mogelijk om de ontwikkelingskosten terug te verdienen. Dit gebeurt heel vaak bij de ontwikkeling van medicijnen.

Collectieve dwang en overheidsproductie

Samenwerking

Samenwerking door bedrijven voor collectieve zaken is niet vanzelfsprekend. Op basis van te verwachten omzet/winst kiezen bedrijven vaak voor hun individuele belang en niet voor het collectieve belang; ze liften liever mee op de inspanning van anderen. Hoe meer voor deze strategie van meeliften wordt gekozen, hoe minder er collectief tot stand komt.

Er zijn een aantal opties om samenwerking af te dwingen.

  • Zelfbinding. Bij zelfbinding spreekt een bedrijf zich openlijk uit voor samenwerking. Als het bedrijf zich niet aan deze afspraak houdt kan ze reputatieschade oplopen waardoor klanten kunnen wegblijven.
  • Normbesef. Het kan ook zijn dat samenwerken de norm is. Dit is vooral het geval in kleine(re) gemeenschappen. Je lift eenvoudigweg niet mee.
  • Collectieve dwang. Door middel van contracten wordt samenwerking afgedwongen.

Collectieve, quasicollectieve en individuele goederen

Van sommige goederen en diensten hebben vele, zo niet alle, mensen profijt. Van de rechtspraak, openbare orde, dijken langs rivieren, straatverlichting enzovoort profiteren we allemaal. En dus moeten we er allemaal voor betalen. Maar stel je voor dat we mochten kiezen of we wel of niet betalen? Dan wordt het verleidelijk om mee te liften op de inspanning van anderen en zelf dus niet te betalen.

Meeliftgedrag kan voor het individu heel rationeel zijn, maar kan er ook toe leiden dat het door iedereen gewenste resultaat niet bereikt wordt. Er zijn dan te weinig betalers en teveel meelifters. Dan kan de overheid ingrijpen en door het goed of dienst uit de belastingmiddelen betalen. Op deze manier betaalt iedereen mee. De goederen of diensten waarom het gaat zijn collectieve goederen

Kenmerken van collectieve goederen

  • Er is geen individuele prijs voor vast te stellen.
  • Niemand kan van het goed of de dienst worden uitgesloten kan worden, ook zij die niet betalen genieten van de bescherming van de dijk.
  • Het is niet-rivaliserend. Het gebruik van de ene persoon vermindert het gebruik door een andere persoon niet. Of er nu 50 of 50.000 mensen achter de dijk wonen, de dijk beschermt ze allemaal.

Deze kenmerken maken het onmogelijk om deze goederen door de markt te leveren. Het is de overheid die met collectieve dwang (belastingheffing) kan zorgen dat iedereen een bijdrage levert voor de realisatie van de collectieve goederen.

Individueel goed

Een goed dat uitsluitbaar en rivaliserend is, bijvoorbeeld een brood, noemen we een individueel goed. Zij worden door de markt geleverd. Uitsluitbaar betekent dat bij niet betalen ook niet genoten wordt. Rivaliserend betekent dat wanneer ik het brood gekocht heb, jij dat brood niet meer kunt kopen.

Quasicollectieve goederen

Individuele goederen die door de overheid geleverd worden noemen we quasicollectieve goederen. Voorbeelden hiervan zijn onderwijs, zorg en de diensten van een bibliotheek. Deze goederen kunnen door de markt geleverd worden, maar ze worden door de overheid geleverd.

De overheid levert deze diensten omdat:

  • zij die diensten voor iedereen toegankelijk wil maken, ook voor mensen met een laag inkomen;
  • zij de consumptie van die diensten belangrijk vindt en er anders (zonder subsidie) een te hoge prijs voor de consument in rekening wordt gebracht waardoor de consument geen gebruik maakt van die diensten.

Externe effecten

Negatieve externe effecten

Negatieve externe effecten zijn nadelige gevolgen van productie en consumptie die niet in de prijs van het product zijn opgenomen. De producent houdt bij zijn berekeningen alleen rekening met de interne of private kosten. Dat zijn de werkelijke uitgaven. De externe kosten, zoals stankoverlast, CO2-uitstoot, enzovoort zijn voor de producent geen kosten. Voor de maatschappij als geheel behoren deze externe kosten wel tot de kosten. Gevolg is dat deze producten te goedkoop worden aangeboden en er maatschappelijk gezien teveel van wordt geproduceerd en geconsumeerd.

Om de negatieve externe effecten te verminderen kan de overheid:

  • de productie ervan verbieden (cfk’s in koelkasten);
  • een heffing opleggen zodat het extern effect geheel of gedeeltelijk intern wordt gemaakt (accijns).

Door accijns op benzine te heffen komen de private kosten van het autorijden dichter in de buurt van de maatschappelijke kosten.

Positieve externe effecten

Positieve externe effecten zijn gevolgen van productie en consumptie waarvan anderen dan de producent of consument profiteren. Goed onderwijs zorgt voor toekomstige opbrengsten voor de hele maatschappij, musea en theatervoorstellingen zorgen voor een goed gevoel bij veel mensen. Door subsidies en belastingkortingen kan de overheid het optreden van positieve externe effecten stimuleren.

Negatieve en positieve externe effecten betekenen dat de marktuitkomst niet overeenkomt met de maatschappelijk gewenste uitkomst: de markt faalt.

Meelifter en externe effecten

Ook de meelifter veroorzaakt een negatief extern effect. Wanneer het aantal meelifters te groot is gaat een project niet door en ontstaat er een collectief verlies aan welvaart. Ook als het project wel doorgaat veroorzaakt de meelifter een negatief extern effect: de anderen moeten immers een hogere bijdrage leveren.

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

Als bedrijven behalve streven naar winst, ook rekening houden met het effect van hun activiteiten op andere aspecten binnen en buiten het bedrijf, zijn ze bezig met maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Ze houden dan rekening met de 3 P’s:

  • People: mensen binnen en buiten het bedrijf;
  • Planet: de gevolgen voor het (leef)milieu;
  • Profit: hoe is de winst behaald en wat wordt ermee gedaan.

People

Er wordt onder andere gekeken naar:

  • omgang met het personeel;
  • hoe de medezeggenschap geregeld is;
  • de man-vrouwverhouding;
  • gedragscodes;
  • kinderarbeid.

Planet

  • Er wordt onder andere gekeken naar:
  • gevolgen voor het milieu;
  • duurzame technologische ontwikkeling;
  • recycling van afgedankte producten;
  • gebruik van groene stroom.

Profit

Hierbij gaat het niet alleen om de hoogte van de winst maar ook wat ermee gedaan wordt. Bijvoorbeeld het verlagen van de energiekosten zorgt voor meer winst. Die kan uitgekeerd worden aan de aandeelhouders maar kan ook gestoken worden in duurzame beleggingen of duurzame productiewijzen.

Duurzaam produceren

Maatschappelijk verantwoord ondernemen stelt duurzaamheid op lange(re) termijn boven winstgevendheid op korte(re) termijn: de productie van nu gaat niet ten koste van de productie in de toekomst.

Ondernemen: aansprakelijkheid en financiering

Eenmanszaak en Vennootschap onder firma

De eenmanszaak en VOF zijn organisaties zonder rechtspersoon. Het zijn natuurlijke personen die tegelijkertijd eigenaar zijn en de leiding van het bedrijf hebben. De eenmanszaak heeft een eigenaar, de VOF heeft er twee of meer.

Kenmerken eenmanszaak/VOF

  • De eigenaar/eigenaren zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van het bedrijf, ook met hun privébezittingen.
  • Het voortbestaan van het bedrijf kan in gevaar komen bij ziekte of overlijden van de eigenaar/eigenaren.
  • De winst is inkomen en valt onder de inkomstenbelasting in box 1.

Financiering

Bedrijven kunnen eigen vermogen of vreemd vermogen in hun onderneming stoppen.

Eigen vermogen

Het eigen vermogen van een eenmanszaak of VOF is het geld dat de eigenaar/eigenaren zelf in hun bedrijf stoppen.

Het eigen vermogen van een bv of nv is het aandelenkapitaal dat verschaft wordt door de eigenaren.

Vreemd vermogen

Vreemd vermogen is geld van een ander. Het kan verkregen worden door het aangaan van leningen.

Besloten vennootschap en Naamloze vennootschap

Bij de besloten vennootschap BV en de naamloze vennootschap NV is er een scheiding tussen de leiding en de eigenaren. De bv en nv zijn rechtspersonen: ze zijn juridisch zelfstandig.

Kenmerken bv en nv

  • De eigenaren zijn de aandeelhouders. Deze zijn niet hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van het bedrijf.
  • De leiding van het bedrijf berust bij de directie. Directieleden zijn werknemers van het bedrijf.
  • De aandelen van een bv staan op naam en zijn niet vrij verhandelbaar, de aandelen van een nv staan niet op naam en zijn daarom vrij verhandelbaar.
  • De aandeelhouders oefenen controle uit op de leiding van het bedrijf door middel van de Raad van Commissarissen.
  • Over de winst van het bedrijf moet vennootschapsbelasting betaald worden door het bedrijf.
  • Als aandeelhouder ontvangt men een deel van de winst, het dividend. Hierover moet dividendbelasting betaald worden.

Financiering

Eigen vermogen

Het eigen vermogen van een bv of nv is het aandelenkapitaal dat verschaft wordt door de eigenaren. Vergroten van het eigen vermogen gaat door het uitgeven van aandelen waardoor het aantal aandeelhouders stijgt. De bestaande aandeelhouders zijn daar niet blij mee: de winst van het bedrijf wordt over meer eigenaren uitgesmeerd waardoor de winst per aandeel afneemt.

Vreemd vermogen

Vreemd vermogen is geld van een ander. Het kan verkregen worden door het aangaan van leningen.

Ω

Deze samenvatting is gebaseerd op de LWEO lesbrief Markt & Overheid, vierde druk 2016.

Bewaren