Marktmissers (samenvatting)

Het ingrijpen van de overheid in de marktwerking

Het liefst laten we de markt haar werk doen zodat er door vraag en aanbod een evenwichtsprijs en een evenwichtshoeveelheid bereikt wordt. Soms, echter, komt er uit dat samenspel een uitkomst die onwenselijk is. In dat geval hebben we de mogelijkheid om via de overheid de tekortkomingen van het marktmechanisme op te lossen of bij te sturen.

Aanpassen van het marktmechanisme

De marktmissers kunnen in 6 categorieën ondergebracht worden.

  1. Samenwerkende producenten
  2. Het alleenrecht
  3. Onacceptabele prijsontwikkeling
  4. Negatieve bijwerkingen
  5. Onvoldoende waardering
  6. Geen of onvoldoende productie

Samenwerkende producenten

Samenwerkende producenten krijgen teveel marktmacht. Hiervan zijn de consumenten de dupe want ze moeten teveel voor de producten betalen. De samenwerking van producenten vertaalt zich meestal in kartelvorming: deze producenten maken samen afspraken rondom de wijze waarop ze onderling concurreren. Bij een prijskartel gaat het om de prijzen die ze in rekening brengen, bij een geografisch kartel gaat het om de onderlinge verdeling van de afzetgebieden.

Ook door overnames en/of fusies kan er een marktpartij ontstaan die teveel marktmacht krijgen en die dus de mogelijkheid heeft om de prijs op te drijven.

De overheid vindt deze ontwikkeling schadelijk voor de samenleving; consumenten – en soms ook zijzelf – betalen teveel voor de producten van de samenwerkende producenten. De Mededingingswet maakt het mogelijk hiertegen op te treden en de toezicthouder van deze wet is de NMa, de Nederlandse Mededingingsautoriteit.

Taken NMa

  • Toezien op eerlijke concurrentie
  • Kartelvorming bestrijden
  • Misbruik van economische macht bestrijden
  • Fusies en overnames toetsen

(Per 1 april 2013 is de NMa opgegaan in de Autoriteit Consument en Markt, de ACM. Consumenten zullen voortaan centraal staan in het toezicht van deze opvolger van de Consumentenautoriteit, de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) en de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA)).

Het alleenrecht

Bedrijven kunnen een monopolie hebben doordat zij iets hebben uitgevonden en daarop een patent (Engelse term) of octrooi (Nederlandse term) hebben verkregen. Zij mogen dat product dan gedurende een tijd als enige aanbieden en dat is natuurlijk gunstig voor dat bedrijf: zij kunnen flinke overwinsten maken.

Bedrijven kunnen ook een monopolie hebben omdat zij van vroeger uit een staatsbedrijf waren die als enige het product mocht aanbieden. Denk aan NS, PostNL, de energiemaatschappijen. Deze marken zijn echter door de overheid geliberaliseerd: de overheid heeft de beperkingen om toe te treden tot de markt opgeheven en hierdoor concurrentie toegestaan. De achterliggende gedachte is dat door de toegenomen concurrentie er efficiënter geproduceerd moet worden en/of dat de kwaliteit omhoog moet gaan. Maar of dat ook zo is ….?

Onacceptabele prijsontwikkeling

Bij onacceptabele prijsontwikkelingen moeten we denken aan te hoge of te lage prijzen die uit vraag en aanbod ontstaan. In deze situatie kan de overheid ingrijpen in de prijzen in het belang van de maatschappij.

In het geval van een te lage prijs kan het gebeuren dat producenten afhaken en stoppen met het aanbieden van dat het product. Onwenselijke gevolgen kunnen zijn dat er werkgelegenheid verloren gaat of dat we afhankelijk worden van het buitenland. Vooral op het gebied van voedsel, energie en defensiemateriaal willen landen niet (teveel) afhankelijk zijn van het buitenland.

In het geval van een te hoge prijs kan de situatie ontstaan dat niet iedereen de mogelijkheid heeft om het product of dienst te kunnen kopen tegen een redelijke prijs. Hierdoor kunnen grote bevolkingsgroepen benadeeld worden. Een voorbeeld hiervan is de huur van studentenkamers.

Maximumprijs

De overheid stelt een prijs vast die onder de evenwichtsprijs ligt. Vraag en aanbod zijn hierdoor automatisch ook niet meer in evenwicht: er is meer vraag dan aanbod, een vraagoverschot dus.

Naast het instellen van de maximumprijs zal de overheid nog meer moeten doen:

  • Het vraagoverschot aanpakken door middel van subsidie
  • Toezicht op naleving van de maximumprijs
  • Zorgen voor de verdeling van het product of dienst
  • Het product of dienst zelf gaan aanbieden

Minimumprijs

De overheid stelt een prijs vast die boven de evenwichtsprijs ligt. Veel van de minimumprijzen zijn geregeld in Europees verband en hebben betrekking op landbouwproducten vanwege de voedselvoorziening.

Ook dit heeft een verstoring van het marktevenwicht tot gevolg: er is meer aanbod dan vraag, een aanbodoverschot dus.

Naast het instellen van een inimumprijs zal ook hier de overheid nog meer moeten doen:

  • Het aanbodoverschot opkopen tegen de minimumprijs
  • De garantie laten gelden tot een bepaald quotum
  • De prijs zo laag maken dat alle productie verkocht wordt

Opkopen van het aanbodoverschot

Als de overheid het aanbodoverschot opkoopt, komt ze met pakhuizen vol producten te zitten. Wat moet ze daar in hemelsnaam mee?

Er zijn een paar mogelijkheden (uitgaande van landbouwproducten):

  • Opslaan en later bij een lager aanbod verkopen
  • Vernietigen
  • Als voedselhulp weggeven
  • Onder kostprijs verkopen op de wereldmarkt (dumping)

Negatieve bijwerkingen

Consumeren en produceren heeft vaak negatieve bijwerkingen. Zo heeft het rijden van een auto als negatieve bijwerkingen CO2-uitstoot, geluidsoverlast, files, ongelukken enzovoort. Al deze bijwerkingen zitten normaal gesproken niet verrekend in de prijs van een auto of de prijs van benzine.  Ook het produceren kan negatieve bijwerkingen hebben waarmee in de kostprijs van het product geen rekening gehouden wordt. Denk ook hierbij aan vervuiling, geluidsoverlast, stank enzovoort.

Als de negatieve bijwerkingen niet doorberekend zijn in de prijs van het product spreken we van negatieve externe effecten: negatieve bijwerkingen waarvoor de gemeenschap/overheid/belastingbetaler moet opdraaien en niet de gebruiker/producent van het goed. Omdat de gebruiker/producent niet betaalt, grijpt de overheid in met een kostprijsverhogende belasting: de accijns. Hierdoor gaat de gebruiker/producent extra betalen en worden onwenselijke producten duurder. Vooral consumenten reageren op prijsverhogingen: ze kopen minder. Accijnzen worden toegepast op onder andere benzine, alcohol en tabak om het gebruik terug te dringen.

Onvoldoende waardering

Gelukkig is niet alle productie en consumptie omgeven met negatieve bijwerkingen. We kennen ook producten/diensten die prettige bijeenkomstigheden hebben, de zogenaamde positieve externe effecten. Dat is het geval bij veel culturele zaken, (volks)gezondheid en milieu. Bij deze zaken proberen de bedrijven die positieve effecten om te zetten in geld, dus het prduct duurder te maken. De consument kan dan afhaken, waardoor de overheid zich genoodzaakt ziet in te grijpen en het product goedkoper te maken door een subsidie.

Geen of onvoldoende productie

Sommige producten of diensten worden niet geproduceerd door bedrijven om de eenvoudige reden dat niet voorkomen kan worden dat mensen profiteren van het goed of dienst en er niet voor betalen. Die profiteurs noemen we meelifters of free riders: wel profiteren, niet betalen. Is het echter een belangrijk product of dienst voor de maatschappij dan zal het door de overheid geproduceerd moeten worden.

Deze goederen noemen we collectieve goederen. Het zijn goederen waarvan je niemand kunt uitsluiten (het is niet deelbaar) en er ook geen individuele prijs kunt vragen: dijken, wegen, straatverlichting, het rechtssysteem, defensie enzovoort.

Naast collectieve goederen, waarvoor je niemand kunt uitsluiten en geen individuele prijs kunt vragen, zijn er ook quasi-collectieve goederen. Onderwijs is er zo een. Dat kan makkelijk door bedrijven “geproduceerd” worden, er kan een prijskaartje aan gehangen worden én het is deelbaar want je kunt iedereen uitsluiten die niet betaalt. Toch produceert de overheid zelf het product onderwijs omdat ze vindt dat alle mensen toegang moeten hebben tot onderwijs.

Ω

Print Friendly, PDF & Email