Module Vermogensmarkt (samenvatting)

Een markt voor geld

Net als voor goederen en diensten is er ook een markt voor geld, de markt voor krediet. Er zijn vragers naar geld en aanbieders van geld en de rente die betaald wordt kan beschouwd worden als de prijs van geld. Soms heb je geld over en als je dat op een spaarrekening zet krijg je er rente over. Soms kom je geld tekort en kun je lenen; je moet dan rente betalen. Niet alleen consumenten kunnen geld over of tekort hebben, ook bedrijven en de overheid (Rijk, provincies en gemeenten) kunnen in die situatie verkeren.

De mensen die geld over hebben, de aanbieders, en de mensen die geld tekort hebben, de vragers, ontmoeten elkaar op de vermogensmarkt.

De vermogensmarkt is onder te verdelen in:

  • De geldmarkt: het geheel van vraag en aanbod met betrekking tot kortlopende kredieten, met een looptijd van een dag tot 1-2 jaar.
  • De kapitaalmarkt: de markt waarop vermogenstitels worden verhandeld met een onbepaalde looptijd, of met looptijden vanaf circa twee jaar.

De vraag naar geld

Omdat de behoeften oneindig zijn en de middelen beperkt, komt het voor dat consumenten, bedrijven en de overheid geld tekort komen voor al hun plannen. Een consument heeft geld nodig voor een grote aankoop, een bedrijf wil investeren en de overheid komt inkomsten tekort voor alle plannen van het komende jaar. Ze moeten lenen op de vermogensmarkt en zijn daarmee de vragers naar geld.

Onder vragen naar geld wordt in de economie verstaan het tijdelijk gebruik maken van andermans geld met de bedoeling dat later aan dezelfde persoon weer terug te betalen. Met andere woorden: je vraagt krediet. Het geleende geld wordt (meestal) terugbetaald in delen en over het geleende geld betaal je een vergoeding voor het lenen: de rente. De totale tijd tussen het moment van lenen en het moment waarop je alles hebt terugbetaald noemen we de looptijd of de krediettermijn.

De consument als vrager naar geld

Als consumenten geld nodig hebben voor een grote(re) aankoop zoals een auto en geen of weinig spaargeld hebben, kiezen ze vaak voor een lening. Het kan zijn dat ze een bedrag ineens lenen bij een bank, of kopen op afbetaling bij de verkoper. Het voordeel is dat ze meteen kunnen beschikken over het goed, maar vandaag geld lenen leidt tot uitgaven in de toekomst: je moet immers het geleende bedrag terugbetalen en ook rente over het geleende bedrag betalen. De consument moet zich dan ook afvragen of de rentekosten opwegen tegen het voordeel van meteen over het goed kunnen beschikken.

Een voorbeeld

Op de website van Wehkamp staat een fraaie scooter. De prijs ervan is € 1399 (10 november 2012). Koop je die en betaalt je ineens, dan ben je dus € 1399 kwijt.

Je kunt hem ook in termijnen betalen. Dat betekent dat je de scoorter nu krijgt en het bedrag plus de rente in een aantal maanden betaalt. De looptijd is minimaal 75 maanden, het minimale maandbedrag is € 28 en aan het eind betaal je eenmalig nog een restbedrag. De maximale totale kosten zijn dan: 75 x € 28 = € 2100 + € 16,09 = € 2116,09. Je betaalt dus in totaal € 2116,09 – € 1399 = € 717,09 extra aan rente over een periode van 76 : 12 = 6 jaar en 4 maanden. Dat is 51,26% meer dan je geleend hebt!

Kies je voor een hoger bedrag per maand dan vallen de totale kosten lager uit. Kies je bijvoorbeeld voor het dubbele maandbedrag van € 56, dan zijn de totale kosten: 29 x € 56 = € 1624 + € 40,42 = € 1664,42. In dit geval betaal je dus € 1664,42 – € 1399 = € 265,42 extra aan rente over een periode van 2 jaar en 6 maanden. En dat is nog altijd 18,97% meer dan je geleend hebt.

Lenen kost dus wel degelijk geld, en niet zo’n beetje ook.

Van de kosten van lenen is op 4 oktober 2012 een de uitzending van De Rekenkamer geweest: http://derekenkamer.kro.nl/seizoenen/rekenkamer-2012-03/afleveringen/04-10-2012

De hypotheeklening

De meeste mensen kopen een huis met geleend geld en dat huis als onderpand: de hypotheeklening. Een lening met een onderpand wil zeggen dat als de lener een tijdje niet aan zijn financiële verplichting voldoet, dus een aantal maanden zijn afgesproken hypotheeklasten niet betaalt, de bank het onderpand (het huis dus), kan opeisen en verkopen. Van de opbrengst van het huis wordt dan de hypotheekschuld ineens afgelost. Blijft er na de gedwongen verkoop geld over dan krijgt de consument dat geld terug, komt de bank nog geld tekort, dan blijft de consument met een schuld zitten die hij alsnog moet terugbetalen.

De financieel-economische levensloop

De behoefte aan geld verschilt gedurende het leven van een mens: sparen en lenen wisselen elkaar af en dat noemen we de financieel-economische levensloop. Die financieel-economische levensloop gaat er van uit dat mensen geld kunnen overhevelen van de ene periode naar de andere periode. Dit wordt ruilen over de tijd genoemd, waarbij sparen en lenen tenminste in evenwicht moet zijn.

Bedrijven als vragers

Bedrijven worden vragers van geld als ze investeringsmogelijkheden zien om extra winst te genereren en er onvoldoende financiële middelen voor hebben. Eén van de mogelijkheden die ze hebben is om geld bij de bank te lenen voor langere of kortere termijn. Tussen het lenen van consumenten en dat van bedrijven zit weinig verschil, maar banken willen ook in dit geval zekerheid hebben. Die zekerheid probeert de bank in te schatten op basis van de bedrijfsgegevens zoals het jaarverslag, de resultatenrekening of – in geval van een nieuw op te starten bedrijf – een ondernemersplan.

De overheid als vrager

Ook de overheid kan optreden als vrager naar geld. Net als een consument of bedrijf kan de overheid geld tekort komen als de uitgaven groter zijn dan de inkomsten. De overheid moet lenen en de staatsschuld wordt hierdoor groter. Voor de overheid gelden dan ook dezelfde regels: lenen kost geld, want ook zij moet rente betalen.

Wat hierbijn bedacht moet worden is dat de huidige generatie leent, terwijl de volgende generatie moet betalen, want lenen is ruilen over de tijd. Soms is dat verstandig, bijvoorbeeld om klimaatverandering tegen te gaan, soms is dat onverstandig, bijvoorbeeld de Betuwelijn. De opbrengsten van lenen moeten natuurlijk de kosten overstijgen.

Het aanbod van geld

Waar vragers zijn, zijn op een markt ook aanbieders. Die aanbieders – voornamelijk consumenten, banken, bedrijven, pensioenfondsen en (levens)verzekeringsmaatschappijen – zijn op zoek naar mogelijkheden om rendement op hun geldoverschotten te krijgen. Als ze hun overschotten aanbieden aan partijen met een geldtekort levert hun geld rente op, de vergoeding voor het uitlenen van geld.

Spaarmotieven

Sparen is een deel van je inkomen niet consumeren; je stelt je consumptie dus uit. Hiervoor zijn twee motieven:

  • het overschot aan geld gebruiken om geld te verdienen
  • uit voorzorg om onverwachte uitgaven te kunnen betalen

Manieren om geld te verdienen met een overschot zijn:

  • Het geld tegen rente op een spaarrekening zetten
  • Het kopen van vermogenstitels als aandelen en obligaties wat beleggen wordt genoemd

Speculeren is een vorm van beleggen met een groot risico. Er wordt dan op gunstige economische ontwikkelingen gegokt. Komen de verwachtingen uit dan kun je veel geld verdienen; komen ze niet uit dan kun je echter veel geld verliezen.

Oppotten is het spaargeld zelf bewaren. Er is geen rendement, sterker nog, door de inflatie wordt het geld steeds minder waard.

Pensioenen

Iedere Nederlanders krijg vanaf zijn 65e verjaardag een pensioen van het Rijk: de AOW. Daarnaast hebben de meeste Nederlanders via hun werk gespaard voor een aanvullend pensioen: de pensioenvoorziening. Beiden voorkomen het inkomensverlies op de oude dag.

AOW wordt betaald van de premies die werkende Nederlanders via hun loon inleveren. De wijze van financieren van de AOW gaat volgens het omslagstelsel: de premies van de huidige werknemers gaan rechtstreeks naar de huidige AOW’ers. De pensioenvoorziening wordt ook via het loon ingeleverd, maar daar is jouw inleg ook jouw eigen pensioen. Deze wijze van financieren noemen we het kapitaaldekkingsstelsel. De pensioenverzekering wordt gespaard via een pensioenfonds en is vaak per cao verplicht gesteld.

De rente als prijs van het geld

Het is niet mogelijk te spreken van DE rente, want DE rente bestaat niet. Er is een verschil tussen de ontvangende partij van rente – die krijgt een lage(re) rente – en de betalende partij van rente – die betaalt een hoge(re) rente. Daarnaast kan een hoger risico voor de bank voor een hogere rente zorgen voor de betalende partij. Dat risico is dat de lener het geleende geld niet kan terugbetalenen dat vertaalt zich in de rentestand.

De ontwikkeling van de rente hangt vaak samen met de ontwikkeling van de inflatie: als de inflatie laag is, dan is de rente ook laag. Is de inflatie hoog, dan is de rente ook aan de hoge kant. De verklaring hiervan is tweeledig.

  1. De taak van de Centrale Bank. Deze moet ervoor zorgen dat de prijzen niet te veel stijgen. Als de prijzen te veel stijgen is de oorzaak daarvan vaak dat er te veel goederen en diensten worden gekocht. Mensen (en bedrijven) moeten dan aangemoedigd worden om meer te sparen en dus om minder te besteden en minder te lenen. Als ze dan minder geld uitgeven, dan is er minder vraag naar producten, en dus minder druk op de prijzen om te stijgen want verkopende bedrijven kunnen dan minder gemakkelijk hun prijzen verhogen.  
  2. Als de prijzen erg stijgen en de rentevergoeding op een spaarrekening is laag, wordt er weinig gespaard. Met het spaargeld plus de rente kan men niet meer kopen dan wat men oorspronkelijk kon kopen; door sparen gaat men er in koopkracht op achteruit.De rente moet dus bij hoge inflatie omhoog om de consument toch over de streep te trekken om geld te gaan sparen. Vanuit deze redenering is rente een beloning omdat men nu nog niet consumeert, dat de consumptie wordt uitstelt. Diegene die leent, en dus eerder consumeert, betaalt deze vergoeding.   

Behalve de absolute rentestand is ook de rente in verhouding tot de inflatie belangrijk bij het verklaren van het leen- en spaargedrag van consumenten. Er is namelijk verschil tussen de nominale rente en de reële rente. De nominaal is het rentepercentage dat de bank betaalt. Reëel rente is de nominale gecorrigeerd voor de prijsstijgingen.
De reële rente kan men berekenen is met de onderstaande formule:

RIC-NIC-PIC

Van het reële indexcijfer moet 100(%) afgehaald worden om het reële rentepercentage te krijgen.

Beleggen

Een bekende vorm van sparen is het kopen van waardepapieren zoals (staats)obligaties en aandelen. Aandelen vormen voor particuliere beleggers en bedrijven een mogelijkheid om hun overtollige liquide middelen (geld) om te zetten in een waardepapier (het aandeel) dat mogelijk geld gaat opleveren. Dit is dus een alternatief voor geld op een spaarrekening zetten. Een andere mogelijkheid is het aankopen van (staats)obligaties. Daarnaast zijn er nog andere mogelijkheden, zoals bijvoorbeeld het kopen van opties en het plaatsen van geld op een termijndepositorekening. En binnen die vormen zijn weer tal van varianten.
Bij staatsobligaties (schatkistpapier) lenen bedrijven of particulieren geld uit aan de overheid, die in ruil hiervoor een rentevergoeding verstrekt, en op een bepaald moment het geleende bedrag teruggeeft. De overheid lost dan dat deel van zijn schuld af. Obligaties kunnen ook door bedrijven worden uitgegeven. Ook dan is het principe hetzelfde; er is in de meeste gevallen sprake van een vast rentepercentage, en de datum en wijze van de aflossing van de lening is vaak ook vastgesteld.  
Vooral het feit dat het om een vast percentage gedurende een vaak vaste looptijd gaat, is een belangrijk verschil met sparen. Als je bijvoorbeeld een 10-jaars obligatie koopt met een rentepercentage van 4%, dan weet je dat je als in het bezit van die obligatie bent, gedurende die 10 jaar 4% rente over de nominale waarde van de obligatie krijgt.  
 
Obligaties worden net als aandelen verhandeld op de beurs. De prijs die voor de obligatie wordt betaald heet de koers. Als het bijvoorbeeld een obligatie betreft die nominaal een waarde had van 1000 euro bij aanschaf, dan kan deze als gevolg van renteveranderingen gaan veranderen naar bijvoorbeeld 1010 euro (101) of  990 euro (99)… (De notering tussen haakjes is een vorm van indexnotering).

Aandelen zijn eigendomsbewijzen van de onderneming. Deze zijn ooit uitgegeven door een naamloze of een besloten vennootschap (NV of BV). De eerste kopers van de aandelen betalen geld aan de onderneming, die aandelen uitgeeft. het bedrijf gebruikt dat geld voor de financiering van de productie of investeringen. Aandelenbezitters zijn dus (mede)eigenaars van een onderneming. Ze hebben daarom recht op hun deel in de uitgekeerde winst, dividend genaamd, van het bedrijf. Het dividend kan van jaar tot jaar verschillen, en hangt af van hoeveel winst de onderneming maakt en uiteindelijk wil uitkeren. Een aandeelhouder kan naast de dividenduitkering ook geld verdienen als hij zijn aandeel op een later moment tegen een hogere aandelenkoers (koerswinst) kan verkopen aan een ander (Let op: de koper van het aandeel betaalt dan een bedrag aan de verkoper. Het bedrijf van het aandeel ziet daar helemaal niets van. Lagere koersen van hun aandelen kosten het bedrijf geen geld en hogere koersen leveren niets op, maar lagere koersen schaden wel het vertrouwen in het bedrijf en maken het lastig om vermogen aan te trekken).  
Bij een besloten vennootschap kunnen de aandelen alleen verkocht worden met toestemming van de andere aandeelhouders; bij een naamloze vennootschap (zoals Ahold, Randstad, Philips) gaat dat in de meeste gevallen via de beurs, waarbij in veel gevallen de banken als een soort tussenpersoon (intermediair) optreden. Dit houdt in dat de bank in naam van bijvoorbeeld de consument aandelen van een bezitter van die aandelen koopt. Vaak is dat dan ook weer een bank die uit naam van bijvoorbeeld een consument handelt. Naast particulieren kunnen ook banken, pensioenfondsen en bedrijven aandelen kopen en verkopen.
 
Op de beurs vindt de handel in onder andere aandelen plaats en wordt de prijs die op dat moment gemiddeld voor het aandeel wordt betaald geregistreerd. Die koers kan behalve stijgen ook dalen. Dat dalen houdt in dat als je aandelen van dat bedrijf hebt en je wilt ze dan verkopen, dat je dan een lagere prijs ontvangt dan op het eerdere moment. Je kunt echter ook wachten totdat de koers weer is gestegen. De aandelenkoers is immers constant aan het veranderen. De waarde van je beleggingsportefeuille verandert dus steeds. Het is pas echt geld als je de aandelen verkoopt. Tot die tijd is de stijging van de waarde aandelenportefeuille in principe virtueel. 
Je kunt je voorstellen dat aandelen die een hoge winstuitkering (dividend) opleveren gewild zijn. Dit hangt dus af van de winstperspectieven van het bedrijf. Als een bedrijf goede winstcijfers presenteert, en deze zijn beter dan verwacht, dan willen meer beleggers de aandelen van het bedrijf kopen, en dan stijgt de prijs van dat aandeel. Bij aandelen ben je het minst zeker over hoeveel je belegging gaat opleveren; voor de andere genoemde financiële producten is dit risico kleiner. Je weet hoeveel rente je krijgt; je weet hoeveel geld je na verloop van tijd terugkrijgt. Je bent dus in dat geval meer zeker wat je terugkrijgt – maar mist dus ook de kans dat je veel meer terugkrijgt dan het oorspronkelijke bedrag plus rente.

Het specifieke van de vermogensmarkt

In deze paragraaf gaan we bekijken wat de vermogensmarkt nu zo.n bijzondere markt maakt.

  1. Het verhandelde product. Op deze markt betalen mensen een prijs voor het feit dat ze tijdelijk over andermans geld (krediet) kunnen beschikken. Het eigendom blijft bij de uitlener, maar de lener kan er over beschikken. Het product komt in verschillende vormen voor: lange termijn, korte termijn met en zonder onderpand, openbaar of onderhands, enzovoort.
  2. Op deze markt kan men tegelijkertijd vrager en aanbieder zijn. Je hebt bijvoorbeeld een hypotheek op je huis en een spaarrekening bij de bank. Ook gedurende je leven kun je van vrager aanbieder worden en omgekeerd.
  3. De hoeveelheid geleend geld in een land heeft invloed op de hoogte van de inflatie en is daarmee van nationaal belang. Dat betekent dat de overheid toezicht moet houden en ingrijpen als het nodig is. Als banken veel te ver zouden gaan in hun kredietverlening dan kan het vertrouwen in het geld verdwijnen en het geldstelsel en daarmee de economie instorten.
  4. De vermogensmarkt is een markt met een zeer internationaal karakter. Dit is wel duidelijk geworden tijdens de kredietcrisis in 2008/2009. Het kapitaal beweegt zich zeer gemakkelijk en snel over de hele wereld. Dat heeft geweldige voordelen wat betreft de rente en de beschikbaarheid van kapitaal, maar ook enorme nadelen als er ergens iets mis gaat. Internationaal toezicht ontbreekt maar is misschien wel nodig.
  5. Net als op de arbeidsmarkt is de overheid een belangrijke vrager die “concurreert” met de particuliere sector. Bijna elk jaar komt de overheid geld tekort dat ze leent op de vermogensmarkt. Dit zorgt ervoor dat de vraag op de vermogensmarkt groter wordt, zodat het voor bedrijven moeilijker wordt en in elk geval duurder om geld te lenen.  
  6. Overkreditering leidt tot grote problemen voor een toenemend aantal gezinnen en bedrijven. Omdat steeds meer mensen het moeilijk vinden om met geld om te gaan steken ze zich teveel in de schulden en komen in de financiële en sociale problemen en doen dan een beroep op de overheid of de liefdadigheid.
  7. Voor spaartegoeden geldt een garantie bij de banken. Als een bank niet kan terugbetalen dan garanderen alle banken samen terugbetaling tot ongeveer € 20.000 per persoon. Tijdens de kredietcrisis is deze garantie door de overheid verhoogd tot € 100.000. Dit kan leiden tot “moreel gevaar” bij de keuze voor een bank om bij te sparen.

Missers van de markt

Ook op de vermogensmarkt kunnen dingen misgaan. De kredietcrisis, het drama rond Icesave en de ondergang van de DSB bank zijn recente voorbeelden.
Ook de problemen rond de woekerpolissen zijn een voorbeeld van wat er mis kan gaan op de vermogensmarkt.  
Omdat de vermogensmarkt van wezenlijk belang is voor het goed functioneren van ons geldstelsel en daarmee voor onze economie bemoeit de overheid zich met het functioneren van de vermogensmarkt.
 
Er zijn in Nederland twee toezichthouders die de vermogensmarkt in de gaten houden: de Autoriteit Financiele Markten (AFM) en De Nederlandsche Bank (DNB).

De Autoriteit Financiële Markten (AFM) houdt  toezicht op de financiële markten: op sparen,  beleggen, verzekeren en lenen. Het is belangrijk  dat het publiek, het bedrijfsleven en de overheid  vertrouwen heeft in de financiële markten.  En dat de markten op een duidelijke en eerlijke  manier werken. Daarom houden we toezicht op de  financiële markten.
De AFM houdt gedragstoezicht. De AFM controleert of consumenten duidelijke en eerlijke informatie krijgen.

De Nederlandse Bank (DNB) houdt ook toezicht op de financiële markten, het zogenaamde prudentiële toezicht. De DNB controleert of financiële ondernemingen hun verplichtingen nakomen.  De AFM is onafhankelijk. Toch is de AFM wel verbonden met de overheid. De minister van Financiën is politiek verantwoordelijk en benoemt het bestuur van de AFM. Hij keurt ook de begroting goed en stelt de heffingen vast. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is verantwoordelijk voor het toezicht op pensioenuitvoerders.

Er zijn twee soorten missers op de vermogensmarkt:

  1. De bedrijven die vermogen vragen geven onvoldoende of onduidelijke informatie over het “product dat ze verkopen”.
  2. Financiële instellingen kunnen niet (meer) aan hun verplichtingen voldoen.

Financiële producten

De laatste jaren zijn de banken, verzekeringen en andere financiële instellingen creatief geweest in het bedenken van financiële producten. Veel consumenten willen in de periode dat zij geld verdienen en wel wat opzij kunnen leggen voorzieningen treffen voor als ze met pensioen gaan. In andere gevallen kunnen kopers van huizen soms een hele hoge hypotheek krijgen als ze daar ook een levensverzekering of een arbeidsongeschiktheidsverzekering bijnemen.  
 
In de belastingwetgeving zijn regels opgenomen die de kosten van dit soort verzekeringen aftrekbaar maken. De financiële instellingen hebben de laatste jaren hiervoor vormen bedacht die ingewikkeld zijn, veel kleine lettertjes bevatten en voor een niet-deskundige nauwelijks te begrijpen zijn.
Bovendien was er aan deze producten door de tussenpersonen (banken, hypotheekadviseurs enz.) heel veel te verdienen.  
Op deze manier hebben heel veel mensen zulke verzekeringen afgesloten en blijken ze nu niet te krijgen wat hun beloofd is. In sommige gevallen blijven mensen na afloop van de hypotheekperiode met een enorme schuld zitten.
De AFM is de instantie die toezicht moet houden op het gedrag van de financiële instellingen. Ze controleren of die instellingen geen abnormaal hoge winst maken op de producten, of ze eerlijke en duidelijke informatie geven aan de consumenten en of er wel onafhankelijk advies wordt gegeven aan de consumenten.

Is de bank nog veilig?

Ons geldstelsel is een fiduciair geldstelsel, dat wil zeggen dat de intrinsieke waarde van het geld lager is dan de nominale. Dit stelsel werkt alleen als er sprake is van vertrouwen.
Op dezelfde manier werkt het ook met banken. Je bent alleen bereid je geld aan een bank toe te vertrouwen als je ervan overtuigd bent dat je je geld weer op kunt vragen als jij dat wilt. De banken moeten daarom een verplicht dekkingspercentage hanteren.
De Nederlandsche Bank is de instantie die in de gaten houdt dat Nederlandse banken zich aan de regels houden en niet onverantwoord veel uitlenen zodat het risico ontstaat dat ze niet meer terug kunnen betalen.  
Zodra mensen het vertrouwen in een bank verliezen gaan ze hun geld daar weghalen en komt de bank in de problemen. DSB is daar een voorbeeld van.
De Nederlandsche Bank moet er voor zorgen dat de mensen vertrouwen houden in de banken en het geld. Om deze reden heeft DNB tijdens de kredietcrisis de garantie voor spaargeld verhoogt tot € 100.000.

Het spook van de inflatie

Naast de twee missers van de markt is er nog een reden voor de monetaire overheid om in te grijpen in de vermogensmarkt. Kredietverlening door banken aan het publiek maakt de geldhoeveelheid groter. Die grotere geldhoeveelheid leidt tot meer bestedingen. Als nu die bestedingen zo groot worden dat de productiecapaciteit die vraag niet aankan dan gaan de prijzen stijgen en komt er inflatie en dat is een ongewenste situatie. Daarom heeft de Europese Centrale Bank de opdracht ervoor te zorgen dat de geldhoeveelheid niet te snel groeit. Dat betekent dus dat ze soms de kredietverlening afremt en soms de teugels weer wat laat vieren. Een extra reden dus om in te grijpen in de vermogensmarkt.

Ω

Print Friendly, PDF & Email