Zó kunnen we niet draaien! 2013 TV2

De gemeente Kreims verhuurt elk jaar gedurende de kermis alle standplaatsen voor attracties. De prijs per standplaats komt tot stand door een systeem van gesloten verhuur: zie bron 1. De huursom is een bron van inkomsten voor de gemeente. Bij het aanbieden van de standplaatsen kan de gemeente aanvullende eisen stellen.

Bron 1

Systeem van gesloten verhuur

Bij een gesloten verhuur maakt elke kermisexploitant zijn betalingsbereidheid voor een standplaats bekend in een gesloten envelop die tot een bepaalde datum kan worden ingeleverd bij de gemeente. Na die datum maakt de gemeente een keuze uit de binnengekomen enveloppen. De aanbieders met het hoogste bod krijgen een standplaats.

Vraag 1

Van welke marktvorm is er sprake bij de verhuur van standplaatsen op de kermis van Kreims?

Antwoord vraag 1

Er is maar één aanbieder van standplaatsen op de kermis. De marktvorm is dus monopolie.

Vraag 2

Maak van de onderstaande zinnen een economisch juiste tekst.

Door …(1)… omtrent de biedingen van andere aanbieders zal elke kermisexploitant individueel een zo …(2)… mogelijke huurprijs bieden. Zo ontstaat op de kermis van Kreims …(3)… en zal de totale opbrengst voor de gemeente Kreims zo …(4)… mogelijk worden.
Kies uit:
bij (1)  de onzekerheid / het risico
bij (2)  hoog / laag
bij (3)  averechtse selectie / een gevangenendilemma
bij (4)  hoog / laag

Antwoord vraag 2

Door de onzekerheid omtrent de biedingen van andere aanbieders zal elke kermisexploitant individueel een zo hoog mogelijke huurprijs bieden. Zo ontstaat op de kermis van Kreims een gevangenendilemma en zal de totale opbrengst voor de gemeente Kreims zo hoog mogelijk worden.

 

John de Draaijer is exploitant van kinderattractie de Plob. Al jaren staat hij met de Plob op de kermis in Kreims. In 2010 stelde John de ritprijs vast op € 3,50. Opbrengsten en kosten van de Plob staan in bron 2.

Bron 2
Bron 2
Vraag 3

Hoe blijkt uit bron 2 dat John bij een ritprijs van € 3,50 in 2010

  • wel winst maakte, maar
  • niet de maximale totale winst behaalde?

Licht het antwoord toe met vermelding van gegevens uit bron 2.

Antwoord vraag 3

Op deze vraag zijn twee oplossingen correct.

1 Berekening

Bij een prijs van € 3,50 is Q, het aantal verkochte ritjes:

  • 3,50 = -Q + 7. Q = 7 – 3,5. Q = 3,5 wat betekent 350 verkochte ritjes.

Bij Q = 3,5 is de GTK:

  • GTK = 1 + 7,7/Q. GTK = 1 + 7,7/3,5. GTK = 1 + 2,2. GTK = € 3,20.

John maakt dus winst want de GO > GTK. (1 punt)

Maar zijn winst is niet maximaal omdat de MO < MK. MO is: -2 x 3,5 + 7 = 0 en de MK is 1. (1 punt)

2 Aflezen uit de grafiek

Bij een prijs van € 3,50 de afzet 350 ritten bedraagt, waarbij de gemiddelde opbrengst GO hoger is dan de gemiddelde totale kosten GTK. (1 punt)

De totale winst is niet maximaal omdat bij 350 ritten de marginale kosten MK hoger zijn dan de marginale opbrengsten MO. (1 punt)

Vraag 4

Arceer op de uitwerkbijlage de totale winst van de Plob per dag op de kermis van Kreims in 2010.

Antwoord vraag 4

 

In 2011 wil de gemeente Kreims de kermis beter betaalbaar maken voor alle kinderen door maximumprijzen vast te stellen. Voor de Plob wordt dat maximaal € 1,20 per rit. John is het niet eens met de hoogte van de maximumprijs. Hij durft echter niet zijn betalingsbereidheid voor de standplaats te verlagen, omdat hij niet weet wat de andere aanbieders zullen doen. John: “Als ik die maximumprijs reken, kan ik zelfs mijn vaste kosten niet dekken.”

Vraag 5

Heeft John gelijk? Verklaar het antwoord met een berekening.

Antwoord vraag 5

John heeft gelijk.

  • Bij P = 1,20 wordt Q: 1,2 = -Q + 7. Q = 7 – 1,2. Q = 5,8 (580 ritjes). De omzet = P x Q = 1,20 x 580 = € 696.
  • De vaste kosten kunnen afgeleid worden uit de GTK-vergelijking: GTK = 1 + 7,7/Q. I deze vergelijking staat de 1 voor de GVK = MK = € 1,00. De 7,7 staat voor de vaste kosten. Deze vaste kosten worden namelijk verdeeld over het aantal verkochte ritjes. Omdat Q het aantal ritten is x 100 moet 7,7 met 100 worden vermenigvuldigd. De vaste kosten zijn dus 7,7 x 100 = € 770.

Bij een P = 1,20 zijn de vaste kosten dus hoger dan de omzet.

Ω