Wat moet je kennen voor het CE?

Economie op havo

De doelstelling van het vak economie

De doelstelling van het economieonderwijs is als volgt (Tweede commissie Teulings, Teulings, 2005, p. 18):
“Het vak economie bereidt leerlingen voor op een adequate deelname aan het maatschappelijk verkeer. Dit betekent dat leerlingen met behulp van de belangrijkste economische concepten de economische verschijnselen in de maatschappij begrijpen, verschijnselen waar ze als persoon in de verschillende rollen binnen huishouden, bedrijven of overheidsinstellingen mee te maken krijgen en waarbinnen zij beslissingen moeten nemen of waar zij als lid van de (nationale en internationale) samenleving mee te maken krijgen.”

Kern

“Het gaat erom dat leerlingen de economische kijk aanleren: leren hoe ze de economische concepten in steeds nieuwe contexten kunnen toepassen. Het nieuwe programma is erop gericht dat leerlingen de analogie tussen de uiteenlopende situaties gaan inzien.”

De examenstof

Het Centraal Schriftelijk Examen economie omvat de volgende onderdelen:

  • Domein A: Vaardigheden
  • Domein D: Markt
  • Domein E: Ruilen over de tijd
  • Domein F: Samenwerken en onderhandelen
  • Domein G: Risico en informatie
  • Domein H: Welvaart en groei
  • Domein I: Goede tijden, slechte tijden

De domeinen B Schaarste en C Ruil worden verondersteld gekend te zijn.  Deze domeinen zijn in de schoolexamens getoetst.

In de volgende hoofdstukken is uitgewerkt wat gekend moet worden van de domeinen.

Domein D  Markt

De kandidaat kan in contexten analyseren dat de keuzes en ruil die plaatsvinden worden gecoördineerd via de markt. Prijsvorming is het coördinatiemechanisme waarmee vraag en aanbod op elkaar worden afgestemd. De manier waarop prijsvorming plaatsvindt, is afhankelijk van de marktstructuur (marktvormen) en heeft gevolgen voor toetreding, welvaart en economische politiek.

Vraag en aanbod

Hoe streven consumenten een maximaal verschil na tussen de te betalen prijs en de betalingsbereidheid (de prijs die de consument maximaal bereid is te betalen).

Het marktevenwicht (evenwichtsprijs en evenwichtshoeveelheid) dat ontstaat als vraag en aanbod aan elkaar gelijk zijn.

De omzet als vermenigvuldiging van P en Q.

De factoren waardoor de vraagcurve en de aanbodcurve kunnen veranderen.

Het vraaggedrag van consumenten bij prijsveranderingen en inkomensveranderingen, alsmede hoe dit in prijselasticiteit en inkomenselasticiteit (beide segmentelasticiteit) tot uitdrukking komt.

De effecten van substitutie en complementariteit van goederen op het koopgedrag van consumenten.

Het verband tussen normale, inferieure en luxegoederen en de hoogte van de prijselasticiteit en/of de inkomenselasticiteit.

De marginale kosten en de marginale opbrengsten in relatie tot winstvraagstukken.

Winstgevende of verliesgevende uitbreiding van productie, wanneer de marginale kosten lager of hoger zijn dan de marginale opbrengsten.

Toetreding

De onderverdeling van totale kosten in vaste kosten en variabele kosten.

De winst voor een producent indien de totale opbrengsten hoger zijn dan de totale kosten.

Het break even punt (totale opbrengsten = totale kosten) als belangrijk omslagpunt bij de afweging om wel of niet toe te treden tot een markt.

Marktstructuur

Maximale (totale) winst en de wijze waarop producenten hiernaar streven in een markt van volkomen concurrentie.

Maximale (totale) winst en de wijze waarop een producent hiernaar streeft als sprake is van een monopolie.

Maximale (totale) winst en de wijze waarop producenten hiernaar streven in een markt van monopolistische concurrentie.

Maximale (totale) winst en de wijze waarop producenten hiernaar streven als er sprake is van een oligopolie.

Prijsdiscriminatie als een vorm van prijsbeleid waarmee een monopolist een deel van het totale consumentensurplus kan afromen.

Welvaart en economische politiek

De wijze waarop consumenten en producenten streven naar een maximaal consumentensurplus (het verschil tussen de betalingsbereidheid en de te betalen prijs) respectievelijk producentensurplus (het verschil tussen de ontvangen prijs en de minimale prijs waartegen men het goed wil aanbieden).

Inefficiënte uitkomsten die het gevolg zijn van het mechanisme van vraag en aanbod.

Het ingrijpen van de overheid met behulp van prijsregulering: minimumprijzen en maximumprijzen/

Het bewaken en eventueel ingrijpen door de overheid met behulp van toezichthouders op verschillende markten

Effecten van octrooien en patenten op marktgedrag en marktresultaat.

Domein E  Ruilen over de tijd

De kandidaat kan in de context van gezinshuishoudingen, ondernemingen en overheid analyseren dat ruil niet alleen op één moment in de tijd plaatsvindt maar ook over de tijd. De prijs die deze intertemporele ruil coördineert is de rente.

Gezinnen ruilen over de tijd

Voorraadgrootheden en stroomgrootheden en het belang van deze grootheden voor de verschillende ‘levensfasen’ waarin gezinnen zich bevinden.

De levensloop van gezinnen en waarom en wanneer zij sparen, investeren in zichzelf of een schuld opbouwen.

De prijs van sparen en lenen.

De keuze tussen en de argumentatie voor sparen en lenen, alsmede de financiële gevolgen van sparen en lenen.

Rente als de prijs voor het uitstellen van consumptie en het onderscheid tussen nominale en reële rente.

De invloed van inflatie op sparen en lenen.

De overheid ruilt over de tijd

Het verschil tussen de schuld van de overheid (staatsschuld) en een private schuld, en dat een overheidstekort gezien kan worden als een vorm van uitgestelde belastingheffing.

Inkomsten en uitgaven van de overheid als stroomgrootheden en de overheidsschuld als een voorraadgrootheid.

Pensioenvoorzieningen op basis van het omslagstelsel of het kapitaaldekkingsstelsel en dilemma’s die er bij de keuze tussen deze twee financieringswijzen zijn.

Domein F Samenwerken en onderhandelen

De kandidaat kan in contexten analyseren dat, wanneer belangen van individuele actoren conflicteren, samenwerken en onderhandelen meer surplus oplevert voor (markt)partijen dan te vertrouwen op het nastreven van eigenbelang. Centralisatie, waarbij (collectieve) dwang het middel is om acties tot stand te brengen, kan een alternatief coördinatiemechanisme zijn voor individuele keuzes.

Samenwerken

Een gevangenendilemma.

De wijze waarop de uitkomst van een gevangenendilemma tot stand komt.

De wijze waarop in een gevangenendilemma individuele of collectieve belangen worden geschaad.

Positieve en negatieve externe effecten.

Het gevangenendilemma in relatie tot collectieve goederen.

Meeliftgedrag en de manier waarop dit gedrag kan leiden tot een (negatief) extern effect.

Collectieve dwang en het nut ervan (sociale normen en contracten).

Zelfbinding en de invloed ervan bij de totstandkoming van samenwerking.

Onderhandelen

Samenwerkingsdilemma’s bij onderhandelingen als het gaat om de verdeling van het surplus en de consequenties hiervan voor beide partijen.

Verzonken kosten en gevolgen van verzonken kosten voor partijen die betrokken zijn bij onderhandelingen.

Domein G Risico en informatie

De kandidaat kan in contexten analyseren dat gezinnen en ondernemingen bij het maken van keuzes informatie verzamelen ten einde onzekerheid te verkleinen. Aangezien de informatie vaak een beperkt karakter zal hebben moeten transactiepartijen een inschatting maken van mogelijke gebeurtenissen (risico) en de mate waarin transactiepartners gebeurtenissen beïnvloeden of informatie achterhouden die relevant is voor het tot stand brengen van een transactie (asymmetrische informatie).

Risico en verzekeren

Risico-aversgedrag en de wijze waarop risico-aversgedrag een rol speelt bij de keuze voor het afsluiten van een verzekering.

De afweging van een verzekerde tussen kosten en risico bij het afsluiten van een verzekering.

Solidariteit bij verzekeren en op welke wijze er sprake is van solidariteit die risico’s kan verkleinen.

Motieven om bepaalde verzekeringen wel of niet verplicht voor te schrijven (verplichte solidariteit).

Eigen risico dat verzekeraars invoeren om zodoende averechtse selectie en/of moral hazard (risico op moreel wangedrag) te beperken.

Hoogte van eigen risico: de argumenten van een verzekerde bij een keuze voor een eigen risico en de argumenten van een verzekeraar bij de bepaling van het eigen risico.

Effecten van asymmetrische informatie

Asymmetrische informatie en de wijze waarop partijen daarop inspelen.

Averechtse selectie en de wijze waarop partijen daarop inspelen.

Moral hazard (risico op moreel wangedrag) en de wijze waarop partijen daarop inspelen.

Risico en beleggen

Het onderscheid tussen beleggingen met een hoog en beleggingen met een laag risico.

Het verschil tussen obligaties en aandelen ten aanzien van de mate van risico en het te verwachten rendement.

Het verband tussen een verandering van de rentestand en een koersverandering van aandelen en het verband tussen een verandering van de rentestand en een koersverandering van (vastrentende) obligaties.

Risico in bedrijf

De keuze omtrent het aantrekken van eigen en vreemd vermogen van een onderneming.

Onderpand en waarom onderpand het risico voor de kredietgever kan verminderen.

Domein H  Welvaart en groei

De kandidaat kan in contexten analyseren wat op nationaal en op mondiaal niveau de oorzaken zijn van economische groei en van de verdeling van inkomen en welvaart. Keuzes op microniveau werken door op macroniveau in elke economie die gekenmerkt wordt door wederzijds afhankelijke markten.

Welvaart

De relatie tussen het BBP en de toegevoegde waarde.

De vorming van het BBP (Bruto Binnenlands Product) en NBP (Netto Binnenlands Product) waarbij de volgende methoden kunnen worden onderscheiden:

  • de objectieve methode,
  • de subjectieve methode

De omvang van het BBP als zijnde een beperkte welvaartsmaatstaf rekening houdend met:

  • nominaal en reëel
  • eng versus ruim welvaartsbegrip
  • welvaartsbegrip per capita
  • de rol en omvang van de informele sector
  • Human Development Index en groen BBP

De vorming/totstandkoming van het BBP vanuit productie, inkomensvorming en de finale bestedingen.

Het systeem van de Nationale Rekeningen (inclusief de Staat van Middelen en Bestedingen), met in acht neming van de volgende sectoren:

  • gezinnen
  • ondernemingen
  • overheid
  • buitenland
  • financiële instellingen

De geldkringloop als weergave van basiselementen uit het systeem van de nationale rekeningen.

De Lorenzcurve als weergave van de verdeling van het primaire inkomen en het secundaire inkomen (percentage, percentielen, decielen, kwintielen).

Het bestaan van verschillen tussen de Lorenzcurves van landen.

Het bestaan van verschillende stelsels voor de inkomstenbelasting en de wijze waarop deze stelsels invloed hebben op de mate van inkomensongelijkheid tussen individuen en groepen (nivelleren en denivelleren).

De gevolgen van verschillende soorten belastingtarieven, zoals progressief, proportioneel en degressief, voor de inkomens (bruto-nettotraject en inkomensverhoudingen) met gebruikmaking van de parameters marginaal belastingtarief en heffingskorting.

Groei

Economische structuurontwikkeling en de groei van het BBP door inzet van de productiefactoren.

Het steeds groter wordende belang van menselijk kapitaal en technologische ontwikkeling als determinanten van economische groei en van groei van de arbeidsproductiviteit;

Het bestaan van productiviteitsverschillen tussen landen.

Convergentie en divergentie van ontwikkelingslanden en ontwikkelde landen aan de hand van de ontwikkeling van en determinanten voor het BBP.

Een classificatie van verschillende inkomenscategorieën alsmede ontwikkelingen in de categoriale inkomensverdeling.

De motieven voor het al dan niet aangaan van internationale samenwerkingsvormen in relatie tot welvaart en economische groei:

  • vrijhandel
  • protectie (zoals invoerrechten, contingentering, dumping, infant industry)

Domein I  Goede tijden, slechte tijden

De kandidaat kan in contexten analyseren waarom er sprake is van korte termijn schommelingen in economische activiteiten en welke mogelijkheden en grenzen er zijn voor conjunctuurbeleid. Conjunctuurschommelingen laten zich niet gemakkelijk beïnvloeden mede door toedoen van rigiditeiten.

Conjuncturele verschijnselen

De wijze waarop het nationale prijsniveau tot stand komt aan de hand van de geaggregeerde vraag en het geaggregeerde aanbod van de hoeveelheid goederen en diensten.

De gevolgen van prijsrigiditeit op de korte termijn.

De gevolgen van flexibele prijzen op de langere termijn.

De relatie tussen de geaggregeerde vraag en het prijsniveau en de daaruit resulterende neutraliteit van geld, aan de hand van de Verkeersvergelijking van Fisher.

De verandering van prijzen – inflatie en deflatie – van goederen en diensten en de invloed daarvan op de koopkracht van mensen.

De wijze waarop in situaties van laagconjunctuur door loonstarheid op korte termijn onvrijwillige werkloosheid ontstaat en op langere termijn, door werking van het marktmechanisme, het evenwicht op de arbeidsmarkt hersteld kan worden.

Welvaartsvaste uitkeringen en waardevaste uitkeringen.

Het aanbod van en de vraag naar een valuta als bepalende factoren voor de wisselkoers (prijs van een valuta).

Het aanbod van en de vraag naar valuta als gevolg van internationale transacties en de registratie van deze transacties op een betalingsbalans (lopende rekening en kapitaalrekening).

Het loonniveau, de arbeidsproductiviteit en de inflatie als factoren die invloed hebben op de internationale concurrentiepositie en daarmee op de betalingsbalans en de wisselkoers.

Registratie van conjunctuur

De berekening van de inflatie met behulp van het prijsindexcijfer.

Conjunctuurindicatoren en de wijze waarop deze indicatoren aanwijzingen kunnen zijn voor veranderingen in de groei van het BBP.

Het verschil tussen nominale en reële economische groei.

De feitelijke groei van het BBP in vergelijking met de trendmatige groei: laagconjunctuur/hoogconjunctuur.

Conjunctuurbeleid

Het onderscheid tussen anticyclisch en procyclisch conjunctuurbeleid en op welke wijze de overheid dit conjunctuurbeleid kan voeren.

Ingebouwde stabilisatoren en de wijze waarop deze een dempende invloed kunnen hebben op de schommelingen in de conjunctuur:

  • sociale uitkeringen
  • belastingen

De Europese Centrale Bank (ECB) of Centrale Banken van landen die niet onder de ECB vallen:

  • toezichthouder op de infrastructuur van financiële markten en betalingsinstrumenten
  • beheerder van eigen externe reserves
  • uitgever van bankbiljetten
  • toezichthouder op aanbieders van risicomijdende en risicozoekende beleggingen

De wijze waarop een centrale bank het rente-instrument kan inzetten om de inflatie af te remmen.