Module Europa (samenvatting)

Economische samenwerking

Er zijn vele verschillende samenwerkingsverbanden tussen landen op de wereld. Enkele voorbeelden zijn:

  • Het Internationaal Monetair Fonds (IMF)
  • De Wereldbank
  • De World Trade Organization (WTO)
  • De Europese Unie
  • De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)

Deze module gaat over de motieven om met elkaar samen te werken. Als voorbeeld wordt de samenwerking binnen de Europese Unie als model genomen voor internationale samenwerking en onderhandeling. Veel van de motieven tot en de problemen rond samenwerking die we hier tegenkomen zijn ook te herkennen bij andere internationale samenwerkingsverbanden.

Redenen voor samenwerken

Voor Nederlandse bedrijven is de export een mogelijkheid om de afzet en omzet te vergroten. Er zijn verschillende redenen waarom het buitenland Nederlandse producten aantrekkelijk vindt:

  • De Nederlandse producten zijn goedkoper dan de buitenlandse omdat de arbeidsproductiviteit bij de productie van dat product in Nederland erg hoog is.
  • De Nederlandse producten zijn beter van kwaliteit zijn omdat de kennis over die producten in Nederland groot is.
  • De Nederlandse producten zijn uniek en alleen in Nederland verkrijgbaar.
  • De Nederlandse producten zijn beter bekend door goede en intensieve marketing

Al deze argumenten zorgen voor een grotere export van Nederland naar het buitenland. Natuurlijk importeert Nederlander om dezelfde redenen uit het buitenland. De landen specialiseren zich in de productie waarin ze een voorsprong in efficiency of kosten hebben ten opzichte van andere landen.

Dit zorgt ervoor dat de productiefactoren zo efficiënt mogelijk gebruikt worden en dat is gunstig voor de prijzen van de goederen en daarmee voor de consumenten. Internationale handel is voor beide partijen interessant en kan tot meer inkomen in beide landen leiden.

Conclusie: als alle landen zich specialiseren in de productie van dat goed waar ze het beste in zijn, dus de grootste voorsprong in hebben, dan is de wereldwijde productie het meest efficiënt, en dus het goedkoopst, en kan de mensheid met de beschikbare productiefactoren zo veel en zo goedkoop mogelijk consumeren. Belangrijk is dat er zoveel mogelijk internationale handel is en zo min mogelijk regels en wetten om die internationale handel te belemmeren. Dat wordt handelsbelemmering of protectie genoemd. Een gemeenschappelijke markt waarin de deelnemers elkaar geen handelsbelemmeringen in de weg leggen is dan ook een aantrekkelijke vorm. Daarom zijn er vele organisaties van landen in de wereld die dit regelen.

Vrijhandelsassociatie

De meest simpele organisatievorm is die van de zogenaamde vrijhandelsassociatie. Voorbeelden hiervan zijn de NAFTA, de North Atlantic Free Trade Association, en de EFTA, de European Free Trade Association). Zij hebben de afspraak elkaar geen invoertarieven op producten op te leggen.

Toch bleek de vrijhandelsassociatie niet alleen voordelen maar ook wat problemen met zich mee te brengen. Kijk maar in het volgende plaatje:

Douane-unie

douane-unie

Land A en land B vormen een vrijhandelsassociatie. Land C hoort er niet bij en dat betekent dat land A en land B de producten uit land C in hun land duurder maken. Een product van land C van € 100 gaat in land A € 105 kosten en in land B € 103. De extra euro’s gaan naar de schatkist van de landen.

Een exporteur in land C zal proberen een zakenpartner in land B te vinden die het product in zijn land koopt en het dan zonder tarief doorverkoopt aan land A. Als land A dit wil voorkomen dan moeten ze bij alle producten een certificaat van herkomst eisen waarop staat in welk land dit product geproduceerd is. Veel papierwerk en fraudegevoelig. Daarom zullen vrijhandelsassociaties naar landen buiten de associatie dezelfde tarieven rekenen.

Er zijn dan twee afspraken met elkaar:

  1. Elkaar geen tarieven rekenen
  2. Anderen eenzelfde tarief rekenen

Een groep landen met deze afspraken wordt een douane-unie genoemd.

Nederland heeft ook deelgenomen aan een dergelijke douane-unie samen met Belgie en Luxemburg: de Benelux. Deze Benelux heeft aan de wieg gestaan van de Europese Unie.

Economische Unie of gemeenschappelijke markt

Door de vrijhandel tussen de lidstaten worden deze staten steeds meer afhankelijk van elkaar. Er komt dan behoefte aan meer samenwerking op economisch gebied. Een economische unie is een veel strakkere samenwerking dan een vrijhandelsassociatie of een douane-unie.

Bij een economische unie of gemeenschappelijke markt:

  • Zijn de onderlinge invoerrechten afgeschaft;
  • Is er een gemeenschappelijk buitentarief;
  • Moeten andere handelsbelemmeringen moeten verdwijnen: er mag geen beperking zijn op de hoeveelheid in te voeren handel; er mogen geen andere kwaliteitseisen gesteld worden dan die de landen zelf aan hun producten stellen;
  • Is het onderlinge geldverkeer vrijgemaakt;
  • Mag iedereen binnen het gebied werken en wonen waar men wil.

Binnen een economische unie of gemeenschappelijke markt is dus een vrij verkeer van productiefactoren.

Wil men een gemeenschappelijk beleid voeren, dan zijn daarvoor ook gemeenschappelijke ministeries en een gemeenschappelijk parlement nodig. In Europa leidde dit tot de oprichting van een EEG, de Europese Economische Gemeenschap. De EEG is in de loop der jaren met steeds meer leden uitgebreid tot de Europese Unie, de EU.

Economische en Monetaire Unie

Twaalf landen van de EU ging deze samenwerking nog niet ver genoeg en zij voerden een gemeenschappelijke munt, de euro, in. Het grote voordeel van een munt is dat bedrijven die over de grenzen heen handelen geen wisselkoersrisico meer lopen.

Koersrisico bij internationale handel en het indekken daartegen, zijn belangrijke transactiekosten die de internationale handel ernstig belemmeren. Omdat de export belangrijk is voor ons land, was Nederland een voorstander van de euro.

Samenwerken of een handelsoorlog

Samenwerking kan voordelen opleveren voor alle deelnemers. Dat is vanzelfsprekend als het ene land het ene en het andere land het andere goed beter en goedkoper kan produceren. Maar zelfs als één land beter en goedkoper is in de productie van beide goederen kan samenwerking toch voordelig zijn voor beide landen.

Met de EU als voorbeeld hebben we gezien dat er verschillende vormen van samenwerking zijn die steeds meer omvatten: van vrijhandelszone via douane-unie tot economische unie en tenslotte tot economisch/monetaire unie. Hoe verder de samenwerking zich uitstrekt des te meer moet een deelnemend land zijn zeggenschap over de eigen economie overdragen aan de Unie.

Internationaal ontstaan zo economische machtsblokken die af en toe met elkaar in conflict komen omdat men de individuele belangen hoger inschat dan de voordelen van internationale samenwerking. Deze conflicten noemen we handelsoorlogen.

Problemen bij de samenwerking

Bij internationale samenwerking doen ook problemen voor. Ook in de EU kost het soms grote moeite om het eens te worden en zijn er landen die zich totaal niet inspannen om het beleid tot een succes te maken. Dit gebeurt door de regels niet of nauwelijks te controleren, door voorstellen tegen te houden, door de regels op geheel eigen wijze te interpreteren of door free-ridersgedrag.

De EU is de laatste jaren sterk gegroeid, met name doordat veel Oost-Europese landen zijn toegetreden. Dat heeft natuurlijk grote economische en politieke voordelen en nadelen, maar het maakt de besluitvorming en de naleving van de EU-afspraken ook lastiger. Het is vooral daarom dat de EU-commissie met voorstellen voor bestuurlijke hervorming gekomen zijn die vorm gekregen hebben in een “Europese grondwet”. Nederland en Frankrijk hebben tegen deze grondwet gestemd, maar realiseren zich dat er wel wat moet gebeuren om Europa bestuurbaar te houden.

Om het gemeenschappelijk belang goed te kunnen dienen moet de Europese overheid middelen hebben om de individuele lidstaten te kunnen dwingen om het beleid ook goed uit te voeren. Straffen als dat niet gebeurt zijn daarbij soms een nuttig instrument.

Er is dus telkens sprake van een afweging van voor- en nadelen van samenwerking. Als de gemeenschappelijke belangen groot zijn en de voordelen van samenwerken opwegen tegen de nadelen is het verstandig om samen te werken. Dat betekent soms dat individuele belangen van lidstaten niet goed behartigd worden. Maar het totale effect van deelname aan de EU moet dat goedmaken. De valkuil is dat er compromissen worden bereikt die de individuele belangen niet goed dienen en ook het algemeen belang niet optimaal dienen. We hebben dan te maken met een “gevangenendilemma”.

De monetaire Unie

De twee voorbeelden van een monetaire unie zijn de Golfstaten en de EMU. Dat de landen van deze twee unie’s hun eigen valuta opgeven en een gemeenschappelijke munt invoeren, heeft alles te maken met geld. Eén munt betekent dat er geen omwisselkosten meer zijn, maar belangrijker nog is dat de koersrisico’s tot het verleden behoren.

Koersverschillen zorgen voor onzekerheid vanwege de steeds veranderende wisselkoersen. Dat heeft een remmende werking op de handel. Ondernemers zien de risico’s en schrikken daar soms toch voor terug. Als landen overschakelen op een systeem van één munt dan is deze onzekerheid uitgeschakeld en dat zal de handel tussen de aangesloten lande bevorderen. Een tweede voordeel is dat je samen sterker staat in de monetaire wereld. De Euro is behoorlijk stabiel gebleven tijden de financiële crisis omdat een groot aantal landen waken over de stabiliteit.

De Economische en Monetaire Unie (EMU)

Een groep van 12 landen binnen de 15 EU-landen wilde komen tot een monetaire unie: één overkoepelende centrale bank wilden oprichten en één munt, de euro. Die twaalf landen zijn: Duitsland, Ierland, Nederland, Griekenland, Frankrijk, Luxemburg, Oostenrijk, Finland, België, Italië, Portugal en Spanje zijn gaan betalen met de euro. Later zijn Slovenie (in 2007), Cyprus en Malta (in 2008) en Slowakije (in 2009) toegetreden.

Om mee te mogen doen, moeten de landen lid zijn van de EU en zich houden aan een aantal regels. Deze regels zijn bedoeld om ervoor te zorgen dat de euro een stabiele munt wordt en blijft. Ddeze afspraak heet het Stabiliteitspact, wat in werking trad in 1999.

Het Stabiliteitspact

Als landen besluiten samen een nieuwe munt te gaan voeren, moet geregeld worden dat:

  • De munt zijn waarde, uitgedrukt in koopkracht, zoveel mogelijk behoudt;
  • De economische ontwikkeling in de deelnemende landen zoveel mogelijk op elkaar afgestemd wordt;
  • Ongewenste kapitaalstromen tussen de landen voorkomen worden.

Om deze doelstellingen mogelijk te maken hebben de deelnemende landen van de EMU afspraken gemaakt die het Stabiliteitspact genoemd wordt.

De belangrijkste afspraken zijn:

  1. Het begrotingstekort van de overheid van een deelnemend land mag niet meer zijn dan 3% van het BBP van dat land;
  2. De staatsschuld van de overheid van een deelnemend land mag niet meer bedragen dan 60% van het BBP van dat land;
  3. De rentetarieven mogen niet te ver uiteenlopen.

De eerste twee maatregelen moeten voorkomen dat de geldhoeveelheid in een land te veel gaat toenemen door een overheid die te veel leent en uitgeeft. Hierdoor kan de vraag naar goederen de productiecapaciteit van dat land gaan overtreffen waardoor de inflatie stijgt.

De ECB en de centrale banken van de aangesloten landen letten hier op en als een land de regels overtreedt dan kunnen sancties opgelegd worden.

De Europese Centrale Bank

De aangesloten landen hebben allemaal een nationale centrale banken. De presidenten van deze nationale centrale banken zitten samen in het Eurosysteem onder voorzitterschap van de president van de ECB. De eerste president van de ECB was de Nederlander Wim Duisenberg.

De ECB bepaalt het monetaire beleid, voert dit beleid uit en controleert of de lidstaten zich aan de regels houden.

De belangrijkste opdracht van de ECB is de waarde van de Euro stabiliseren. Hierbij richt de ECB zich op de binnenwaarde van de Euro, dat wil zeggen de waarde van de Euro uitgedrukt in koopkracht. De ECB grijpt in als de inflatie boven de 2% uitkomt.

De buitenwaarde van de Euro, dat is de wisselkoers, wordt door de ECB vrijgelaten omdat 80% van de internationale handel van de lidstaten van de EMU binnen het Eurogebied plaatsvindt, zodat koersveranderingen maar een beperkt effect hebben op de internationale handel.

Om de inflatie onder de 2% te houden heeft de ECB als belangrijkste instrument de rente. Als de ECB de rente verhoogt wordt het voor handelsbanken duurder om bij hun eigen Centrale Bank te lenen. Deze banken rekenen de hogere rente door aan hun klanten. Deze klanten, de consumenten en bedrijven, zullen dan minder lenen en meer sparen waardoor ze minder kunnen besteden. Hierdoor zal de vraag naar goederen beneden de capaciteitsgrens van de bedrijven komen en zullen de prijzen minder stijgen, niet verder stijgen of zelfs gaan dalen.

Een bezwaar is wel dat bedrijven dan ook duurder moeten lenen en dat remt de investeringen af die misschien juist wel nodig zijn om de capaciteit te vergroten. Bovendien is de economische ontwikkeling niet in alle landen gelijk. Sommige landen hebben wel last van inflatie, andere hebben daar minder last van.

De ECB moet in deze situatie een afweging maken en beslissen of er iets moet gebeuren en zo ja wat er dan moet gebeuren. Als de inflatie binnen de aanvaardbare grenzen blijft kan de rente weer omlaag zodat de economie door de lagere rente en de grotere kredietverlening weer kan groeien.

Samenwerking in afbeeldingen

Naar douane-unie

In onderstaande tabel staan de diverse vormen van samenwerking. Hoe intensiever de samenwerking, hoe meer kenmerken van toepassing zijn.

samenwerkingsverbanden3

Ω

Print Friendly, PDF & Email