onderverzekering

Module Verzekeringsmarkt (samenvatting)

De verzekeringsmarkt

De marktpartijen en risicoaversie

Een mens loopt enorm veel risico. Dat weten we allemaal. Voordat je het weet ben je flink wat zuurverdiend geld kwijt. Je rijdt je scooter in elkaar, een paaltje omver of met wat op veel te hard… Die scooter kan ook nog eens gestolen worden.

De een meer dan de ander, maar de mens houdt doorgaans niet van risico lopen. Met een moeilijk woord en concept bij het vak economie: de mens is risico avers. Mensen mijden liever (grote) financiële risico’s. Er is sprake van risicoaversie.

Naast risicoaversie spelen ook de kosten van een verzekering een rol. Deze kosten hangen weer af van de kans dat een bepaalde gebeurtenis kan plaatsvinden en van de schade die kan ontstaan. De kans dat een huis geheel in de as wordt gelegd is niet groot, maar de schade die ontstaat is enorm. De kans dat iemand brokken maakt met zijn scooter is aanzienlijk groter. De schade die daarbij ontstaat, zal gemiddeld lager zijn dan bij een afgebrand huis, maar genoeg om een flinke deuk in iemands budget te slaan.

Door middel van een verzekering worden de kosten van een ontstane schade met andere verzekerden gedeeld. De premies die de verzekerden aan de verzekeraar betalen worden in een pot gestopt en daaruit wordt de uitkering betaald aan de ongelukkige die schade heeft geleden.

Mensen hebben dus meestal een sterke behoefte om risico’s te verzekeren. Risicolopers die dat risico willen afdekken zijn dus de vragers op de verzekeringsmarkt. Er zijn bedrijven die er wel geld in zien om voor deze mensen hun risico’s af te dekken door verzekeringen te verzorgen. Dat zijn de aanbieders van verzekeringen. De vragers moeten de aanbieders voor de verzekering natuurlijk een prijs betalen, de premie. En zo is de verzekeringsmarkt een markt als elke andere, met alleen een speciaal product, de verzekering tegen risico’s. En een speciale prijs, de premie.

Het verzekeringsprincipe

De volgende rekenvoorbeelden laten zien hoe een verzekering werkt.

Voorbeeld 1

In Nederland zijn 400.000 scooterbezitters, die jaarlijks elk twee risico’s lopen:

  1. De scooter met gemiddelde waarde van € 2000, = wordt gestolen;
  2. Door eigen schuld wordt aan een ander een gemiddelde schade van € 6000 aangedaan.

Bereken hoeveel premie een verzekeringsmaatschappij minimaal moet vragen, als 80% van alle scooterbezitters zich tegen beide risico’s willen verzekeren. Er worden jaarlijks 8000 scooters gestolen en 500 derden lopen schade op.

Berekening

8000 gestolen scooters = 8000 x € 2000 = € 16.000.000 schade

500 ongelukken = 500 x € 6000 = € 3.000.000 schade

Totale schade = € 19.000.000

Van de 400.000 scooterbezitters is 80% tegen beide risico’s verzekerd. 0,8 x 400.000 = 320.000 scooterbezitters. Die moeten samen de premie betalen om € 19.000.000 te kunnen verzekeren.

€ 19.000.000 ÷ 320.000 = € 59,38 premie per scooterbezitter.

Stel dat de verzekeraar een premie vraagt van € 60, dan is een scooterbezitter voor dit in verhouding kleine bedrag van € 60 voor een groot financieel risico van gemiddeld € 8.000 verzekerd. Als alle scooterbezitters dus die kleine premie betalen, krijgt degene wiens scooter gestolen wordt of een ongeluk krijgt de vergoeding. In feite is er sprake van een vorm van solidariteit. Iedereen betaalt voor degene die schade oploopt.

Voorbeeld 2

In een dorp staan 5000 woonhuizen. De gemiddelde waarde van een huis is € 215.000. Per jaar worden twee huizen door brand verwoest en moeten opnieuw opgebouwd worden tegen de desbetreffende € 215.000 per huis. In het dorp is een verzekeringsmaatschappij actief die elk jaar de verzekeringspremies int en daarmee de nieuwbouwkosten betaalt van de twee huizen die gemiddeld per jaar afbranden.

Bereken de premie die elke huizenbezitter in het dorp minstens moet betalen aan de verzekeringsmaatschappij.

Berekening

Totale schade per jaar is 2 huizen van € 215.000 = € 430.000 per jaar.

Per huis is de minimale premie € 430.000 ÷ 5000 = € 86.

De voorwaarden voor een verzekering

Bij de verzekeringsmaatschappijen is zowat alles te verzekeren. De consumenten zijn de vragers, de verzekeraars de aanbieders en de premie is de prijs voor de verzekering. Als een consument een verzekering afsluit, krijgt deze de polis van de verzekering. Een polis is het verzekeringscontract tussen de klant die zijn risico wil verzekeren en de verzekeringsmaatschappij, het bedrijf dat verzekeringen aanbiedt. Daarin staat onder welke voorwaarden wat tegen hoeveel verzekerd is met het betalen van de premie.

Verzekeraars kijken echter wel naar de risico’s die ze lopen bij het afsluiten van een verzekering. Huizen verschillen in waarde, omdat ze bijvoorbeeld op een gunstige plek staan, in een stad of een dorp, of als ze groter zijn dan andere huizen. De verzekeringsmaatschappij kan op basis van de waarde verschillende premies vragen. Het materiaal waarvan de huizen gemaakt zijn kan natuurlijk ook verschillen. Verzekeraars kijken hier naar. Het ene huis brandt tot aan de grond af omdat het van hout is. Het andere huis heeft beperkte schade omdat het van baksteen is en omdat er een sprinklerinstallatie in het huis aanwezig is. Huizen waarbij de kans groot is dat ze helemaal afbranden als de strijkbout te lang op het wasgoed staat, noemen verzekeraars slechte risico’s.

Een verzekering moet aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • Er moet een kans zijn op schade.
  • De schade moet in geld zijn uit te drukken.
  • De financiële schade moet een redelijk hoog bedrag zijn.

Tot nu toe hebben we het steeds over verzekeringen gehad die personen geheel vrijwillig konden afsluiten. Iemand die sterk risicoavers is zal sneller een verzekering afsluiten dan iemand die bereid is enig risico te lopen. De kans dat een bepaalde vervelende gebeurtenis plaatsvindt, maakt dat iemand een verzekering wil afsluiten maar bepaalt ook de hoogte van de premie die hij moet betalen.

In de regel zouden we kunnen zeggen dat we ons gaan verzekeren als de kans dat iets gebeurt erg klein is, maar de schade die het met zich mee brengt enorm hoog is.

Er is een markt voor particuliere verzekeringen. Er zijn vragers naar verzekeringen en aanbieders van verzekeringen. Als er veel aanbod is van een bepaalde verzekering mag je dus verwachten dat de prijs van die verzekering daalt. Als er veel vraag is naar en bepaalde verzekering mag je dus verwachten dat de prijs daarvan zal gaan stijgen. Een bekend middel van aanbieders om de vraag te proberen te vergroten is het maken van reclame. Een manier om reclame te maken in de verzekeringssector is gebruik te maken van het gegeven dat mensen risicoavers zijn. In gewoon Nederlands: mensen bang maken.

Teveel of te weinig verzekerd

Veel consumenten hebben zich te goed verzekerd. Dat levert ze echter niets op; deze mensen betalen alleen teveel premie.

Maar het kan ook zijn dat ze zich voor een te laag bedrag hebben verzekerd. Men spreekt dan van onderverzekering en dat uit zich als er schade ontstaat: de verzekeraar vergoedt niet de gehele schade, maar keert uit in verhouding tot het verzekerde bedrag volgens de formule:

onderverzekering

Het is dus belangrijk om steeds voor het juiste bedrag verzekerd te zijn.

Voorbeeld

Een verzekerde heeft ooit een caravan verzekerd voor € 12.000. De huidige waarde is € 15.000. Tijdens een storm waait het dak van de caravan. De schade hiervan is € 3.000.

De verzekeraar keert uit:

€ 12.000 ÷ € 15.000 x € 3.000 = € 2.400.

Samenvatting

Tegen veel risico’s van financieel verlies kunnen mensen (en trouwens ook bedrijven) zich verzekeren. Veel mensen die hetzelfde risico lopen betalen dan een veel kleiner bedrag dan het financiële risico, een premie, aan een verzekeringsmaatschappij, die de daadwerkelijke schade bij een kleine groep verzekeraars uitbetaalt. Het lijkt wel een systeem van solidariteit; iedereen betaalt een klein bedragje voor de schade die enkele van hen oplopen.

Naast al die gewone markten die we al kennen, is er dus ook een verzekeringsmarkt, waar aanbieders tegen een premie de vragers een verzekering bieden tegen grote financiële risico’s die vragers lopen.

Elke verzekering moet aan voorwaarden voldoen. Allereerst moet het gaan op een kans op schade. De schade moet niet vaststaan, de kans moet / mag ook niet een handje geholpen worden. De premie moet daarom ook altijd betaald worden voordat er schade is opgelopen, en de kans een handje helpen is fraude. Ten tweede moet de schade in geld kunnen worden uitgedrukt. Ten derde moet het om een flinke financiële schade gaan.

Verzekeren en calculerend gedrag

Asymmetrische informatie

De verkoper van een tweedehands auto weet heel goed wat eraan mankeert, hoe ermee is omgegaan, etc. Dat weet de koper niet. De verkoper weet waarschijnlijk minder van de huidige marktprijs voor dergelijke auto’s, de marktvraag in de wereld, etc. Hier is sprake van ongelijkheid in informatie, oftewel asymmetrische informatie. Kopers en verkopers hebben niet dezelfde informatie.

Asymmetrische informatie komt bij bijna alle economische transacties (koop/verkoop) voor. En, afhankelijk van het product, worden er tal van manieren gevonden om dit op te lossen. Soms verplicht (bij wet) hier de overheid om marktpartijen, meestal de kopers, te beschermen.

Asymmetrische informatie komt dus overal voor, maar dit onderwerp wordt traditioneel bij verzekeringen behandeld. Dat komt omdat bij verzekeringen het een grote rol speelt. Op de verzekeringsmarkt is er vrijwel altijd een groot verschil in informatie tussen de vrager naar verzekeringen en de aanbieder, de verzekeringsmaatschappij. De vragende partij die risico’s wil afdekken heeft veel informatie over zichzelf, over het te verzekeren risico. Als je een verzekering voor je scooter wil afsluiten, weet je zelf het beste hoe roekeloos je rijdt. Dit is informatie die de aanbieder van een verzekering ook graag wil hebben. Als jij rustig door de buurt tuft en geen groot risico bent dan zou de verzekeraar bereid zijn jou een lage premie te vragen. Ga je echter als een dolle tekeer en rijd je door ieder rood licht dat je tegenkomt, dan zou de verzekeraar met jou een groot risico lopen en dan ook een hogere premie willen vragen.

Aan de andere kant zie je pas als verzekerde wat je aan je verzekering hebt als er daadwerkelijk iets gebeurd is. Hoelang duurt het voordat je geld ziet, keren ze de volledige schade uit of valt de schade die geleden is weer onder de kleine lettertjes en kan ik fluiten naar mijn euro’s?

Het laatste geval van ongelijke informatie is betrekkelijk eenvoudig op te lossen. Men kan via regelgeving van verzekeraars eisen dat ze duidelijk maken wat ze wel en niet verzekeren. Op die manier zou je als klant kunnen uitzoeken wat voor jou de beste verzekering is. En als er verzekeraars toch ‘vreemde’ dingen doen, dan wordt dit gestraft door de markt. De verzekeraar verliest zijn goede naam en mensen bedenken zich wel twee keer voordat ze zich bij hem gaan verzekeren. En in de verzekeringswereld is opgelopen reputatieschade moeilijk te repareren.

Averechtse selectie

Averechtse selectie gaat optreden als er mensen zijn die zich niet kunnen verzekeren omdat ze de premie niet kunnen betalen. Deze situatie gaat ontstaan als mensen die weten dat ze bepaalde extra risico’s lopen zich willen verzekeren. Dit zijn voor verzekeringsmaatschappijen de zogenaamde slechte risico’s (het huis met het rieten dak, de meer dan gemiddeld zieke patiënt). De verzekeraar merkt dit en past de premies aan op de kans op meer uit te keren schade. De premies kunnen zo hoog worden, dat de goede risico’s zich niet gaan verzekeren omdat zij een afweging gaan maken tussen de kleine kans op schade en de premie die ze moeten betalen.

Averechtse selectie kan er op die manier voor zorgen dat sommige verzekeringsmarkten dreigen te verdwijnen. Voor een samenleving kan dit vervelende gevolgen hebben. Stel je voor dat alle gezonde mensen zich niet meer verzekeren tegen ziektekosten omdat de premie zo hoog is dat deze niet opweegt tegen de verhoudingsgewijs kleine schade aan ziektekosten. Dan zijn de mensen die wat vaker ziek zijn daar de dupe van omdat of de verzekering verdwijnt of niet te betalen is.

Een oplossing om averechtse selectie tegen te gaan is van overheidswege te beslissen dat iedereen verplicht verzekerd moet zijn. Men noemt dit ook wel verplichte solidariteit.

Verplichte solidariteit is aantrekkelijk voor de slechte risico’s, een deel van hun slechte risico’s wordt nu afgewenteld op de goede risico’s. Mensen die oud of ziek zijn worden gesteund door de jonge en gezonde mensen die premies betalen maar minder aanspraak hoeven maken op een uitkering.

Naast risicoselectie en verplichte solidariteit is het instellen van een EIGEN RISICO ook een middel om averechtse selectie tegen te gaan. Bij het instellen van een eigen risico vergoedt de verzekeringsmaatschappij alleen schade boven het bedrag aan eigen risico.

De verzekeraar stelt zijn klanten in staat te kiezen voor een laag eigen risico met een hoge premie of een hoger eigen risico met een lagere premie. De kans is dan groot dat de goede risico’s dan wel voor een hoger eigen risico, en dus een lagere premie kiezen en dat ze zich dan wel verzekeren. De verzekeraar is op deze manier dus in staat om de risico’s over een grotere groep te spreiden.

Moreel gevaar / moreel wangedrag

Het instellen van een eigen risico werkt niet alleen tegen het probleem van averechtse selectie. Ook het probleem van moreel gevaar / moreel wangedrag wordt ermee tegen gegaan.

Met moreel gevaar / moreel wangedrag bedoelt men het gedrag dat mensen tentoon spreiden als ze weten dat ze tegen een bepaald risico verzekerd zijn. De verzekeraars proberen dit probleem te tackelen door bijvoorbeeld een eigen risico in te voeren of door mensen die meer brokken/schade maken een hogere prijs te laten betalen (prijsdiscriminatie).

Een poging van verzekeraars om verzekerden die meer brokken maken dan anderen meer te laten betalen dan de goede risico’s, is de bonus/malus-regeling. Bonus betekent dat mensen die weinig schade maken een korting krijgen op hun premie. Malus betekent dat mensen die schade veroorzaken meer moeten gaan betalen of de korting weer moeten inleveren.

De bonus/malus-ladder

Om de premie voor uw autoverzekering vast te stellen, gebruiken autoverzekeraars een systeem dat officieel de “bonus/malus-ladder” heet, maar dat in de volksmond veelal “no claim-korting” wordt genoemd.
Dit systeem gaat uit van een basispremie waarop u, afhankelijk van het aantal jaren dat u schadevrij heeft gereden, een korting (“bonus”) krijgt die kan oplopen tot 75% of 80%.

Onderstaande (fictieve) tabel illustreert, hoe het bonus/malus-systeem werkt. Er is een “ladder” met 20 “treden”. Laten we eens aannemen dat u zich thans op trede 12 bevindt. In de tabel kunt u dan aflezen dat u een korting van 65% op de eerder genoemde basispremie krijgt.
Indien u in een verzekeringsjaar geen schade claimt bij de verzekeraar, dan stijgt u een trede op de ladder. In ons voorbeeld zou u zich volgend jaar dus op trede 13 bevinden, en uw korting zou daardoor volgend jaar toenemen tot 70%, zoals u weer in de tabel kunt aflezen.
Claimt u echter wel schade, dan zakt u een of meer treden op de ladder, afhankelijk van het aantal schades dat u claimt, maar ongeacht de hoogte van de claims!
Indien u tijdens het verzekeringsjaar een enkele schade claimt, dan zakt u naar trede 7, en uw korting bedraagt volgend jaar nog maar 40%.
Claimt u twee schades, dan zakt u naar trede 2, hetgeen betekent dat u volgend jaar een toeslag (“malus”) van 10% op de basispremie gaat betalen, en claimt u drie of meer schades, dan zakt u naar trede 1 en gaat u zelfs een toeslag van 20% betalen…
Kenmerkend voor dit soort bonus/malus-ladders is dat de stijging heel langzaam gaat, terwijl de daling juist heel snel kan gaan, zeker als u in een jaar meerdere schades claimt!

Bonus/malusladder

Trede Korting Trede na 0 claims Trede na 1 claim Trede na 2 claims Trede na 3 of meer claims
20 80,0% 20 15 8 1
19 80,0% 20 14 7 1
18 75,0% 19 13 6 1
17 75,0% 18 12 5 1
16 75,0% 17 11 4 1
15 72,5% 16 10 4 1
14 72,5% 15 9 3 1
13 70,0% 14 8 3 1
12 65,0% 13 7 2 1
11 62,5% 12 6 2 1
10 60,0% 11 5 1 1
9 55,0% 10 4 1 1
8 50,0% 9 3 1 1
7 40,0% 8 2 1 1
6 30,0% 7 1 1 1
5 20,0% 6 1 1 1
4 10,0% 5 1 1 1
3 0,0% 4 1 1 1
2 10,0%
toeslag
3 1 1 1
1 20,0%
toeslag
2 1 1 1

Net als asymmetrische informatie, komt moreel gevaar/ moreel wangedrag niet alleen in de verzekeringswereld voor. Moreel gevaar/wangedrag loert overal. Het lijkt een menselijke trek. Moreel gevaar moet overigens niet verward worden met fraude. Fraude is illegaal, moreel gevaarlijk gedrag/moreel wangedrag is niet illegaal.

Falen van de verzekeringsmarkt

Ook de verzekeringsmarkt kan falen. Zo kan het zijn dat we met zijn allen vinden dat iedereen zich tegen bepaalde risico’s moet verzekeren. Voorbeelden: WA-verzekeringen voor motorvoertuigenbezitters. Die zijn echter nog steeds particuliere verzekeringen, want vragers naar deze verzekeringen zijn helemaal vrij om op een scooter of in een auto te gaan zitten. Als ze dat doen, dan pas moeten ze zich bij ondernemingen die winst willen maken, een verzekeringsmaatschappij, verzekeren.

Dan kan het zijn dat we als overheid met duidelijk (politiek) argumenten vinden dat mensen zich verplicht tegen bepaalde risico’s moeten verzekeren. De overheid laat instanties dat dan ook regelen. Het voordeel van de verplichting is dat er een verplichte solidariteit is, iedereen dus meebetaalt en de premie daardoor ook laag blijft. Hier hebben we het dan niet over al die particuliere verzekeringen, maar over collectieve verzekeringen.
Let op: het zijn nog steeds verzekeringen. Alle mensen betalen een premie en zij die schade oplopen krijgen een uitkering. De overheid verplicht alleen, maar betaalt dus niet. De schade wordt uit de premiepot betaald, waar iedereen zijn bijdrage aan moet betalen.

Sociale zekerheid

In het voorgaande is het gegaan over verzekeringen waarbij de verzekerde zelf kan bepalen of hij zich zou willen verzekeren en kan kiezen bij welke verzekeraar. Deze verzekeringen worden afgesloten bij verzekeringsmaatschappijen die behoren tot de particuliere sector. We noemen die verzekeringen daarom particuliere verzekeringen. Naast particuliere verzekeringen bestaan er ook collectieve verzekeringen. In de wet is dan geregeld dat mensen zich tegen bepaalde risico’s, die iedereen in zijn positie loopt, moeten verzekeren.

Collectieve– of sociale verzekeringen

Het overgrote deel van de Nederlandse sociale zekerheid bestaat uit de sociale verzekeringen. Het zijn verkeringen als elke andere verzekering, alleen per wet verplicht. Ze zijn op hun beurt weer te verdelen in volksverkeringen en werknemersverzekeringen. Bij volksverzekeringen gaat het om een aantal risico’s die iedereen loopt, bij werknemersverzekeringen gaat het om risico’s die werknemers lopen.

sociale zekerheid 2

Volksverzekeringen

Er zijn risico’s die iedere inwoner van Nederland tijdens zijn leven loopt en waarvan gevonden wordt dat daar allemaal een verzekering tegen moet worden afgesloten. Alle inwoners in Nederland met een zeker inkomen moeten aan de belastingsdienst inkomensheffing betalen waarvan de uitkeringen betaald worden. Het grootste deel van de eerste twee schijven bij box 1 bestaat uit premies voor de bovenstaande volksverzekeringen.

AOW

De Algemene OuderdomsWet (AOW), sinds 1957, verzekert tegen het verlies van inkomen vanaf 65 jaar. Alle inwoners van Nederland krijgen maandelijks een uitkering. De uitkering is volledig als er 40 jaar in Nederland is gewoond, anders een deel ervan.

Financiering AOW

De AOW wordt gefinancierd volgens het omslagstelsel: alle actieven die een inkomensheffing moeten betalen, betalen premies voor de AOW. Die premies worden direct doorgesluisd naar de mensen boven de 65 jaar. De uit te keren AOW-uitkeringenpot wordt dus omgeslagen over de actieve betalers.

De plannen

De pensioenleeftijd stijgt in twee stappen: in 2020 naar 66 jaar en in 2025 in een keer naar 67 jaar. Wie in 2020 zijn 65ste verjaardag viert en kan aantonen dat hij de laatste vijftien jaar aan één stuk door heeft gewerkt, kan nog steeds op 65 met pensioen. Het aantal daarvoor benodigde dienstjaren loopt daarna elk jaar met één jaar op, tot uiteindelijk 42 gewerkte jaren in 2047. Oftewel: wie in dat jaar 65 wordt en 42 jaar heeft gewerkt, kan nog altijd op zijn 65ste met pensioen.

Al een paar jaar geleden is politiek afgesproken dat de actieven geen hoger percentage van hun inkomen aan AOW-premie moeten betalen (17,9 % over ongeveer de eerste € 30.000 belastbaar inkomen). De rest van het benodigde geld komt sindsdien uit de schatkist. Dit wordt de fiscalisering (fiscus = belastingontvanger) van de AOW genoemd. Met de toenemende vergrijzing stijgt dus het bedrag uit de staatskas, dat nodig is voor de AOW. De uitgaven uit de schatkist worden binnenkort op zo’n 4 miljard euro geschat.

Mensen boven de 65 jaar betalen geen AOW-premie. Het is immers een verzekering en als je het risico loopt, krijg je de uitkering en hoef je geen premie te betalen.

AWBZ

De Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) verzekert tegen het risico in een verzorgingstehuis te komen, van extra dure gezondheidsvoorzieningen gebruik te moeten maken  of erg veel en dure medicijnen te moeten gebruiken.

ANW

De algemene nabestaandenwet (ANW) verzekert het risico geen inkomen meer te hebben als hun ouders of partner overlijden van wie ze financieel afhankelijk zijn.

AKW

De Algemene Kinderbijslagwet (AKW) verzekert tegen kosten van het hebben van kinderen. De kinderbijslag wordt echter niet meer met te betalen premies gefinancierd, maar uit de belasting. Daarom is het eigenlijk geen verzekering meer.

Werknemersverzekeringen

WIA

De Wet op Inkomen en Arbeid (WIA, voorheen WAO) verzekert werknemers tegen het verlies van inkomen door arbeidspongeschiktheid. De hoogte van de premie hangt af van het verdiende loon.

WW

De WerkloosheidsWet (WW) verzekert werknemers tegen het risico van verlies aan inkomen door ontslag.

ZW

Werknemers betalen naast premie aan de ziektekostenverzekeraar, ook voor de verplichte ziektekostenverzekering, geregeld in de ZiekteWet, omdat ziek worden en geen loon meer ontvangen ook een werknemersrisico is.

Verschillen Volksverzekeringen – Werknemersverzekeringen

Samenvattend vallen 3 verschillen te noteren tussen volksverzekeringen (VV) en werknemersverzekeringen (WV)

  1. Bij VV betalen alle inwoners van Nederland vanaf een zeker inkomen premie. Bij WV niet.
  2. De hoogte van de uitkering bij VV is voor iedereen in principe een gelijk bedrag. De uitkering bij een WV hangt af van het verdiende loon (tot een bepaald niveau)
  3. Alle inwoners van Nederland hebben recht op een uitkering van de VV. Alleen werknemers hebben recht op een uitkering van de WV.

Collectieve sector en de sociale zekerheid

De collectieve of sociale verzekeringen vormen samen het overgrote deel van de Nederlandse sociale zekerheid. De uitkeringen worden met verplicht betaalde premies betaald. Er wordt dus geen belastinggeld aan uitgegeven.

Sociale voorzieningen

Volwassen mensen in Nederland die op geen enkele andere manier aan een sociaal minimuminkomen kunnen komen, kunnen beroep doen op de bijstand, de Wet Werk en Bijstand (WWB). De bijstand wordt met geld uit de schatkist, dus uit de algemene, vooral belastingmiddelen gefinancierd. De bijstand is daarom geen sociale verzekering, maar een sociale voorziening. Er worden immers geen premies voor betaald. De bijstand valt onder de minister van sociale zaken en werkgelegenheid. Omdat ook de kinderbijslag met belastinggeld wordt betaald, heeft de AKW ook het karakter van een sociale voorziening gekregen.

sociale zekerheid

Met betrekking tot de sociale zekerheid van Nederland is het belangrijk dat er een duidelijk onderscheid tussen de sociale verzekeringen en de inkomsten en uitgaven van de Staat, de schatkist, wordt gemaakt. Per 2009 is de op Prinsjesdag gepresenteerde begroting volgens Europese afspraken opgemaakt, waarin een deel van de sociale verzekeringen zijn opgenomen.

De sociale zekerheid en de ‘schatkist’ van de overheid zijn de twee onderdelen van de collectieve sector.

collectieve sector

Totaaloverzicht van de Nederlandse collectieve sector.

nederlandse collectieve sector

De kolom in het midden stelt het inkomen van een werknemer voor. De omvang van de bedragen verschilt per persoon.

Er komen drie geldstromen de schatkist binnen:

  1. de directe belastingen, waaronder de inkomstenbelasting;
  2. de indirecte belastingen, zoals de btw;
  3. de niet-belastinginkomsten, zoals de aargasbaten.

In Nederland zijn ministers politiek verantwoordelijk voor de uitgaven die via hun ministerie plaatsvinden. De geldstroom uit de schatkist gaat daarom via de ministeries. Omdat een deel van de sociale zekerheid, de sociale voorziening van de bijstand, en ook de kinderbijslag, via het ministerie van sociale zaken verloopt, is die als enige benoemd.

 

De Nederlandse Sociale Zekerheid

schema sociale zekerheid

Ω

Print Friendly, PDF & Email