Lesbrief Vervoer, samenvatting vierde druk 2016

Domein D: Markt, Lesbrief Vervoer

Met de taxi of met de fiets

Het marktaandeel

Marktaandeel wil zeggen hoeveel procent een bedrijf in handen heeft van de totale markt. Het marktaandeel kan gemeten worden in afzet, in aantallen, of in omzet, in geld. De formules om het marktaandeel te berekenen zijn:

Opbrengsten, kosten en winst

Totale opbrengst

De totale opbrengst TO, ook wel omzet genoemd, is te berekenen door het aantal verkochte goederen of diensten te vermenigvuldigen met hun prijs. Het is dus altijd een geldbedrag. De formule is: TO = P x Q. Hierbij is P de verkoopprijs per stuk en Q (quantity) het aantal verkochte producten.

Totale kosten

Ieder bedrijf heeft ook kosten. Sommige kosten zijn afhankelijk van de productie-omvang en sommige zijn daar onafhankelijk van.

Constante kosten

Constante kosten zijn de kosten die niet afhankelijk zijn van de productie. Het maakt dus niet uit of het bedrijf niets maakt, weinig maakt of heel veel maakt: het bedrag aan constante kosten verandert niet ten opzichte van het aantal geproduceerd. Alle constante kosten samen worden de Totale Constante Kosten TCK genoemd. Voorbeelden van constante kosten zijn: verzekeringskosten, wegenbelasting, afschrijvingskosten, de kosten van de leiding en administratie.

Variabele kosten

De afhankelijke kosten worden de variabele kosten genoemd. Deze kosten veranderen wel ten opzichte van het aantal geproduceerde producten. Maakt een bedrijf geen producten, dan zijn de variabele kosten € 0. Hoe meer producten een bedrijf maakt, hoe meer van variabele kosten er zijn. Voorbeelden van variabele kosten zijn: benzine, grondstoffen, arbeidskosten.  Alle variabele kosten samen worden de Totale Variabele Kosten TVK genoemd.

Totale kosten

Alle constante en variabele kosten samen zijn de totale kosten TK: TK = TCK + TVK.

Totale winst

Een van de doelstellingen van een bedrijf is het behalen van winst. De totale winst is te berekenen door de totale opbrengst te verminderen met de totale kosten: TW = TO – TK

De kosten per stuk

Naast de totale kosten kennen we ook de kosten per stuk, de gemiddelde kosten. Deze zijn uiteraard ook te splitsen in een constant en een variabel deel.

Delen we de TCK door het aantal Q dan wordt aldus de Gemiddelde Constante Kosten GCK verkregen: GCK = TCK ÷ Q. Omdat constante kosten niet veranderen met de productie-omvang, dalen de GCK naarmate de productie-omvang toeneemt, met andere woorden de GCK daalt als de productie toeneemt.

Delen we de TVK door het aantal Q dan krijgt men de Gemiddelde Variabele Kosten GVK: GVK = TVK ÷ Q.

En worden de TK gedeeld door het aantal Q dan wordt de kostprijs, de Gemiddelde Totale Kosten GTK verkregen: GTK = TK ÷ Q.

Schematisch:

schema TK naar GTK

Een voorbeeld

Hieronder staat een gedeeltelijk ingevulde kostentabel van een fabrikant.

Productieomvang Q TK TCK TVK GTK GCK GVK
100.000
200.000 40.000
500.000 0,10
800.000

Bekend is dat de TVK bij een productieomvang Q van 200.000 gelijk is aan € 40.000 en dat de GCK bij een productieomvang Q van 500.000 gelijk is aan € 0,10. Ondanks dat er maar twee cellen ingevuld zijn, zijn dat toch voldoende gegevens om de tabel helemaal te kunnen invullen.

De GCK zijn € 0,10 bij een productieomvang Q van 500.000. De TCK zijn dan 500.000 x € 0,10 = € 50.000. Omdat ze constant zijn, zijn de TCK dus gelijk bij iedere productieomvang Q. De kolom TCK kan in zijn geheel gevuld worden met het bedrag € 50.000

De TVK zijn bij een productieomvang Q van 200.000 € 40.000. De GVK zijn dan € 40.000 ÷ 200.000 = € 0,20. Omdat de variabele kosten in dit voorbeeld niet veranderen, zijn de GVK bij iedere Q gelijk. De kolom GVK kan in zijn geheel gevuld worden met het bedrag € 0,20.

De rest is een kwestie van combineren en berekenen.

De complete tabel ziet er als volgt uit.

Productieomvang Q TK TCK TVK GTK GCK GVK
100.000 70.000 50.000 20.000 0,70 0,50 0,20
200.000 90.000 50.000 40.000 0,45 0,25 0,20
500.000 150.000 50.000 100.000 0,30 0,10 0,20
800.000 210.000 50.000 160.000 0,2625 0,0625 0,20

Quitte spelen ofwel het Break Even Punt

Voor ieder bedrijf is het belangrijk te weten bij welke afzet Q de totale kosten TK worden terugverdiend, want een lagere afzet dan dit punt levert verlies op, een hogere afzet levert winst op. Hiervoor moet dus bekend zijn wat de totale kosten TK en de totale opbrengst TO zijn bij verschillende afzetten.

De formule voor de berekening van het Break Even Punt BEP is: TO = TK.

Een voorbeeld

Een fabrikant heeft de volgende gegevens verzameld van zijn productie: de TCK zijn € 5750, de GVK = € 0,25 en P = € 6. Hij wil zijn BEP weten, dus vanaf welke hoeveelheid geproduceerde en verkochte producten hij winstgevend is. Het probleem is dus om het aantal Q te weten te komen.

Wat weten we?

  • TO = P x Q
  • P = bekend = € 6
  • Q is onbekend
  • Dus: TO = 6 x Q = 6Q
  • TK = TVK + TCK
  • TCK = bekend = € 5750
  • TVK = GVK x Q
  • GVK = € 0,25
  • Q is onbekend
  • Dus: TVK = 0,25 x Q = 0,25Q
  • Nu kunnen beide vergelijkingen aan elkaar gelijk gesteld worden:
  • BEP: TO = TK
  • 6Q = 0,25Q + 5750
  • 6Q – 0,25Q = 5750
  • 5,75Q = 5750
  • Break Even Afzet Q = 1000

BEP LWEO 2

Bekend is nu bij welk aantal Q er noch winst, noch verlies gemaakt wordt: de Break Even Afzet BEA is bekend. Om de omzet op dit punt te weten moet de berekende Q vermenigvuldigd worden met de prijs P: Break Even Omzet BEO = BEA x P = 1000 x € 6 = € 6000.

De marginale kosten MK en de marginale opbrengst MO

De Break Evenanalyse is een hulpmiddel om te bepalen vanaf welk punt de productie en verkoop winstgevend wordt, tenminste als de opbrengst per stuk én de GVK steeds hetzelfde blijven. De TO en de TK zijn dan mooie rechte lijnen en de maximale winst wordt bereikt bij de maximale productieomvang.

Maar de GVK zijn niet steeds hetzelfde. In het begin, als de productie pas begint, zijn de GVK steeds gelijk, maar na verloop van tijd neemt de productie toe en treden er schaalvoordelen op en wordt er efficiënter gewerkt. Door efficiëntie en schaalvoordelen nemen de GVK af. Bij een nog hogere productie nemen de GVK toe, door overwerk, uitval, extra afval en productie-inefficiëntie.

De GVK kunnen dus zijn:

  • Proportioneel = evenredig = per product gelijk;
  • Degressief = dalend;
  • Progressief = stijgend.

De TK-lijn is dan geen rechte meer.

Ook de opbrengst kan variëren: in het begin is het product duur en naarmate de tijd vordert wordt het product goedkoper. Dit wordt afromen genoemd. Hierdoor is ook de TO-lijn geen rechte meer.

Gevolg: de maximale winst wordt niet meer bereikt bij de maximale productieomvang.

Bij veranderende opbrengsten en veranderende variabele kosten moet dan ook gekeken worden naar de marginale opbrengst MO, de extra opbrengst per extra product, en de marginale kosten MK, de extra kosten per extra product.

  • Marginale opbrengst MO: met hoeveel neemt de totale opbrengst TO toe bij de verkoop van een extra product?
  • Marginale kosten MK: met hoeveel nemen de totale kosten TK toe bij de productie van een extra product.

Met de marginale analyse kan de afzet bepaald worden waarbij de TW maximaal is.

De totale winst TW neemt toe als de marginale opbrengst MO van het extra product groter is dan de marginale kosten MK van dat product.

Dus als:

  • MO > MK neemt de winst toe;
  • MO < MK neemt de winst af;
  • MO = MK blijft de winst gelijk.

Conclusie de TW is maximaal als MO = MK.

De diverse kosten bij elkaar

Hieronder staat een klein voorbeeldje van de diverse kosten.

In tabelvorm

Q TCK TVK TK GCK GVK GTK MK
0 5,00 5,00
4,00
1 5,00 4,00 9,00 5,00 4,00 9,00
2,70
2 5,00 6,70 11,70 2,50 3,30 6,00
1,60
3 5,00 8,30 13,30 1,67 2,80 4,40
1,00
4 5,00 9,30 14,30 1,25 2,30 3,60
1,10
5 5,00 10,40 15,40 1,00 2,00 3,10
1,60
6 5,00 12,00 17,00 0,83 2,00 2,80
2,60
7 5,00 14,60 19,60 0,71 2,10 2,80
3,90
8 5,00 18,50 23,50 0,63 2,30 2,90
5,70
9 5,00 24,20 29,20 0,56 2,70 3,20
8,80
10 5,00 33,00 38,00 0,50 3,30 3,80

De MK staat altijd tussen de rijen in: het is de stijging van de TK bij een verhoging van de productie met 1 product.

In grafiekvorm:

GTK-GVK-GCK-MK

  De afkortingen

  • P = Prijs = de opbrengst per stuk
  • Q = (quantity) = aantal = afzet = verkochte hoeveelheid
  • TO = Totale Opbrengst = omzet = P x Q
  • TK = Totale Kosten
  • TCK = Totale Constante Kosten
  • TVK = Totale Variabele Kosten
  • TW = Totale Winst
  • GO = Gemiddelde Opbrengst = TO ÷ Q
  • GTK = Gemiddelde Totale Kosten = kostprijs per stuk = TK ÷ Q
  • GCK = Gemiddelde Constante Kosten = TCK ÷ Q
  • GVK = Gemiddelde Variabele Kosten = TVK ÷ Q
  • MK = Marginale Kosten = toename van de TK bij de productie van één extra product
  • MO = Marginale Opbrengst = toename van de TO bij de verkoop van één extra product

Verzekeren tegen risico

Verzekeren

In Nederland moet iedere auto/motor/scooter verzekerd zijn voor Wettelijke Aansprakelijkheid WA. Deze verzekering dekt de schade aan anderen, materiële en lichamelijke. Wil men ook de eigen schade verzekerd hebben dan is daarvoor de allriskverzekering.

Mensen houden niet van risico’s, ze zijn risico-avers, en daarom sluiten ze verzekeringen af. Men kan zich tegen werkelijk alle risico’s verzekeren.

Een verzekering is een overeenkomst tussen een verzekeraar, een verzekeringsmaatschappij, en een verzekerde. De verzekerde betaalt een premie aan de verzekeraar. In ruil daarvoor garandeert de verzekeraar dat de verzekerde schade vergoedt wordt. De vraag naar verzekeringen hangt samen met de risico-aversie en de hoogte van de premie.

Bij verzekeren moet sprake zijn van:

  • Een onzeker voorval
  • Een (groot) financieel risico
  • Schade die in geld is uit te drukken

Hoe wordt de premie berekend?

De premie is gebaseerd op de kans op schade en de hoogte van de schade:

Formule premieberekening: Premie = kans op schade x de gemiddelde hoogte van de schade.

Natuurlijk moeten er voldoende deelnemers zijn.

Voorbeeld
  • Gemiddelde autoschade: € 4.000
  • Kans op schade per jaar: 5%
  • Berekening premie per jaar= 0,05 x € 4.000 = € 200 per jaar.

Als zich slechts 2 mensen aanmelden voor deze verzekering en 1 ervan heeft schade, dan lijdt de verzekeraar verlies:

  • Ontvangen premie TO:    2 x € 200 = € 400
  • Betaalde schade TK:       € 4.000
  • Resultaat  = TO – TK:      € 400 − € 4.000 = − € 3.600.

Als deze verzekeraar 10.000 klanten heeft speelt hij Break Even:

  • Ontvangen premie TO: 10.000 x € 200 = € 2.000.000
  • Betaalde schade TK:    0,05 x 10.000 x € 4.000 = € 2.000.000
  • Resultaat = TO − TK:   € 2.000.000 − € 2.000.000 = € 0.

Averechtse selectie

De premie wordt dus berekend op het gemiddelde risico op schade binnen een groep verzekerden. Daarnaast wordt er een opslag voor administratiekosten berekend en een winstopslag.

Het probleem is echter dat de verzekeraar niet weet welke mensen een hoog risico hebben en welke een laag. Bij een gelijke premie hebben de hoge risico’s meer aan een verzekering dan de lage risico’s. Als de premie te hoog is in verhouding tot de uitkering, loopt de verzekeraar het risico dat de lage risico’s zich niet meer verzekeren (die betalen hun schade liever zelf) en ze alleen de hoge risico’s overhouden. Dit heet averechtse selectie. Door averechtse selectie wordt de verzekeringspremie hoger: er is meer schade en er zijn minder verzekerden.

Het bestrijden van averechtse selectie

Averechtse selectie kan bestreden worden door:

  • De verzekering verplicht te stellen. Hierdoor kan de gemiddelde premie laag blijven. Een voorbeeld is de basis ziektekostenverzekering;
  • Premiedifferentiatie. De hoge risico’s betalen meer premie dan de lage risico’s. Een voorbeeld is de WA-verzekering voor auto’s met de bonus-malusregeling.
De bonus/malus-ladder

Om de premie voor een autoverzekering vast te stellen, gebruiken autoverzekeraars een systeem dat officieel de bonus/malus-ladder heet, maar dat in de volksmond veelal “no claim-korting” wordt genoemd. Dit systeem gaat uit van een basispremie waarop u, afhankelijk van het aantal jaren dat u schadevrij heeft gereden, een korting (bonus) krijgt die kan oplopen tot 75% of 80%.

Onderstaande tabel is een bonus/malus-ladder met 20 treden. De verzekerde staat dit jaar op trede 12. In de tabel kan afgelezen worden dat hij dan een korting van 65% op de basispremie krijgt.
Indien de verzekerde in een verzekeringsjaar geen schade claimt bij de verzekeraar, dan stijgt hij een trede op de ladder. Het volgende jaar staat hij dus op trede 13 en de korting neemt toe tot 70%.
Claimt de verzekerde echter wel schade, dan zakt hij een of meer treden op de ladder, afhankelijk van het aantal geclaimde schades, maar ongeacht de hoogte van de claims.
Indien de verzekerde tijdens het verzekeringsjaar 1 schade claimt, zakt hij naar trede 7, en de korting bedraagt volgend jaar nog maar 40%. Claimt de  verzekerde 2 schades, dan zakt hij naar trede 2, wat betekent dat hij volgend jaar een toeslag – een malus − van 10% op de basispremie gaat betalen. Claimt de verzekerde 3 of meer schades, dan zakt hij naar trede 1 en wordt de malus 20%.

Kenmerkend voor dit soort bonus/malus-ladders is dat de stijging heel langzaam gaat, terwijl de daling juist heel snel kan gaan, zeker als de verzekerde in een jaar meerdere schades claimt.

Trede Korting Trede na 0 claims Trede na 1 claim Trede na 2 claims Trede na 3 of meer claims
20 80,0% 20 15 8 1
19 80,0% 20 14 7 1
18 75,0% 19 13 6 1
17 75,0% 18 12 5 1
16 75,0% 17 11 4 1
15 72,5% 16 10 4 1
14 72,5% 15 9 3 1
13 70,0% 14 8 3 1
12 65,0% 13 7 2 1
11 62,5% 12 6 2 1
10 60,0% 11 5 1 1
9 55,0% 10 4 1 1
8 50,0% 9 3 1 1
7 40,0% 8 2 1 1
6 30,0% 7 1 1 1
5 20,0% 6 1 1 1
4 10,0% 5 1 1 1
3 0,0% 4 1 1 1
2 10,0% toeslag 3 1 1 1
1 20,0% toeslag 2 1 1 1

Moreel wangedrag

Moreel wangedrag (moral hazard) treedt op als een verzekerde, omdat hij verzekerd is, meer risico gaat nemen: de verzekering betaalt toch wel. Hierdoor stijgt de schade en gaan de premies omhoog. Het gevolg is dat er dan averechtse selectie optreedt waardoor de premies nog verder stijgen.

Het tegengaan van moreel wangedrag

Moreel wangedrag kan worden tegen gegaan door:

  • Het instellen van een eigen risico. De verzekerde moet een deel van de schade zelf betalen;
  • Het invoeren van een maximum vergoeding. Boven dat bedrag zijn de kosten voor de verzekerde.

Asymmetrische informatie

Asymmetrische informatie is de situatie waarbij de ene partij over meer informatie beschikt dan de andere partij. Bij verzekeringen weten de verzekerden méér dan de verzekeraar. De verzekerde weet van zichzelf of hij een goed of slecht risico is en weet ook of hij zich anders gaat gedragen als hij verzekert is. De verzekeraar weet dat niet en kan dus geen premiedifferentiatie toepassen. Premiedifferentiatie is het hanteren van verschillende premies op basis van verschillen in risico’s.

Voor een autoverzekering probeert de verzekeraar een inschatting te maken van  het risico op basis van leeftijd, regio en jaarlijks te rijden kilometers. Het verzamelen hiervan kost tijd en geld: de transactiekosten.

Transactiekosten

Transactiekosten zijn de kosten die worden gemaakt om een overeenkomst – de verzekering – te realiseren en na te leven.

Vraag en aanbod

De vraag

Er zijn diverse factoren die invloed hebben op de vraag naar vliegreizen:

  • De prijs. Dalende prijzen leiden tot een groeiende vraag.
  • De stand van de economie. Als een economie stijgt, stijgt de vraag.
  • Het inkomen. Stijgende inkomens geven een stijgende vraag.
  • De globalisering. Groeiende verbindingen tussen landen zorgen voor een stijgende vraag.
  • De bevolkingsomvang. Hoe groter de bevolking, hoe meer vraag er is.
  • De prijzen van andere vervoermiddelen. Duurder wordende trein- en autoreizen zorgen voor een stijgende vraag naar vliegreizen (substitutie).
  • De prijzen van aanvullende goederen. Als de prijs van lang parkeren op Schiphol sterk stijgt, zal de vraag naar vliegreizen vanaf Schiphol dalen (complementair).

Uiteraard gelden deze factoren niet alleen voor de vraag naar vliegreizen, maar gelden ze voor de vraag naar de meeste goederen en diensten.

Substitutiegoederen

We spreken van substitutiegoederen als het ene product het andere product kan vervangen. Het zijn vervangende of alternatieve goederen. Voorbeelden zijn: aardappelen & rijst, fiets & scooter, koffie & thee.

Complementaire goederen

We spreken van complementaire goederen als die goederen elkaar aanvullen. Het ene goed kan niet of nauwelijks zonder het andere. Een Blueray-speler & een blueray-disc, shag & vloeitjes, een scooter & benzine, inkjetprinter & cartridges.

Het consumentensurplus

Iedere consument is bereid een andere prijs te betalen voor een product. Het maximale bedrag dat iemand wil betalen is zijn betalingsbereidheid. Als het product echter minder kost dan dat de consument bereid was te betalen, heeft deze voordeel. Het consumentensurplus is het verschil tussen de betalingsbereidheid van een consument en de werkelijk te betalen prijs. Het consumentensurplus is het welvaartsvoordeel van de consumenten.

De vraagfunctie

Het verband tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid kan worden weergegeven met een vergelijking, de vraagfunctie. Normaal is het zo dat als de prijs P van een goed stijgt, de gevraagde hoeveelheid Qv daalt en andersom. Dit verband is een negatief verband want de verandering van de vraag Qv is tegengesteld aan de verandering van de prijs P. P↑ = Qv↓ en P↓= Qv↑.

Bij een bepaalde prijs zullen alle vragers die een hogere betalingsbereidheid hebben, het product kopen. Hun gezamenlijke voordeel is het totale consumentensurplus. De vragers die een lagere betalingsbereidheid hebben, kopen het product niet.

De vraagfunctie is een lineaire functie – een rechte lijn – en heeft de volgende vorm: Qv = −XP + Y

  • Qv is de gevraagde hoeveelheid
  • P is de prijs
  • −X is een getal of breuk
  • Y is een getal

Het minteken geeft het negatieve verband weer, dus een hogere P geeft een lagere Qv. De −X is de richtingscoëfficiënt: deze −X geeft aan in welke mate Qv verandert als P met 1 verandert. Is −X gelijk aan −3, dan verandert de Qv met −3 bij een stijging van P = 1.

Omdat de richtingscoëfficiënt negatief is, is de vraaglijn altijd een dalende lijn!

Voorbeeld vraaglijn en consumentensurplus

De vraag naar kroketten in een snackbar kan weergegeven worden met de volgende vraagfunctie:
Qv = −3P + 18, waarbij Qv de gevraagde hoeveelheid in stuks is en P de prijs in € is.

Deze vraagfunctie moet in een grafiek worden getekend. Deze grafiek bestaat uit een as waarop de P staat (verticaal) en een as waarop de Qv staat (horizontaal).

Tekenen van de vraaglijn in een grafiek
  • Eerst bepaal je de uiterste punten, dus waar raakt de vraaglijn de P-as en waar raakt hij de Q-as.
  • Raken van de P-as. Je moet een P berekenen waarbij er geen kroketten gevraagd worden, dus wanneer de Qv = 0. De vraagfunctie wordt dan: 0 =  −3P + 18 → 3P = 18 → P = 18 ÷ 3 = 6. Dus bij een P van € 6 worden er geen kroketten gevraagd.
  • Raken van de Q-as. Je moet een Qv berekenen wanneer er niets gevraagd wordt voor een kroket, dus wanneer de P = 0. De vraagfunctie wordt dan Qv = −3×0 + 18 → Qv = 0 + 18 = 18. Dus bij een P van € 0 worden er 18 kroketten gevraagd. Dit komt overeen met de “18” uit de vergelijking.
  • Omdat de vraagfunctie lineair is – een rechte lijn dus – zijn deze 2 punten voldoende om de vraaglijn te tekenen.

vraaglijn kroket 01

Het consumentensurplus

Stap 1: het berekenen van de gevraagde hoeveelheid Qv  bij de verkoopprijs
De snackbareigenaar vraag voor een kroket € 2,00. De P is dus 2. Als je deze prijs invult in de vraagfunctie kun je daarmee de Qv uitrekenen.
Qv = −3P + 18 → Qv = −3 x 2 + 18 → Qv = −6 + 18 = 12

Stap 2: het tekenen van het consumentensurplus bij de verkoopprijs in de grafiek
Het consumentensurplus is het totale voordeel van alle consumenten die bereid waren een hogere prijs te betalen dan nodig is; hieronder weergegeven door de grijze driehoek.

consumentensurplus

Het consumentensurplus kan ook berekend worden.

consumentensurplus compleet

Dat doe je met de formule voor het berekenen van een driehoek: (basis x hoogte) ÷ 2. De basis loopt van 0 tot 12 = 12, de hoogte loopt van € 2 tot € 6 = € 4. Het totale consumentensurplus is dus: (12 x € 4) ÷ 2 = € 48 ÷ 2 = € 24.

Verschuiving over of langs de vraaglijn

Als de prijs van een product verandert, verandert de vraaglijn zelf niet. Bij een hogere prijs krijg je gewoon een ander punt op de vraaglijn, want bij die hogere prijs hoort een kleinere gevraagde hoeveelheid. Hetzelfde geldt voor een lagere prijs, op diezelfde vraaglijn krijg je een grotere gevraagde hoeveelheid. We noemen dat het verschuiven over of langs de vraaglijn. Verschuivingen over of langs de vraaglijn treden alleen op als de factor prijs wijzigt.

vraaglijn langs

Ceteris-paribusvoorwaarde

Het negatieve verband geldt echter alleen als alle andere factoren die van invloed zijn op de prijs (inkomen, prijzen van andere producten enzovoort) niet veranderen. Dat is de ceteris-paribusvoorwaarde: de overige omstandigheden gelijk blijvend.

Verschuiving van de vraaglijn

De vraaglijn zélf verschuift zodra één van de andere factoren verandert. We zien dan dat de gevraagde hoeveelheid verandert bij iedere prijs.

Redenen voor het verschuiven van de vraaglijn zijn:

  • Het aantal vragers verandert;
  • De prijzen van andere producten veranderen;
  • Het inkomen van de consumenten verandert;
  • De behoeften en voorkeuren van de consumenten veranderen.
De vraaglijn verschuift naar links

vraaglijn links

De vraaglijn verschuift naar links als:

  • Het aantal vragers minder wordt;
  • De prijzen van andere producten lager worden;
  • Het inkomen van de consumenten minder wordt;
  • De behoeften en voorkeuren van de consumenten veranderen ten nadele van het product.

Al deze oorzaken zorgen voor een verminderde vraag bij iedere prijs.

De vraaglijn verschuift naar rechts

vraaglijn rechts

De vraaglijn verschuift naar rechts als:

  • Het aantal vragers meer wordt;
  • De prijzen van andere producten hoger worden;
  • Het inkomen van de consumenten meer wordt;
  • De behoeften en voorkeuren van de consumenten veranderen ten voordele van het product.

Al deze oorzaken zorgen voor een grotere vraag bij iedere prijs.

Het aanbod

Net zo goed als iedere consument zijn eigen betalingsbereidheid heeft, heeft ook iedere producent zijn eigen aanbiedingsbereidheid. Dat heeft alles te maken met de kostenstructuur van de producent. Een producent betreedt, zoals bekend is, de markt pas als hij boven zijn Break Even Punt komt, anders legt hij er op toe. Het gevolg is dat de ene aanbieder kan leveren tegen een lage(re) prijs en een andere aanbieder tegen een hoge(re) prijs.

De aanbodfunctie

Het verband tussen de prijs en de aangeboden hoeveelheid kan worden weergegeven met een vergelijking, de aanbodfunctie. Normaal is het zo dat als de prijs van een goed stijgt, de aangeboden hoeveelheid stijgt en andersom. Dit verband is een positief verband want de verandering van de vraag Qa beweegt in dezelfde als de prijs P: P↑ = Qa↑ en P↓= Qv↓.

Bij een bepaalde prijs zullen alle aanbieders die een lagere aanbiedingsbereidheid hebben, hun product aanbieden. Hun gezamenlijke voordeel is het totale producentensurplus. De aanbieders die een hogere aanbiedingsbereidheid hebben, verkopen het product niet.

De aanbodfunctie is een lineaire functie – een rechte lijn – en heeft de volgende vorm: Qa = +XP − Y

  • Qa is de gevraagde hoeveelheid
  • P is de prijs
  • X is een getal of breuk
  • Y is een positief of negatief getal

Het plusteken geeft het positieve verband weer, dus een hogere P geeft een hogere Qa. Normaal wordt de + niet geschreven. Het is of niets of een min. De +X is ook hier de richtingscoëfficiënt: deze +X geeft aan in welke mate Qa verandert als P met 1 verandert. Is +X gelijk aan +3, dan verandert de Qa met +3 bij een stijging van P = 1.

Voorbeeld aanbodlijn en producentensurplus

Het aanbod van zakjes kruidenthee kan weergegeven worden met de volgende aanbodfunctie:
Qa = 5P − 2, waarbij Qa de aangeboden hoeveelheid in 1000 stuks is en P de prijs in €.

Deze aanbodfunctie moet in een grafiek worden getekend. Deze grafiek bestaat uit een as waarop de P staat (verticaal) en een as waarop de Qv staat (horizontaal).

Tekenen van de aanbodlijn in een grafiek
  • De aanbodlijn is een stijgende lijn, hij zal de Q-as dus niet raken. Eerst bepaal je het punt waar de aanbodlijn de P-as raakt.
  • Raken van de P-as. Je moet een P berekenen waarbij er geen kruidenthee aangeboden wordt, dus wanneer de Qa = 0. De aanbodfunctie wordt dan: 0 =  5P – 2, ?5P = ?2, 5P = 2, P = 2 ÷5 = 0,4. Dus bij een P van € 0,40 wordt er geen kruidenthee aangeboden.
  • Omdat de aanbodfunctie een lineaire functie is (een rechte lijn dus), moet er nog een willekeurig ander punt berekend worden. Hiervoor vul je een willekeurige P in en rekent uit hoeveel de Qa dan wordt. Gekozen is een P van 1,60. Ingevuld in de aanbodfunctie: Qa = 5 x 1,60 – 2, Qa = 8 – 2, Qa = 6. Dit betekent dat er 6 x 1000 zakjes kruidenthee worden aangeboden bij een P van € 1,60 per stuk.

Aanbodlijn kruidenthee

Het producentensurplus

Stap 1: het berekenen van de aangeboden hoeveelheid Qa  bij de verkoopprijs
De verkoopprijs van een zakje kruidenthee is € 0,90 in de winkels. Als je deze prijs invult in de aanbodfunctie kun je daarmee de Qa uitrekenen.
Qa = 5P – 2 → Qa = 5 x 0,90 – 2 → Qa = 4,5 – 2 = 2,5 x 1000 zakjes is 2500 zakjes kruidenthee.

Stap 2: het tekenen van het producentensurplus bij de verkoopprijs in de grafiek
Het producentensurplus is het totale voordeel van alle producenten die bereid waren tegen een lagere prijs dan de verkoopprijs aan te bieden; hieronder weergegeven door de grijze driehoek.

Producentensurplus 01

Het producentensurplus kan ook berekend worden.

Producentensurplus berekend

Ook hier de formule voor het berekenen van een driehoek gebruiken: (basis x hoogte) ÷ 2. De basis loopt van 0 tot 2,5 = 2,5 x 1000 = 2500, de hoogte loopt van € 0,90 tot € 0,40 = € 0,50. Het totale producentensurplus is dus: (2500 x € 0,50) ÷ 2 = € 1250 ÷ 2 = € 625.

Verschuiving van en langs de aanbodlijn

Verschijven van het aanbod

Net als bij de vraaglijn, kunnen er ook veranderingen bij de aanbodlijn optreden. Prijswijzigingen zorgen voor een verandering langs de aanbodlijn, voor een verschuiving van de aanbodlijn zorgen andere factoren.

De factoren die voor een verandering van het aanbod bij iedere prijs zorgen zijn:

  • Het aantal aanbieders verandert;
  • De kostprijs van het product verandert, waardoor de winst verandert;
  • Heffingen door de overheid; dit wordt doorberekend en hierdoor verschuift de aanbodlijn met het bedrag van de heffing.

Consumentensurplus en producentensurplus in het evenwicht

Als de vraag- en aanbodlijn in één grafiek getekend wordt, kan het marktevenwicht afgeleid worden. Het snijpunt is dan het evenwicht waarbij tegen de evenwichtsprijs de gevraagde en aangeboden hoeveelheid aan elkaar gelijk zijn. Tevens worden zowel het consumentensurplus als het producentensurplus zichtbaar. Dit wordt verduidelijkt met een voorbeeld.

Het marktevenwicht van uien

In Nederland gelden de volgende vraag- en aanbodfunctie op de markt van uien:
Qa = 100P – 50        Qv = −100P + 250    P = Prijs per kilo in €    Q = in 1.000.000 kilo

Stap 1: Bereken de punten van de functies

Constructie Qa
Stel Qa gelijk aan 0 en reken de daarbijbehorende prijs uit = snijpunt met de P-as
Qa = 0 → 0 = 100P – 50 → −100P = −50 → 100P = 50 → P = 50 ÷ 100 → P = 0,5

Reken een tweede punt uit, bijvoorbeeld P = 2,50
Qa = 100P − 50 → Qa = 100 x 2,50 − 50 → Qa = 250 − 50 → Qa = 200

Constructie Qv
Stel Qv gelijk aan 0 en reken de daarbijbehorende prijs uit = snijpunt met de P-as
Qa = 0 → 0 = −100P + 250 → 100P = 250 → P = 250 ÷ 100 = 2,50

Stel P gelijk aan 0 en reken de daarbijbehorende Q uit = snijpunt met de Q-as
Qa = −100 x 0 + 250 → Qa = 250

Stap 2: Teken de functies in een grafiek

Marktevenwicht uien

Stap 3: Bereken het marktevenwicht

Het marktevenwicht kan berekend worden door Qv en Qa aan elkaar gelijk te stellen. Dan is de evenwichtsprijs P uit te rekenen. Vul de gevonden evenwichtsprijs P in in één van de functies. Dan is de evenwichtshoeveelheid Q uit te rekenen en is het marktevenwicht bekend.

Qa = Qv → 100P – 50 = −100P + 250 → 100P + 100P = 250 + 50 → 200P = 300 → P = 300 ÷ 200 = 1,5

Vul de berekende evenwichtsprijs in in één van de functies: Qa = 100 x 1,5 – 50 = 150 – 50 = 100Het marktevenwicht is: P = € 1,50, Qa/Qv = 100 x 1.000.000 = 100 miljoen kilo uien.

Stap 4: Arceer de surplussen

Marktevenwicht uien met surplussen

Maximale surplus = maximale welvaart

Bij het marktevenwicht is de som van consumenten- en producentensurplus het grootst. Het totale surplus is een maatstaf voor de welvaart, dus maximale surplus = maximale welvaart.

De arbeidsmarkt voor vrachtwagenchauffeurs

Vraag en aanbod op de arbeidsmarkt voor vrachtwagenchauffeurs

De arbeidsmarkt voor vrachtwagenchauffeurs is een deelmarkt van de totale arbeidsmarkt.

De aanbieders zijn:

  • alle vrachtwagenchauffeurs in loondienst
  • alle zelfstandige vrachtwagenchauffeurs
  • alle geregistreerde werkloze vrachtwagenchauffeurs

De vragers vormen samen de werkgelegenheid van vrachtwagenchauffeurs:

  • alle vrachtwagenchauffeurs in loondienst
  • de totale vraag naar zelfstandige vrachtwagenchauffeurs
  • alle vacatures voor vrachtwagenchauffeurs

Projecteren we dit op de totale arbeidsmarkt dan bestaat de beroepsbevolking uit het aanbod van arbeid (mensen in loondienst, zelfstandigen en geregistreerde werklozen) en is de werkgelegenheid de vraag naar arbeid.

De vraag naar en het aanbod van arbeid, dus ook van vrachtwagenchauffeurs, is afhankelijk van:

  • de stand van de economie
  • de stand van de techniek
  • de voortschrijdende globalisering
  • de kostenontwikkeling van andere vervoersvormen
  • de demografie
  • de participatiegraad
  • wetgeving

De arbeidsmarkt voor vrachtwagenchauffeurs werkt op dezelfde manier als de markten van goederen en diensten. Arbeid is een dienst en de prijs van arbeid is het loon. Wordt de markt vrijgelaten, dan komt ook hier een evenwicht tot stand tussen vraag en aanbod.

Verschuivingen van de vraag- en aanbodlijn kunnen ook optreden om dezelfde redenen als die bij goederen en diensten.

Marktimperfecties

De arbeidsmarkt is geen markt van volkomen concurrentie:

  • arbeid is niet homogeen want er is niet één arbeidsmarkt: iedere sector, bedrijfstak of beroep heeft zijn eigen deelmarkt
  • marktpartijen hebben invloed op de hoogte van het loon: vakbonden kunnen hogere lonen bedingen dan individuele werknemers
  • de overheid heeft invloed op de hoogte van het loon: het minimumloon
  • er is geen vrije toetreding: voor vrijwel alle beroepen is een diploma nodig
  • ze is niet transparant: werkgevers weten meer over hun eigen vacatures, werknemers weten meer over hun eigen kennis, vaardigheden, kwaliteiten (asymmetrische informatie)

Elasticiteiten

Externe effecten

Externe effecten zijn de gevolgen van productie en consumptie voor de welvaart van anderen die niet in de prijzen van de producten zijn doorberekend.

Een extern effect is positief als de welvaart van anderen wordt vergroot zonder dat die ervoor hoeven betalen, een extern effect is negatief als de welvaart van anderen negatief wordt beïnvloedt en er niet voor betaald wordt. De overheid probeert de negatieve externe effecten tegen te gaan door belastingen en accijns te heffen op schadelijke goederen. Ze stimuleert met subsidies de productie en gebruik van goederen/diensten die positieve externe effecten hebben.

Rekeningrijden

Autorijden heeft flink wat negatieve externe effecten: files, geluidsoverlast, fijnstof, veel asfalt. Gedeeltelijk wordt dit tegengegaan door een forse accijns op brandstof, maar de overheid wil het autogebruik nog meer indammen. Daarom overweegt ze het rekeningrijden: een tolheffing per gereden kilometer. Het bezit van een auto wordt dan minder belast, maar het gebruik van een auto wordt zwaarder belast.

Prijsgevoeligheid

Of rekeningrijden succesvol is om het aantal autokilometers terug te dringen is afhankelijk van de reactie van de automobilisten op de kilometerheffing. Daalt het aantal autokilometers sterk of minder sterk als gevolg van de prijsverandering? Dit verschijnsel wordt de prijselasticiteit van de vraag genoemd.

Prijselasticiteit van de vraag

De prijselasticiteit van de vraag Ev kan berekend worden met de formule:

Ev

De procentuele veranderingen kunnen berekend worden met de bekende formule nieuw – oud:

Nieuw-Oud

De prijselasticiteit van de vraag geeft een negatief getal, immers stijgt de prijs, dan daalt de vraag en andersom. Een uitzondering hierop zijn de statusgoederen (Ferrari’s, kunst enzovoort).

Betekenis van de prijselasticiteit van de vraag

De prijselasticiteit van de vraag laat zien hoe sterk de vraag reageert op een prijsverandering. Een Ev van −2 betekent dat een prijsstijging van 1% een vraagdaling van 2% ten gevolge heeft. Een Ev van −0,5 betekent dat een prijsstijging van 1% een vraagdaling van 0,5% ten gevolge heeft. De prijselasticiteit is een vermenigvuldigingsfactor: Ev x %ΔP = %ΔQ.

Elastisch of inelastisch

De waarde van Ev bepaalt of een goed elastisch of inelastisch is. Elastisch wil zeggen dat de gevraagde hoeveelheid sterk(er) reageert op een prijsverandering, inelastisch wil zeggen dat de vraag minder sterk reageert op een prijsverandering

prijselasticiteit vraag

Prijselasticiteit en soorten goederen

De prijselasticiteit is afhankelijk van het soort goed. Levensreddende of -verlengende medicijnen heb je altijd nodig: de prijselasticiteit van deze medicijnen is daarom 0; een prijsverandering heeft dan geen enkele invloed op de vraag. Ook de tijd heeft invloed: op korte termijn is de prijselasticiteit van autorijden laag, maar op lange(re) termijn is die hoger. Mensen kunnen besluiten om op termijn een zuiniger auto te kopen, te gaan carpoolen of toch het openbaar vervoer te kiezen.

Substituutgoederen

Als er substituten (alternatieve goederen) zijn is de prijselasticiteit in de regel hoog. Een prijsverhoging leidt tot een sterke daling van de vraag omdat consumenten overstappen op het substituut.

Primaire (noodzakelijke) goederen

Goederen die nodig zijn om te leven – eten, drinken, kleding, huisvesting – zijn in de regel minder prijselastisch dan andere goederen.

Prijselasticiteit en omzet

Prijsinelastisch

Als een goed prijsinelastisch is, leidt een prijsstijging tot een hogere omzet: de daling van de gevraagde hoeveelheid is in verhouding kleiner dan de prijsstijging.

Voorbeeld omzet bij een inelastische vraag: Ev = –0,5

Poud = € 10. Qoud = 10.000.

P stijgt met 10% naar € 11.

TOoud: € 10 x 10.000 = € 100.000

TOnieuw: € 11 x 9.500 = € 104.500

Prijselastisch

Bij een prijselastische vraag leidt een prijsstijging juist tot een lagere omzet: de daling van de gevraagde hoeveelheid is in verhouding groter dan de prijsstijging.

Voorbeeld omzet bij een inelastische vraag: Ev = –5

Poud = € 10. Qoud = 10.000.

P stijgt met 10% naar € 11.

TOoud: € 10 x 10.000 = € 100.000

TOnieuw: € 11 x 5.000 = € 55.000

Kruislingse prijselasticiteit

Complementaire goederen

Complementaire goederen zijn goederen die je samen gebruikt: printers en cartridges, mobieltjes en MB’s, auto’s en benzine. De prijs van één van de complementaire goederen heeft dan ook invloed op de vraag naar het andere complementaire goed. Stijgt de prijs van MB’s dan daalt de vraag naar mobieltjes.

Substituutgoederen

Substituutgoederen zijn goederen die elkaar kunnen vervangen: wit- en bruinbrood, aardappelen en rijst, cola en sinas. De prijs van het ene substituutgoed heeft invloed op de vraag naar het andere substituutgoed. Stijgt de prijs van cola dan stijgt de vraag naar sinas.

De kruislingse prijselasticiteit

De kruislingse prijselasticiteit geeft weer hoe sterk de vraag reageert van product 2 op een prijsverandering van product 1.

Ek

  • bij complementaire goederen is de Ek negatief: P1 ↑, Q2 ↓
  • bij substituutgoederen is de Ek altijd positief: P1 ↑, Q2 ↑
  • is Ek = 0 dan bestaat er geen relatie tussen de twee goederen: P1 ↑, Q2 =

De inkomenselasticiteit

Er bestaat ook een verband tussen de gevraagde hoeveelheid en het inkomen: de inkomenselasticiteit van de  vraag. Hierbij is het inkomen de oorzaak en de gevraagde hoeveelheid het gevolg.

De inkomenselasticiteit van de  vraag kan berekend worden met de formule:

Inkomenselasticiteit

Inkomenselasticiteit en soorten goederen

Ey

Normaal gesproken bestaat er een positief verband tussen het inkomen en de vraag naar goederen. Toch zijn er verschillen.

Normale goederen

Goederen waarvan meer gevraagd wordt als het inkomen stijgt worden normale goederen genoemd. Het verband tussen inkomen en vraag is positief. De normale goederen zijn onder te verdelen in:

  • Primaire goederen: goederen die je nodig hebt om te kunnen leven. Het verband tussen de vraag en het inkomen is positief, maar vanaf een bepaald inkomen is er sprake van verzadiging: vanaf het verzadigingsinkomen leidt een stijging van het inkomen niet meer tot een toename van de vraag. Primaire goederen reageren niet sterk op een inkomensverandering. Ze zijn dus inelastisch.
  • Luxe goederen: goederen die niet noodzakelijk zijn, maar die het leven aangenamer maken. Het verband tussen de vraag en het inkomen is positief. Deze goederen worden pas vanaf een bepaald inkomen gekocht: het drempelinkomen. Luxe goederen reageren sterk op een inkomensverandering. Ze zijn dus elastisch.
Inferieure goederen

Inferieure goederen zijn goederen waarvan minder gevraagd wordt als het inkomen stijgt. Voorbeelden zijn aardappels en gehakt.

Schematisch

Inkomenselasticiteit schema

Ω

Deze samenvatting is gebaseerd op de LWEO lesbrief Vervoer, vierde druk 2016.

 

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren