Conjunctuur (samenvatting)

Groei & Conjunctuur

Samenvatting

Groei

Een economie kan steeds meer goederen en diensten produceren, of met andere woorden, de productiecapaciteit van de producenten blijft groeien. Dat is mogelijk omdat de productiefactoren natuur, arbeid (hier hoort ook het ondernemerschap bij, een speciale vorm van arbeid) en kapitaal toenemen. De productiecapaciteit stijgt als de hoeveelheid, de kwantiteit, van deze drie productiefactoren toeneemt, maar vooral door de kwaliteit ervan.

De twee belangrijkste oorzaken van een kwaliteitstoename zijn:

  • de toename van arbeid door scholing
  • de toename van kapitaal door de technologische ontwikkeling of de toegepaste technische kennis (kapitaal).

Zo zijn de meeste inwoners van Nederland steeds beter geschoold en kunnen met aangeschafte (investeringen) machines en apparaten, die technisch steeds meer kunnen, steeds meer produceren. Deze twee zijn dus de belangrijkste groeifactoren.

Productie of toegevoegde waarde bij bedrijven wordt gemeten door van de omzet de inkoopwaarde van de goederen en diensten en/of de grondstoffen af te trekken. Alle toegevoegde waardes van bedrijven in een hele economie opgeteld vormen de nationale productie (BBP). Daarin zit ook de productie bij bedrijven die geen omzet hebben en daar dus ook niet mee kan worden gerekend. De productie van deze non-profitorganisaties wordt gelijkgesteld aan de optelling van alle lonen en salarissen die deze organisaties uitbetalen. Het gepubliceerde BBP bestaat dus uit een optelling van alle toegevoegde waardes van de bedrijven plus alle lonen en salarissen van non-profitorganisaties.

Conjunctuur

De Nederlandse economie groeit over een langere periode gemiddeld net iets meer dan 2% per jaar. Dat is de trend. Gemiddeld wordt er jaarlijks ruim twee procent meer goederen en diensten geproduceerd dan het jaar ervoor. Hoeveel er daadwerkelijk wordt geproduceerd, en dus in hoeverre van de productiecapaciteit gebruik gemaakt wordt, hangt van de bestedingen af. De bestedingen zijn de totale vraag naar goederen en diensten in een economie.

In een economie zijn er 4 groepen besteders:

  1. De consumenten: Consumptieve bestedingen, symbool C
  2. De producenten: Investeringen, symbool I
  3. Het buitenland: Export – Import, symbolen E – M
  4. De overheid: Overheidsbestedingen, symbool O

Deze 4 groepen besteders geven jaarlijks niet evenveel geld uit. In de ene periode wordt er veel minder geld uitgegeven aan goederen en diensten dan in een andere periode. Dat betekent ook dat in de ene periode de economie veel minder groeit dan in een andere periode. Daarom zijn er altijd golfbewegingen in de economie.

In een hoogconjunctuur groeien de bestedingen en daarmee de productie met een hoger percentage dan het gemiddelde van 2%, de trend. In een laagconjunctuur groeien de bestedingen en daarmee de productie met een lager percentage dan de trend.

Door de tragere en dan weer snellere groei van de bestedingen, zijn er de volgende kenmerken van laagconjunctuur en hoogconjunctuur waar te nemen:

Laagconjunctuur Hoogconjunctuur
In de bedrijven en hele economie
  • Lagere bezettingsgraad = minder gebruik maken van de productiecapaciteit. De productiecapaciteit wordt meestal in % weergegeven.
  • Hogere bezettingsgraad = meer gebruik maken van de productiecapaciteit. De productiecapaciteit wordt meestal in % weergegeven.
Op de arbeidsmarkt
  • De vraag naar arbeid stijgt minder dan het aanbod van arbeid (Va < Aa).
  • De arbeidsmarkt wordt ruimer.
  • Het aantal vacatures daalt.
  • De werkloosheid neemt toe; als eerste worden tijdelijke werknemers en uitzendkrachten ontslagen.
  • Er is sprake van het ontmoedigingseffect.
  • Er is een neerwaartse druk op de lonen. De lonen stijgen – vertraagd – minder snel. De vakbonden staan bij Cao-onderhandelingen zwakker, werkgeversorganisaties sterker.
  • De vraag naar arbeid stijgt sterker dan het aanbod van arbeid (Va > Aa).
  • De arbeidsmarkt wordt krapper.
  • Het aantal vacatures stijgt.
  • De werkloosheid daalt; als eerste worden tijdelijke werknemers en uitzendkrachten aangetrokken.
  • Er is sprake van een aanzuigeffect.
  • Er is een opwaartse druk op de lonen. De lonen stijgen – vertraagd – sneller. De vakbonden staan bij Cao-onderhandelingen sterker, werkgeversorganisaties zwakker.
Op de markten en in de bedrijven
  • De vraag naar goederen en diensten daalt, waardoor de winsten van bedrijven dalen.
  • De vraag naar goederen en diensten stijgt, waardoor de winsten van bedrijven stijgen.
In de geldeconomie
  • Dalende prijzen = minder bestedingsinflatie, omdat de vraag naar goederen en diensten daalt.
  • Bij een extreme laagconjunctuur  kan er deflatie, prijsdaling, ontstaan.
  • Er is minder vraag naar geld, er wordt minder geleend. De geldhoeveelheid neemt af.
  • De rente daalt, omdat er minder vraag naar geld is.
  • Stijgende prijzen = hogere bestedingsinflatie, omdat de vraag naar goederen en diensten stijgt.
  • Er is meer vraag naar geld, er wordt meer geleend. De geldhoeveelheid neemt toe.
  • De rente stijgt omdat er meer vraag naar geld is.
Andere gemeten conjunctuurindicatoren
  • Lager consumentenvertrouwen.
  • Lager producentenvertrouwen.
  • Lagere orderportefeuilles = minder productieopdrachten bij bedrijven.

 

  • Hoger consumentenvertrouwen.
  • Hoger producentenvertrouwen.
  • Grotere orderportefeuilles = meer productieopdrachten bij bedrijven.

Schommelingen in de conjunctuur

De vraag waarom de ecomische groei dan weer sterker wordt, dan weer vertraagd, is moeilijk te beantwoorden. Beter is de vraag te beantwoorden, waarom de groei terugloopt of weer stijgt, als er eenmaal een omslag is. Als er eenmaal door bijvoorbeeld consumenten of het buitenland minder besteed wordt, dalen winsten en schroeven veel bedrijven ook hun investeringen terug. De groeivertraging wordt versterkt, ook al omdat werknemers minder zullen gaan verdienen, er ontslagen vallen, er dus minder koopkracht is en bestedingen verder teruglopen. Vanuit een economisch dal kan zo ook ineens snel de groei weer toenemen.

De bestedingen vanuit het buitenland, de export, zijn voor de groei van de Nederlandse economie erg belangrijk is. Nederland is immers een klein land met een open economie. De consumptieve bestedingen in bijvoorbeeld de VS zijn veel belangrijker voor de groei van de Amerikaanse economie. Dat is goed om te weten als er over conjunctuurbeleid wordt gedacht.

Een vervelend kenmerk van hoogconjunctuur is inflatie. Het belangrijkste negatieve kenmerk van een laagconjunctuur is de stijgende werkloosheid en bij een crisis deflatie. Vooral deze negatieve kenmerken en alle gevolgen daarvan houden mensen en dus de politiek erg bezig.

Marktwerking

Er zijn krachten in een economie die ervoor zorgen dat de problemen vanzelf minder groot worden. Bij teruglopende vraag op goederen- en dienstenmarkten zullen de prijzen dalen. Met de vraag- en prijsdaling zullen bedrijven minder verdienen en ook minder loon willen uitbetalen. Lagere lonen zorgen voor minder loonkosten per product, waardoor bedrijven hun goederen en diensten goedkoper kunnen aanbieden, die gemakkelijker (ook in het buitenland) kunnen verkopen en weer winst kunnen maken. De werkloosheid kan zo weer minder worden.

Hetzelfde verhaal gaat op bij een flinke hoogconjunctuur, maar dan andersom natuurlijk. De sterke inflatie kan zo verdwijnen.

In de geschiedenis blijken deze redeneringen op te gaan, maar onvoldoende. Bijvoorbeeld tijdens de crisis van de jaren 1930, maar ook later als de overheden in de economie hebben ingegrepen. In landen als Nederland heeft de overheid bijvoorbeeld een groot sociale zekerheidsstelsel opgezet. Wie werkloos wordt, verliest niet zijn hele inkomen, maar krijgt een uitkering. De werkloze behoudt dus een deel van zijn koopkracht, waardoor de bestedingen niet zo hard terug lopen en de crisis wordt verergerd. De sociale zekerheid zorgt dus voor conjunctuurdemping; de groeivertraging is minder erg dan die zou zijn geweest zonder een goede sociale zekerheid.

Keynes

In een laagconjunctuur lopen de bestedingen van 3 groepen besteders terug:

  1. Consumenten
  2. Producenten
  3. Buitenland

Dat zorgt voor toenemende werkloosheid met alle gevolgen van dien. In de jaren 1930, de grote crisisjaren, was de econoom Keynes van mening dat de economie niet vanzelf op zijn pootjes terecht zou komen. De economie moet een handje geholpen worden. As de drie groepen besteders onvoldoende besteden, kan de overheid redding brengen. Door een beleid te voeren van meer geld uitgeven en het mogelijk maken de andere drie besteders meer te laten besteden.

De overheid moet dus zelf meer besteden en de belastingen verlagen, waardoor consumenten en bedrijven geprikkeld worden meer te besteden. In tijden dat de drie besteders op de rem gaan staan, moet de overheid juist optreden en handelen tegen de cyclus in. Dus niet ook bezuinigen.

Bij een hoogconjunctuur wordt er door de drie besteders teveel uitgegeven waardoor inflatie ontstaat. Dan moet de overheid een afremmend beleid voeren. Ze moet haar uitgaven terugschroeven en de belastingen verhogen. Dus ook tegen de cyclus in. Dit beleid wordt daarom een anticyclisch begrotingsbeleid genoemd.

Dat anticyclische begrotingsbeleid heeft echter gevolgen voor de omvang van de staatsschuld:

  • Bij een laagconjunctuur leiden grotere overheidsuitgaven en minder overheidsinkomsten tot een groter begrotings- en financieringstekort. De overheid moet geld lenen en de staatsschuld loopt op.
  • Bij een hoogconjunctuur leiden hogere overheidsinkomsten en minder overheidsuitgaven tot een begrotings- en financieringsoverschot, waarmee de staatsschuld kan worden afgelost.

Schematisch:

Laagconjunctuur Hoogconjunctuur
Consumenten/Producenten/Buitenland
  • Lagere bestedingen
  • Hogere bestedingen
Overheid
  • ‘gas geven’ door:
  • Overheidsuitgaven (overheidsbestedingen) vergroten
  • Belastingen (inkomsten) verlagen
  • ‘remmen’ door:
  • Overheidsuitgaven (overheidsbestedingen) verminderen

Belastingen (inkomsten) verhogen

Begrotingssaldo/financieringssaldo en staatsschuld
  • Negatief begrotingssaldo en financieringssaldo
  • Overheid moet meer geld lenen
  • De staatsschuld stijgt
  • Positief begrotingssaldo en financieringssaldo
  • Overheid kan geld aflossen
  • De staatsschuld wordt minder.

Naast de overheid kunnen ook centrale banken bijdragen door op de vermogensmarkt een rentebeleid te voeren. Voor de Nederlandse economie kan de ECB in een laagconjunctuur de rente verlagen, waardoor lenen goedkoper wordt, er meer wordt geleend en uitgegeven. De bestedingen van consumenten en producenten kunnen met het goedkoper geleend geld stijgen, en de economie laten groeien. Bij een hoogconjunctuur en inflatie moet de ECB dan de rente verhogen. Geld lenen wordt dan duurder.

De realiteit

In de praktijk blijkt het moeilijk om dit beleid goed uit te voeren.

  1. De politiek. Politici geven liever geld uit en verlagen belastingen om kiezers te winnen in tijden van werkloosheid. Gaat het goed dan vinden ze het erg moeilijk om belastingen te verhogen en de uitgaven te verminderen. Het is dus zeer moeilijk om de staatsschuld via bezuinigingen terug te dringen.
  2. De democratie. Beslissingen nemen in een democratie kost tijd. En als er een beleidsbeslissing is genomen, duurt het meestal nog wel even voordat die kan worden uitgevoerd.
  3. Technische onmogelijkheden. Voor het bouwen van bijvoorbeeld een weg moeten eerst bijvoorbeeld tekeningen gemaakt worden en onderzoek gedaan. De techniek maakt een snelle aanpassing soms onmogelijk.
  4. De export. Voor de Nederlandse economie is de export erg belangrijk. De Nederlandse regering heeft amper anti-cyclischebeleidsmogelijkheden om de exportvraag te vergroten. Er moet dus gewacht worden tot de wereldhandel aantrekt.

Als gevolg van b. en c. wordt er risico gelopen dat de overheidsuitgaven pas effect hebben als de economie al weer flink op weg is naar een hoogconjunctuur, en dat zo de inflatie wordt aangejaagd. (dan werkt dit beleid procyclisch – versterkt de conjunctuur – in plaats van anticyclisch)

Ω

Print Friendly, PDF & Email