Loonbegrippen

Nominaal loon

Het nominale loon is het loon uitgedrukt in geld, bijvoorbeeld een werknemer heeft een nominaal jaarloon van € 24.000.

Bruto contractloon / cao-loon

Het bruto contractloon / cao-loon is de tussen werkgevers en werknemers afgesproken beloning voor voltijdswerk inclusief vakantietoeslag, eindejaarsuitkering enzovoort.

Nettoloon

Het nettoloon is het brutoloon min de loonbelasting, de premies volks- en werknemersverzekeringen, de pensioenbijdrage, de bijdrage Zorgverzekeringswet. Het nettoloon is wat de werknemer uitbetaald krijgt.

Loonkosten

De loonkosten zijn het brutoloon plus de premies die de werkgever moet afdragen: WW, WIA, pensioenbijdrage. Hierdoor worden de arbeidskosten verhoogd.

Wig

De wig is het verschil tussen het nettoloon en de loonkosten.

Loonkosten per product

Totale loonkosten gedeeld door de totale productieomvang of Gemiddelde loonkosten werknemer gedeeld door de gemiddelde arbeidsproductiviteit.

Incidentele loonstijging

Niet in de cao overeengekomen loonstijging: bonus, promotie, ervaringstoeslag.

Reële loonstijging

Koopkrachtstijging van het loon: nominale loon stijgt sterker dan het CPI. Het reële loon is de koopkracht, de hoeveelheid goederen en diensten die gekocht kunnen worden van het nominaal loon. Bij de bepaling van het reëel loon wordt het nominale loon gecorrigeerd met de verandering van het algemene prijspeil. Om de koopkrachtverandering te berekenen moet gebruik gemaakt worden van het indexcijfer van het nominale loon en van het prijsindexcijfer.

In formulevorm:

RIC = NICPIC x 100

waarbij RIC = indexcijfer reëel loon (de koopkracht), NIC = indexcijfer nominaal loon, PIC = prijsindexcijfer.

Voorbeelden

  1. De prijzen stijgen in een jaar met 2% terwijl het nominale loon gelijk blijft dan daalt de koopkracht. NIC blijft 100, PIC wordt 102. Ingevuld in de formule:
    RIC = 100102 x 100 = 98,04

    Het reële inkomen is dan gedaald: 98,04 – 100 = –1,96%.

  2. Stijgen de prijzen in een jaar met 2% terwijl het nominale loon ook met 2% stijgt dan blijft de koopkracht gelijk. NIC wordt 102 en PIC wordt 102. Ingevuld in de formule:
    RIC = 102102 x 100 = 100.

    Het reële inkomen blijft gelijk.

  3. Stijgen de prijzen in een jaar met 2% terwijl het nominale loon met 4% stijgt dan stijgt de koopkracht. NIC wordt 104, PIC wordt 102. Ingevuld in de formule:
    RIC = 104102 x 100 = 101,96.

    Het reële inkomen is dan gestegen: 101,96 – 100 = +1,96%.

Prijscompensatie

De stijging van het nominale loon is gelijk aan het CPI.

Arbeidsproductiviteit

De productie per werkende per tijdseenheid.

Loonruimte

De maximale stijging van de lonen zonder dat de winstverhouding verandert. Dat is het geval als de loonkostenstijging niet uitgaat boven de stijging van de arbeidsproductiviteit en de stijging van de verkoopprijzen samen. Immers: hogere verkoopprijzen zorgen voor meer omzet en een arbeidsproductiviteitsstijging zorgt voor een hogere productie en dus ook voor meer omzet. Hiervan willen de werknemers profiteren, dus hogere looneisen.

In formulevorm:

indexcijfer loonruimte = indexcijfer arbeidsproductiviteit x indexcijfer verkoopprijzen100

De loonruimte in procenten is dan: indexcijfer loonruimte – 100.

Voorbeeld

De arbeidsproductiviteit is gestegen met 2,25% en de verkoopprijzen zijn gestegen met 1,75%.

De loonruimte is dan: 102,25 x 101,75100 = 104,039  100 = 4,04%

 

Ω