Loonmatiging en werkloosheid

Oefenopgaven domein I: Goede tijden, slechte tijden

Als in Nederland een lage economische groei leidt tot stijgende werkloosheid, pleiten veel politici voor loonmatiging. Dat leidt vaak tot discussies. Het is namelijk niet altijd duidelijk wat onder loonmatiging wordt verstaan. Bovendien wordt verschillend gedacht over de gevolgen van loonmatiging voor de werkloosheid.

Van de Nederlandse economie over een bepaald jaar zijn de gegevens in tabel 1 bekend.

NIC

Tabel 1.

Vraag 1

Onder loonmatiging kan worden verstaan een loonontwikkeling waarbij de loonkosten per eenheid product dalen. Stel dat in het betreffende jaar het ‘nominaal loon werknemers’ stijgt met 1,00%. Is er in het betreffende jaar dan sprake van loonmatiging? Verklaar het antwoord.

Vraag 1
Er is sprake van loonmatiging omdat de nominale loonstijging per werknemer 1% kleiner is dan de stijging van de arbeidsproductiviteit 1,25% waardoor de loonkosten per eenheid product dalen.
Vraag 2

Onder loonmatiging kan ook worden verstaan een loonontwikkeling waarbij de koopkracht van werknemers gelijk blijft. Met welk percentage moet het ‘nominaal loon werknemers’ in het betreffende jaar dan stijgen om van loonmatiging te kunnen spreken? Verklaar het antwoord.

Vraag 2
Om de koopkracht gelijk te houden moeten de lonen stijgen met de prijsstijging. In dit geval moeten de lonen ook met 2,50% stijgen. RIC = NIC / PIC x 100, dus RIC = 102,5 / 102,5 x 100 = 100.
Vraag 3

Stel dat in het betreffende jaar door loonmatiging de loonkosten per eenheid product dalen. Het gevolg van deze loonmatiging voor de werkloosheid kan dan op verschillende manieren worden beredeneerd.

Redeneringen

Tabel 2.

Wat moet bij de letters (a) tot en met (d) worden ingevuld om twee economisch correcte redeneringen te krijgen? Maak gebruik van de onderstaande economische verschijnselen:

  • de internationale concurrentiepositie van bedrijven verbetert
  • de consumptieve bestedingen dalen
  • de export stijgt
  • de koopkracht van werknemers daalt

Neem de letters (a) tot en met (d) over en schrijf achter elke letter welk verschijnsel daarbij hoort.

Vraag 3
  1. de internationale concurrentiepositie van bedrijven verbetert
  2. de export stijgt
  3. de koopkracht van werknemers daalt
  4. de consumptieve bestedingen dalen

 

Bron: Eindexamen economie 1 havo 2006 TV1