Module Valutamarkt (samenvatting)

Een markt voor vreemde valuta

Inleiding

Veel landen gebruiken hun eigen munt. We noemen dat de valuta van het land. Alleen met dat geld kun je in het land overal betalen. Er is dus een internationale markt voor munteenheden. Deze markt heet de valutamarkt en de prijs die op deze markt tot stand komt heet de wisselkoers.

Zoals op elke markt het geval is komt ook op de valutamarkt de prijs (de wisselkoers) tot stand onder invloed van vraag en aanbod. Als er veranderingen in de vraag of het aanbod optreden dan verandert de wisselkoers natuurlijk ook. En dat kan grote gevolgen hebben.

Vreemde valuta

Vreemde valuta kunnen op verschillende manieren gepresenteerd worden. Afhankelijk van de presentatiewijze moet er met vreemde valuta gerekend worden. Onderscheiden worden de oude en de nieuwe notering.

Oude notering

In dit overzicht gaat men uit van:

  • De vreemde valuta;
  • De positie van de bank.

Dit overzicht moet dan ook als volgt gelezen worden:

  • USD: 1$ = € 0,6386 aankoop
  • USD: 1$ = € 0,6452 verkoop
  • Als de bank dollars koopt, geeft ze daar € 0,6386 per dollar voor terug
  • Als de bank dollars verkoopt, moet de klant € 0,6452 per dollar voor betalen
  • GBP: 1£ = € 1,2470 aankoop
  • GBP: 1£ = € 1,2596 verkoop
  • Als de bank ponden koopt, geeft ze daar € 1,2471 per pond voor terug
  • Als de bank ponden verkoopt, moet de klant € 1,2596 per pond voor betalen

Valutaoverzicht

In dit schema zijn drie koersen vermeld: aankoop, midden en verkoop. De aankoopprijs is de laagste, de verkoopprijs de hoogste. Aankoop: de bank geeft aan welke prijs zij wil betalen als iemand vreemde valuta komt inleveren bij de bank; het betreft namelijk een aankoop van vreemde valuta voor de bank. Verkoop: de bank geeft aan welke prijs betaald moet worden als iemand vreemde valuta wil kopen bij de bank; het betreft namelijk voor de bank een verkoop van vreemde valuta. Het verschil tussen de aankoopprijs en de verkoopprijs van vreemde valuta is winst voor de bank.

Berekeningen vreemde valuta kopen in de oude notering

  • Kopen van de bank: Aantal VV x hoge koers = aantal euro’s te betalen
  • Verkopen aan de bank: Aantal VV x lage koers = aantal euro’s te ontvangen

Voorbeeld 1

  • Een vakantieganger heeft 1000 US Dollars nodig. Hoeveel euro moet hij daarvoor betalen?
  • USD 1000 x 0,6452 = € 645,20

Voorbeeld 2

  • Een vakantieganger heeft nog $ 1000 over van zijn vakantie. Hoeveel euro’s ontvangt hij hiervoor?
  • USD 1000 x 0,6386 = € 638,60

Nieuwe notering

In dit overzicht gaat men uit van de euro.

Dit overzicht moet als volgt gelezen worden:

  • USD: 1€ = $ 1,2983 aankoop en S 1,3143 verkoop.
  • GBP: 1€ = £ 0,8385 aankoop en £ 0,8485 verkoop.
logo-abn-amro     30 april 2013
Noteringswijze direct: EUR/VV        
           
Land Muntsoort ISO Aankoop Midden Verkoop
      U verkoopt VV   U koopt VV
Australie Dollar AUD 1,2560 1,2660 1,2760
Bahrein Dinar BHD 0,4898 0,4925 0,4952
Canada Dollar CAD 1,3130 1,3220 1,3310
Denemarken Kroon DKK 7,4155 7,4555 7,4955
Verenigd Koninkrijk Pond GBP 0,8385 0,8435 0,8485
Hongarije Forint HUF 297,6500 299,0000 300,3500
IJsland Kroon ISK 228,4600 230,5000 232,5400
Israel Shekel ILS 4,6500 4,6800 4,7100
Japan Yen JPY 126,7000 127,4000 128,1000
Kroatie Kuna HRK 7,5445 7,5825 7,6205
Marokko Dirham MAD 10,8300 11,0800 11,3300
Verenigde Staten Dollar USD 1,2983 1,3063 1,3143

Berekeningen vreemde valuta kopen in de nieuwe notering

  • Kopen van de bank: Aantal VV ÷ hoge koers = aantal euro’s te betalen
  • Verkopen aan de bank: Aantal VV ÷ lage koers = aantal euro’s te ontvangen

Voorbeeld 3

  • Een vakantieganger heeft 1000 US Dollars nodig. Hoeveel euro moet hij daarvoor betalen?
  • USD 1000 ÷ 1,2983 = € 770,24 te betalen

Voorbeeld 4

  • Een vakantieganger heeft nog $ 1000 over van zijn vakantie. Hoeveel euro’s ontvangt hij hiervoor?
  • USD 1000 ÷ 1,3143 = € 760,86

Omrekening tussen de oude en de nieuwe notering

Oud naar nieuw

USD middenkoers = 0,6098

Dat betekent dat $ 1 = € 0,6098. Om dit om te rekenen naar de nieuwe notering moet men € 1 delen door de oude koers, dus: € 1 ÷ oude koers = € 1 ÷ 0,6098 = $ 1,6399. In de nieuwe notering heeft € 1 de waarde van $ 1,6399

Nieuw naar oud

USD middenkoers = 1,3063

Dat betekent dat € 1 = $ 1,3063. Om dit om te rekenen naar de oude notering moet men € 1 delen door de nieuwe koers, dus: € 1 ÷ nieuwe koers = € 1 ÷ 1,3063 = $ 0,7655. In de oude notering heeft $ 1 de waarde van € 0,7655.

Vraag en aanbod op de valutamarkt

Als er de bank vreemde valuta verkoopt voor euro’s, worden er euro’s aangeboden en wordt er vreemde valuta gevraagd: de vraag naar vreemde valuta stijgt en het aanbod van euro’s stijgt. Door deze kleine transactie zullen de koersen niet veranderen, maar dat gebeurt wel als er grote hoeveelheden verhandeld worden.

Voor ondernemingen die handelen binnen het eurogebied is er geen valutarisico. Ondernemingen die zaken doen met ondernemingen in landen met een andere munt lopen het risico dat op het moment van afrekenen de koers zo is veranderd dat de verwachte winst helemaal is verdwenen en er zelfs verlies wordt geleden. Flinke schommelingen in wisselkoersen belemmeren daarom internationale handel. Zodra mensen en bedrijven zaken gaan doen “over de grens” komt de valutamarkt om de hoek kijken. Een land dat (bijna) geen zaken doet met het buitenland zal zich over de koers geen zorgen maken. De valutamarkt is dus altijd een internationale markt.

Voorbeeld 5

Dollar verder omlaag

dollarkoers

Een ondernemer exporteert naar de Verenigde Staten. Op 6 april 2013 heeft deze een order afgesloten voor de levering van 1000 producten tegen een prijs van € 15. De levering en de betaling hebben plaatsgevonden op 30 april 2013.

Boven de grafiek staat “dollar verder omlaag” terwijl de lijn in de grafiek sterk stijgt. Hoewel de grafiek sterk stijgt, betekent het dat de dollar in waarde is gedaald. De koers is namelijk euro/usd, wat betekent dat men bij een stijging meer dollars krijgt voor een euro. De dollarkoers is dus gedaald ten opzichte van de euro, of anders gezegd, de eurokoers is gestegen ten opzichte van de dollar.

De ondernemer is blij dat hij de prijs in in euro’s heeft vastgelegd want doordat de euro meer waard is geworden, krijgt hij meer dollars voor zijn product.

Vraag en aanbod op de valutamarkt

Als buitenlandse consumenten Nederlandse goederen en diensten willen gebruiken moeten ze betalen met euro’s. Als die buitenlandse consumenten in Euroland wonen is dat geen probleem. Zo niet dan zullen ze eerst euro’s moeten kopen om de Nederlandse bedrijven mee te betalen. Zelfs als de Nederlandse bedrijven het goedvinden dat ze met hun eigen munten (bv. dollars) betalen dan zullen die Nederlandse bedrijven deze munten om gaan ruilen voor euro’s omdat ze daarmee hun leveranciers (in Euroland) en hun personeel moeten betalen en die willen euro’s.

Kortom: export van goederen en diensten door nederlandse bedrijven naar landen buiten euroland betekent vraag naar de euro.

Naast het exporteren van goederen en diensten zijn er nog enkele transacties die de vraag naar euro’s beïnvloeden. Zo kan het gebeuren dat Nederlandse werknemers voor een buitenlands bedrijf werken, hun salaris ontvangen in bv. dollars en dat omzetten in euro’s. Er zijn Nederlandse bedrijven met vestigingen in het buitenland die de in het buitenland behaalde winst omzetten in euro’s. Er zijn mensen met spaargeld in het buitenland of buitenlandse aandelen die rente en winst opleveren die deze opbrengst van hun geld omzetten in euro’s.

Als mensen van buiten Euroland hun geld naar Nederland overmaken om het hier op een (spaar)rekening te zetten of te gebruiken voor het kopen van Nederlandse aandelen of bedrijven zelf dan betekent dat ook vraag naar de euro. Ze hebben er immers euro’s voor nodig die ze niet hebben. We noemen deze beleggingen, sparen en investeren, vanuit het buitenland kapitaalimport. Hiermee bedoelen we ook het kapitaal dat bedrijven naar Nederland sturen voor investeringen zoals voor het bouwen van een fabriek ( = investeren).

Er zijn dus vier soorten transacties die leiden tot meer vraag naar euro’s:

  1. De export van goederen vanuit Eurolanden naar niet-Eurolanden.
  2. De export van diensten vanuit Eurolanden naar niet-Eurolanden.
  3. Het binnenkomen van inkomen (loon, rente, winst) vanuit niet-Eurolanden.
  4. Het binnenkomen van kapitaal (voor de renteopbrengst of om te investeren)

De koers van de euro wordt bepaald door vraag en aanbod van de euro. We hebben al gezien welke factoren van invloed zijn op de vraag. Bij het aanbod gaat het om dezelfde factoren, maar dan in tegengestelde richting. De vraag naar euro’s wordt groter door de export vanuit Nederland naar niet-Eurolanden, het aanbod wordt groter door meer import door Nederland vanuit niet-Eurolanden.

De Betalingsbalans

Lopende rekening en kapitaalrekening

Iedere dag opnieuw vinden er vele transacties plaats tussen producenten/consumenten uit Nederland en producenten/consumenten uit het buitenland. Om een goed inzicht te hebben in de internationale handel wordt er een betalingsbalans opgesteld. Op dit overzicht wordt systematisch genoteerd wat er aan transacties plaatsvindt tussen ingezetenen (mensen die in Nederland wonen en bedrijven die in Nederland gevestigd zijn) en mensen en bedrijven in het buitenland.

Er is gekozen voor het systeem van een balans. Aan de linkerkant van de balans noteren we de binnenkomende geldstroom en aan de rechterkant de uitgaande geldstroom. Let erop dat het gaat om de geldstromen en niet om de goederen of diensten.

Inkomsten Uitgaven
Exportwaarde* van de goederen Importwaarde* van de goederen

Exportwaarde = Exportvolume x exportprijs

Importwaarde = Importvolume x importprijs

Om een goed overzicht te krijgen is de betalingsbalans ingedeeld naar soorten transacties. Per soort transactie is een deelrekening gemaakt. Namelijk:

  1. De Lopende rekening, met goederen, diensten en inkomens
  2. De Kapitaalrekening, met beleggingen en investeringen

Op de Lopende rekening gaat het om geldstromen die alleen betrekking hebben op de periode zelf.

Bij de geldstromen op de vermogensrekening ligt dat anders. Beleggingen hebben ook gevolgen voor geldstromen in de toekomst. Spaargeld levert rente op, investeringen winst.

Voorbeeld 6

Inkomsten   Lopende Rekening Uitgaven
Exportwaarde van goederen 130 mld Importwaarde van goederen 124 mld
Exportwaarde van diensten 25 mld Importwaarde van diensten 17 mld
Van het buitenland ontvangen inkomens 14 mld Aan het buitenland betaalde inkomens 16 mld
  169 mld   157 mld

Bij de aan het buitenland betaalde inkomens moet men bijvoorbeeld denken aan lonen die door een Nederlands bedrijf aan een werknemer worden betaald die ingezetene is van een ander land. Bijvoorbeeld Corus, die enkele Tsjechische metaalarbeiders in dienst heeft gehad en het loon van die arbeiders naar Tsjechië stuurt. Maar ook kan je denken aan een Zwitserse belegger die enkele aandelen Ahold heeft en nu zijn dividend overgemaakt krijgt. Voor van het buitenland ontvangen inkomens geldt hetzelfde.

Als de ING bank geld uitgeleend heeft aan een Amerikaans bedrijf zal het rente ontvangen vanuit de VS. Deze rente is een inkomen vanuit het buitenland.

Je ziet dat het totaal van de inkomsten vanuit het buitenland 169 miljard is en dat van de uitgaven aan het buitenland 157 miljard. Het verschil tussen de inkomsten en de uitgaven noemt men het saldo. Het saldo op de lopende rekening is in dit land gelijk aan 12. Dat betekent dat er € 12 miljard meer het land in komt dan er uit gaat op basis van de lopende rekening.

Een andere manier om de lopende rekening weer te geven is deze op te delen in drie deelrekeningen:

  1. De goederenrekening
  2. De dienstenrekening
  3. De inkomensrekening

Van deze deelrekeningen kunnen we ook weer het saldo uitrekenen, en als we die saldi bij elkaar optellen hebben we het saldo van de lopende rekening.

De lopende rekening ziet er dan als volgt uit:

Inkomsten   Uitgaven Saldo
130 mld Goederenrekening 124 mld + 6 mld
25 mld Dienstenrekening 17 mld + 8 mld
14 mld Inkomensrekening 16 mld – 2 mld
 169 mld Lopende rekening  157 mld + 12 mld

Maar behalve de lopende rekening is er dus nog de kapitaalrekening op de betalingsbalans te vinden. Hierop worden de bedragen genoteerd die het land inkomen of uitgaan om er rendement op te maken. De bezitters van dit geld denken dat ze meer opbrengst van hun geld krijgen als ze het de grens over sturen.

Voorbeeld 7

Philips besluit een nieuwe fabriek in China te bouwen ter waarde van € 55 miljard. Het kapitaal voor deze investering staat op de kapitaalrekening aan de uitgavenkant als kapitaalexport.

Een Amerikaanse belegger wil Nederlandse aandelen kopen op de beurs in Amsterdam ter waarde van € 52 miljard. Het bedrag staat op de kapitaalrekening aan de inkomstenkant als kapitaalimport.

De rekening ziet er als volgt uit:

Inkomsten   Kapitaalrekening Uitgaven
Kapitaalimport 52 mld Kapitaalexport 55 mld

Tekort op de kapitaalrekening = 3 miljard euro

Kijken we nu naar de volledige betalingsbalans dan zien we dat er een overschot is van € 12 miljard op de lopende rekening van de betalingsbalans en een tekort van € 3 miljard op de kapitaalrekening.

Op de gehele balans is er dus een overschot van € 9 miljard. Dat betekent dus dat er in de periode in totaal € 9 miljard euro meer ons land ingestroomd is dan er uitgestroomd is.

Dit saldo noemt men het materieel saldo van de betalingsbalans.

In het schema ziet het er als volgt uit:

Inkomsten   Uitgaven Saldo
130 mld Goederenrekening 124 mld + 6 mld
25 mld Dienstenrekening 17 mld + 8 mld
14 mld Inkomensrekening 16 mld – 2 mld
 169 mld Lopende rekening  157 mld + 12 mld
52 mld Kapitaalrekening 55 mld – 3 mld
221 mld Balanstotaal 212 mld + 9 mld

Voorbeeld 8

Van een land bedraagt het saldo van de dienstenrekening +2 miljard, de importwaarde van goederen bedraagt 90 miljard, de van het buitenland ontvangen inkomens bedragen 37 miljard en de aan het buitenland betaalde inkomens bedragen 44 miljard. De importwaarde van diensten bedraagt 79 miljard. De kapitaalimport bedraagt 113 miljard en het saldo van de kapitaalrekening bedraagt -9 miljard. Het materieel saldo van de betalingsbalans bedraagt -6 miljard.

Inkomsten   Uitgaven Saldo
  Goederenrekening    
  Dienstenrekening    
37 mld Inkomensrekening 44 mld  
  Lopende rekening    
113 mld Kapitaalrekening   – 9 mld
  Balanstotaal   -6 mld

Bereken de exportwaarde van de aan het buitenland geleverde goederen.

Uitwerking

Met de gegevens wordt onderstaande betalingsbalans ingevuld. De vooringevulde gegevens zijn dungedrukt, de overige bekende gegevens staan dikgedrukt en de berekende gegevens staan in blauw.

Inkomsten   Uitgaven Saldo
98 mld Goederenrekening 90 mld + 8 mld
 81 mld Dienstenrekening 79 mld + 2 mld
37 mld Inkomensrekening 44 mld – 7 mld
216 mld Lopende rekening 213 mld + 3 mld
113 mld Kapitaalrekening 122 mld – 9 mld
329 mld Balanstotaal 335 mld -6 mld

Uitleg bij de uitwerking

Eerst alle bekende gegevens invullen:

  • Het saldo van + 2 mld op de dienstenrekening
  • De importwaarde van 90 mld (import = uitgaven) op de goederenrekening
  • De importwaarde van 79 mld (import = uitgaven) op de dienstenrekening.

Daarna is het schema een kwestie van logisch redeneren en invullen:

  • Het saldo op de inkomensrekening: 37 mld – 44 mld = – 7 mld.
  • De uitgaven op de kapitaalrekening: 113 mld – XXX = – 9 mld, dus de uitgaven zijn 122 mld.
  • Het saldo op de lopende rekening: XXX – 9 mld = – 6 mld, dus het saldo is + 3 mld.
  • Het saldo op de lopende rekening is + 3 mld, dus het saldo op de goederenrekening is: XXX + 2 mld – 7 mld = + 3 mld; Het saldo is dus + 8 mld, want + 8 mld + 2 mld – 7 mld = + 3 mld.
  • De inkomsten op de dienstenrekening: XXX – 79 mld = + 2 mld, dus de inkomsten zijn  81 mld – 79 mld = + 2 mld.
  • De inkomsten op de goederenrekening: XXX – 90 mld = + 8 mld; de inkomsten zijn dus 98 mld, want 98 mld – 90 mld = + 8 mld.

De goud- en deviezenrekening

Het geld dat extra binnengekomen is, komt terecht bij De Nederlandse Bank DNB. Een Amerikaans bedrijf dat Nederlandse producten wil hebben moet betalen in euro’s. Deze euro’s komen bij de Nederlandse banken vandaan en zijn gekocht in ruil voor US dollars. Deze Nederlandse banken zullen een groot deel van de dollars aanbieden bij De Nederlandse Bank, de bank alleen voor banken, die de buitenlandse valuta opslaat in de voorraad. Nederlandse banken kunnen namelijk alleen zaken doen in Nederland met euro’s en niet met US dollars. Zo ontstaat er bij DNB een voorraad vreemde valuta, die deviezen genoemd worden.

Wil een Nederlandse importeur Amerikaanse auto’s kopen in de VS dan gaat hij naar zijn bank om dollars te kopen. Deze bank koopt haar US dollars bij DNB dollars kopen en die leveren aan de auto-importeur.

De voorraad deviezen neemt toe als er meer geld ons land binnenkomt dan er uit gaat en de voorraad deviezen daalt als er meer geld ons land uit gaat dan er binnenkomt.

Deze verandering, altijd ter grootte van het materieel overschot of tekort, wordt op de laatste deelrekening van de betalingsbalans weergegeven: de goud- en deviezenrekening, ook goud- en deviezenvoorraad of salderingsrekening genoemd.

Het is geen rekening als de andere rekeningen omdat er altijd alleen maar een saldo links (= een materieel tekort en afname van de deviezenvoorraad) of een saldo rechts (= een materieel overschot en toename van de deviezenvoorraad) op staat.

In het schema ziet het er als volgt uit:

Inkomsten   Uitgaven Saldo
130 mld Goederenrekening 124 mld + 6 mld
25 mld Dienstenrekening 17 mld + 8 mld
14 mld Inkomensrekening 16 mld – 2 mld
 169 mld Lopende rekening  157 mld + 12 mld
52 mld Kapitaalrekening 55 mld – 3 mld
221 mld Balanstotaal 212 mld  
  Materieel saldo   + 9 mld
  Salderingsrekening 9 mld – 9 mld
221 mld Totaal 221 mld  
  Formeel saldo   0

Opvallende zaken:

  • De deviezenvoorraad is toegenomen met 9 miljard en dit is op de salderingsrekening geboekt aan de uitgavenkant.
  • Het saldo op van de salderingsrekening bedraagt nu -9 miljard. Als men het materieel saldo en het saldo van de salderingsrekening bij elkaar op telt komt men op nul uit.
  • De balans loopt nu ‘glad’.
  • Het formeel saldo is nul. Dit is per definitie het geval omdat de goud- en deviezenrekening het materieel saldo moet opheffen.

Voorbeeld 9

Handelstekort VS in april op USD 60,9 miljard

Amsterdam (BETTEN FINANCIAL NEWS) – In de Verenigde Staten is het internationale handelstekort voor goederen en diensten in april 2008 uitgekomen op USD 60,9 miljard. Dat is hoger dan waar economen op hadden gerekend, zij gingen uit van USD 60,0 miljard. Het cijfer over maart is herzien door het Amerikaanse Commerce Department, van een eerder gemeld tekort van USD 58,2 miljard naar USD 56,5 miljard. Bron: De Pers 10 juni 2008

In dit artikel is sprake van een handelstekort van de Verenigde Staten. Dat betekent dat de export van goederen en diensten kleiner is dan de import van goederen en diensten.

De betalingsbalans en koersveranderingen

Vraag en aanbod van een valuta zijn het gevolg van financiële transacties. En de omvang van alle internationale transacties staan netjes soort bij soort op de betalingsbalans. Op deze manier is er dus een verband te zien tussen wat er op de betalingsbalans staat en de verandering van de wisselkoers.

Er zijn bijvoorbeeld internationale geldstromen als gevolg van de export van goederen door een land. Die zorgen voor de vraag naar de munt van het land. De omvang van de vraag naar de munt staat hiervan aan de linkerkant op de goederenrekening van de betalingsbalans van dat land (in de eigen munt) aan de andere kant van deze handelsbalans staat het bedrag (in de eigen munt genoteerd) waarvoor goederen zijn geïmporteerd en dat het totale aanbod van de munt weergeeft. En dit verhaal geldt voor zowel de lopende rekening als de kapitaalrekening.

We kunnen dus kortweg stellen dat de linkerkant van de Betalingsbalans zorgt voor vraag naar de munt van dat land en de rechterkant van de Betalingsbalans zorgt voor aanbod van de munt van dat land. Als de inkomende geldstroom groter is dan uitgaande geldstroom, dan is de vraag naar de munt groter dan het aanbod van de munt en zal de koers daardoor zijn gestegen.

betalingsbalans VA

 

De betalingsbalans is dus een soort boekhouding die over een periode weergeeft hoe de valutastromen zijn. Hiermee is de wisselkoersontwikkeling inzichtelijk te maken.

Om inzicht te krijgen in wisselkoersbewegingen op de korte termijn, is de  kapitaalrekening van belang, op de lange termijn kijken is de lopende rekening van belang; dat wordt de goederenbenadering genoemd.

Wisselkoersbewegingen: oorzaken en gevolg

De lange termijn

Op de lopende rekening kunnen we zien wat er gebeurt met de handel in goederen en diensten (en inkomens).

Consumenten en producenten kopen in het buitenland omdat de voordelen opwegen tegen de nadelen

Nadelen: andere taal, andere munten, leverinsgarantie enzovoort

Voordelen:

  • Het buitenland produceert de goederen/diensten goedkoper
  • De buitenlandse kwaliteit is beter
  • Nederland kan het zelf niet produceren (ijzererts, wintersport)

Voorbeeld 10

De Quatro is een product verhandeld wordt tussen de VS en Europa. In dit voorbeeld worden transportkosten buiten beschouwing gelaten. In de VS kost de Quatro $ 100 en in Europa € 90. De wisselkoers stellen we op 1 $ = € 0,90. Bij deze koers heeft het geen zin heeft voor een Europese importeur om het in de VS te kopen.

Als de koers 1 $ = € 1 was geweest, dan had een handelaar uit de VS het product in Europa gekocht, want dan kon hij het kopen voor € 90 en dus voor $ 90; en had hij het met winst ($ 10) in de VS kunnen verkopen. Omdat meer handelaren het doen, zou er dus meer vraag naar euro’s zijn, en zou dus de koers van de euro toenemen (en dus van de dollar afnemen).

Bereken hoeveel een Europese importeur zou verdienen aan één Quatro als de koers $1 = € 0,83 zou zijn.

Uitwerking

De Quatro kost nog steeds $ 100 in de VS en € 90 in Europa, maar een Europese importeur hoeft maar $ 100 x 0,83 = € 83 te betalen. Winst bij verkoop tegen € 90 = € 7 per stuk.

De prijs van het product en de wisselkoers samen bepalen of er internationaal gehandeld wordt of niet. Stel nu eens dat de prijzen in Nederland harder stijgen dan in de VS, we zeggen ook wel de inflatie in Nederland is groter dan die in de VS. De Nederlandse producten worden duurder en de Amerikanen zullen dus minder bij ons kopen. De Nederlandse export daalt en je kunt verwachten dat de koers van de euro ook (iets) gaat dalen. Door die gedaalde koers van de euro worden de producten uit Nederland weer iets goedkoper voor de Amerikanen die weer iets meer naar onze producten gaan vragen.

Voorbeeld 11

De inflatie in de VS is heel hoog: 50% en in Europa is deze 0%. De Quatro kent dezelfde prijsstijgingen. De gevolgen voor de handel, de wisselkoers en de productie zijn als volgt:

  • De Amerikaanse producten worden heel duur, de Europese blijven gelijk in prijs. De export vanuit de USA neemt af, de export vanuit Europa neemt toe.
  • De vraag naar de dollar daalt, de vraag naar de euro stijgt. De koers van de dollar daalt ten opzichte van de euro.
  • Er worden minder Quatro’s in de VS geproduceerd en meer in Europa.

In die landen of economische blokken waar de ondernemingen hun productieprocessen verbeteren om nog efficiënter te kunnen produceren zal de inflatie laag zijn. Deze ondernemingen kunnen internationaal hun producten beter kwijt, dat betekent meer vraag naar hun producten en dus ook naar hun munt, waardoor de koers van die munt stijgt.

In landen waar de lonen flink stijgen, harder dan de arbeidsproductiviteit, worden de producten duurder. Daar gaat de inflatie dan harder dan in andere landen. We zeggen dan dat de concurrentiepositie van de bedrijven in die landen verslechtert en dat leidt tot minder export, minder vraag naar de munt van die landen en een dalende koers voor die landen.

Een koersdaling ervoor zorgt dat de producten van die landen, die te duur waren in het buitenland, door de koersdaling weer wat goedkoper worden, zodat de export weer wat toeneemt.

schema wisselkoers-concurrentieverhouding

Een koersstijging is dus niet per definitie goed voor de economie van een land en een koersdaling slecht. Uit de praktijk blijkt wel dat het voor de economie van een land goed is als de koers stabiel is en niet steeds hevig schommelt. Koersschommelingen zorgen voor onzekerheid en maken bedrijven bang om contracten te sluiten omdat ze niet weten wat de koers zal gaan doen.

Het is ook niet goed voor de economie van een land als de koers voortdurend daalt. Buitenlandse consumenten en producenten verliezen dan het vertrouwen in die munt en willen die munt niet meer. Dat betekent dat het aanbod van die munt toeneemt en de vraag daalt zodat de koers nog verder daalt. De munt kan dan internationaal onbruikbaar worden en dan kan het land vrijwel geen handel meer drijven met het buitenland.

De ontwikkelingen rond de inflatie, de export en import en de wisselkoers hebben vooral betrekking op de langere termijn. Het kost even tijd voor er een nieuw evenwicht ontstaat.

De korte termijn

Op de korte termijn spelen andere factoren een rol die van invloed zijn op de koers van een munt. Er zijn namelijk ook mensen en bedrijven die voortdurend bezig zijn hun geld zo goed mogelijk te beleggen. Ze zijn steeds op zoek naar het hoogste rendement, dat wil zeggen zoveel mogelijk rente of winst. Daarbij kijken ze ook over de grenzen heen.

Als de rente in de VS 6% is en in Nederland maar 4%, is het interessant om spaargeld om te zetten in dollars en op een Amerikaanse bank te zetten. Als dit omzetten op grote schaal gebeurd, betekent dit vraag naar dollars en de koers van de dollar stijgt. Ook het kopen van Amerikaanse aandelen door Europeanen leidt op deze manier tot meer vraag naar de dollar en een hogere koers. Grote pensioenfondsen of levensverzekeringsmaatschappijen hebben vanwege de grote bedragen waar zij mee werken  invloed op de koers.

Renteverschillen tussen landen hebben dus invloed op de geldstromen tussen landen. Het land met de hoogste rente trekt beleggers aan en ziet de vraag naar zijn munt toenemen en daarmee de koers stijgen. Al deze transacties komen op de kapitaalrekening van de betalingsbalans terecht.

De laatste tientallen jaren is het effect van deze kapitaaltransacties op de koers erg groot geworden. De koers van een munt is dan meer het resultaat van kapitaalstromen die over de gehele wereld gaan dan van de goederenstromen. Deze kapitaalstromen reageren snel op veranderende situaties waardoor de koersen op de korte termijn flink kunnen schommelen.

Speculanten, mensen die proberen geld te verdienen door te gokken op toekomstige gebeurtenissen, weten hoe dit werkt. Als zij dus vermoeden dat de rente in Amerika wel eens zou kunnen gaan stijgen dan kopen zij vast dollars omdat die meer waard worden als de rente echt stijgt. Zo zal de stijging van de koers al plaatsvinden voordat de rente echt stijgt. Als die rente dan eenmaal stijgt dan zal de stijging van de koers niet meer zo groot zijn omdat de speculanten dan hun meer waard geworden dollars weer verkopen.

Samengevat kan gezegd worden dat de inflatie en de rente twee hele belangrijke factoren zijn die invloed hebben op internationale financiële transacties en daarmee de koers van een valuta. De inflatie heeft vooral invloed op de goederen en diensten en dus op de lopende rekening van de betalingsbalans en de rente vooral op de kapitaalstromen die op zoek zijn naar hoog rendement en op de kapitaalbalans genoteerd staan, dus: de kapitaalstromen hebben vooral invloed op de korte termijn en de goederen- en dienstentransacties vooral op de wat langere termijn.

Interventie

Een overheid kan in de markt ingrijpen als de uitkomst van de markt strijdig is met het “algemeen belang”. Ook op de valutamarkt komt overheidsingrijpen voor.

Als de politieke meerderheid in een land vindt dat de koers van zijn munt te laag is voor de eigen economie kan men besluiten hier iets aan te doen. De centrale bank van dat land kan met de voorraad buitenlandse valuta die ze beheert in het internationale communicatienetwerk gaan meespelen en met de voorraad buitenlandse valuta de eigen munt gaan opkopen. Zo komt er meer vraag naar de eigen munt en stijgt de koers.

Er is nog een tweede manier waarop de centrale bank kan proberen de vraag naar de eigen munt te vergroten. De centrale bank kan de rente verhogen die de gewone banken moeten betalen voor een lening bij de centrale bank. Deze gewone banken rekenen hun klanten ook weer een hogere rente en geven ook een hogere rente voor spaargeld. Deze hogere rente lokt buitenlandse beleggers naar dit land, die eerst hun eigen munt omwisselen voor de munt van dit land. Zo ontstaat er meer vraag naar de munt van dit land en stijgt de koers.

Waarom maken landen zich druk om de koers van hun munt?

De koers heeft grote invloed op de exportmogelijkheden van een land. Een hoge koers belemmert de export. Daar staat wel weer tegenover dat de import van grondstoffen goedkoper wordt. De stabiliteit van de koers van de munt is ook van belang voor de buitenlandse beleggers die van plan zijn hun geld in dat land te beleggen. Ze durven dit niet aan als de koers van het land dalend is, want dan krijgen ze na een periode sparen minder van hun eigen valuta terug voor hun spaargeld plus rente.

Een munt met een sterk schommelende koers is dus voor spaarders en investeerders niet erg aantrekkelijk en kan er voor zorgen dat de kapitaalstroom naar het land opdroogt. Zo kan een land in de problemen komen. Vooral om deze reden bemoeien overheden zich met de valutamarkt.

De koers van de dollar

Verstoringen van de markt

Al vele jaren is de dollar de belangrijkste munteenheid ter wereld, de zogenaamde sleutelvaluta. Heel veel transacties, ook tussen partijen die beide niet in de VS gevestigd zijn, worden afgehandeld in dollars. Dit is zo ontstaan omdat de Amerikaanse economie de grootste en belangrijkste ter wereld was. Veel mensen hadden dan ook een groot vertrouwen in de dollar.

Deze bijzondere situatie zorgt ervoor dat de koers van de dollar zich anders gedraagt dan je op basis van de Amerikaanse betalingsbalans zou verwachten. De VS zelf hebben grote tekorten op de betalingsbalans. Zij importeren veel meer goederen dan ze exporteren. Dit zou bij de meeste landen leiden tot een daling van de wisselkoers, een daling van de import en een toename van de export zodat het tekort zou verdwijnen. Er is echter een voortdurende wereldwijde behoefte aan dollars. Deze worden gebruikt voor betaling van de aankoop van grondstoffen en olie. Door deze voortdurende vraag naar dollars zakt de koers van de dollar niet zoals je zou verwachten.

Vertrouwenscrisis

De situatie kan voor een land helemaal uit de hand lopen als het internationale vertrouwen in de munt van dat land verdwenen is. Dat betekent dat buitenlandse handelspartners en buitenlandse beleggers die munt niet meer willen hebben. De vraag daalt dan zeer sterk en de koers dus ook. Zo’n land kan dan niet meer importeren, komt zonder grondstoffen te zitten en de productie stagneert. Zo leidde een valutacrisis in Zuidoost Azië in 1997 in Zuid-Korea tot een bijzondere actie. De centrale bank van Zuid-Korea riep de inwoners op om goud in te leveren zodat daarmee weer geïmporteerd en geproduceerd kan worden. Als de economie zich dan weer zou hebben hersteld kregen de inwoners hun geld/goud weer terug.

Ω

Print Friendly, PDF & Email