Lesbrief Verdienen & Uitgeven, samenvatting derde druk 2016

Inkomen verdienen

Toegevoegde waarde

Alle bedrijven voegen waarde toe aan een product. Er wordt ; er wordt immers arbeid, materiaal, energie enzovoort gebruikt om het product verder te bewerken. Dit zorgt ervoor dat de producten steeds duurder worden naarmate het verder in de bedrijfskolom opschuift.

De toegevoegde waarde wordt ook productiewaarde genoemd en is het verschil tussen de ingekochte grondstoffen en de verkoopwaarde; het is de vergoeding van de productiefactoren die een bedrijf toevoegt aan het product.

Omdat de toegevoegde waarde gelijk is aan de vergoeding van de toegevoegde productiefactoren is het ook gelijk aan het inkomen.

Toegevoegde waarde = omzet – ingekochte goederen en diensten.

Toegevoegde waarde = productie(waarde) = inkomen.

Het primaire inkomen

Het primaire inkomen is het inkomen wat verdiend wordt door het ter beschikking stellen van productiefactoren. Over het primaire inkomen moet belasting en sociale premies betaald worden.

Het secundaire inkomen

Het secundaire inkomen – het besteedbare inkomen – is het inkomen na betaling van belasting en sociale premies plus sociale uitkeringen en subsidies/toeslagen, de overdrachtsinkomens.

Van primair naar secundair inkomen

Verschil primair inkomen en overdrachtsinkomen

Voor het verkrijgen van primair inkomen moeten productiefactoren worden ingezet, men moet er dus iets voor doen om het te krijgen; voor overdrachtsinkomens hoeft geen tegenprestatie geleverd te worden.

Het bruto binnenlands product

Het bruto binnenlands product is het totaal aan toegevoegde waarde van de productie in een land.

Bij commerciële bedrijven is dit de vergoeding voor alle ingezette productiefactoren. Voor niet-commerciële bedrijven – die niet op een markt werken – wordt het totaal genomen van het uitgekeerde loon als vergoeding voor de productiefactor arbeid. Productie is immers inkomen.

Van nominaal naar reëel inkomen

Het nominale inkomen is het inkomen in geld, het inkomen gemeten in goederen en diensten is het reëel inkomen. Ten gevolge van inflatie (het stijgen van het algemene prijspeil) kan een stijging van het nominale inkomen resulteren in een daling van het reële inkomen: de koopkracht is dan gedaald.

Om de verandering van het reële inkomen, de koopkracht, te berekenen wordt gebruik gemaakt van indexcijfers. De indexcijfers worden daarna gebruikt om de procentuele verandering van het reële inkomen te berekenen.

formule indexcijfer

 

formule ric-1 ofwel  formule ric-2

Hoe meet je welvaart?

Het begrip welvaart geeft aan in welke mate mensen in hun behoeften kunnen voorzien. Het meest eenvoudige is om welvaart gelijk te stellen aan inkomen.

De welvaart van landen wordt op deze manier gemeten door de BBP’s per inwoner te vergelijken: de BBP’s van de landen worden gedeeld door hun aantal inwoners.

Kanttekeningen

  • Het gemiddelde zegt niets over de verdeling van het inkomen;
  • Alleen de geregistreerde productie – de formele economie – wordt meegerekend. Vrijwilligerswerk, huishoudelijk werk, zwartwerk en zelfvoorziening worden niet meegeteld, maar die verhogen de welvaart ook;
  • Er wordt geen rekening gehouden met negatieve externe effecten, bijvoorbeeld milieuvervuiling, die de welvaart verlagen;
  • Er wordt geen rekening gehouden met de uitputting van natuurlijke hulpbronnen. Dit tast de welvaart van latere generaties aan.

Human Development Index

Een andere manier om naar de welvaart te kijken is met behulp van de Human Development Index. Hierbij wordt gekeken naar:

  • Het BBP;
  • De volksgezondheid en met name de levensverwachting;
  • Het scholingsniveau van de bevolking.
Welvaartsbegrip

Als bij het meten van de welvaart alleen gekeken wordt naar het BBP wordt gesproken over een eng welvaartsbegrip. Worden ook milieu, scholing, gezondheid meegenomen dan wordt gesproken van een ruim welvaartsbegrip.

De categoriale inkomensverdeling

De categoriale inkomensverdeling is de uitsplitsing van het totale inkomen in de verschillende productiefactoren. Er wordt dan gekeken hoeveel inkomen er is verdiend in loon, rente, pacht, huur en winst.

Hiermee kunnen verschillende quotes berekend worden die in procenten uitdrukken hoeveel het aandeel van een productiefactor is van het totale inkomen.

Een voorbeeld is de loonquote:  Loonquote

Op dezelfde manier kunnen de andere quotes berekend worden.

De arbeidsinkomensquote is de loonquote uitgebreid met het toegerekende loon van de zelfstandigen. Deze geeft een zuiverder beeld van de productiewaarde over arbeid en kapitaal.

Een (erg) hoge loonquote/arbeidsinkomensquote is ongunstig: er gaat teveel geld naar de productiefactor arbeid zodat er te weinig voor de overige productiefactoren overblijft. Vooral de winsten staan onder druk en hierdoor kunnen bedrijven onvoldoende investeren waardoor de werkgelegenheid afneemt.

De economische kringloop

De kringloop van productie die tot inkomens leidt en het gebruik van de inkomens om producten bij de bedrijven te kopen, heet de economische kringloop. Dit proces wordt bekeken op het niveau van een land: het macro-niveau.

Deze economische kringloop wordt in drie modellen, vereenvoudigde weergaven van de werkelijkheid, uitgelegd.

Economische kringloop 1

Gezinnen en bedrijven

In deze kringloop wordt alleen gekeken naar een economie die bestaat uit bedrijven en gezinnen. De gezinnen leveren de productiefactoren aan de bedrijven en ontvangen daarvoor inkomen. Het inkomen wordt geheel besteed voor het kopen van goederen en diensten bij de bedrijven.

EC_Kringloop_1

In deze economie zijn twee kringlopen te zien:

  • De reële kringloop, de gestippelde lijnen
  • De geldkringloop, de volle lijnen

Economische kringloop 2

Gezinnen en sparen, bedrijven en investeren, banken

Gezinnen geven niet al hun inkomen uit, maar sparen ook. Bedrijven geven niet al hun geld uit aan de gezinnen maar investeren ook.

Er zijn drie vormen van investeringen door bedrijven:

  1. Vervangingsinvesteringen: het kopen van kapitaalgoederen om de versleten kapitaalgoederen te vervangen. Ze worden betaald uit de afschrijvingen;
  2. Uitbreidingsinvesteringen: het kopen van kapitaalgoederen om de productie uit te breiden. Ze worden betaald met geleend geld;
  3. Voorraadinvesteringen: het investeren van geld in (nog) niet-gekochte goederen. Ze worden betaald met geleend geld dat weer vrij komt zodra de producten verkocht worden.

Bruto-investeringen: alle investeringen samen.

Netto-investeringen: de uitbreidings- en voorraadinvesteringen waarvoor dus geleend geld nodig is.

De banken

In de uitgebreidere economische kringloop worden de banken geïntroduceerd. Hun functie is eenvoudig: ze sluizen het spaargeld van de gezinnen naar de bedrijven. De besparingen van de gezinnen zijn dus de financieringsbron voor de netto-investeringen van de bedrijven.

Ec_Kringloop_2

De vervangingsinvesteringen betalen de bedrijven zelf uit de afschrijvingen; de economische kringloop wordt dus wat kleiner: het netto binnenlands product.

Netto binnenlands product = bruto binnenlands product – afschrijvingen.

Netto binnenlands product = netto binnenlands inkomen.

Symbolen en vergelijkingen 1

In economische kringlopen wordt gebruik gemaakt van symbolen:

W = netto binnenlands product
Y = netto binnenlands inkomen gezinnen
C = consumptie gezinnen
S = besparingen gezinnen
Iv = vervangingsinvesteringen bedrijven in vaste activa
I = netto-investeringen bedrijven
W = Y netto binnenlands product = netto binnenlands inkomen
W = C + I netto binnenlands product = consumptie + netto-investeringen
Y = C + I netto binnenlands inkomen = consumptie + netto-investeringen
Y = C + S netto binnenlands inkomen = consumptie + besparingen
C + S = C + I de twee Y-vergelijkingen kunnen gelijk gesteld worden
S = I Bewijs: de besparingen van de gezinnen financieren de netto-investeringen
De kringloop is dynamisch

De geldstromen van de kringloop zijn dynamisch:

  • Voorraden nemen toe als de consumptie daalt; de productie wordt lager. Er ontstaat een evenwicht als er geen voorraadveranderingen meer zijn.
  • Voorraden nemen af als de consumptie stijgt; de productie neemt toe. Er ontstaat een nieuw evenwicht als vraag en aanbod aan elkaar gelijk zijn.

Het groeien en krimpen van de geldstromen is de conjunctuurbeweging.

Economische kringloop 3

Gezinnen, bedrijven, banken, overheid en buitenland

In deze kringloop wordt het eerdere model uitgebreid met de overheid en het buitenland.

Overheid

De overheid doet op twee fronten mee in de economie:

  • Als besteder:
    • personeel: de uitgaven van de overheid aan de ambtenarensalarissen
    • materieel: de uitgaven van de overheid aan gebruiksgoederen en kapitaalgoederen
  • Als ontvanger:
    • Belastingen
Buitenland

Het buitenland doet op twee fronten mee in de economie:

  • Als besteder:
    • export: goederen en diensten die door Nederland aan het buitenland verkocht worden. Dit levert een geldstroom op die van het buitenland naar Nederland loopt.
  • Als ontvanger:
    • import: goederen en diensten die door Nederland van het buitenland gekocht worden. Dit levert een geldstroom op die van Nederland naar het buitenland loopt.
Banken

De rol van de banken is in dit model ook uitgebreid. Ze treden nu ook op voor de overheid en het buitenland bij overschotten en tekorten.

Symbolen 2
Co = overheidsconsumptie
Cop = personele overheidsconsumptie, de ambtenarensalarissen
Yo = aandeel van de overheid in het netto binnenlands inkomen, de ambtenarensalarissen
Com = materiële overheidsconsumptie, gebruiksgoederen
Io = materiële overheidsconsumptie, kapitaalgoederen
O = de overheidsbestedingen: Cop + Com + Io
B = belasting, ontvangsten van de overheid, betaling door de gezinnen
E = export, het buitenland koopt producten van onze bedrijven en daarvoor ontvangen onze bedrijven geld
M = import, onze bedrijven kopen producten in het buitenland en daarvoor ontvangt het buitenland geld van onze bedrijven
Y = C + B + S netto nationaal inkomen = consumptie + belasting + besparingen
Y = C + I + O + E – M netto nationaal inkomen = consumptie + netto investeringen + overheidsuitgaven + export – import
Y’s gelijk stellen C + B + S = C + I + O + E – M beide Y vergelijking aan elkaar gelijk gesteld
vereenvoudigd (S – I) + (B – O) = (E – M) het nationaal spaarsaldo  = gelijk aan het saldo van de lopende rekening van de betalingsbalans
S – I = particulier spaarsaldo van de gezinnen en bedrijven
B – O = overheidssaldo
E – M = saldo met het buitenland ook: het saldo van de lopende rekening van de betalingsbalans
Schema van economische kringloop 3

Let op: alle lijnen zijn geldstromen!

Ec_Kringloop_3

De nationale rekeningen

De economische kringloop 3 kan ook boekhoudkundig beschreven worden: de nationale rekeningen, ook wel de staat van middelen en bestedingen.

Gezinnen
Ontvangsten Uitgaven
Ybedrijven C
Yoverheid B
S
Totaal Totaal
Bedrijven
Ontvangsten Uitgaven
C Ybedrijven
I M
Com + Io
E
Totaal Totaal
Overheid
Ontvangsten Uitgaven
B Yoverheid
I Com + Io
Overheidssaldo O > B Overheidssaldo O < B
Totaal Totaal
Buitenland
Ontvangsten Uitgaven
M E
Saldo buitenland E > M Saldo buitenland E < M
Totaal Totaal

Het BBP

Het BBP kan op drie manieren berekend worden:

  1. de productiebenadering: alle bruto toegevoegde waarden worden bij elkaar geteld. Deze berekeningswijze wordt ook de objectieve methode genoemd.
  2. de inkomensbenadering: alle beloningen voor het ter beschikking stellen van productiefactoren + de afschrijvingen worden bij elkaar geteld. Deze berekeningswijze wordt ook de subjectieve methode genoemd.
  3. de bestedingsbenadering: alle finale bestedingen, consumptie van gezinnen en overheid + de investeringen van bedrijven en overheid + de vraag uit het buitenland, worden bij elkaar geteld.

De structuur

De structuur van de economie betreft de aanbodkant en wordt door de productiecapaciteit bepaald. De productiecapaciteit geeft aan hoe groot de maximale productie kan zijn en dus hoe hoog het bruto binnenlands product en het nationaal inkomen maximaal kan zijn.

De bezettingsgraad geeft aan in hoeverre de productiecapaciteit daadwerkelijk benut wordt:

  • een hoge bezettingsgraad = een relatief hoog BBP.
  • een lage bezettingsgraad = een relatief laag BBP.

Productiefactoren

De groei van de productie op lange termijn hangt af van de ontwikkeling van de productiefactoren arbeid, natuur en kapitaal in kwantiteit (aantallen) en kwaliteit.

Arbeid

Een beter kwaliteit van de beroepsbevolking betekent een hogere arbeidsproductiviteit. Die betere kwaliteit wordt bepaald door:

  • scholing. Investeren in menselijk kapitaal of kennis is van belang voor de groei van de productie.
  • doelmatigheid – efficiëntie – van de organisatie. De arbeidsproductiviteit stijgt door:
    • arbeidsdeling
    • specialisatie
    • organisatie van het betalingsverkeer
    • wetgeving (octrooien, bescherming eigendommen)
    • infrastructuur
    • netwerk van overlegorganen
  • mechanisatie en automatisering. Kapitaalintensiever = arbeidsproductiever.
  • arbeidsmentaliteit. Wordt er hard gewerkt, of doet men het rustig aan.
Loonkosten per product

De productiekosten bepalen in hoge mate de prijs van een product. Hierbij spelen loonkosten en arbeidsproductiviteit een grote rol: hoe groter de arbeidsproductiviteit, hoe lager de loonkosten per product en dus hoe lager de productiekosten.

Stijgt de arbeidsproductiviteit bij gelijkblijvend loon, dan dalen de loonkosten per product.

formule loonkosten pp

Worden alleen procentuele veranderingen van loonkosten en arbeidsproductiviteit gegeven, dan moet weer gebruik gemaakt worden van indexcijfers.

formule index loonkosten pp

Ondernemerschap

Soms wordt ondernemerschap als een aparte productiefactor beschouwd, soms wordt het onder de productiefactor arbeid gerekend.

Ondernemerschap is het efficiënt organiseren van de productiefactoren arbeid, kapitaal en natuur voor het produceren van goederen en diensten.

Kapitaal

Met de productiefactor kapitaal worden kapitaalgoederen bedoeld: machines, gebouwen, gereedschappen. Meer en betere kapitaalgoederen vergroten de productiecapaciteit en de arbeidsproductiviteit. Het kopen van kapitaalgoederen door bedrijven wordt investeren genoemd.

Innovaties zijn nieuwe, betere productieprocessen. Hierdoor stijgt de arbeidsproductiviteit waardoor de loonkosten per product dalen en de verkoopprijs kan dalen.

Natuur

Natuurlijke omstandigheden bepalen mede de productie van een land. Niet ieder land heeft dezelfde hulpbronnen. Door technieken kan de natuur beïnvloed worden.

Convergentie – divergentie

Om te zien of rijke en arme landen meer naar elkaar toe groeien – convergentie – of van elkaar af groeien – divergentie – worden de reële inkomens met elkaar vergeleken.

Dat kan door de inkomens te vergelijken van:

  • een werelddeel ten opzichte van andere werelddelen, bijvoorbeeld het Westen met de rest van de wereld.
  • een land ten opzichte van andere landen, bijvoorbeeld Nederland met de rest van de EU-landen.

Deze vergelijkingen kunnen een beeld geven over convergeren-divergeren. Een van die vergelijkingen is de inkomensratio, waarbij het inkomen van het betreffende land wordt uitgedrukt als deel van het inkomen van een ander land. Een bekende ratio is de inkomensratio waarbij het inkomen wordt vergeleken met dat van de VS:

Door de ontwikkeling van de ratio’s kan een oordeel gegeven worden over de mate van convergentie-divergentie.

Kritiek op de ratio’s

Net als bij de welvaart zijn ook hier kritiekpunten te noteren. Er wordt namelijk geen rekening gehouden met:

  • de bevolkingsaantallen. Een stijging van de ratio 0,05 naar 0,11 is ruim een verdubbeling, dus dat betekent een forse groei.
  • de inkomensverschillen. De ratio is een gemiddelde, dus niet iedereen hoeft er van te profiteren.

Goede tijden, slechte tijden

De conjunctuur

De vraag naar goederen en diensten van consumenten, overheid, bedrijven en het buitenland, samen de bestedingen, bepaalt of de productie uitgebreid dan wel ingekrompen moet worden. Deze vraag is dus niet altijd gelijk; stijgende en dalende bestedingen wisselen elkaar af. Deze schommelingen in de bestedingen wordt de conjunctuur genoemd.

Door de groei van de beroepsbevolking en de groei van de arbeidsproductiviteit is er veelal sprake van een groei van het nationaal inkomen. De gemiddelde groei wordt de trend genoemd. De conjunctuur beweegt zich rond de trend.

Laagconjunctuur

Bij een lage vraag naar goederen en diensten wordt gesproken van laagconjunctuur. De bedrijven hoeven weinig te produceren, personeel wordt overbodig en komt op straat te staan. Er is dan weinig vraag naar arbeid door de werkgevers en veel aanbod van arbeid door werknemers: de arbeidsmarkt is ruim. Werkloosheid door afname van de bestedingen is conjuncturele werkloosheid.

De groei van het nationaal inkomen is lager dan de trend, maar hoeft niet negatief te zijn. Is de trend 2% en de groei in een jaar is 1% dan is er sprake van vraaguitval, maar nog geen sprake van krimp. Als de groei negatief is, dus onder 0%, dan is er sprake van krimp. Er is sprake van een recessie bij een krimp van twee opeenvolgende kwartalen en duurt de krimp langer dan twee kwartalen wordt dat een depressie genoemd.

Hoogconjunctuur

Bij een grote vraag naar goederen en diensten wordt gesproken van hoogconjunctuur. De bedrijven moeten veel produceren en er is veel personeel nodig. Er is dus veel vraag naar arbeid door de werkgevers en het aanbod van arbeid door werknemers blijft achter: de arbeidsmarkt is krap. De groei van het nationaal inkomen is bij hoogconjunctuur hoger dan de trend, bijvoorbeeld de trend is 2% en de groei in een jaar is 4%.

Conjunctuur-trend

De bezettingsgraad

De bezettingsgraad hangt samen met de conjunctuur: hoogconjunctuur = hoge bezettingsgraad, laagconjunctuur = lage bezettingsgraad.

bezettingsgraad

Conjunctuurindicatoren

Het CBS hanteert een aantal indicatoren om de stand van de economie aan te geven. Die stand van de economie wordt weergegeven in de conjunctuurklok. Het CBS hanteert drie soorten indicatoren:

  1. Vertrouwensindicatoren: producenten- en consumentenvertrouwen, orders.
  2. Economische indicatoren: consumptie, uitvoer, investeringen.
  3. Arbeidsmarktfactoren: arbeidsvolume, werkloosheid, vacatures.

De conjunctuurklok van mei 2015

Conjunctuurklok_2015

De kwadranten hebben de volgende betekenis:

  • Rechtsboven: hoogconjunctuur, boven de trend en stijgend. De conjunctuur gaat naar zijn hoogtepunt.
  • Linksboven: hoogconjunctuur, boven de trend en dalend. De conjunctuur is over de top.
  • Linksonder: laagconjunctuur, onder de trend en dalen. De conjunctuur gaat naar zijn dieptepunt.
  • Rechtsonder: laagconjunctuur, onder de trend en stijgend. De conjunctuur is over zijn dal heen.

Vraag en aanbod geaggregeerd

Er zijn verschillende vraag- en aanbodcurven:

  1. de individuele vraag- en aanbodcurve = de vraag van één consument en één producent.
  2. de collectieve vraag en aanbodfunctie = de vraag van alle consumenten en het aanbod van alle producenten voor de markt van één product.
  3. de geaggregeerde vraag- en aanbodcurve = de vraag van alle consumenten naar en het aanbod van alle producenten van alle goederen en diensten in een hele economie.

Het geaggregeerde aanbod op korte termijn

Op korte termijn zal de geaggregeerde aanbodcurve horizontaal verlopen. Er wordt dan van uit gegaan dat de productiecapaciteit nog niet maximaal is, zodat de productie nog kan worden uitgebreid zonder dat de prijzen stijgen. Als de geaggregeerde vraag groter wordt, verschuift deze naar rechts en de productie, de werkgelegenheid en het reëel BBP stijgen.

GA_GV_kt1

Neemt de geaggregeerde vraag af dan verschuift de vraaglijn naar links en de productie, de werkgelegenheid en het reëel BBP dalen.

Dat het prijspeil op korte termijn gelijk blijft heeft te maken met de starheid van de lonen in Nederland. Door wetgeving en cao-afspraken liggen deze voor lange(re) tijd vast en daarom kan het loon zich niet aanpassen aan de veranderde situatie. Hierdoor kunnen de productiekosten niet omlaag en blijft het prijspeil gelijk.

Op lange termijn passen de lonen zich wel aan: vanwege de vraaguitval en de daarmee gepaarde werkloosheid, zullen de vakbonden hun lonen matigen en kunnen de productiekosten verlaagd worden.

Het geaggregeerde aanbod op lange termijn

Op lange termijn is het geaggregeerde aanbod afhankelijk van de hoeveelheid beschikbare productiefactoren. Bij volledige bezetting loopt de geaggregeerde aanbodcurve dan ook verticaal.

GA_lange-termijn

Welk prijspeil er ook is, de bedrijven kunnen niet meer produceren dan ze doen. Daarom is de geaggregeerde aanbodcurve op lange termijn verticaal. Als de vraag tóch toeneemt, zullen de prijzen stijgen.

GA_lange-termijn2

En omgekeerd geldt dat wanneer de vraag minder wordt, de prijzen op korte termijn zullen dalen. Dit omdat de producenten hun productie handhaven, maar de prijzen verlagen.

Conjunctuurbeleid

De overheid probeert de conjunctuur te beïnvloeden door te spelen met haar eigen uitgaven en de belastingen. Er zijn twee soorten conjunctuurbeleid:

  • anticyclisch: begrotingspolitiek die tegen de conjunctuurbeweging in gaat en daardoor conjunctuur stabiliserend werkt. De pieken van de conjunctuur worden minder hoog, de dalen worden minder diep.
  • procyclisch: begrotingspolitiek die met de conjunctuurbeweging mee gaat en daardoor de conjunctuur versterkt. De pieken van de conjunctuur worden hoger, de dalen worden dieper.
Economische situatie Begrotingspolitiek Maatregel Effect
Laagconjunctuur Anticyclisch Overheidsbestedingen verhogen Productie stijgt, werkloosheid neemt af
Belastingen verlagen Gezinnen/bedrijven houden meer geld over voor consumptie/investeringen; productie stijgt, werkloosheid neemt af
Procyclisch Overheidsbestedingen verlagen (= bezuinigen) Productie neemt nog verder af, werkloosheid stijgt nog meer
Belastingen verhogen Gezinnen/bedrijven houden nog minder geld over voor consumptie/investeringen; productie neemt nog verder af, werkloosheid stijgt nog meer
Hoogconjunctuur Anticyclisch Overheidsbestedingen verlagen (= bezuinigen) Productie neemt af
Belastingen verhogen Gezinnen/bedrijven houden minder geld over voor consumptie/investeringen; productie neemt af
Procyclisch Overheidsbestedingen verhogen Productie neemt nog verder toe
Belastingen verlagen Productie neemt nog verder toe

Ingebouwde stabilisatoren

Nederland kent twee ingebouwde stabilisatoren voor de conjunctuurbeweging:

  • de sociale uitkeringen. Deze zorgen ervoor dat conjuncturele werklozen hun bestedingen op peil kunnen houden. Zonder deze uitkeringen zou de geaggregeerde vraag nog verder teruglopen.
  • de progressieve belastingen. Ons belastingstelsel is progressief: hogere inkomens betalen meer belasting dan lagere inkomens. Bij hoogconjunctuur zorgt de grote vraag naar arbeid voor hogere lonen. Omdat er dan meer belasting betaald moet worden, stijgt het nettoloon niet zo sterk als het brutoloon waardoor de bestedingen getemperd worden.

Geld, productie en prijzen

De verkeersvergelijking van Fisher

De econoom Irvin Fisher heeft als eerste de relatie beschreven tussen de hoeveelheid geld dat in omloop is, de snelheid waarmee het geld uitgegeven wordt, de productie en het algemene prijspeil.

De verkeersvergelijking van Fisher: M x V = P x T

  • M = de maatschappelijke geldhoeveelheid.
  • V = de omloopsnelheid van het geld; hoe snel wordt het geld uitgegeven. V is vaak een vast gegeven: mensen betalen normaal volgens vaste patronen.
  • P = het gemiddelde prijspeil.
  • T = het aantal transacties ofwel het reëel nationaal product/reëel bbp (wordt ook geschreven als Y).
  • M x V = de geldstroom.
  • P x T = de goederenstroom.
Op korte termijn

Op korte termijn is sprake van prijsrigiditeit: het prijspeil P blijft dan constant. Omdat V op korte termijn ook constant is, zal een stijging van de geldhoeveelheid resulteren in een stijging van het reëel bbp.

M x V = P x T/Y
c c
Op lange termijn

Op lange termijn wordt het reëel bbp bepaald door de hoeveelheid productiefactoren en is niet afhankelijk van de geldhoeveelheid: de productie wordt niet of nauwelijks beïnvloedt door de geldhoeveelheid, dit wordt geldneutraliteit genoemd.

Een stijging van de geldhoeveelheid leidt dus tot een stijging van het algemene prijspeil: inflatie.

M x V = P x T/Y
c c
De ECB

De Europese Centrale Bank ECB is de centrale bank van de eurozone. In het bestuur van de ECB zitten alle presidenten van de nationale centrale banken. De taak van de ECB is zorgen voor financiële stabiliteit.

De functies van de ECB zijn:

  • het uitvoeren van monetair beleid. Het monetair beleid van de ECB is gericht op prijsstabiliteit. Ze controleert de inflatie door middel van de geldhoeveelheid:
    • op lange termijn de groei van de geldhoeveelheid beheersen om de inflatie te beteugelen.
    • op korte termijn via rentebeleid de geldhoeveelheid te laten toenemen om productie en groei te stimuleren.
  • toezicht houden op financiële instellingen zoals banken, pensioenfondsen en verzekeraars.
  • uitgeven van eurobiljetten en euromunten.
  • beheerder van internationale reserves (het goud en de international valuta’s).

Ω

Deze samenvatting is gebaseerd op de LWEO-lesbrief Verdienen & Uitgeven, derde druk 2016.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren