schema TK naar GTK

Producentengedrag (samenvatting)

Producenten

Ondernemers

Deze module gaat over produceren, het voortbrengen en aanbieden van goederen en diensten. Het kan erg leuk zijn om ondernemer te worden. Elk jaar beginnen weer veel mensen een bedrijf. Waarom besluit iemand een aanbieder van goederen of diensten te worden?

Natuurlijk zijn alle opbrengsten voor de ondernemer, maar hij is nooit zeker van de opbrengsten, wel van de kosten. Een winkelpand huren betekent bijvoorbeeld elke maand een bedrag van € 1000 aan huur betalen, zonder te weten of er klanten komen. Een ondernemer loopt dus risico’s: onvoldoende klanten vinden, klanten die overlopen naar een concurrent enzovoort. De lusten én de lasten.

Rechtsvormen

Bij het starten van een onderneming moet voor een rechtsvorm gekozen worden, de zogenaamde juridische vorm. Dat is onder andere belangrijk voor:

  • Hoeveel belasting er over het in de onderneming verdiende inkomen moet worden betaald;
  • In welke mate waarin je als ondernemer privé aansprakelijk bent met je privevermogen als het misgaat.

De meest voorkomende rechtsvormen zijn:

  • De eenmanszaak: heeft één eigenaar die privé aansprakelijk is;
  • De Vennootschap onder firma (VOF). Twee of meer eigenaren, privé aansprakelijk;
  • De Besloten Vennootschap (BV): is een rechtspersoon, het bedrijf is aansprakelijk. De leiding en het eigenaarschap zijn gescheiden. De eigenaren zijn de aandeelhouders, die niet privé aansprakelijk zijn. De aandelen kunnen niet openbaar gekocht of verkocht worden.
  • De Naamloze Vennootschap (NV): is een rechtspersoon, het bedrijf is aansprakelijk. De leiding en het eigenaarschap zijn gescheiden. De eigenaren zijn de aandeelhouders, die niet privé aansprakelijk zijn. De aandelen kunnen wel openbaar gekocht of verkocht worden op de aandelenbeurs.

Een aandeel is een bewijs dat je mede-eigenaar van een onderneming bent. Je hebt geld in het bedrijf belegd en in ruil hiervoor krijg je een deel van de winst. Deze winstuitkering heet dividend. Bij een BV kan het bedrijf/de onderneming failliet gaan, zonder dat de aandeelhouders zelf, privé, failliet gaan. Ze zijn niet met hun privébezit aansprakelijk voor de schulden van de onderneming.

Bij een VOF of een eenmanszaak zijn de eigenaren privé aansprakelijk als het misgaat. Gaat het bedrijf failliet, en het bedrijf heeft nog rekeningen openstaan of andere schulden, dan moet de eigenaar die betalen van zijn eigen geld of vermogensbezit. Juridisch heet dat hoofdelijke aansprakelijkheid. Bij privé aansprakelijkheid kunnen de schuldeisers willen dat je je auto of je huis verkoopt, om zo de rekening te betalen. Het lopen van het risico al je privégeld te verliezen als het misgaat, is het grote nadeel van ondernemer worden.

Elke regering wil het ondernemerschap bevorderen. Ondernemers spelen immers een belangrijke rol bij economische groei en werkgelegenheid. Daarom heeft elk land wel een wetgeving, waarmee ondernemers de mogelijkheid krijgen voor een rechtsvorm te kiezen, waarbij ze niet met hun privévermogen aansprakelijk zijn. In Nederland zijn dat de BV en de NV. Bij een FAILLISSEMENT zijn de eigenaren alle geld dat in het bedrijf zit kwijt, maar niet hun privévermogen. (een faillissement wordt door een rechter uitgesproken als een bedrijf niet meer aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen, en de schulden dus groter zijn geworden dan de waarde van de onderneming)

Bij een BV zijn de eigenaars aandeelhouders, die dat op papier bij de Kamer van Koophandel (KvK) hebben laten opschrijven. Daar staat ook bij voor welk deel van de onderneming ieder eigenaar is. Die aandelen kunnen ook niet zomaar van de hand worden gedaan. Daarom heet het ook een BESLOTEN vennootschap; de aandelen staan op naam in het aandelenregister. Om misbruik te voorkomen, moet een BV aan bijkomende wettelijke voorwaarden voldoen. En misbruik ligt op de loer, omdat eigenaren niet meer met hun privévermogen aansprakelijk zijn. De eerste voorwaarde is al genoemd: de eigenaren zijn bekend. Iedereen die zaken wil doen met een BV kan bij de KvK te weten komen wie de eigenaren zijn. Vervolgens moeten aandeelhouders bij de oprichting aantonen dat ze een bepaalde hoeveelheid geld in de zaak hebben gestopt (dat ze echter daarna er ook weer uit kunnen halen!)

Naast de B.V. bestaat er ook een andere ondernemingsvorm, waarbij de eigenaren niet privé aansprakelijk zijn, en eigendom en leiding gescheiden zijn. Dat is de N.V. (de naamloze vennootschap). In dat geval zijn de aandelen niet geregistreerd (zoals dat wel bij een B.V. is), en kunnen de aandelen vrij verhandeld worden. Aandeelhouders verliezen bij een faillissement weliswaar de hele waarde van hun aandeel, maar privé komen er geen schuldeisers aan de deur. Zelfs het bedrijf weet trouwens niet wie de aandeelhouders en dus de eigenaren zijn, laat staan de schuldeisers.

De aandeelhouder van een NV kan zijn aandeel op diezelfde beurs doorverkopen aan een andere eigenaar, tegen de dan geldende beurskoers. Het bedrijf ziet daar dus helemaal niets van; er is geen geldstroom van de beurs naar de bedrijven en omgekeerd. Dalende beurskoersen tasten dus ook bijvoorbeeld niet de winst van het bedrijf aan.

Aandelen van bedrijven worden gekocht worden omdat:

  1. aandeelhouders recht hebben op een deel van de uitgekeerde winst – het dividend;
  2. aandeelhouders er op gokken – speculeren – dat ze hun aandeel in de toekomst voor een hogere prijs van de hand kunnen doen. (Er kan trouwens ook op dalende beurskoersen gespeculeerd worden).

Administratie

De overheid eist dat een ondernemer netjes registreert wat het afgelopen jaar de kosten en opbrengsten van de onderneming zijn geweest, hoe het bedrijf ervoor staat en wat de toekomstplannen zijn. Wettelijk zijn alle bedrijven verplicht een jaarrekening te maken, waarvoor bedrijven een administratie, een boekhouding, moeten voeren. Alle BV’s en NV’s moeten die jaarrekening ook publiceren, en zijn dus openbaar. Een jaarrekening bestaat uit drie onderdelen: een balans, een resultatenrekening en een toelichting.

De balans

In de balans beschrijft een ondernemer wat hij op een bepaalde datum bezit en hoe hij deze bezittingen heeft gefinancierd. De overheid heeft wettelijk vastgesteld hoe zo’n balans er uit moet zien.

Als voorbeeld de balans van een pas opgerichte winkel.

Debet Balans per 1 januari 2013 Credit
Vaste activa Eigen Vermogen
Inventaris 5000 Eigen Vermogen 7500
Vlottende activa Vreemd vermogen lang
Voorraad 9000 Lening bank 5000
Debiteuren 0 Lening ouders 3000
Liquide middelen Vreemd vermogen kort
Kasgeld 500 Crediteuren 0
Banksaldo 1000 Rekening-courantkrediet 0
Totaal 15500 Totaal 15500

De balans die hierboven staat heeft dus altijd dezelfde indeling.

Aan de linkerkant, de debetzijde, staan de activa: de waardes van alle bezittingen van het bedrijf. Aan de rechterkant, de creditzijde, staan de passiva: hoe de bezittingen gefinancierd zijn.

De debetzijde van de balans

De activa worden gesplitst in vaste activa, vlottende activa en liquide middelen.

Vaste activa zijn bezittingen die meer dan één productieproces meegaan. In deze balans is de inventaris dus een voorbeeld van vaste activa. Andere vaste activa zijn een bedrijfsauto, machines en een gebouw.

Vlottende activa gaan maar één productieproces mee. In deze balans zijn de voorraad en de debiteuren voorbeelden van vlottende activa. Een debiteur is iemand die wel wat gekocht heeft, maar nog niet heeft betaald. Gekocht op rekening dus. Er is dus wel iets uit de voorraad verdwenen maar er ligt nog geen geld in de kas.

Liquide middelen is de term voor geld waarover direct kan worden beschikt. Het geld op de bankrekening en het geld in de kassa worden de liquide midelen gerekend.

De creditzijde van de balans

De passiva worden gesplitst in eigen vermogen, vreemd vermogen lang en vreemd vermogen kort.

Het eigen vermogen is het vermogen dat de eigenaar (of eigenaren) zelf in het bedrijf hebben of laten.

Het vreemd vermogen lang is het vermogen dat derden (vreemden) in het bedrijf hebben zitten. Dit is geleend geld en voor de terugbetaling van dat geld mag de onderneming langer dan één jaar doen. In deze balans zijn de leningen van de bank en de ouders voorbeelden van vreemd vermogen lang. Ander vreemd vermogen lang zijn bijvoorbeeld een hypothecaire lening of een bedrijfskrediet.

Het vreemd vermogen kort is ook geleend geld, maar dit geld moet binnen een termijn van één jaar worden terugbetaald. Een kenmerkend voorbeeld van kort vreemd vermogen zijn de crediteuren. Een crediteur is een leverancier, waarvan de factuur door het bedrijf nog moet worden betaald. Aan de passivazijde van de balans staat ook de term ‘rekening courant krediet’. Een bedrag aan de debetzijde bij bank liquide middelen betekent dat het bedrijf er geld op heeft staan. Staat bij ‘bank rekening courant’ een bedrag aan de creditzijde op de balans, dan staat het bedrijf voor dat bedrag rood bij de bank. Uit het feit dat het aan de creditzijde staat moet je dan opmaken dat je een schuld hebt bij de bank.

Een balans is altijd in evenwicht

Het laatste opvallende aan een balans is het feit dat de optellingen aan de debetzijde en de creditzijde van de balans aan elkaar gelijk zijn. De balans moet per definitie in evenwicht zijn, want het verschil tussen de waarde van alle bezittingen en alle schulden is het eigen vermogen, het geld dat de eigenaren in de onderneming hebben zitten.

De Resultatenrekening

In de resultatenrekening beschrijft een ondernemer welke kosten en opbrengsten zijn bedrijf over een bepaalde periode heeft gehad. Het saldo laat zien met welk bedrag het bedrijf in die periode erop is vooruit of achteruit is gegaan. In er winst gemaakt dan is de onderneming er op vooruitgegaan, is er verlies geleden dan is de onderneming er op achteruit gegaan. Het winst- of verliesbedrag is precies even groot als het verschil op de balans aan het begin en het einde van de periode bij de post ‘eigen vermogen’.

Ook voor het maken van de resultatenrekening heeft de wetgever regels gemaakt. Twee voorbeelden van een resultatenrekening zie je hieronder.

Debet Resultatenrekening van januari 2013 Credit
Inkoopwaarde 1500 Omzet 5000
Huurkosten 1000
Energiekosten 250
Verzekeringskosten 100
Resultaat (winst) 2150
Totaal 5000 Totaal 5000

In dit voorbeeld staat de debetzijde en de creditzijde hetzelfde bedrag. Door een positief resultaat aan de debetzijde te zetten, of een negatief resultaat aan de creditzijde te zetten kan de resultatenrekening in evenwicht gebracht worden.

Afschrijvingen

In een resultatenrekening staat vaak de post ‘afschrijvingen’. Afschrijving of afschrijvingskosten zijn kosten voor het bedrijf die zijn ontstaan omdat de vaste activa minder waard worden. Elk jaar, elke maand dat de kassa of de bedrijfsauto van een onderneming gebruikt wordt, worden die vaste activa een beetje minder waard. En als het totaal versleten is moeten ze worden vervangen.

Voorraadgrootheid

Een balans is zoals gesteld een overzicht van bezittingen en schulden op een bepaald moment, op een bepaalde datum. Er staat bijvoorbeeld de waarde van het winkelpand en van de voorraad op die bepaalde datum op. De posten op een balans worden voorraadgrootheden genoemd omdat de waarden steeds veranderen. Dat is ook de bedoeling. De voorraad bijvoorbeeld moet worden verkocht, tegen het liefst een flinke winst en daarna moet de voorraad ook weer aangevuld worden.

Stroomgrootheid

Of het bedrijf in een periode winst of verlies maakt door al die veranderingen, valt op de resultatenrekening af te lezen. Posten op de resultatenrekening zijn dan ook  stroomgrootheden.

Onderpand

Een onderpand is een zekerheid in de vorm van geld, goederen of rechten. Het komt vaak voor bij een lening voor een huis of gebouw: degene die geld leent of aanneemt, geeft het huis of gebouw als onderpand aan de geldgever. Deze geldgever kan het onderpand opeisen als de lener niet aan zijn verplichtingen voldoet.

Wanneer ondernemen?

Naar de markt

Aanbieders van producten en vragers naar producten komen elkaar tegen op de markt. Of dit nu abstracte of concrete markten zijn, elk goed of dienst wordt verhandeld op een markt. Daar waar bij het consumentengedrag over de vragers ging, gaat het bij producentengedrag over de aanbieders van goederen of diensten.

In dit deel wordt gekeken hoe groepen producenten zich op een markt gedragen. Bij welke marktprijs produceren ze voor de markt, en hoeveel bieden ze aan?

Hierbij is het dan weer even goed te realiseren dat een ondernemer uit is op in ieder geval een positief, maar het liefst een zo groot mogelijk verschil tussen opbrengsten en kosten: winst.

Kostensoorten

Alle kosten kunnen worden onderscheiden in twee kostensoorten: de constante of vaste kosten en de variabele kosten.

Vaste of constante kosten

De kosten die gemaakt worden onafhankelijk van het aantal geproduceerde producten worden de vaste of constante kosten genoemd. Of er helemaal niets wordt geproduceerd of heel veel, totale constante kosten veranderen daardoor niet. De huur en de al genoemde afschrijvingen zijn voorbeelden van constante kosten. Als een onderneming niets produceert moet hij toch de huur van het gebouw betalen. De huurkosten zijn net zo hoog als er veel wordt geproduceerd. Ook de machines nemen in waarde af zonder dat ze draaien.

Variabele kosten

De kosten die afhankelijk zijn van het aantal geproduceerde producten worden de variabele kosten genoemd. De totale variabele kosten nemen toe als er meer wordt geproduceerd en af als er minder producten worden gemaakt. Bij een productiebedrijf zijn de grondstofkosten een voorbeeld van variabele kosten. Meer produceren betekent een groter grondstoffenverbruik, minder productie een lager.

De totale kosten TK is de optelling van de totale constante kosten en de totale variabele kosten. Winst of verlies is het verschil tussen totale opbrengsten en de totale kosten.

De kosten kunnen ook per product uitgerekend worden. De constante kosten per product worden de gemiddelde contante kosten GCK genoemd: de totale constante kosten worden gedeeld door het aantal producten Q. De variabele kosten per product worden de gemiddelde variabele kosten GVK genoemd: de totale variabele kosten worden gedeeld door het aantal producten Q. De totale kosten per product worden de gemiddelde totale kosten GTK of de kostprijs genoemd: de totale kosten worden gedeeld door het aantal producten Q.

In een schema:

schema TK naar GTK

Om van Totale naar Gemiddelde te gaan moet er door het aantal producten Q gedeeld worden, om van Gemiddelde naar Totale te gaan moet met Q worden vermenigvuldigd.

De dalende kostprijs

De totale constante kosten zijn een vast bedrag; ze variëren namelijk niet met de hoeveelheid producten die gemaakt worden. Daarom kent de GTK of kostprijs een dalend verloop al naar gelang er meer producten door het bedrijf gemaakt worden.

De kostprijs daalt omdat de totale constante kosten over steeds meer producten worden uitgesmeerd en de gemiddelde constante kosten GCK dus dalen. Dat is altijd zo: om de gemiddelde constante kosten te vinden, worden de totale constante kosten gedeeld door het aantal producten Q. Omdat de totale constante kosten per definitie gelijk blijven, zijn de gemiddelde constante kosten dat per definitie niet! Want bij een grotere productie worden die totale vaste kosten door een groter getal gedeeld, bij een kleinere productie door een kleiner getal.

Een voorbeeld

Hieronder staat een gedeeltelijk ingevulde kostentabel van een fabrikant.

Productieomvang Q TK TCK TVK GTK GCK GVK
100.000
200.000 40.000
500.000 0,10
800.000

Bekend is dat de TVK bij een productieomvang van 200.000 gelijk is aan € 40.000 en dat de GCK bij een productieomvang van 500.000 gelijk is aan € 0,10. Ondanks dat er maar twee cellen ingevuld zijn, zijn dat toch voldoende gegevens om de tabel helemaal te kunnen invullen.

De GCK zijn bij een productie van 500.000 luiers € 0,10. De TCK zijn dan 500.000 x € 0,10 = € 50.000. Omdat ze constant zijn, zijn de TCK dus gelijk bij iedere productieomvang Q. De kolom TCK kan in zijn geheel gevuld worden met het bedrag € 50.000

De TVK zijn bij een productie van 200.000 luiers € 40.000. De GVK zijn dan € 40.000 ÷ 200.000 = € 0,20. Omdat de variabele kosten in dit voorbeeld niet veranderen, zijn de GVK bij iedere Q gelijk. De kolom GVK kan in zijn geheel gevuld worden met het bedrag € 0,20.

De rest is een kwestie van combineren en berekenen.

De complete tabel ziet er als volgt uit.

Q / aantal luiers TK TCK TVK GTK GCK GVK
100.000 70.000 50.000 20.000 0,70 0,50 0,20
200.000  90.000 50.000 40.000  0,45 0,25  0,20
500.000 150.000 50.000 100.000  0,30 0,10  0,20
800.000  210.000 50.000 160.000  0,2625 0,0625  0,20

Kosten en opbrengsten

De gemiddelde opbrengst, de verkoopprijs

Voor de verkoopprijs wordt het symbool GO van gemiddelde opbrengst gebruikt.

De gemiddelde variabele kosten

Als de variabele kosten per eenheid product Q steeds gelijk zijn, worden ze proportioneel variabele kosten genoemd. Bij een verandering van de productieomvang Q veranderen de totale variabele kosten, maar ook de totale kosten, met hetzelfde bedrag als de gemiddelde variabele kosten.

De totale opbrengst

De totale opbrengst TO, ook wel de omzet genoemd, kan berekend worden door het aantal verkochte producten Q, ook wel de afzet genoemd, te vermenigvuldigen met de verkoopprijs P. Een ander woord voor totale opbrengst is omzet; omzet = P x Q.

De winst

Een ondernemer streeft er naar zoveel mogelijk winst te maken. De totale winst TW is het verschil tussen totale opbrengsten TO en totale kosten TK.

De gemiddelde winst GW is de winst per product, het verschil tussen de verkoopprijs GO en de kostprijs GTK.

De afkortingen op een rijtje

In de vorige paragrafen zijn nogal wat afkortingen de revue gepasseerd. Daarom staan ze hier op een rijtje.

Q = Productieomvang

GO = Gemiddelde Opbrengst = P = verkoopprijs

TK = Totale Kosten = TCK + TVK

TO = Totale Opbrengst = omzet = P x Q

TW = Totale Winst = TO – TK

GW = Gemiddelde Winst = TW ÷ Q

GTK = Gemiddelde Totale Kosten = TK ÷ Q

TCK = Totale Constante Kosten = GCK x Q

TVK = Totale Variabele Kosten = GVK x Q

GVK = Gemiddelde Variabele Kosten = TVK ÷ Q

GCK = Gemiddelde Constante Kosten = TCK ÷ Q

Het break-even punt

De eerste vraag die een ondernemer moet beantwoorden is: hoeveel producten moet ik bij een gegeven, verwachte, opbrengstprijs minstens produceren en verkopen om uit de kosten te komen?

De productieomvang waarbij winst noch verlies wordt gemaakt, is het break even punt BEP. Op dat punt is de totale opbrengsten gelijk aan de totale kosten. Het aantal producten Q waarbij dat het geval is, is de break even afzetBEA en de omzet waarbij verlies noch winst wordt gemaakt is de break even omzetBEO.

Het break even punt valt te berekenen met het volgende werkschema:

BEP
TO = TK
P x Q = TK
P x Q = TCK + TVK
P x Q = TCK + (GVK x Q)

Marginale kosten en marginale opbrengst

Met het berekenen van het Break Even Punt bepalen producenten hoeveel ze minimaal moeten produceren en verkopen om quitte te spelen. Ze maken verlies als ze minder kunnen verkopen. Het gevolg zal dan zijn dat er niet geproduceerd worden. Het aanbod = nul.

Pas als er meer verkocht kan worden dan het break even punt, wordt er winst gemaakt en zullen producenten toetreden tot de markt. De volgende vraag moet dan beantwoord worden: bij welke productie en verkoop is de winst maximaal? Anders gezegd: hoe groot is, gegeven de productiecapaciteit van het bedrijf, de productie en verkoop waarbij de winst maximaal is? Om dat te kunnen bepalen hebben we de marginale kosten en de marginale opbrengst van het product nodig.

Marginale kostenMK zijn de extra kosten die gemaakt worden om de de productie met 1 product uit te breiden. Dus met hoeveel stijgen de TK als een onderneming één extra product maakt.

Marginale opbrengst MO is de extra opbrengst die ontvangen wordt bij de verkoop van 1 extra product. Dus met hoeveel stijgt de TO als de onderneming één extra product verkoopt. Als de verkoopprijs steeds hetzelfde is, is de MO gelijk aan de verkoopprijs P.

De maximale winst wordt bereikt als MO = MK. Zolang de MO groter is dan de MK wordt er nog winst toegevoegd aan het totaal. Dat houdt op zodra de MO gelijk is aan de MK. Daarna zijn de extra kosten hoger dan de extra opbrengst, dus wordt er verlies geleden op een extra geproduceerd product en moet de ondernemer ermee stoppen!

Een voorbeeld

Een pizzeria verkoopt ieder pizza voor € 8 per stuk. Iedere extra verkochte pizza levert dus ook een prijs van € 8 op: de marginale opbrengst van de extra verkochte pizza is dus € 8 en deze marginale opbrengst MO gelijk aan de verkoopprijs P. De marginale kosten van iedere pizza zijn € 4 per stuk en zijn gelijk aan de GVK.

In dit voorbeeld is de winst van de pizzeria maximaal als er zoveel mogelijk pizza’s worden gemaakt en verkocht kunnen worden. Dit is gelijk aan de productiecapaciteit.

Want: hoe meer pizza’s gemaakt en verkocht worden vanaf het break even punt, hoe hoger de winst wordt. De prijs die voor een pizza wordt ontvangen – de marginale opbrengst € 8 – is steeds meer is dan de extra kosten die gemaakt moeten worden om die extra pizza te maken – de marginale kosten € 4. De productie en verkoop van één extra pizza leveren telkens € 4 extra winst op.

Dat een grotere productie en afzet meer winst oplevert is het gevolg van het feit dat de marginale kosten niet veranderen, die zijn steeds € 4. En de marginale kosten veranderen hier niet omdat de variabele kosten per stuk GVK niet veranderen, die zijn steeds € 4. Als de variabele kosten per stuk GVK niet veranderen zijn de variabele kosten proportioneel.

Proportioneel variabele kosten

Bij proportioneel variabele kosten, dus als de marginale kosten hetzelfde blijven, is het niet moeilijk te bepalen hoeveel een bedrijf moet maken en afzetten om maximale winst te maken.

Zijn de gemiddelde variabele kosten GVK en daarmee de marginale kosten MK hoger dan de opbrengstprijs MO, loont het niet om te produceren: de kosten zijn hoger dan de opbrengsten.

Zijn de gemiddelde variabele kosten GVK en dus de marginale kosten MK lager dan de opbrengstprijs MO, dan moet er zoveel mogelijk gemaakt en verkocht worden om maximale winst te maken. Voor het bedrijf is het profijtelijk de productie dan op te voeren tot de productiecapaciteit is bereikt.

Niet-proportionele variabele kosten

Bij veel bedrijven zijn de variabele kosten niet-proportioneel en dus niet steeds hetzelfde. De gemiddelde variabele kosten GVK kunnen dalen, en daarmee dalen de marginale kosten MK ook, als er meer wordt geproduceerd. De variabele kosten zijn dan degressief. Een pizzeria die meer pizza’s maakt, kan kwantumkorting krijgen bij de leverancier als er meer ingrediënten tegelijkertijd worden ingekocht. Bovendien gaat het maken van een grotere hoeveelheid ook efficiënter, doordat er bijvoorbeeld meer deeg tegelijk kan worden verwerkt.

Naarmate het aantal klanten toeneemt, is het ook te begrijpen dat die gemiddelde variabele kosten, en daarmee de marginale kosten, weer zullen stijgen. De variabele kosten worden dan progressief. Producten mislukken, er worden meer fouten gemaakt enzovoort, zodat de varabele kosten stijgen.

De diverse kosten bij elkaar

Hieronder staat een klein voorbeeldje van de diverse kosten.

In tabelvorm

Q TCK TVK TK GCK GVK GTK MK
0 5,00 5,00
1 5,00 4,00 9,00 5,00 4,00 9,00 4,00
2 5,00 6,70 11,70 2,50 3,30 6,00 2,70
3 5,00 8,30 13,30 1,67 2,80 4,40 1,60
4 5,00 9,30 14,30 1,25 2,30 3,60 1,00
5 5,00 10,40 15,40 1,00 2,00 3,10 1,10
6 5,00 12,00 17,00 0,83 2,00 2,80 1,60
7 5,00 14,60 19,60 0,71 2,10 2,80 2,60
8 5,00 18,50 23,50 0,63 2,30 2,90 3,90
9 5,00 24,20 29,20 0,56 2,70 3,20 5,70
10 5,00 33,00 38,00 0,50 3,30 3,80 8,80

Hou er rekening mee dat de MK eigenlijk tussen twee rijen in moet staan.

In grafiekvorm

GTK-GVK-GCK-MK

Zichtbaar is dat de MK de GVK én de GTK op hun laagste punt snijdt. Zolang de extra kosten voor een extra product – de marginale kosten MK – lager zijn dan de gemiddelde variabele kosten GVK en gemiddelde totale kosten GTK, zullen de GVK en GTK dalen, maar minder scherp. In het tegenovergestelde geval, als de MK hoger zijn dan de GVK en GTK, zullen deze laatste stijgen, maar ook nu minder scherp. De MK-lijn gaat daarom door het dal van de GVK-lijn en de GTK-lijn.

Het aanbod

De collectieve aanbodlijn

Het collectieve aanbod is het aanbod van alle individuele producenten bij elkaar opgeteld. Bij een bepaalde marktprijs komen die producenten op de markt, die minstens hun break even punt halen. Zij zullen ieder de hoeveelheid producten op de markt aanbieden waarbij hun marginale opbrengsten gelijk zijn aan de marginale kosten. Bedrijven waarbij de MO altijd hoger is dan de MK brengt een hoeveelheid  gelijk aan hun productiecapaciteit op de markt.

Bij een hogere marktprijs bieden bestaande aanbieders meer aan, want de MO stijgt en daardoor ook de productieomvang waarbij de winst maximaal is. En komen nieuwe bedrijven op de markt, omdat die voorbij hun break even punt kunnen komen.

Bij een dalende marktprijs leidt ditzelfde gedrag tot het tegenovergestelde: bestaande aanbieders gaan minder aanbieden en er vallen bedrijven af die geen winst meer kunnen maken omdat ze niet meer hun break even punt kunnen halen.

Dit collectieve aanbodgedrag van producenten kan worden weergegeven met tabellen, wiskundige vergelijkingen en/of grafieken, net zoals dat het geval is bij het collectieve vraaggedrag van consumenten. De lijn in een grafiek die het collectieve aanbodgedrag weergeeft is de collectieve aanbodlijn.

Verschuiven langs of van de aanbodcurve

De collectieve aanbodlijn geeft aan hoeveel producten in totaal door alle aanbieders op de markt worden aangeboden, bij verschillende prijzen. Bij een hogere prijs wordt er meer aangeboden, bij een lagere prijs minder. In een grafiek vind je de totaal aangeboden hoeveelheid goederen op de markt door bij een prijsstijging langs de lijn naar boven te gaan en bij een prijsdaling langs de lijn naar beneden te lopen.

Het collectieve aanbod kan ook veranderen door andere oorzaken dan prijsveranderingen. Dan verschuift de lijn. Naar boven/links als er bij elke marktprijs minder wordt aangeboden en naar benedenrechts als er bij elke prijs meer wordt aangeboden.

Verschijven van het aanbod

Verschuift het aanbod door een prijsverandering, dan verschuift de aangeboden hoeveelheid langs de aanbodlijn Qa 1 (pijl 1 of 2); verandert het aanbod bij iedere prijs dan verschuift de aanbodlijn naar Qa 3 (pijl 3) of Qa 2 (pijl 4).

Een oorzaak waarom er bij elke prijs minder wordt aangeboden: de overheid verbiedt het aanbod op een deel van de markt. Een oorzaak waarom bij elke prijs meer wordt aangeboden: de techniek maakt produceren goedkoper.

Producentensurplus

Bij de weergave van het consumentengedrag viel het op dat bijna altijd een groep consumenten bereid is meer te betalen dan ze werkelijk moeten betalen. Deze ‘meevaller’, het verschil tussen de betalingsbereidheid en de koopprijs, wordt het consumentensurplus genoemd.

Hier is ook van zoiets sprake. Er is immers een groep producenten die al winstgevend kan en wil aanbieden bij een veel lagere prijs dan de marktprijs die ze voor hun producten krijgen. Voor die groep producenten is die extra winst natuurlijk mooi meegenomen. De meevaller voor de groep producenten is het verschil tussen de prijs waartegen ze al zouden willen aanbieden en de werkelijk ontvangen marktprijs. De totale meevaller is het producentensurplus.

producentensurplus

Prijselasticiteit van het aanbod

De mate waarin producenten met hun aanbod reageren op prijsveranderingen voor hun producten, kan met een getal worden weergegeven: de prijselasticiteit van het aanbod. Een elasticiteit tussen 0 en 1 geeft aan dat producenten inelastisch reageren op de prijzen en bij een getal groter dan 1 elastisch.

Bij een aanbodelasticiteit kleiner dan 1 bieden producenten een lager percentage extra aan dan het percentage van de prijsstijging, bij een aanbodelastische goederen wordt een hoger percentage dan de prijsstijging extra aangeboden.

Voor de aanbodelasticiteit staat altijd een plusteken. Een hogere prijs leidt namelijk tot een groter collectief aanbod, een lagere prijs tot een kleiner collectief aanbod, want de collectieve aanbodlijn is een stijgende lijn.

Met de formule kan de aanbodelasticiteit worden uitgerekend.

Epa

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

Maatschappelijk Verantwoord

Maatschappelijk verantwoord ondernemen betekent dat ondernemingen rekening gaan houden met hun omgeving. De ondernemer doet dit kennelijk niet alleen om het natuurlijk groen groen te houden.

Maatschappelijk verantwoord ondernemen kan meerdere dingen betekenen.

  1. De onderneming houdt zich bezig met de natuurlijke omgeving waarin het produceert. Het plant voor iedere boom die het kapt een nieuwe.
  2. De onderneming houdt zich (ook) bezig met de sociale omgeving. Het laat zich niet in met bedrijven die hun overhemden in elkaar laat zetten door kinderarbeid.

Duurzaam ondernemen en duurzame ontwikkeling

Wat is duurzame ontwikkeling? In het voorafgaande is gebleken dat een ondernemer winst wil behalen als vergoeding voor zijn inzet en het risico dat hij durft te lopen met zelf ondernemen. Winst is het verschil tussen opbrengsten en kosten. De vraag is nu, hoe hoog moet je winst zijn.

Zo hoog mogelijke opbrengsten willen behalen zou er toe kunnen leiden dat er veel te hoge prijzen voor het product komen, zodat niet iedereen die het nodig heeft het kan kopen.

Zo laag mogelijke kosten zou er toe kunnen leiden dat je geen rekening houdt met negatieve externe effecten van dat streven. Bijvoorbeeld te weinig betalen voor de grondstoffen die je gebruikt, te lage lonen voor het personeel, geen aandacht voor de afval en vervuiling van het milieu door de productie.

Met externe effecten bedoelen economen gevolgen van productie of consumptie die niet in de (kost)prijs van een product zijn opgenomen.

Duurzaamheid

Duurzame ontwikkeling betekent dat we gebruik maken van de natuur zonder dat onherstelbare schade wordt aangericht. Het is belangrijk dat de economie groeit, maar het mag niet ten koste gaan van de toekomstige generatie. Duurzaamheid heeft niet alleen te maken met het klimaat of het uitsterven van bepaalde dieren of planten. Het gaat over People, Profit en Planet.

People staat voor sociaal welzijn of hoe een bedrijf omgaat met zijn personeel en hoe het op het gebied van sociale cohesie presteert (de maatschappij in ruimere zin). Hier spelen mensenrechten, omkoping, fraude, kinderarbeid, genderverhoudingen, armoede, diversiteit en discriminatie, medezeggenschap en gedragscodes een rol.

Planet staat voor ecologische kwaliteit of hoe een bedrijf zijn verantwoordelijkheden opneemt ten aanzien van het belasten van het milieu, de natuur en het landschap. Het gaat o.a. over milieuzorg, eco-efficiency, schoner produceren, duurzame technologieontwikkeling.

Profit staat voor economische welvaart. Hier komen werkgelegenheid, medewerkersparticipatie, winstbestemming, investeringen in infrastructuur, uitbesteding, economische effecten van de diensten en producten aan bod. Het zoeken naar evenwicht tussen deze verschillende aspecten is de uitdaging voor ondernemingen in hun beslissingsproces .

Bedrijven realiseren zich steeds meer dat ze verder moeten kijken dan de winst- en omzetcijfers op korte termijn. Ze erkennen steeds vaker dat ze ook een verantwoordelijkheid hebben voor maatschappelijke thema’s en voor de mensen die (op welke manier dan ook) betrokken zijn bij de onderneming.

Cradle to Cradle

De nieuwste en meest inspirerende benadering van duurzaamheid is het principe van ‘Cradle to Cradle’: producten worden volgens de wetten van de natuur geproduceerd. In de natuur is niets afval en alles is voedsel voor iets nieuws. Alle producten worden zo ontworpen dat ze als afval voedsel/grondstof worden voor de biosfeer, omdat ze volledig afbreekbaar zijn of weer omgezet kunnen worden in grondstof voor nieuwe producten.

Bij het ontwerp van deze producten wordt expliciet de vraag gesteld: Als de levensduur van het product voorbij is, wat voor nieuwe producten kunnen er dan van worden gemaakt.

Ω

Print Friendly, PDF & Email